← België

Arrest 182751 - Varia (binnenlandse zaken en lokale besturen) - 08/05/2008

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 08 mei 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.182.751 Rolnummer: A. 77913/XII-1140 Zaak: Arrest 182751 - Varia (binnenlandse zaken en lokale besturen) - 08/05/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-06-10 Raadplegingen: 64 - laatst gezien 2026-06-29 08:00 Fiche Arrest nr 182.751 van 8 mei 2008 Instellingen, Binnenlandse zaken en lokale besturen - Varia (binnenlandse zaken en lokale besturen) Beslissing : Vernietiging Verwerping overige Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 182.751 van 8 mei 2008 in de zaak A. 77.913/XII-

  1. In zake : Philippe VANDEN HOLE, die woonplaats kiest bij advocaat R. Vanhaesendonck, kantoor houdende te Brussel, Louizalaan 129A - bus 23 tegen : de STAD RONSE, die woonplaats kiest bij advocaat V. Tollenaere, kantoor houdende te Gent, Koning Albertlaan
  2. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, XIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Philippe Vanden Hole op 17 maart 1998 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van de beslissing van 9 februari 1998 van de gemeenteraad van Ronse waarbij hem de tuchtsanctie van de berisping wordt opgelegd en waarbij wordt bepaald dat die tuchtsanctie zijn preventieve schorsing opheft; Gelet op het arrest nr. 74.005 van 2 juni 1998 waarbij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit wordt verworpen; Gezien het verzoekschrift tot voortzetting van het geding van 18 juni 1998 ingediend door verzoeker; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgesteld door auditeur B. Thys; Gelet op de beschikking van 26 juni 2001 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; XII-1140-1/9 Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memories; Gelet op de beschikking van 15 oktober 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 27 november 2008; Gehoord het verslag van staatsraad J. Lust; Gehoord de opmerkingen van advocaat P. De Maeyer, die loco advocaat R. Vanhaesendonck verschijnt voor verzoeker, en van advocaat W. Lammens, die loco advocaat V. Tollenaere verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur B. Thys; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, OVERWEEGT WAT VOLGT : De gegevens van de zaak
  3. Met een brief van 16 oktober 1997 deelt de burgemeester van de stad Ronse aan verzoeker, sergeant-vrijwilliger bij de brandweerdienst, mee dat hij met onmiddellijke ingang gedurende vier maanden preventief wordt geschorst vanwege “zware tekortkomingen in de manier van functioneren binnen het korps”. Blijkens het besluit worden verzoeker “racisme, brutaliteiten en gewelddadig gedrag” verweten. Na verzoeker gehoord te hebben, besluit de burgemeester op 3 november 1997 zijn beslissing tot preventieve schorsing te handhaven. De gemeenteraad bekrachtigt de beslissingen van de burgemeester op 17 november
  4. Het besluit van 3 november 1997 van de burgemeester en de bekrachtiging ervan bij gemeenteraadsbeslissing van 17 november 1997 worden op 3 april 1998 door de Raad van State vernietigd, bij arrest nr. 72.
  5. In het arrest wordt daartoe aangenomen, in essentie, dat verzoeker niet wist welke concrete feiten hem precies verweten werden, en op welke grond. XII-1140-2/9
  6. Met een brief van 26 januari 1998 wordt verzoeker voor de gemeenteraad opgeroepen om gehoord te worden over “de tuchtrechtelijke feiten [...] zoals die blijken uit het hierbij gevoegde verslag van de burgemeester aan de gemeenteraad”. In dit verslag wordt in de eerste plaats (onder punt B) gewag gemaakt van tekortkomingen die in hoofde van de officier-dienstchef, zijnde de vader van verzoeker, werden vastgesteld in een rapport dat de gouverneur van de provincie Oost-Vlaanderen op 25 september 1997 inzake de doorlichting van de brandweerdienst heeft bezorgd. Volgens de burgemeester is verzoeker aan die tekortkomingen in sommige gevallen “deelachtig” geweest, wat doet blijken van “een bepaalde laakbare verstandhouding [...] die niet in het belang van de brandweerdienst is”. De betrokken “gevallen” betreffen favoritisme ten voordele van sommige leden van het korps, inzonderheid verzoeker, en het tolereren van tuchtinbreuken of insubordinatie door ondergeschikten, namelijk “brutaliteiten” van verzoeker en zijn “racistische uitspraken in het tijdschrift van de vriendenkring”. Voorts wordt in het tuchtverslag (onder punt C) aangevoerd dat onder meer gebleken is dat verzoeker niet heeft deelgenomen aan een aantal brandweeroefeningen of er te laat bij aanwezig was. Na verzoeker gehoord te hebben, beslist de gemeenteraad op 9 februari 1998 dat hem de tuchtmaatregel van de berisping wordt opgelegd en dat deze tuchtsanctie zijn preventieve schorsing opheft. Meer bepaald acht de beslissing de tenlastelegging onder punt B en de tenlastelegging in verband met de brandweeroefeningen bewezen. De ontvankelijkheid
