← België

Arrest 182661 - Openbaar ambt van Gemeenschappen en Gewesten - Aanwerving en loopbaan - 05/05/2008

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 05 mei 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.182.661 Rolnummer: A. 85477/IX-3009 Zaak: Arrest 182661 - Openbaar ambt van Gemeenschappen en Gewesten - Aanwerving en loopbaan - 05/05/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-05-19 Raadplegingen: 58 - laatst gezien 2026-06-29 07:59 Fiche Arrest nr 182.661 van 5 mei 2008 Openbaar ambt - Openbaar ambt van Gemeenschappen en Gewesten - Aanwerving en loopbaan Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 182.661 van 5 mei 2008 in de zaak A. 85.477/IX-

  1. In zake : Jan DEVOS, wonende te PEPINGEN, Vroembos 18 tegen : de Vlaamse Gemeenschapscommissie. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Jan DEVOS op 16 juli 1999 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van de beslissing van 11 mei 1999 van de directieraad van de Vlaamse Gemeenschapscommissie, waarbij hem met ingang van 1 juli 1999 een loopbaanvertraging wordt toegekend; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd W. VAN NOTEN; Gelet op de beschikking van 20 maart 2001 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de regelmatig gewisselde laatste memories; Gelet op de beschikking van 3 april 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 28 april 2008; Gehoord het verslag van kamervoorzitter P. LEMMENS; IX-3009-1/6 Gehoord de opmerkingen van advocaat M. CORTEVILLE, die verschijnt voor de verzoeker, en van de adjunct van de directeur L. HAESENDONCK, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelings- hoofd W. VAN NOTEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, OVERWEEGT WAT VOLGT : Over de gegevens van de zaak 1.
  2. Op het ogenblik van de bestreden beslissing is de verzoeker ambtenaar met de graad van adjunct van de directeur (rang A1) bij de Vlaamse Gemeenschapscommissie, directie Gebouwen en Logistiek. Hij is tewerkgesteld op de "Coovi-campus", een onderwijsinstelling van de Vlaamse Gemeenschaps- commissie. 1.
  3. Verzoekers evaluatieverslag over het jaar 1998, dat op 15 maart 1999 door de verzoeker wordt ondertekend, besluit met de evaluatie "onvoldoende". Bij aangetekende brief van 15 maart 1999 stelt de verzoeker tegen deze evaluatie beroep in bij de raad van beroep. In zijn advies van 13 april 1999 oordeelt de raad van beroep eenparig dat het beroep gegrond is. Hij adviseert bijgevolg dat de einduitspraak "onvoldoende" moet worden herzien. Op 27 april 1999 beslist de directieraad om de verzoeker de evaluatie "onvoldoende" niet toe te kennen. Op 11 mei 1999 beslist de directieraad evenwel om de verzoeker een loopbaanvertraging toe te kennen. IX-3009-2/6 Dit is de bestreden beslissing. Zij wordt per brief van 18 mei 1999 aan de verzoeker ter kennis gebracht. Deze brief luidt als volgt: "Overeenkomstig de bepalingen van het VGC-personeelsstatuut terzake heeft de directieraad zich tijdens haar zitting van 11 mei 1999 uitgesproken over de functionele loopbaan van de ambtenaren. Zij heeft beslist u, met ingang van 1 juli 1999, een loopbaanvertraging toe te kennen omdat uit uw functioneringsevaluatie over het jaar 1998 blijkt dat u de gestelde verwachtingen ten aanzien van de resultaten en het functioneren niet heeft gehaald." Over de gegrondheid van het beroep 2.
  4. De verzoeker roept een eerste middel in, afgeleid uit de schending van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen. Hij voert aan dat in de bestreden beslissing niet de feitelijke en juridische overwegingen worden vermeld waarop de beslissing is gegrond, maar dat enkel gesteld wordt dat uit de functioneringsevaluatie over het jaar 1998 blijkt dat de verzoeker de gestelde verwachtingen ten aanzien van de resultaten en het functioneren niet heeft behaald. De verzoeker meent dat dit niet als een afdoende en voldoende motivering beschouwd kan worden. 2.
  5. De verwerende partij antwoordt dat de beslissing van de directieraad van 11 mei 1999 wel degelijk gemotiveerd is. Het desbetreffende deel van haar memorie van antwoord is geredigeerd als volgt: "De verzoekende partij heeft op 15 februari 1999 de evaluatie ‘onvoldoende’ gekregen, om redenen opgenomen in het evaluatieverslag, hetwelk gebaseerd is op het functioneringsgesprek van 11 februari
