id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 30 april 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.182.610 Rolnummer: A. 84461/X-8990 Zaak: Arrest 182610 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 30/04/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-05-16 Raadplegingen: 55 - laatst gezien 2026-06-29 07:59 Fiche Arrest nr 182.610 van 30 april 2008 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 182.610 van 30 april 2008 in de zaak A. 84.461/X-
- In zake :
- Marcel HAEMELS,
- Maria WOLFS,
- Erik MORIS (overleden), rechtsgeding hervat door: a. Frits MORIS, b. Helene MORIS,
- Maria VAN CRAEN, die woonplaats kiezen bij advocaat D. LINDEMANS, kantoor houdende te 1000 BRUSSEL, Keizerslaan 3 tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat G. BERVOETS, kantoor houdende te 2800 MECHELEN, Gerechtstraat
- tussenkomende partij : de gemeente KEERBERGEN, die woonplaats kiest bij advocaat H. SEBREGHTS, kantoor houdende te 2018 ANTWERPEN, Mechelsesteenweg
- D E R A A D V A N S T A T E, Xe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Marcel HAEMELS, Maria WOLFS, Erik MORIS en Maria VAN CRAEN op 31 mei 1999 hebben ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 24 maart 1999 van de Vlaamse minister van Openbare Werken, Vervoer en Ruimtelijke Ordening waarbij de beslissing van 6 augustus 1998 van de bestendige deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant houdende verlening van een stedenbouwkundige vergunning voor het bouwen van een woning en een carport te Keerbergen, Nachtegalendreef, kadastraal bekend sectie G, nr. 126/h/2, wordt vernietigd; X-8990-1/11 Gezien het verzoekschrift tot tussenkomst, op 30 juli 1999 ingediend door de gemeente KEERBERGEN; Gelet op de beschikking van 8 november 2000 die de tussenkomst van de gemeente KEERBERGEN toelaat; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien de memorie van de tussenkomende partij; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur J. CLEMENT; Gelet op de beschikking van 22 januari 2003 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memories; Gezien het uittreksel uit het register der overlijdensakten van de gemeente Keerbergen waaruit blijkt dat Erik MORIS op 20 december 2004 te Keerbergen is overleden; Gezien het op 9 mei 2005 aan de Raad van State gerichte verzoekschrift waarbij Frits MORIS en Helene MORIS verklaren het geding te hervatten; Gelet op de beschikking van 20 februari 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 14 maart 2008; Gehoord het verslag van staatsraad P. LEFRANC; Gehoord de opmerkingen van advocaat F. DE PRETER, die loco advocaat D. LINDEMANS verschijnt voor verzoekers, van advocaat G. BERVOETS, die verschijnt voor de verwerende partij, en van advocaat H. SEBREGHTS, die verschijnt voor de tussenkomende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur J. CLEMENT; X-8990-2/11 Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; OVERWEEGT WAT VOLGT :
- De feiten 1.
- Op 28 februari 1996 dienen “dhr. & mevr. Haemels- Wolfs woonachtig te Piervenshoek 23 3140 Keerbergen” en “dhr. & mevr. Moris - Van Craen woonachtig te Stationsstraat 33 en Putsebaan 45 3140 Keerbergen” een bouwaanvraag in voor “het bouwen van een woning + carport” op het onverdeelde perceel, gelegen te Keerbergen, Nachtegalendreef, kadastraal bekend sectie G, nr. 126/ h
- 1.
- Het betrokken perceel is gelegen binnen het gebied van het bij koninklijk besluit van 8 september 1964 vastgesteld bijzonder plan van aanleg nr. 3 “De Boszone” en meer bepaald in een zone voor open bebouwing. 1.
- Volgens het bij koninklijk besluit van 7 april 1977 vastgestelde gewestplan Leuven is het betrokken perceel gelegen in parkgebied. 1.
- Het betrokken perceel is niet gelegen binnen de grenzen van het bij ministerieel besluit van 18 april 1984 vastgesteld bijzonder plan van aanleg “Pommelsvenne” tot wijziging van voornoemd bijzonder plan van aanleg nr. 3 “De Boszone”. 1.
