id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 30 april 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.182.651 Rolnummer: A. 187951/X-13747 Zaak: Arrest 182651 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 30/04/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-05-07 Raadplegingen: 60 - laatst gezien 2026-06-29 07:59 Fiche Arrest nr 182.651 van 30 april 2008 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 182.651 van 30 april 2008 in de zaak A. 187.951/X-13.747. In zake : Anne SIMPELAERE, die woonplaats kiest bij advocaat P. JONGBLOET, kantoor houdende te 1000 BRUSSEL, Jan Jacobsplein 5 tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat Y. FRANÇOIS, kantoor houdende te 8790 WAREGEM, Eertbruggestraat 10. DE VOORZITTER VAN DE Xe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Anne SIMPELAERE op 23 april 2008 heeft ingediend om bij uiterst dringende noodzakelijkheid de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van het besluit van 17 april 2008 van de Vlaamse minister van Financiën en Begroting en Ruimtelijke Ordening houdende vernietiging van het besluit van 11 februari 2008 van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Koksijde waarbij haar de stedenbouwkundige vergunning werd verleend tot het verbouwen van een woning aan de Robert Vandammestraat nr. 169, kadastraal bekend sectie A, nr. 822/a; Gezien de nota van de verwerende partij; Gelet op de beschikking van 24 april 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 29 april 2008; Gehoord het verslag van kamervoorzitter R. STEVENS; Gehoord de opmerkingen van advocaat P. JONGBLOET, die verschijnt voor de verzoekster, en van advocaat Y. FRANÇOIS, die verschijnt voor de verwerende partij; X-13.747-1/12 Gehoord het eensluidend advies van auditeur T. DE WAELE; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; OVERWEEGT WAT VOLGT : 1. De feiten De verzoekster zet de feiten als volgt uiteen : “Verzoekster is eigenaar van een onroerend goed gelegen te Koksijde, R. Vandammestraat nr. 169, 3de afdeling, gekadastreerd of geweest zijnde Sectie A nummers 821A, 822A, 824B., goed dat volgens de geldende gewestplanvoorschriften gelegen is in natuurgebied. In de zomer van 1998 vatte verzoekster aan deze woning, die erg onderkomen was, verbouwingswerken aan. Naar aanleiding van deze verbouwingswerken, werden tevens twee garages aangebouwd. De uitvoering van deze werken werd vastgesteld op 30 september 1998, datum waarop de werken werden stilgelegd. Deze werken liggen tot op vandaag stil. Het PV van vaststelling van 30 september 1198 vermeldt het volgende : S aan de zuidgevel - deur werd toegemetst - ramen werden vergroot S aan de oostgevel - twee garages + berging worden aangebouwd S aan de westgevel - terras wordt aangebouwd Onmiddellijk na deze vaststelling deed verzoekster de twee wederrechtelijk in aanbouw zijnde garages slopen. Dit werd vastgesteld bij opvolgend PV van 19 november 1998. Dit PV bevat tevens een meer gedetailleerd overzicht van de in uitvoering zijnde werken : ‘volgende werken en handelingen (waren) wederrechtelijk in uitvoering en (worden) in stand gehouden : 1. aanbrengen van een nieuwe dakconstructie (nieuwe standvensters en volledig nieuw daktimmerwerk) 2. aanbrengen van nieuw binnenmetselwerk, quasi 90 % van alle binnenmetselwerk is nieuw met inbegrip van het aanbrengen van volledig nieuwe gewelven 3. plaatsen van nieuwe rioleringen (regenputten inbegrepen) 4. terug dichtmetsen van de opening in de westgevel, die reeds eerder gemaakt was zoals vastgesteld op 30/09/1998 met PV politie Koksijde nr. VU 66.23.1628/1998. tevens werd vastgesteld dat de twee constructies aan de oostgevel (twee garages en berging) waarvan sprake in voormeld PV niet meer aanwezig zijn 5. oprichten van een houten afsluitingswand 6. het oprichten van een houten bergplaats (ca. 20 X 3 m.)met deels betonbevloering en hellend dak 7. aanleggen steenslagverharding als toegangsweg 8. oprichten houten garage (bergplaats tuinhuis) X-13.747-2/12 9. oprichten garage(metalen constructie 4mX6 met aangebouwd hondenhok 10. oprichten betonnen palen met metalen buis als afsluiting aanpalende weide 11. plaatsen van arduinplinten rond woning 12. plaatsen van nieuw schrijnwerk in de bestaande en nieuwe gevelopeningen (PV 66.23.3628/98) Bij herstelvordering dd. 19 november 1998 