← België

Arrest 182665 - Openbaar ambt van Gemeenschappen en Gewesten - Aanwerving en loopbaan - 05/05/2008

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 05 mei 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.182.665 Rolnummer: A. 72215/IX-1238 Zaak: Arrest 182665 - Openbaar ambt van Gemeenschappen en Gewesten - Aanwerving en loopbaan - 05/05/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-05-17 Raadplegingen: 65 - laatst gezien 2026-06-29 07:59 Fiche Arrest nr 182.665 van 5 mei 2008 Openbaar ambt - Openbaar ambt van Gemeenschappen en Gewesten - Aanwerving en loopbaan Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 182.665 van 5 mei 2008 in de zaak A. 72.215/IX-

  1. In zake : Ludwig *t JAMPENS, wonende te BRUGGE, J. Delaplacestraat 67 tegen : de VLAAMSE DIENST VOOR BUITENLANDSE HANDEL, thans FLANDERS INVESTMENT & TRADE, die woonplaats kiest bij advocaat P. DEVERS, kantoor houdende te GENT, Kouter 71-
  2. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Ludwig *t JAMPENS op 25 november 1996 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van: “- de resultaten van het examen tot vaststelling van de beroepsbekwaamheid dat toegang verleent tot de graad van adjunct-adviseur en de rangschikking der kandidaten, opgenomen in een proces-verbaal van deliberatie van 3 juli 1996; - de beslissing van 25 september 1996 van de Raad van Bestuur van de Vlaamse Dienst voor de Buitenlandse handel (VDBH) tot instemming met en bekrachtiging van de hierboven vermelde resultaten van het examen tot vaststelling van de beroepsbekwaamheid dat toegang verleent tot de graad van adjunct-adviseur en van de rangschikking der kandidaten”; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd W. VAN NOTEN; Gelet op de beschikking van 29 juni 1998 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; IX-1238-1/9 Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de regelmatig gewisselde laatste memories; Gelet op de beschikking van 4 maart 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 7 april 2008; Gehoord het verslag van kamervoorzitter P. LEMMENS; Gehoord de opmerkingen van advocaat P. DEVERS, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelings- hoofd W. VAN NOTEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; OVERWEEGT WAT VOLGT: Over de gegevens van de zaak
  3. Op het ogenblik van de bestreden beslissing is de verzoeker bestuurssecretaris bij de Vlaamse Dienst voor de Buitenlandse Handel, later Export Vlaanderen, thans Flanders Investment & Trade. Op 29 mei 1996 beslist de raad van bestuur van de VDBH een examen van beroepsbekwaamheid te organiseren dat toegang verleent tot de graad van adjunct-adviseur. Blijkens het dienstorder nr. 17/96 van 4 juni 1996 bestaat het examen uit een schriftelijke en mondelinge ondervraging over: “A. De kennis van de kandidaat met betrekking tot problemen die in zijn dagelijkse bevoegdheid vallen. B. De algemene kennis van het personeelsstatuut en het oprichtingsdecreet van de VDBH. Zij heeft eveneens als doel het reactie- en uitdrukkingsvermogen van de betrokkenen te bepalen en hun voorkomen en welbespraaktheid te beoordelen.” IX-1238-2/9 De schriftelijke proef staat op 60 punten (minimum vereist: 30 punten), de mondelinge proef op 40 punten (minimum vereist: 20 punten). Het vereiste minimum voor beide proeven samen is 60 punten op
  4. Vijf kandidaten, waaronder de verzoeker, schrijven zich voor het examen in. De verzoeker behaalt 30 op 60 punten voor de schriftelijke proef en 28 op 40 punten voor de mondelinge proef, hetzij in totaal 58 op 100 punten. Hij is dus niet geslaagd. De uitslag van het examen wordt vastgesteld in een proces-verbaal van de jury van 3 juli
  5. Vier kandidaten zijn geslaagd, de verzoeker is als enige niet geslaagd. Met een nota van 4 juli 1996 deelt de directeur-generaal aan de deelnemers mede welke kandidaten, onder voorbehoud van bekrachtiging door de raad van bestuur, in volgorde van batige rangschikking, geslaagd zijn. Op 10 juli 1996 dient de verzoeker bij de directeur-generaal bezwaar in tegen de uitslag van het examen. Hij meent wel over de vereiste beroepsbekwaamheid te beschikken, hetgeen onder meer blijkt uit zijn actieve betrokkenheid bij het opstellen van het ontwerp van decreet tot wijziging van het oprichtingsdecreet van de VDBH. Hij voert voorts aan dat er zich tijdens het examen verscheidene onregelmatigheden hebben voorgedaan en dat de deliberatie een eigenaardig verloop heeft gekend. Op 25 september 1996 bekrachtigt de raad van bestuur de resultaten van het examen. Deze beslissing wordt bij dienstorder nr. 33/96 van 25 september 1996 aan de personeelsleden ter kennis gebracht. De beslissing van de jury van 3 juli 1996 en de beslissing van de raad van bestuur van 25 september 1996 tot bekrachtiging van die beslissing vormen het voorwerp van het voorliggende beroep.