- Het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Keerbergen weigert bij besluit van 28 maart 1996 de gevraagde vergunning te verlenen. 1.
- Door de eerste en de oorspronkelijke derde verzoeker wordt op 7 mei 1996 namens bovengenoemde aanvragers een administratief beroep ingesteld tegen dit weigeringsbesluit. 1.
- Op 27 december 1996 wordt een notariële akte van verdeling opgemaakt waarbij het voormelde perceel in vier kavels wordt verdeeld. De eerste en de tweede verzoekers worden hierdoor gezamenlijk eigenaar van de loten 2 en X-8990-3/11
- De oorspronkelijke derde verzoeker wordt alleen eigenaar van lot 1 waarop de gevraagde bouwwerken zijn voorzien, en de vierde verzoekster van lot
- In de notariële verdelingsakte wordt de volgende verbintenis opgenomen: “De echtgenoten Haemels-Wolfs, de Heer Moris Erik en Mevrouw Van Craen Maria, ingevolge onderhavige deling thans elk afzonderlijk eigenaar van de hen toebedeelde percelen in deze grotere eigendom, verbinden zich onderling, wat ook het resultaat moge zijn van het aangetekende beroep, om gezamenlijk op te treden teneinde hetzij zo nodig hoger beroep aan te tekenen, hetzij te voldoen aan de voorwaarden welke zouden kunnen opgelegd worden bij inwilliging van het eerste beroep. Zij verbinden zich steeds het gezamenlijk belang van het betrokken gehele perceel, ook als afzonderlijke eigenaars, te zullen behartigen”. 1.
- Bij besluit van 6 augustus 1998 willigt de bestendige deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant het beroep in van “de Cons. Haemels- Wolfs & Moris - Van Craen” en verleent ze de bouwvergunning “op basis van een aangepast plan”. Het wordt niet betwist dat in uitvoering van artikel 2 van dit besluit, de betekening ervan geschiedt door middel van een aangetekende zending met ontvangstbewijs aan “de Cons. Haemels - Wolfs & Moris - Van Craen, p.a. Piervenshoek 23 te 3140 Keerbergen”. 1.
- Op 14 september 1998 stelt zowel de gemachtigde ambtenaar als het college van burgemeester en schepenen tegen dit laatste besluit beroep in bij de bevoegde minister. Op dezelfde dag verzendt de gemachtigde ambtenaar een afschrift van dit beroep aan de “Cons. Haemels - Wolfs & Moris - Van Craen P/a Piervenshoek 23 3140 Keerbergen”. Het college van burgemeester en schepenen deelt geen afschrift mee van zijn beroep aan de laatstgenoemden. 1.
- Bij aangetekende brief van 29 september 1998 vragen de eerste en de oorspronkelijke derde verzoeker om gehoord te worden bij de behandeling van de zaak. Bij brief van 14 oktober 1998 worden “Haemels-Wolfs, Moris-Van Craen” op het voormelde correspondentieadres opgeroepen voor de hoorzitting van 10 november
- Bij brief van 30 oktober 1998 meldt de raadsman van verzoekers zijn tussenkomst “voor de beroepers” en bevestigt hij de telefonische afspraak om de hoorzitting te verdagen naar 17 november 1997, waarna een nieuwe uitnodiging wordt verstuurd aan voornoemden op hetzelfde correspondentieadres. De verdaging van de hoorzitting naar 30 november 1998 wordt bij brief van 4 november 1998 opnieuw aan voornoemden op hetzelfde correspondentieadres en aan de raadsman van de beroepers meegedeeld. Bij brief van 29 januari 1999 aan Arohm, Afdeling X-8990-4/11 Stedebouwkundige Vergunningen, wijst laatstgenoemde raadsman “er ook op dat het beroep van de gemachtigde ambtenaar enkel werd aangezegd aan de heer en mevrouw Haemels. Mijn cliënten Moris-Van Craen werden nooit in kennis gesteld van dit beroep. Derhalve lijkt ook dit beroep onontvankelijk te moeten worden verklaard”. 1.