vordert de gemachtigde ambtenaar de volledige afbraak van het gebouw. Deze herstelvordering is echter gebaseerd op een verkeerde lezing van het hierboven geciteerde PV van vaststelling. Waar dit PV vermeldt dat 90 % van het binnenmetselwerk werd vervangen, staat in de herstelvordering te lezen dat 90 % van alle dragende ruwbouw zou zijn vervangen. Dit strookt niet met de realiteit. Bij vonnis van de Correctionele rechtbank te Veurne dd. 13 november 2001 werd deze herstelvordering dan ook niet ingevolgd, en werd verzoekster samen met haar architect enkel veroordeeld tot de verwijdering van de wederrechtelijk geplaatste afsluitingen en het herstel in de vorige toestand wat betreft de ramen en dakvensters. Bij arrest van het Hof van Beroep te Gent van 28 februari 2003 werd verzoekster op beroep van de stedenbouwkundig inspecteur wél veroordeeld tot het herstel van de plaats in de vorige staat door volledige afbraak van de verbouwde woning, met inbegrip van de funderingen, rioleringen en houten afsluiting, de steenslagverharding van de toegangsweg en het afvoeren van de afbraakmaterialen van het perceel en dit respectievelijk binnen de zes en negen maanden nadat het arrest in gezag van gewijsde is getreden. Het Hof was immers van oordeel dat de doorgevoerde verbouwingen reeds dermate waren dat een herstel in de oorspronkelijke toestand onmogelijk was. Tegen dit arrest werd een voorziening in Cassatie ingesteld, die echter bij arrest van het Hof van Cassatie dd. 7 oktober 2003 werd verworpen. Bij exploot dd. 31 december 2003 werd zowel het arrest van het Hof van Beroep te Gent dd. 28 februari 2003 als het Arrest van het Hof van Cassatie dd. 7 oktober 2003 aan verzoekster betekend; Dit exploot vermeldt dat het bevolen herstel uiterlijk op 7 april 2004 diende uitgevoerd te zijn, bij gebreke waarvan een dwangsom van i125 per dag zou worden verbeurd; Op 27 juli 2004 dient verzoekster een regularisatie-aanvraag in bij het College van Burgemeester en Schepenen van de gemeente Koksijde. In het kader van het openbaar onderzoek over de aanvraag worden geen bezwaarschriften ingediend. Het College van Burgemeester en Schepenen van de gemeente Koksijde brengt over de aanvraag tot regularisering een positief advies uit. Bij besluit van het College van Burgemeester en Schepenen dd. 5 januari 2005 dient het College van Burgemeester en Schepenen de vergunning echter te weigeren wegens het bindend negatief advies van de Gemachtigde ambtenaar voor de Provincie West-Vlaanderen. Dit bindende negatief advies is echter helemaal niet gebaseerd op elementen van ruimtelijke ordening, nu de gemachtigde ambtenaar in zijn advies besluit dat de aanvraag vanuit ruimtelijk en stedenbouwkundig oogpunt aanvaardbaar is : ‘Overwegende dat de woning voldoet aan de elementaire eisen van stabiliteit, dat het hoofdzakelijk wordt geacht vergund te zijn aangezien het oorspronkelijk gebouw dateert van de jaren 1920. Het feit dat het oorspronkelijke gebouw, zonder vergunning, werd verbouwd doet niets af aan zijn statuut van hoofdzakelijk vergund. De uitgevoerde ingrepen zijn namelijk niet van dien aard dat het gebouw onherkenbaar of gedenatureerd X-13.747-3/12 werd. De uitgevoerde werken hebben in tegendeel slechts een marginaal karakter, aan het geheel als stedenbouwkundige entiteit is niets gewijzigd. Overwegende dat na de uitvoering van de werken het nog steeds een eengezinswoning betreft. Er kan gesteld worden dat noch de functie noch het aantal woongelegenheden wordt gewijzigd. Overwegende dat het louter bestaan van deze woning in een kwetsbare omgeving bepaalde effecten heeft op die omgeving. Deze effecten bestaan reeds sinds haar oprichting. Vandaag stellen dat de aangevraagde of deels uitgevoerde werken dienen geweigerd te worden om reden dat deze een zodanige negatieve impact hebben op de omgeving is niet correct. Na de uitvoering van de werken zal de impact op de omgevende natuurwaarden ongewijzigd zijn ten overstaan van de oorspronkelijke toestand. Het (