  6. Ten gevolge van de reorganisatie van de VDBH en een loopbaanonderbreking van de verzoeker is deze thans ingeschaald als adjunct van de directeur, met weddeschaal A
  7. Personen die bij de VDBH benoemd zijn tot adjunct-adviseur, zijn eveneens ingeschaald als adjunct van de directeur, maar dan met de hogere weddeschaal A
  8. IX-1238-3/9 Over de ontvankelijkheid van het beroep 3.
  9. De verwerende partij werpt een exceptie van onontvankelijkheid van het beroep op, afgeleid uit de laattijdigheid ervan. Volgens de verwerende partij is de bestreden beslissing bij dienstorder nr. 33/96 van 25 september 1996 aan de verzoeker ter kennis gebracht, en wijst niets erop dat hij daarvan niet op dezelfde dag kennis heeft gekregen. Bovendien had de verzoeker, als secretaris van de raad van bestuur van de VDBH, op 25 september 1996 noodzakelijk kennis van de beslissing waarbij de raad van bestuur de examenuitslag bekrachtigt. Het verzoekschrift, verstuurd op 25 november 1996, is bijgevolg een dag te laat ingediend. 3.
  10. Overeenkomstig artikel 4, derde lid, van het procedurereglement bedraagt de termijn voor het instellen van een vernietigingsberoep zestig dagen. Gesteld dat de beroepstermijn voor de verzoeker een aanvang nam op 25 september 1996, verstreek die termijn derhalve op 24 november
  11. Aangezien 24 november 1996 een zondag was, is de beroepstermijn evenwel overeenkomstig artikel 88, derde lid, van het procedurereglement verlengd tot de eerstvolgende werkdag, dit is tot maandag 25 november
  12. Het beroep is derhalve tijdig ingediend. De exceptie kan niet worden aangenomen. Ten gronde 4.
  13. De verzoeker roept een eerste middel in, afgeleid uit de schending van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, “afzonderlijk genomen en gecombineerd met de schending van het gelijkheidsbeginsel” en uit “machtsoverschrijding en onwettige motieven, afzonderlijk genomen en gecombineerd met de schending van het gelijkheidsbeginsel”. In een eerste onderdeel voert de verzoeker aan dat de bestreden beslissingen niet afdoende zijn gemotiveerd, omdat noch de quotering die door elk jurylid afzonderlijk is toegekend, noch de punten die door de andere deelnemers voor elk examengedeelte zijn behaald, worden meegedeeld. Het is aldus onmogelijk om een inzicht te verkrijgen in de motieven die tot de bestreden beslissingen hebben geleid. Een formele motivering is te dezen des te meer vereist, nu de verzoeker als IX-1238-4/9 enige van de vijf deelnemers niet geslaagd is, terwijl juist hij binnen de VDBH een verantwoordelijke functie uitoefent. In dit opzicht voert de verzoeker de schending aan van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, afzonderlijk genomen en in combinatie met het gelijkheidsbeginsel. Bij ontstentenis van een afdoende formele motivering kan de verzoeker bovendien niet vernemen waarom hij een andere quotering dan de andere kandidaten heeft gekregen, zodat ook het gelijkheidsbeginsel is geschonden. In een tweede onderdeel voert de verzoeker aan dat bij ontstentenis van een afdoende formele motivering de bestreden beslissingen gelijkgesteld moeten worden met beslissingen zonder motieven, zodat ze door machtsoverschrijding zijn aangetast. Voorts herhaalt de verzoeker dat het ontbreken van een afdoende motivering tot gevolg heeft dat hij niet kan vernemen waarom hij een andere quotering dan de andere kandidaten heeft gekregen, zodat ook het gelijkheidsbeginsel is geschonden. 4.