- Bij het bestreden besluit van 24 maart 1999 verklaart de Vlaamse minister van Openbare Werken, Vervoer en Ruimtelijke Ordening het beroep van het college van burgemeester en schepenen onontvankelijk, willigt hij het beroep van de gemachtigde ambtenaar in en vernietigt hij “de beslissing van 6 augustus 1998 van de bestendige deputatie (...) houdende toekenning van bouwvergunning aan de consoorten Haemels-Wolfs en Moris-Van Craen”. Wat betreft de ontvankelijkheid van het beroep van de gemachtigde ambtenaar wordt gesteld wat volgt: “(...) Overwegende dat de betekening van de beslissing van de bestendige deputatie gebeurde op 19 augustus 1998; dat het beroep van het college van burgemeester en schepenen en dat van de gemachtigde ambtenaar ingesteld werd binnen dertig dagen na de ontvangst van de beslissing; dat in deze context vooreerst door de raadsman van de particulieren de onontvankelijkheid van beide beroepen wordt vooropgesteld en dit omdat in de eerste plaats niet alle betrokken partijen persoonlijk in kennis werden gesteld van het hoger beroep van het college van burgemeester en schepenen en van de gemachtigde ambtenaar; (...) Overwegende dat de bouwaanvraag werd ingediend door de consoorten Haemels-Wolfs, Piervenshoek 23, 3140 Keerbergen en Moris-Van Craen, Stationsstraat 33 en Putsebaan 45, 3140 Keerbergen; dat de beslissing van de bestendige deputatie aangetekend ter kennis werd gebracht aan beide aanvragers doch op één adres, namelijk ‘p/a Piervenshoek 23, 3140 Keerbergen’; dat de kennisgeving van het beroep van de gemachtigde ambtenaar dan ook maar aan één adres werd overgemaakt; dat een afschrift van dit aangetekend schrijven zich in het dossier bevindt; Overwegende dat door de advocaat van de aanvragers gesteld wordt dat het beroep van de gemachtigde ambtenaar onontvankelijk zou zijn omdat het beroep van de gemachtigde ambtenaar enkel werd aangezegd aan de heer en mevrouw Haemels en de mede-aanvragers Moris-Van Craen nooit in kennis werden gesteld van dit hoger beroep; dat in casu inderdaad het beroepschrift van de gemachtigde ambtenaar aan beide consoorten gezamelijk ter kennis werd gebracht en niet aan elk lid afzonderlijk en persoonlijk van deze beide aanvragers; dat de stellingname in verband met de onontvankelijkheid evenwel niet kan worden bijgetreden; dat namelijk elke bij de aanvraag betrokken familie wel degelijk op de hoogte blijkt te zijn van het beroep, weliswaar middels de betekening op één adres; dat door geen enkele partij een onbetwistbare ‘onwetendheid’ kan worden ingeroepen; dat dit ook blijkt uit de gegevens van het dossier en uit het verder verloop van de procedure waar blijkt dat de uitnodiging voor de hoorzittingen van 14 oktober 1998, 30 oktober 1998 (op vraag van betrokkenen uitgesteld) en 4 november 1998 door beide partijen X-8990-5/11 werden ontvangen; dat op 4 november 1998 de heer Haemels en de heer Moris samen aanwezig waren op de afspraak voor ‘inzage van het dossier’ op de afdeling Stedenbouwkundige Vergunningen en beide heren tevens aanwezig waren op de hoorzitting van 30 november 1998, dat door de raadsman van de particulieren en de particulieren zelf tijdens de hoorzitting geen enkel concreet gegeven naar voren werd gebracht waaruit blijkt dat de betrokkenen niet naar behoren voor hun rechten konden opkomen of hun belangen onvoldoende konden verdedigen; dat dit verder ook uit geen enkel gegeven van het dossier blijkt; dat door de advocaat dit gegeven enkel wordt aangebracht bij een schrijven 29 januari 1999, nà de hoorzitting, en dit gelet op een bijkomende inzage van het dossier dat door gemeente werd neergelegd tijdens de hoorzitting, en waarbij tevens de onontvankelijkheid van het beroep het college van burgemeester en schepenen werd vastgesteld; dat, gelet op bovenvermelde overwegingen, op dit vlak aldus kan worden besloten dat uit geen enkel gegeven blijkt dat de rechtmatige belangen van een betrokken partij werden geschaad; dat het beroep van de gemachtigde ambtenaar aldus wel degelijk als ontvankelijk kan worden beschouwd; (...)”.