- is)evenwel juist dat de uitvoering op zich van de beoogde werken schade kan aanbrengen aan de omgevende natuurwaarden. Hier moet gesteld worden dat het herstelbare natuurwaarden betreft die mits het nemen van een aantal voorzorgsmaatregelen zelfs voor een stuk vermijdbaar is( ... ). ( ... ) Overwegende dat geen oppervlakte- noch volume-uitbreiding wordt gerealiseerd, dat de werken tot doel hebben de woning voor de toekomst te bestendigen zoals ze destijds (was). Er kan dus worden gesteld dat de ruimtelijke impact nihil is. Overwegende dat het verbouwen van een woning niet uitsluit dat een deel van de buitenmuren of van de dakconstructie worden vervangen. Dat aldus uit hoofde van artikel 145 bis l/ deze werken vergunbaar zijn. Overwegende dat het vervangen van buitenschrijnwerk, het aanpassen van gevelopeningen en het uitvoeren van binnenverbouwingen volledig binnen de mogelijkheden vallen van artikel 145 bis l/ Overwegende dat de toestand voor de aanvang van de wederrechtelijke werken en de ontworpen toestand identiek dezelfde impact hebben op de omgeving, dat er in dit verband niets wijzigt. Er mag dus gesteld worden dat de ruimtelijke draagkracht van het gebied niet wordt overschreden. Overwegende dat de bouwplaats gelegen is binnen de grenzen van het beschermd landschap Robert Vandammestraat, Svinxweg, Ten Bogaerdelaan, Pannekalsijde Duinpolderovergangszone Ten Bogaerde dat beschermd werd bij ministerieel besluit dd. 02/05/2001, dat als gevolg van deze ligging Monumenten en Landschappen een bindend advies hebben uitgebracht. Overwegende dat de Afdeling Monumenten en Landschappen zonder meer ongunstig is om reden dat S de reeds uitgevoerde werken niet overeenstemmen met een maximaal behoud van het volume en uitzicht van de oorspronkelijke woning S de uitgevoerde werken dateren van na het vonnis tot slopen van de woning inzake het overtredingsdossier S de woning vrij geïsoleerd ligt en beschikt over een lange onverharde toegangsweg in het natuurgebied Om reden van het bindend karakter, en zonder mij uit te spreken over de motieven die aan de grondslag liggen van het formeel ongunstig advies van Monumenten en Landschappen dient deze aanvraag ongunstig geadviseerd te worden’. (...) Uit dit advies blijkt zonder meer dat de gemachtigde ambtenaar voor de provincie West-Vlaanderen van oordeel is dat de werken vanuit het oogpunt van de ruimtelijke ordening perfect vergunbaar zijn. Hij stelt enkel vast dat de vergunning niet zal kunnen worden afgeleverd wegens het bindend negatief advies van Monumenten en Landschappen, en maakt daarom, totaal overbodig, ook zijn eigen advies ongunstig. X-13.747-4/12 Bij aangetekend schrijven dd. 21 januari 2005 stelde verzoekster tegen deze vergunningsweigering beroep in bij de bestendige deputatie van de Provincie West-Vlaanderen. In dit beroep wordt vooral gesignaleerd dat de gemachtigde ambtenaar van oordeel is dat op basis van de wetgeving ruimtelijke ordening, de aanvraag voor vergunning in aanmerking komt, en dat de motieven waarop de afdeling Monumenten en Landschappen haar negatief advies baseerde ofwel feitelijk onwaar waren, ofwel vreemd waren aan elementen die tot de bevoegdheid behoren van Monumenten en Landschappen. Bij besluit van de bestendige deputatie van de Provincie West-Vlaanderen dd. 28 april 2005, wordt verzoeksters beroep ingewilligd op basis van volgende motieven: ‘Het advies van Arohm kan bijgetreden worden daar waar ze stelt dat de aangevraagde of deels uitgevoerde werken geen significante impact zullen hebben op de omgevende natuurwaarden, vermits de effecten reeds bestaan sinds de oprichting van de oorspronkelijke woning in kwetsbaar gebied Ten slotte is de bouwplaats tevens opgenomen in een definitief beschermd landschap Duinpoldergang ‘Ten Bogaerde’, waarvoor de afdeling Monumenten en Landschappen een negatief advies heeft verleend. Het advies bevat evenwel geen elementen gerelateerd aan een beschermd landschap. Om die reden werd om een heroverweging van het initieel verleende advies gevraagd aan de cel Monumenten en Landschappen te Brussel. Aangezien reeds dertig dagen verstreken zijn, kan aan de vermelde adviesvereiste worden voorbijgegaan. Overwegende dat beroeper verzocht heeft om gehoord te worden dat de belangrijkste elementen als volgt kunnen worden samengevat : S nadat de werken in 1998 zijn stilgelegd is niets meer gebeurd S het huisje werd verbouwd binnen het bestaande volume. De verbouwingen die zijn uitgevoerd, zijn ondertussen decretaal mogelijk S Het Hof van Beroep stelde dat de werken ingrijpend waren, er werd niet gezegd dat het gebouw niet meer hoofdzakelijk vergund zou zijn S De aangevoerde werken om de aanvraag te weigeren