  7. Ten gevolge van het voormelde arrest van de Raad van State nr. 72.979, is de preventieve schorsing van verzoeker ab initio ongedaan gemaakt. In dit licht bekeken, komt de opheffing van de preventieve schorsing, door het bestreden besluit, thans voor zonder voorwerp te zijn en is zij bijgevolg niet vatbaar voor een ontvankelijk annulatieberoep. Het beroep moet in die mate worden verworpen. XII-1140-3/9
  8. Anders dan de verwerende partij ter terechtzitting betoogt, is er naar het oordeel van de Raad van State geen reden om verzoeker het vereiste belang te ontzeggen bij het bestrijden van de hem opgelegde tuchtstraf van de berisping. Aangenomen wordt dat hij nog altijd tenminste een moreel belang bij de nagestreefde vernietiging ervan heeft. De grond van de zaak Standpunt van de partijen
  9. Verzoeker leidt een tweede middel af uit de schending van het zorgvuldigheidsbeginsel, de rechten van de verdediging, en de artikelen 299 en 317 van de nieuwe gemeentewet, doordat de oproepingsbrief niet precies en concreet de feiten vermeldt die aan verzoeker ten laste worden gelegd. Naar luid van een achtste middel is de vereiste van een materiële en formele motivering geschonden, onder meer doordat op geen enkele wijze wordt geantwoord op zijn argumenten ter verdediging, doordat de bestreden beslissing ten onrechte overweegt dat verzoeker niet de aantijging van betrokkenheid bij het favoritisme van de officier-dienstchef weerlegt, en doordat hij, in strijd met de vermeldingen van de bestreden beslissing, geenszins erkent racistische uitspraken te hebben gedaan in het tijdschrift van de vriendenkring.
  10. Verwerende partij antwoordt in de memorie van antwoord op het tweede middel dat verzoeker met de oproepingsbrief het tuchtverslag van de burgemeester heeft ontvangen, dat daarin de ten laste gelegde feiten “over meerdere bladzijden” zijn opgenomen en “concreet gemaakt door precieze verwijzingen naar stukken uit het tuchtdossier waaruit deze feiten naar plaats, tijd en aard blijken”, dat niet in te zien valt hoe verzoekers rechten van de verdediging geschonden kunnen zijn, dat het reglement van de gemeentelijke brandweerdienst terzake geen enkel vormvoorschrift bevat, en dat de artikelen 299 en 317 van de nieuwe gemeentewet niet van toepassing zijn op de tuchtprocedure tegen verzoeker. Wat het achtste middel betreft antwoordt verwerende partij in de memorie van antwoord dat zij niet verplicht is de argumenten van verzoeker tot in de details te weerleggen, dat verzoeker aangaande het deelachtig zijn aan het favoritisme van de officier-dienstchef alleen liet gelden dat hij zich geviseerd XII-1140-4/9 voelde, de klachten teruggingen op één persoon die een “intrigante rol” speelde, en het “ondergaan” van een voorkeursbehandeling geen tuchtstraf kan wettigen, dat terecht is overwogen dat verzoeker heeft erkend racistische uitspraken te hebben gedaan in het tijdschrift van de vriendenkring. In de laatste memorie voegt verwerende partij in verband met de middelen nog toe dat het tuchtverslag voldoende precies de tenlasteleggingen heeft opgesomd, met een verwijzing naar de feiten, dat het wederrechtelijk fungeren als korpssecretaris en de deelname aan de vergaderingen van het comité van advies effectief als het bewijs van een schuldige tekortkoming kan worden aangezien, en dat verzoeker wel degelijk heeft erkend op de hoogte te zijn van welke racistische uitspraken hem verweten worden en waar en wanneer ze gedaan zijn. Beoordeling
  11. Waar verzoeker, als vrijwillig lid van de gemeentelijke brandweerdienst, niet tot de “leden van het gemeentepersoneel” behoort waarop -toentertijd- artikel 281 van de nieuwe gemeentewet de bepalingen van titel XIV inzake de tuchtregeling toepasselijk verklaart, voert hij tevergeefs de schending van de artikelen 299 en 317 van de nieuwe gemeentewet aan. Het neemt evenwel niet weg dat hoe dan ook de rechten van de verdediging in tuchtzaken vergen dat vooraleer de tuchtoverheid een beslissing neemt over de tuchtvordering tegen een vrijwillig personeelslid van de gemeentelijke brandweerdienst, dit personeelslid de mogelijkheid moet krijgen om te worden gehoord in zijn middelen van verweer tegen de ten laste gelegde feiten. Die mogelijkheid vereist dat de betrokkene tijdig op een voldoende precieze wijze in kennis wordt gesteld van de feiten die hem als een tuchtfeit worden aangewreven.