- De ontvankelijkheid 2.
- De verwerende partij werpt in de memorie van antwoord een exceptie van onontvankelijkheid op. Zij stelt dat “verzoekers geen belang meer bij deze vordering (hebben) tenzij zij alsnog bewijzen eigenaar te zijn van of op enig andere wijze aanspraken te maken op het kwestige perceel”. Voorts stelt zij dat “alleszins de heer en mevrouw Haemels-Wolfs geen belang hebben” omdat “op hun eigen adres de beslissing van de Bestendige Deputatie ter kennis werd gebracht” en “zij er geen belang bij hebben dat deze beslissing niet ter kennis zou zijn gekomen van de heer Moris en mevrouw Van Craen (quod non)”. 2.
- De verzoekers repliceren in de memorie van wederantwoord dat zij “wel een belang (hebben) vermits zij eigenaars zijn van de betreffende percelen. Dit blijkt duidelijk uit de verdelingsakte van 27 december 1996”. Voorts stellen zij dat zij “op 16 februari 2000 een verbintenis betreffende bovenvermelde vier kavels (hebben) laten registreren, waaruit duidelijk blijkt dat zij nog steeds de eigenaars zijn”. Wat de exceptie ten aanzien van de eerste twee verzoekers betreft, repliceren zij dat de bouwaanvraag betrekking had op het bouwen van één woning met carport op het perceel dat ten tijde van de bouwaanvraag een onverdeelde eigendom was van de verzoekers en dat de verdeling nadien in kavels irrelevant is ten opzichte van hun gezamenlijke bouwaanvraag en niets verandert aan hun belang. X-8990-6/11 2.
- In de laatste memorie betogen de verzoekers dat “(i)n de loop van de administratieve procedure (...) het eigendomsstatuut van de grond gewijzigd (is), en dit door de overeenkomst van 27 december
- Na deze overeenkomst was enkel de derde verzoekende partij nog eigenaar van het goed. De partijen hadden evenwel zeer duidelijk niet de wil om de aanvraag over te dragen op de derde verzoekende partij. In de akte werd immers opgenomen dat zij zich ertoe verbonden (...) gezamenlijk op te treden”. Voorts argumenteren zij dat de vergunningverlenende overheid zich niet inlaat met het eigendomsstatuut en volgens de rechtspraak van de Raad van State “diegene aan wie een voordeel is geweigerd belang heeft om een rechtsvordering in te stellen om dat voordeel alsnog te verkrijgen”. 2.
- Om van het wettelijk vereiste belang te doen blijken, moeten de verzoekers aantonen dat zij ofwel nadeel lijden door de bestreden handeling en dat nadeel wegvalt in geval van vernietiging van die beslissing, ofwel dat zij een direct, persoonlijk voordeel halen uit die vernietiging. Uit de voormelde verdelingsakte van 27 december 1996 volgt dat de eerste, tweede en vierde verzoekers sedertdien geen zakelijk recht meer op lot 1 van het verdeelde perceel kunnen doen gelden. De eerste, tweede en vierde verzoekers tonen niet aan dat zij nadeel lijden doordat hen de mede door hen als mede-eigenaars gevraagde bouwvergunning werd geweigerd nadat zij op dat betrokken lot 1 ingevolge de eigendomsoverdracht geen enkel zakelijk recht meer konden laten gelden. De verbintenis die de vier verzoekers onderling hebben aangegaan bij die uitonverdeeldheidtreding om “het gezamenlijk belang van het betrokken gehele perceel, ook als afzonderlijke eigenaars, te zullen behartigen” verleent de eerste, tweede en vierde verzoekers niet het rechtens vereiste persoonlijk belang voor het instellen van het beroep tot nietigverklaring tegen de bestreden beslissing. De verbintenis die de verzoekers op 14 februari 2000 na het instellen van het annulatieberoep, onderling hebben aangegaan “(o)m de rechten en plichten der onderscheiden eigenaars van de toebedeelde kavels te vrijwaren” vermag zulks evenmin. De toekenning van de gevraagde bouwvergunning kan hun derhalve van geen nut zijn. Een vernietiging van het bestreden weigeringsbesluit kan dat evenmin zijn. De eerste, tweede en vierde verzoekers hebben niet het rechtens vereiste persoonlijk belang bij het ingediende beroep. Het beroep tot nietigverklaring is in zover door de eerste, tweede en vierde verzoekers ingesteld, onontvankelijk. X-8990-7/11
- De gegrondheid 3.