  14. In verband met het eerste onderdeel herinnert de Raad van State eraan dat de motivering van examenquoteringen in principe vervat ligt in de punten zelf. De punten kunnen alleen dan niet als motivering volstaan wanneer er elementen zijn die doen twijfelen aan de ernst van de toegekende punten. Te dezen is aan alle deelnemers aan het examen het totale aantal punten van elke kandidaat medegedeeld. Vanuit het oogpunt van de formele motiveringsplicht is die mededeling voldoende, nu uit het totaal van de behaalde punten blijkt waarom de verzoeker niet en de andere kandidaten wel als geslaagd beschouwd zijn. Het was daarentegen niet nodig om ook nog melding te maken van de punten die voor het schriftelijke en het mondelinge examengedeelte afzonderlijk aan de verzoeker en de andere kandidaten zijn toegekend. Overigens zijn de quoteringen voor elk van de examengedeelten uitdrukkelijk vermeld in het proces- verbaal dat door de examencommissie is opgemaakt. Overeenkomstig het decreet van 23 oktober 1991 betreffende de openbaarheid van bestuursdocumenten in de diensten en instellingen van de Vlaamse regering kon de verzoeker desgewenst inzage of afschrift van dit stuk krijgen. Voorts schrijft geen enkele wettelijke of reglementaire bepaling voor dat de leden van de examencommissie vóór de deliberatie ieder afzonderlijk een quotering aan de kandidaten moeten toekennen. Dienvolgens kon de examencommissie bij consensus over de examenuitslag beslissen, zonder dat IX-1238-5/9 melding moest worden gemaakt van de punten die vooraf door elk lid van de examencommissie afzonderlijk waren toegekend. De verzoeker voert nog aan dat een ruimere motivering te dezen vereist was, gelet op het geringe aantal kandidaten en op het feit dat hij als enige niet is geslaagd, terwijl hij als enige van de kandidaten bepaalde verantwoordelijke taken binnen de VDBH heeft vervuld. Die omstandigheden laten op zich echter niet toe om te twijfelen aan de ernst waarmee de punten aan de kandidaten zijn toegekend, en kunnen dan ook niet tot een andere conclusie in verband met de motivering van de bestreden beslissingen leiden. Het eerste onderdeel kan niet worden aangenomen. 4.
  15. In het tweede onderdeel wordt ervan uitgegaan dat de bestreden beslissingen niet afdoende gemotiveerd zijn. Uit de bespreking van het eerste onderdeel blijkt dat dit uitgangspunt steunt op een verkeerde rechtsopvatting. Ten overvloede dient te worden opgemerkt dat het de verzoeker bekend was dat hij 58 punten op 100 had behaald, terwijl het vereiste minimum om geslaagd te zijn 60 punten op 100 bedraagt. De verzoeker kon er zich aldus rekenschap van geven waarom hij, in tegenstelling tot de andere kandidaten, niet geslaagd was. Uit de wijze waarop de bestreden beslissingen zijn gemotiveerd kan niet worden afgeleid dat het gelijkheidsbeginsel is geschonden. Het tweede onderdeel kan niet worden aangenomen. 5.