  12. Voorts is het weliswaar zo dat er geen verplichting voor de tuchtoverheid bestaat om het verweer van de tuchtrechtelijk vervolgde in haar beslissing punt voor punt te beantwoorden, maar is het haar dan toch ook weer niet toegelaten te handelen alsof dat verweer er niet is geweest. Uit haar beslissing dient bijgevolg op afdoende wijze te blijken dat zij het verweer bij haar oordeelsvorming heeft betrokken. Wat onder “op afdoende wijze” moet worden begrepen, is afhankelijk van de concrete omstandigheden van de zaak en dient geval per geval te worden uitgemaakt. XII-1140-5/9
  13. Te dezen verwijst de 26 januari 1998 gedateerde oproeping van verzoeker naar de hoorzitting, in verband met de “tuchtrechtelijke feiten” die hem ten laste worden gelegd naar een bijgevoegd verslag van de burgemeester. Zoals reeds gezien, bevat dat verslag in de eerste plaats, onder punt B, een hoofdstuk “verslag over het functioneren van de officier-dienstchef in het vrijwillig brandweerkorps naar aanleiding van het provinciaal doorlichtings- rapport”. De burgemeester beschrijft daarin een aantal tekortkomingen die de officier-dienstchef, vader van verzoeker, heeft begaan, waaraan wordt toegevoegd dat verzoeker er “in de hierna weergegeven gevallen deelachtig [aan] is geweest”. Die gevallen hebben betrekking op favoritisme van de officier-dienstchef ten voordele van verzoeker, die de voorkeursbehandeling “niet louter passief” zou hebben ondergaan, maar “daar in bepaalde gevallen een actieve bijdrage toe [heeft] geleverd”, evenals op “het tolereren van tuchtinbreuken of insubordinatie door ondergeschikten”, die verder wat verzoeker betreft omschreven worden als “brutaliteiten” en “racistische uitspraken in het tijdschrift van de vriendenkring”. Aangaande het favoritisme van de officier-dienstchef tegenover verzoeker, wijst de laatste er tijdens het verhoor op dat er redelijke en objectieve argumenten -“bv. bezit rijbewijs C - bedienen van elevator en autopomp”- voorhanden waren om sommige personen meer te betrekken bij interventies dan anderen, dat de klachten uitgaan van één enkele persoon, met een “intrigante rol”, en dat het feit om zogezegd een voorkeursbehandeling te ondergaan geen tuchtsanctie wettigt. Wat het niet optreden aangaat tegen zijn brutaliteiten en zijn racistische uitspraken in het tijdschrift van de vriendenkring, doet verzoeker tijdens het verhoor gelden dat enkel vage beschuldigingen worden geuit “zonder ook maar één concreet feit weer te geven van de zogenaamde brutaliteiten”, dat een loutere verwijzing naar een doorlichtingsrapport dat zelf geen concrete gegevens aanbrengt geen bewijs vormt, en dat uitspraken in het tijdschrift van de vriendenkring, dat per se een ludiek karakter heeft, moeilijk bestempeld kunnen worden als racistisch, gelet op het specifiek karakter van het tijdschrift. XII-1140-6/9 Finaal wordt verzoeker onder meer gestraft vanwege de tenlastelegging onder punt B. Op verzoekers verweer terzake wordt geantwoord : “Wat betreft het deelachtig zijn aan en/of het -zelfs actief- betrokken zijn bij het favoritisme van de officier-dienstchef, brengt dhr Philippe Vanden Hole geen elementen aan die het tegendeel aantonen. Zijn wederrechtelijke aanstelling tot korpssecretaris en het wederrechtelijk uitoefenen van deze functie, het wederrechtelijk deelnemen aan het comité van advies blijken niet enkel uit het provinciaal doorlichtingsrapport, maar ook en vooral uit de verslagen van het brandweerkorps die in het tuchtdossier onder bundel III werden opgenomen; Aangezien Philippe Vanden Hole in de zittingsnota erkent racistische uitspraken te hebben gedaan in het tijdschrift van de vriendenkring, doch dat niet aanvaard kan worden dat omwille van het zogenaamd ludiek karakter van dit tijdschrift bepaalde uitspraken niet racistisch meer zouden zijn”.