- Het enig middel van de derde verzoeker is afgeleid uit de schending van artikel 53, § 2 van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996 en van artikel 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen. De derde verzoeker betoogt in het verzoekschrift dat het administratief beroep van de gemachtigde ambtenaar in het bestreden besluit ten onrechte ontvankelijk werd verklaard terwijl dat beroep “niet op de wettelijk voorgeschreven wijze ter kennis werd gebracht van de aanvragers”. Voorts argumenteert hij dat het “bestreden besluit zonder nadere toelichting oordeelt dat de non-conforme kennisgeving de belangen van de betrokken partijen niet heeft geschaad” omdat “de door haar ingeroepen elementen deze stelling niet kunnen schragen en zelf als dusdanig getuigen van een foute inschatting van de constellatie van de belanghebbende partijen-aanvragers”. 3.
- De verwerende partij repliceert in de memorie van antwoord dat de gemachtigde ambtenaar “geen inbreuk (heeft) gepleegd op de voorgeschreven wijze van het ter kennis brengen van het beroep aan de aanvrager”, het per aangetekende post verzonden schrijven van de gemachtigde ambtenaar gericht was aan de “Consoorten Haemels-Wolfs en Moris-Van Craen” en door hen werd ontvangen, het “contactadres” waarnaar dit schrijven werd gericht, vermeld werd in het besluit van de bestendige deputatie waartegen de gemachtigde ambtenaar het beroep heeft ingesteld, dit beroepen besluit van de bestendige deputatie naar dat “contactadres” werd verzonden, eerst na de hoorzitting die opmerking werd gemaakt door de raadsman van de verzoekers. Voorts argumenteert zij dat de minister “zijn beslissing wel degelijk op basis van deze gegevens kon schragen en er helemaal geen foute inschatting van de constilatie van de verzoekers bestaat”. 3.
- De derde verzoeker dupliceert in de memorie van wederantwoord dat “de gemachtigde ambtenaar zijn beroepsakte individueel aan elke verzoekende partij (diende) ter kennis (te) brengen” omdat “de bouwaanvrager (...) op gelijke voet moet worden gesteld met de minister” wat betekent dat “de aanvrager moet beschikken over het beroepsschrift waarover de minister beschikt”, de oorspronkelijke bouwaanvraag en het beroepschrift bij de bestendige deputatie de adressen opgeven van de respectieve verzoekers, het weigeringsbesluit van het college van burgemeester en schepenen en het thans bestreden besluit verzonden X-8990-8/11 werden naar hun respectieve adressen. Voorts is de gemachtigde ambtenaar uitgegaan van één aanvrager en de minister in het bestreden besluit van twee aanvragers terwijl er in werkelijkheid vier aanvragers met drie adressen waren. 3.
- De tussenkomende partij stelt dat de bouwvergunning die werd verleend door de bestendige deputatie slechts naar één adres werd verstuurd, “nl. het contactadres van de verzoekende partijen” zodat de gemachtigde ambtenaar “zijn beroepschrift enkel aan dit adres, per attentie van alle aanvragers, (diende) te verzenden”. Ondergeschikt betoogt zij dat de belangen van de derde verzoeker “allerminst werden geschonden” omdat “(v)erzoekende partijen (...) met betrekking tot de bouwvergunningsaanvraag steeds als een eenheid (zijn) opgetreden”. 3.