  16. De verzoeker roept een tweede middel in, afgeleid uit de schending van artikel 23 van het huishoudelijk reglement van de raad van bestuur van de VDBH en van het onpartijdigheids- en onafhankelijkheidsbeginsel. In een eerste onderdeel voert de verzoeker aan dat artikel 23 van het huishoudelijk reglement bepaalt dat het dagelijks bestuur bij consensus beslist en dat, in geval van onenigheid, de houding van de directeur-generaal doorslaggevend is. Te dezen maakte het dagelijks bestuur de jury uit. De verzoeker is er door de directeur-generaal mondeling van op de hoogte gebracht dat deze hem voor het schriftelijke gedeelte 48 punten op 60 had toegekend. Er was dus geen consensus in de schoot van het dagelijks bestuur, en overeenkomstig het voormelde artikel 23 moest de houding van de directeur-generaal dan doorslaggevend zijn. IX-1238-6/9 In een tweede onderdeel voert de verzoeker aan dat de examencommissie bestond uit de directeur-generaal, de adjunct-directeur-generaal en de inspecteur-generaal. De functies van adjunct-directeur-generaal en inspecteur- generaal zijn bij het decreet van 24 juli 1996 tot wijziging van het decreet van 23 januari 1991 tot oprichting van de VDBH opgeheven. Volgens de verzoeker verzet het onpartijdigheids- en onafhankelijkheidsbeginsel zich ertegen “dat de personen, die in het raam van een nakende herstructurering (van de VDHB) wellicht ook als afdelingshoofden of in te vullen staffuncties in de nieuwe structuur zullen willen en/of kunnen fungeren (mits te voldoen aan nog te bepalen vereisten) en deels belanghebbende partij zijn, ook deel kunnen uitmaken van een commissie, die de beroepsbekwaamheid van de komende concurrenten (precies voor de vrijgekomen posities van afdelingshoofd) zullen beoordelen”. Minstens bestaat er in hoofde van de betrokken commissieleden een schijn van partijdigheid en onmogelijkheid tot het nemen van een onafhankelijke beslissing. 5.
  17. Het in het eerste onderdeel ingeroepen artikel 23 van het huishoudelijk reglement van de raad van bestuur van de VDBH luidt als volgt: “De Directeur-Generaal, de Adjunct-Directeur-Generaal en de Inspecteur- Generaal vormen samen het Dagelijks Bestuur (artikel 16 van het decreet). Het Dagelijks Bestuur beslist bij consensus. In geval van onenigheid is de houding van de Directeur-Generaal doorslaggevend. Hij licht hierover de voorzitter in.” Artikel 106 van het personeelsstatuut bepaalt dat de directeur- generaal de leden van de examencommissies aanwijst. Te dezen was de examencommissie samengesteld uit de directeur-generaal, de adjunct-directeur- generaal en de inspecteur-generaal. Het feit dat de examencommissie aldus bestond uit de leden van het dagelijks bestuur betekent niet dat zij ook optrad als het dagelijks bestuur. Artikel 23 van het huishoudelijk reglement was derhalve niet van toepassing. Uit het proces-verbaal dat door de voormelde leden van de examencommissie ondertekend is blijkt overigens dat de examencommissie bij consensus beslist heeft en dat er met andere woorden geen onenigheid over de examenuitslag bestond. Het eerste onderdeel kan derhalve niet aangenomen worden. IX-1238-7/9 5.
  18. Wat de in het tweede onderdeel ingeroepen schending van “het onpartijdigheids- en onafhankelijkheidsbeginsel” betreft, dient te worden opgemerkt dat de verzoeker niet aantoont dat de adjunct-directeur-generaal en de inspecteur- generaal na de herstructurering van de VDBH voor een functie van afdelingshoofd of voor een staffunctie bij Export Vlaanderen in aanmerking zouden komen, en nog minder dat de kandidaten die geslaagd zijn voor het litigieuze examen bij een eventuele aanwijzing tot één van die functies met de voormelde leden van de examencommissie in concurrentie zouden treden. De door de verzoeker aangebrachte gegevens volstaan dan ook niet om ertoe te kunnen besluiten dat de examencommissie wegens de persoonlijke belangen van de voormelde leden niet in staat zou zijn geweest om onpartijdig en onafhankelijk over de beroepsbekwaamheid van de kandidaten te kunnen oordelen. Het tweede onderdeel mist dan ook feitelijke grondslag. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
  19. Het beroep wordt verworpen. Artikel
  20. De kosten van het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 99,16 euro, komen ten laste van de verzoeker. IX-1238-8/9 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op 5 mei 2008, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : de HH. P. LEMMENS, kamervoorzitter, A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, D. MOONS, staatsraad Mevr. V. WAUTERS, griffier. De griffier, De voorzitter, V. WAUTERS. P. LEMMENS. IX-1238-9/9 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.182.665 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.