hebben met de woning op zich niets te maken S Het advies van Arohm was gunstig, de gemeente heeft de vergunning geweigerd omwille van het negatieve advies van Monumenten en Landschappen. Overwegende dat deze argumenten kunnen worden onderschreven Overwegende dat de argumentatie van de gemachtigde ambtenaar dat de aanvraag voldoet aan artikel 145 bis §1 kan bijgetreden worden, dat de ruimtelijke draagkracht van het gebied niet wordt overschreden, dat de werken de onmiddellijke omgeving niet verstoren en geen blijvende impact zullen hebben op de omliggende natuurwaarden; dat de aanvraag ook beantwoordt aan de eisen van de goede plaatselijke aanleg’ (...) Tot grote verbazing van verzoekster wordt tegen dit vergunningsbesluit hoger beroep ingesteld door ... de gemachtigde ambtenaar van de Provincie West-Vlaanderen. Het vergunningsbesluit doet immers niet meer dan zijn argumentatie bijtreden. Het beroep van de Gemachtigde Ambtenaar is dan ook helemaal niet gebaseerd op met de ruimtelijke ordening verband houdende motieven die tot zijn bevoegdheid behoren, doch in tegendeel (
- op)een aantal louter formalistische motieven, zoals het feit dat de deputatie naliet te vermelden onder welke referentie zij de Afdeling Monumenten en Landschappen om een heroverweging had verzocht en het feit dat zijn advies niet positief was, maar negatief, zij het onder de loutere verwijzing naar het advies van Monumenten en Landschappen. In zijn beroep laakt de gemachtigde ambtenbaar ook dat het hoofdzakelijk vergund zijn van het gebouw niet zo maar kan worden afgeleid X-13.747-5/12 uit het desbetreffende arrest van het Hof van Beroep. Dit los van het feit dat de gemachtigde ambtenaar zelf in zijn advies oordeelde dat het gebouw inderdaad een hoofdzakelijk vergund gebouw was. In dit beroep staat aldus geen enkel met de ruimtelijke ordening verband houdend element. Zulk beroep zou overigens in schril contrast staan met het advies van de Gemachtigde Ambtenaar waarin werd besloten dat vanuit het oogpunt van de goede ruimtelijke ordening, de vergunning inderdaad zou kunnen worden afgeleverd. In het kader van de behandeling van het hoger beroep wordt andermaal verzocht om een standpunt van de Afdeling Monumenten en Landschappen van AROHM, deze keer van het hoofdbestuur. Bij schrijven van 28 november 2005 wordt dit advies uitgebracht. Het advies luidt onder meer als volgt : ‘De aanvraag betreft het regulariseren van de verbouwing van een bestaande woning. De woning maakte reeds op het moment van de bescherming onderdeel uit van het landschap. Daarom wordt het maximaal behoud van het oorspronkelijk volume nagestreefd. In het kader van deze regularisatie-aanvraag adviseren wij het wijzigen van de binnenindeling, het wijzigen van gevelopeningen en het slopen van oude tuinmuurtjes aan de zuidzijde gunstig. Ook het buitentoilet dat werd vervangen door een inkompartij en voorzien wordt van een lessenaarsdak en de aanleg van een nieuw terras binnen de afmetingen van het reeds bestaande terras, worden, omwille van hun zeer beperkte impact op de erfgoedwaarden van het duinenlandschap gunstig geadviseerd’ (...). Nu aldus zowel vanuit het oogpunt van ruimtelijke ordening als vanuit het oogpunt van Monumenten en landschappen (...) gunstige adviezen werden verleend, en er bovendien door de bestendige deputatie van de Provincie West-Vlaanderen een vergunning werd verleend, die enkel werd bestreden omwille van onduidelijkheid over de houding van Monumenten en Landschappen, staat niets de aflevering van een vergunning in de weg. Na de hoorzitting voor de Minister werd verzoekster nog om mededeling van verduidelijkende plans verzocht, zonder redengeving. Verzoekster ging op dit verzoek in. Groot is dan ook de verbazing van verzoekster als zij op 5 mei 2006 het Ministerieel Besluit dd. 6 april 2006 genotificeerd krijgt, waarbij het beroep van de gemachtigde ambtenaar wordt ingewilligd. Deze inwilliging is echter gebaseerd op een argument dat tevoren nooit naar voor werd gebracht, namelijk het feit dat de door verzoekster in 1998 uitgevoerde werken niet zouden kunnen gekwalificeerd worden als ‘verbouwen’, maar als slopen en ‘herbouwen’. Nu het herbouwen ook volgens de huidige decretale bepalingen niet vergunbaar is in kwetsbare gebieden, kan geen vergunning worden verleend. De kwalificatie van de werken als