  6. (...) De Raad van beroep adviseerde op 13 april 1999 de einduitspraak ‘onvoldoende’ te herzien. (...) De directieraad besliste vervolgens op 27 april 1999 de evaluatie ‘onvoldoende’ niet toe te kennen. Het proces-verbaal van de zitting vermeldt: ‘De leden van de directieraad geven elk hun standpunt over dit dossier (...). De principes van de organisatiecultuur worden in herinnering gebracht. Strikt genomen is er in dit dossier sprake van insubordinatie, waarvoor betrokkene zeker een signaal moet krijgen, maar het is duidelijk dat een totaal gebrek aan dialoog geleid heeft tot een escalatie van het probleem.’ (...) Overeenkomstig artikel VIII 25, § 2, van het VGC-personeelsstatuut, is het beroep bij de Raad van beroep opschortend, wat inhoudt dat indien een ambtenaar in beroep gaat tegen een evaluatie ‘onvoldoende’, geen beslissing inzake loopbaanvertraging ten aanzien van de betrokkene wordt genomen zolang de beroepsprocedure niet afgehandeld is; voor deze ambtenaar zal de waarderingsfase later plaatsvinden, m.n. na de afhandeling van de beroepsprocedure (...). Dit houdt tevens in dat het beschrijvend evaluatieverslag IX-3009-3/6 de basis blijft voor het toekennen van de loopbaanvertraging, zelfs zo de eindconclusie ‘onvoldoende’ niet langer wordt weerhouden. Op 11 mei 1999 besliste de directieraad aan de verzoekende partij een loopbaanvertraging toe te kennen, op basis van de antecedenten in dit dossier, met name de functioneringsevaluatie over het jaar 1998 (...) en de beslissing van de directieraad van 27 april 1999 en de daarin opgenomen motivering. (...) Deze beslissing wordt op 18 mei 1999 aan de verzoekende partij medegedeeld; hierin wordt de beslissing van de directieraad verwoord als ‘uit uw functioneringsevaluatie over het jaar 1998 blijkt dat u de gestelde verwachtingen ten aanzien van de resultaten en het functioneren niet heeft gehaald’. (...)” De beslissing van de directieraad van 11 mei 1999 is gemotiveerd. 2.
  7. In zijn memorie van wederantwoord repliceert de verzoeker zijn stelling dat de bestreden beslissing niet afdoende gemotiveerd is. Waar de verwerende partij voor de motivering verwijst naar voorafgaande stukken in de evaluatieprocedure laat de verzoeker gelden dat niet voldaan is aan de voorwaarden om te verwijzen naar de motivering in voorafgaande stukken. Zo meent de verzoeker dat de verwijzing naar eventueel bestaande documenten zeer vaag is. De eindconclusie met betrekking tot het beschrijvend evaluatieverslag werd gewijzigd en de verzoeker heeft aangetoond dat het evaluatieverslag niet op deugdelijke motieven berust. 2.
  8. De artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen bepalen dat eenzijdige rechtshandelingen met individuele strekking die uitgaan van een bestuur en die beogen rechtsgevolgen te hebben voor één of meer bestuurden of voor een ander bestuur, uitdrukkelijk moeten worden gemotiveerd. In de akte moeten de juridische en feitelijke overwegingen worden vermeld die aan de beslissing ten grondslag liggen, en die moeten afdoende zijn. 2.4.
  9. Te dezen werd aan de verzoeker medegedeeld dat de directieraad beslist had hem met ingang van 1 juli 1999 een loopbaanvertraging toe te kennen "omdat uit uw functioneringsevaluatie over het jaar 1998 blijkt dat u de gestelde verwachtingen ten aanzien van de resultaten en het functioneren niet heeft gehaald". De eenvoudige verwijzing naar de functioneringsevaluatie over het jaar 1998 kan niet volstaan om de bestreden beslissing te verantwoorden, aangezien de verzoeker op 15 maart 1999 tegen zijn functioneringsevaluatie beroep IX-3009-4/6 had ingesteld bij de raad van beroep, deze raad in zijn advies van 13 april 1999 had geoordeeld dat het beroep van de verzoeker gegrond was, en de directieraad op 27 april 1999 beslist had om de evaluatie “onvoldoende” niet toe te kennen. 2.4.
  10. In haar memorie van antwoord verwijst de verwerende partij nog naar de volgende vermelding in de notulen van de vergadering van de directieraad van 27 april 1999: "De leden van de directieraad geven elk hun standpunt over dit dossier (...). Strikt genomen is er in dit dossier sprake van insubordinatie, waarvoor betrokkene zeker een signaal moet krijgen, maar het is duidelijk dat een totaal gebrek aan dialoog geleid heeft tot een escalatie van het probleem." De verwijzing naar de motieven vervat in een ander stuk, in dit geval de notulen van de vergadering van de directieraad, kan evenwel slechts als motivering van de beslissing zelf worden aanvaard indien, onder meer, het stuk aan de betrokkene bekend was of dit stuk hem uiterlijk samen met de beslissing ter kennis werd gebracht. Te dezen blijkt niet dat de verzoeker kennis had van de notulen van de vergadering van de directieraad van 27 april
  11. Voor de beoordeling van de regelmatigheid van de motivering van de bestreden beslissing kan dan ook geen rekening gehouden worden met de verwijzing naar die notulen. 2.4.
  12. Het middel is gegrond. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
  13. Vernietigd wordt de beslissing van 11 mei 1999 van de directieraad van de Vlaamse Gemeenschapscommissie, waarbij aan Jan DEVOS met ingang van 1 juli 1999 een loopbaanvertraging wordt toegekend. IX-3009-5/6 Artikel
  14. De kosten van het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van de verwerende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op 5 mei 2008, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : de HH. P. LEMMENS, kamervoorzitter, A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, D. MOONS, staatsraad, Mevr. V. WAUTERS, griffier. De griffier, De voorzitter, V. WAUTERS. P. LEMMENS. IX-3009-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.182.661 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.