- Artikel 53, § 2, van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996, zoals van toepassing op het ogenblik van het bestreden besluit bepaalt : “§
- Het college van burgemeester en schepenen alsook de gemachtigde ambtenaar kunnen bij de Vlaamse regering in beroep komen binnen dertig dagen na de ontvangst van de beslissing van de bestendige deputatie tot verlening van een vergunning. Dit beroep, evenals de termijn voor instelling van het beroep, schorst de vergunning. Het wordt tezelfder tijd ter kennis van de aanvrager en van de Vlaamse Regering gebracht. Komt de gemachtigde ambtenaar in beroep, dan geeft deze daarvan bovendien kennis aan het college”. 3.
- Uit de niet betwiste gegevens van de zaak blijkt dat de oorspronkelijke aanvraag werd ingediend door “dhr. & mevr. Haemels-Wolfs (...) dhr. & mevr. Moris-Van Craen” die zich daarna er onderling toe hadden verbonden om “het gezamenlijk belang van het betrokken gehele perceel, ook als afzonderlijke eigenaars, te zullen behartigen”, de eerste en de derde verzoekers namens “Haemels- Wolfs Marcel” en “Moris-Van Craen Erik” een beroep hebben ingesteld bij de bestendige deputatie tegen het weigeringsbesluit van 28 maart 1996 van het college van burgemeester en schepenen, het inwilligingsbesluit van de bestendige deputatie enkel werd betekend aan de “Cons. Haemels-Wolfs & Moris-Van Craen, p.a. Piervenshoek 23 te 3140 Keerbergen” en dat het beroep van de gemachtigde ambtenaar aan de “Cons. Haemels-Wolfs & Moris-Van Craen, P/a Piervenshoek 23 3140 Keerbergen” werd ter kennis gebracht. 3.
- Uit het bovenstaande volgt dat de consoorten Haemels-Wolfs en Moris-Van Craen als aanvrager in de zin van artikel 53, § 2, van voornoemd decreet gelden waarvoor in de administratieve beroepsprocedure een correspondentieadres X-8990-9/11 werd opgegeven en aangewend. In de voormelde omstandigheden geldt de niet betwiste kennisgeving door de gemachtigde ambtenaar aan het adres van de eerste en tweede verzoekers als een kennisgeving aan de aanvrager zelf en derhalve aan de derde verzoeker. Er bestonden in de onderhavige zaak goede gronden om “het beroep van de gemachtigde ambtenaar aldus wel degelijk (...) ontvankelijk” te verklaren in het bestreden besluit omdat uit de gegevens van het dossier enerzijds niet blijkt dat de derde verzoeker het besluit van de bestendige deputatie niet ontvangen heeft terwijl hij nochtans op dat ogenblik de uitsluitende eigenaar van het betrokken lot 1 was geworden en anderzijds wel blijkt dat de derde verzoeker naar aanleiding van het beroep van de gemachtigde ambtenaar van 14 september 1998 aan de bevoegde minister bij schrijven van 29 september 1998 zonder meer gevraagd heeft om gehoord te worden. In de gegeven omstandigheden kan uit de kennisgeving van het beroep van de gemachtigde ambtenaar niet worden afgeleid dat deze kennisgeving geschiedde met schending van artikel 53, § 2, van het decreet betreffende ruimtelijke ordening gecoördineerd op 22 oktober
- Het bestreden besluit schendt derhalve geen van de ingeroepen wettelijke bepalingen. Het middel is niet gegrond. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
- Het beroep wordt verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 694,12 euro, komen ten laste van de eerste, tweede en vierde verzoekende partijen en van de nalatenschap van de derde verzoekende partij, elk voor een vierde. De kosten van de tussenkomst, bepaald op 123,95 euro, komen ten laste van de tussenkomende partij. X-8990-10/11 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op dertig april 2008, door de Xe kamer, die was samengesteld uit : de HH. R. STEVENS, kamervoorzitter, J. BOVIN, staatsraad, P. LEFRANC, staatsraad, Mevr. T. TEMMERMAN, griffier. De griffier, De voorzitter, T. TEMMERMAN. R. STEVENS. X-8990-11/11 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.182.610 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div