slopen en herbouwen, kan nergens steun vinden. Noch in de Processen-verbaal van vaststelling die met betrekking tot het stedenbouwmisdrijf werden opgesteld, noch in de door het bestuur uitgebrachte herstelvordering, noch in de gerechtelijke uitspraken die eruit zijn gevolgd, is in enige mate sprake van het feit dat de werken die verzoekster zou hebben uitgevoerd zou kunnen gekwalificeerd worden als herbouwen. Noch het College van Burgemeester en Schepenen, noch de Gemachtigde Ambtenaar, noch de Provinciale stedenbouwadministratie van West-Vlaanderen, noch de bestendige deputatie van de Provincie West-Vlaanderen, noch de Provinciale Afdeling en het hoofdbestuur van de Afdeling Monumenten en Landschappen van Arohm zijn de mening toegedaan dat de door verzoekster uitgevoerde werken kunnen worden gekwalificeerd als herbouwen. X-13.747-6/12 Het is dan ook evident dat verzoekster tegen dit absurde Ministerieel Besluit op 29 juni 206 een beroep tot nietigverklaring instelde bij de Raad van State, beroep ter griffie van de Raad van State gekend als G/A 174.442/X-12.917 dat nog steeds hangende is. Tegelijk verzocht verzoekster echter een onafhankelijk architect een grondige studie op te maken van de bestaande werf en tot in detail uit te rekenen -welke percentages van het oorspronkelijke metselwerk er bij de uitvoering van de werken werd vervangen. Deze studie bracht naar voor dat 60,11 % van het oorspronkelijk buitenmetselwerk bij de uitvoering werd behouden. Op basis van deze nota, en onder verwijzing naar Cassatierechtspraak verzocht verzoekster de bevoegde Minister bij brief dd. 7 juli 2007 beleefd om tot heroverweging van zijn besluit over te gaan. Bij brief dd. 28 september 2006 liet de bevoegde Minister aan de raadsman van verzoekster weten het dossier aan de administratie te hebben overgemaakt, met de vraag dit dossier te onderzoeken. Blijkbaar werd inmiddels dit onderzoek reeds afgerond. In het antwoord dat (door) verweerster in haar conclusie wordt geciteerd wordt echter alleen een passage uit het omstreden ministerieel besluit letterlijk overgenomen, zonder ook maar op een enkele wijze in te gaan op de duidelijke stukken die verzoekster de Minister liet geworden. Niettegenstaande deze feitelijke evolutie, gaat de stedenbouwkundig Inspecteur onverdroten door met het verbeuren van de dwangsom. Ingevolge een aanvraag daartoe (...) werd door het College van Burgemeester en Schepenen van de gemeente Koksijde aan verzoekster een stedenbouwkundige vergunning afgeleverd voor de verbouwing van de betrokken woning. Deze stedenbouwkundige vergunning wordt door het College van Burgemeester en Schepenen van de gemeente afgeleverd zonder voorafgaandelijk advies van de stedenbouwkundig ambtenaar, nu de betrokken woning is gelegen binnen de Perimeter van het gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan nr. 6 Duin-polder overgang, goedgekeurd bij besluit van de bestendige deputatie van de Provincie West-Vlaanderen dd. 13 april 2006 waarvolgens het verbouwen van bestaande woningen binnen hun volume mogelijk is. Op 17 maart 2008 ontvangt verzoekster een brief van de gewestelijke stedenbouwkundig ambtenaar voor de Provincie West-Vlaanderen, gedateerd op 13 maart 2008, en met in bijlage een ongedateerde schorsingsbeslissing. Uit geen enkel element van dit document kan worden afgeleid dat het over een origineel document gaat dan wel over een copie. Blijkens de inhoud van de beslissing wordt de stedenbouwkundige vergunning geschorst, nu naar de mening van de stedenbouwkundig ambtenaar de vergunning niet strookt met de voorschriffen van het GRUP. Dit GRUP stelt immers enkel de verbouwing van de woning binnen het bestaande volume vergunbaar, terwijl naar het oordeel van de stedenbouwkundig ambtenaar de vergunning niet zou slaan op verbouwen, maar op herbouwen. Bij aangetekend schrijven dd. 21 maart 2008 maakt verzoekster bij monde van haar raadsman aan de voor ruimtelijke ordening bevoegde Minister haar opmerkingen over met betrekking tot de ontvangen schorsingsbeslissing. Meer bepaald wordt in deze brief gesignaleerd dat de schorsingsbeslissing niet gedateerd is, en dat de stedenbouwkundige vergunning in tegenstelling tot wat de schorsingsbeslissing vermeldt reeds op 22 februari 2008 werd ontvangen. Verder wordt in dit schrijven ook gesignaleerd dat ook inhoudelijk de schorsingsbeslissing onwettig is, vermits de gevallen waarin een stedenbouwkundige vergunning kan worden geschorst beperkt is tot de gevallen die de wet, en meer bepaald artikel 44 van de bij decreet dd. 22 oktober 1996 gecoördineerde Stedenbouwwet bepaalt, en dat de strijdigheid van een X-13.747-7/12 vergunning met de voorschriften van een GRUP in het voormeld artikel 44 niet is opgenomen. Op 21 april 2008 ontvangt beroepster aangetekend het besluit van de Minister houdende de vernietiging van de door het College van Burgemeester en Schepenen afgeleverde vergunning In de vernietigingsbeslissing volgt de voor ruimtelijke ordening bevoegde minister de redenering die de Gemachtigde ambtenaar heeft bewogen tot de schorsing ervan, namelijk het feit dat in werkelijkheid de aanvraag zou slaan op het herbouwen van het betrokken gebouw, en niet tot het verbouwen ervan. In het vernietigingsbesluit wordt niet ingegaan op het feit dat de schorsingsbeslissing zelve ongedateerd was, noch op het feit dat de gemachtigde ambtenaar de vergunning heeft geschorst niettegenstaande het feit dat de vermeende strijdigheid van een vergunning met de voorschriften van een GRUP geen in artikel 44 van de gecoördineerde Stedenbouwwet vermelde schorsingsgrond is. Bij schrijven dd. 17 april 2008 deelt de voor ruimtelijke ordening bevoegde Minister verzoeksters raadsman copie mee van het vernietigingsbesluit. In het begeleidend schrijven bij deze brief gaat de voor ruimtelijke ordening bevoegde Minister wel in op het iet (sic) voorhanden zijn van een wettelijke schorsingsgrond : ‘In geval van niet adviesverplichte vergunningen, stelt vast rechtspraak dat de schorsing ervan door de gewestelijk stedenbouwkundig ambtenaar enkel mogelijk is in de gevallen die de wet bepaalt. Deze gevallen staan opgesomd in artikel 44 DRO. In dit artikel is volgens u enkel de strijdigheid van een vergunning met de voorschriften van het bijzonder plan van aanleg als schorsingsgrond opgenomen, maar niet de strijdigheid van een vergunning met de voorschriften van een gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan. In artikel 43 van het Coördinatiedeereet wordt een bijzonder plan van aanleg samen met een gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan genoemd. Het is dus conform artiikel 44 dat de gemachtigde ambtenaar (gewestelijk stedenbouwkundig ambtenaar) een vergunning kan schorsen indien het gevraagde niet in overeenstemming is met een bijzonder plan van aanleg of een gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan’. Deze redenering slaat werkelijk nergens op. Het is dan ook van het Besluit van 17 april 2008 dat verzoekster bij onderhavig verzoekschrift U raad de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid vordert”. 2. De ontvankelijkheid De verwerende partij betwist de ontvankelijkheid van de vordering. Er bestaat vooralsnog geen noodzaak om over de opgeworpen exceptie uitspraak te doen. Een onderzoek van en een uitspraak over deze exceptie dringt zich immers slechts op indien zou blijken dat de grondvoorwaarden voor schorsing vervuld zijn, hetgeen te dezen, zoals hierna zal blijken, niet het geval is. X-13.747-8/12 3. Ten gronde 3.1. Krachtens artikel 17, §§ 1 en 2 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid worden besloten onder de drievoudige voorwaarde dat uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is, dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen, en dat een ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de aangevochten beslissing kan verantwoorden. 3.2.1.1. Met betrekking tot het moeilijk te herstellen ernstig nadeel voert de verzoekster het volgende aan : “III. HET MOEILIJK TE HERSTELLEN ERNSTIG NADEEL (...) Het College van Burgemeester en Schepenen van de gemeente Koksijde leverde verzoekster een vergunning af tot verbouwen van een bestaande woning, in toepassing van een ruimtelijk uitvoeringsplan dat het verbouwen van deze woning toestaat. Deze vergunning werd door de stedenbouwkundig ambtenaar - zoals uit het middel blijkt - op een volstrekt onwettige wijze geschorst. Niettegenstaande verzoeksters raadsman de voor ruimtelijke ordening bevoegde Minister bij brief dd. 21 maart 2008 (...) de onwettigheid van deze schorsing inriep, wegens het niet voorhanden zijn van een wettelijke schorsingsgrond, ging de voor ruimtelijke ordening bevoegde Minister bij het bestreden besluit tóch over tot de vernietiging van de bestreden vergunning. Nu zowel de schorsing als de vernietiging manifest onwettig zijn, kan niet anders dan worden vastgesteld dat vandaag de dag verzoekster beschikt over een vergunning. Deze vergunning wordt echter in haar uitvoerbaarheid geblokkeerd door de onwettige schorsing en vernietiging ervan. Door de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit bevindt verzoekster zich dus in een situatie van volstrekte rechtsonzekerheid. In uitvoering ervan zou zij immers onmiddellijk moeten overgaan tot de volledige afbraak van het gebouw waarop de vergunning slaat, en dit terwijl er voor de verbouwing ervan een vergunning bestaat, die in haar uitvoerbaarheid enkel wordt geblokkeerd door een onwettige schorsing ervan door de gemachtigde ambtenaar en de eropvolgende onwettige vernietiging door de voor ruimtelijke ordening bevoegde Vlaamse Minister. Het nadeel dat eruit bestaat in de uitvoering van een definitief verkregen stedenbouwkundige vergunning te worden geblokkeerd door een onwettige schorsing en vernietiging van deze vergunning en de rechtsonzekerheid dat dit meebrengt werd door Uw Raad reeds bij herhaling aanvaard (...). Deze rechtsonzekerheid wordt bovendien erg concreet door het feit dat de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit in hoofde van verzoekster concreet tot gevolg heeft dat zij verplicht wordt over te gaan tot de afbraak van een woning waarvan de verbouwing wettig werd vergund, vergunning die op onwettige wijze werd vernietigd. De afbraak waartoe verzoekster door de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit wordt verplicht, zal voor haar tot gevolg zal hebben dat zij vanwege de Raad van State nooit uitspraak zal kunnen verkrijgen over het middel genomen uit de onwettigheid van de schorsing en X-13.747-9/12 de nietigverklaring van de haar verleende stedenbouwkundige vergunning. Door de afbraak van de betrokken woning verliest zij hierbij immers het belang. De afbraak van de woning waartoe verzoekster door de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit wordt veroordeeld, creëert bovendien een nadeel dat niet meer herstelbaar is. Na een vernietiging van het bestreden besluit, en de heropleving van het besluit van het College van Burgemeester en Schepenen dd. 1 februari 2008 tot verbouwing van de bestaande woning, zal deze vergunning immers onuitvoerbaar geworden zijn, vermits de te verbouwen woning verdwenen zal zijn. Het is ten slotte onmiskenbaar zo dat het moeilijk te herstellen ernstig nadeel dat verzoekster leidt enkel en alleen voortvloeit uit het bestreden besluit Verzoekster is bekend met de rechtspraak van de Raad van State die stelt dat de weigering van een regularisatievergunning geen moeilijk te herstellen ernstig nadeel met zich kan brengen, nu het nadeel dat door de verzoekende partij in zulke gevallen wordt ingeroepen, niet zijn oorzaak vindt in het bestreden besluit, maar wél in zijn eigengereid handelen dat erin bestaat zonder of in afwijking van een stedenbouwkundige vergunning werken te hebben uitgevoerd. Verzoekster bevindt zich echter niet in een situatie waarin haar een stedenbouwkundige vergunning wordt geweigerd, maar wél in een situatie waarin zij in het bezit is van een wettige en definitieve vergunning, die enkel en alleen door een onwettige schorsing ervan en een onwettige vernietiging ervan in haar uitvoerbaarheid wordt geschorst. Enkel en alleen door de schorsing van tenuitvoerlegging van het bestreden besluit , zou immers komen vast te staan dat verzoekster beschikt over een vergunning die onmiddellijk uitvoerbaar is (cfr. hierover (THEUNIS, J., De exceptie van onwettigheid (artikel 159 G.W.) : meer vragen dan antwoorden, in RW, 2007-2008, p. 1266 e.v. en meer bepaald p. 1268 met betrekking tot de bespreking van het effect van het Arrest Verbeke (R.v.St., Verbeke, 133.408, 30 juni 2004). Het exclusieve oorzakelijk verband tussen het bestreden besluit en het moeilijk te herstellen ernstig nadeel is wel dat enkel en alleen al door abrstacite te maken van het bestreden besluit, het nadeel onbestaande is”. 3.2.1.2. De verwerende partij repliceert : “1 Bij de beoordeling van het nadeel zal de Raad van State niet naast het feit kunnen kijken dat enkel en alleen verzoekende partij aan de basis ligt van de zogenaamde dreiging tot afbraak. Zij heeft zonder voorafgaande stedenbouwkundige vergunning een woning in natuurgebied herbouwd. Dit werd in verschillende M.B. en gerechtelijke uitspraken vastgesteld. Bij arrest van 28.02.2003 van het Hof van Beroep te Gent werd verzoekende partij veroordeeld tot de volledige afbraak, arrest waartegen geen enkel rechtsmiddel meer mogelijk is. Het hoeft geen betoog dat de verplichting tot afbraak in uitvoering van een in kracht van gewijsde gegane gerechtelijke beslissing geen ernstig nadeel kan vormen. Door te herbouwen zonder voorafgaande stedenbouwkundige vergunning heeft verzoekende partij zelf het risico genomen dat zij thans meent te kunnen aanklagen. Dergelijk nadeel is niet ernstig en kan ook geen aanleiding geven tot schorsing (...). Verzoekende partij heeft er ook zelf voor gekozen het arrest van het Hof van Beroep gedurende jaren niet uit te voeren. De situatie waarin zij zich thans bevindt, heeft zij enkel en alleen aan haarzelf te danken. X-13.747-10/12 2 Het nadeel - met name de verplichting tot afbraak - vloeit al evenmin rechtstreeks uit het bestreden besluit voort. De afbraakverplichting vloeit uit het arrest van het Hof van Beroep voort. Huidige administratieve procedure is vreemd aan die afbraakverplichting. Hoe dan ook kan verzoekende partij bezwaarlijk voorhouden dat zij een ernstig nadeel lijdt door de zogenaamde blokkering van haar definitieve stedenbouwkundige vergunning. De wederrechtelijk uitgevoerde bouwwerken dateren van 1998. Het arrest van het Hof van Beroep dateert van 28.02.2003. Door het verstrijken van die lange termijn kan verzoekende partij niet in redelijkheid voorhouden dat de toestand van rechtsonzekerheid voor haar ernstig is. 3 Zelfs al zou verzoekende partij lopende de procedure verplicht worden tot afbraak, dan nog lijdt zij geen moeilijk te herstellen ernstig nadeel, nu de woning in kwestie al vele jaren leeg staat (het betreft niet de gezinswoning) en de zogenaamde onterechte afbraak bij equivalent kan hersteld worden. Het betreft derhalve een louter financieel nadeel dat volgens vaste rechtspraak steeds herstelbaar is. Ook aan de tweede schorsingsvoorwaarde van art. 17 § 2 van de gecoördineerde wetten is niet voldaan”. 3.2.2. Uit het feitenrelaas van de verzoekster zelf blijkt dat de ingeroepen “volstrekte rechtsonzekerheid” op de eerste plaats het gevolg is van haar eigen optreden. De verzoekster werd, reeds op 28 februari 2003, door een in kracht van gewijsde gegaan arrest van het Hof van Beroep te Gent veroordeeld, niet tot het betalen van een dwangsom, doch wel tot de afbraak, op verbeurte van de opgelegde dwangsom, van het betrokken bouwwerk dat zij in een natuurgebied zonder de daartoe vereiste vergunning had opgetrokken. Indien de verzoekster onmiddellijk dit arrest had nageleefd, was er heden geen sprake van enige rechtsonzekerheid. Wanneer de verzoekster dient over te gaan tot de afbraak van de woning, is dit op de eerste plaats niet het gevolg van de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden weigeringsbeslissing, doch eveneens van het bedoelde arrest van het Hof van Beroep te Gent, dat, om de hierboven vermelde aan de verzoekster toe te rekenen redenen, die afbraak beveelt. Het feit dat die afbraak gebeurlijk alsnog zou kunnen voorkomen worden middels een regularisatievergunning doet aan die vaststelling geen afbreuk. Bovendien geeft de verzoekster op geen enkele wijze aan in welk opzicht de afbraak van het betrokken bouwwerk haar een moeilijk te herstellen ernstig nadeel als vereist door de gecoördineerde wetten op de Raad van State dreigt te berokkenen. Nochtans betreft het een bouwwerk dat zij reeds jarenlang niet bewoont. Aan de desbetreffende schorsingsvoorwaarde is niet voldaan. X-13.747-11/12 OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel 1. De vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid wordt verworpen. Artikel 2. De kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekster. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op dertig april 2008, door : de H. R. STEVENS, kamervoorzitter, Mevr. A. TRUYENS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. TRUYENS. R. STEVENS. X-13.747-12/12 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.182.651 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div