  14. De wijze waarop de burgemeester punt B van zijn tuchtverslag tegen verzoeker heeft geredigeerd is op zijn minst zonderling te noemen. Het is een relaas “over het functioneren van de officier-dienstchef in het vrijwillig brandweer- korps naar aanleiding van het provinciaal doorlichtingsrapport” en het vertrekt dan ook vanuit de verwijten die in dat doorlichtingsrapport ten aanzien van de officier- dienstchef zijn gemaakt. Slechts zijdelings worden daaraan tekortkomingen van verzoeker gekoppeld. Dit komt een klaar en duidelijk zicht op de precieze verwijten aan het adres van verzoeker bepaald niet ten goede. Bovendien worden sommige in genoemd punt B aan verzoeker ten laste gelegde tuchtfeiten met geen enkele bijzonderheid toegelicht of verhelderd. Aldus wordt verzoeker in vage en algemene bewoordingen “brutaliteiten” verweten en “racistische uitspraken in het tijdschrift van de vriendenkring”. Wat die brutaliteiten of racistische uitspraken concreet inhouden, waar en wanneer zij zich zouden hebben voorgedaan: daarover wordt noch in het tuchtverslag, noch elders, enige specificatie bijgebracht.
  15. In zoverre verwerende partij meent dat zulks wat de racistische uitspraken betreft niet hoefde omdat verzoeker tijdens het verhoor zou hebben erkend racistische uitspraken te hebben gedaan, wordt vastgesteld dat zij verzoekers verweer tijdens het verhoor een draagwijdte toedicht die het niet heeft. Tijdens het verhoor heeft verzoeker juist gesteld dat uitspraken in het tijdschrift van de vriendenkring bezwaarlijk als racistisch kunnen worden bestempeld. Tot op vandaag XII-1140-7/9 is niet geweten welke uitspraken van verzoeker in het tijdschrift, naar de mening van de verwerende partij, niettemin toch als racistisch te beschouwen zouden zijn.
  16. In verband met het aanmerking nemen van verzoekers betrokkenheid bij het favoritisme van de officier-dienstchef, ten slotte, meent verwerende partij ermee te mogen volstaan verzoekers verweer terzijde te schuiven op grond van het argument dat hij niet het tegendeel aantoont en dat hij wederrechtelijk heeft gefungeerd als korpssecretaris en wederrechtelijk aan vergaderingen van het comité van advies heeft deelgenomen. Het eerste argument is een blote affirmatie, die als zodanig zonder overtuigingskracht is. Het tweede argument gaat opvallend aan de kern van verzoekers verweer voorbij en zet precies daardoor de pertinentie van dit verweer alleen maar kracht bij: het louter ondergaan van een voorkeursbehandeling maakt niet ipso facto een tuchtvergrijp uit. Kan er in bepaalde omstandigheden mogelijk reden zijn om anders te oordelen, dan blijft zulks in principe hoe dan ook nader uiteen te zetten en te beargumenteren - des te meer wanneer net op dat punt een betwisting wordt opgeworpen. De bestreden beslissing blijft terzake evenwel in gebreke.
  17. Uit wat voorafgaat, volgt dat de tenlasteleggingen niet precies genoeg omschreven waren om een doeltreffend verweer mogelijk te maken en verzoekers rechten van verdediging te eerbiedigen, en dat de bestreden beslissing niet afdoende formeel gemotiveerd is. Een en ander is van aard de bestreden tuchtstraf in haar geheel te vitiëren. Het tweede en het achtste middel zijn in de besproken mate gegrond. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
  18. Vernietigd wordt de beslissing van 9 februari 1998 van de gemeenteraad van Ronse waarbij Philippe Vanden Hole de tuchtsanctie van de berisping wordt opgelegd. XII-1140-8/9 Artikel
  19. Het beroep wordt voor het overige verworpen. Artikel
  20. De kosten van het beroep, bepaald op 347,06 euro, komen ten laste van de verwerende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op acht mei 2008, door de XIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. D. VERBIEST, kamervoorzitter, J. LUST, staatsraad, C. ADAMS, staatsraad, Mevr. S. DOMS, griffier. De griffier, De voorzitter, S. DOMS. D. VERBIEST. XII-1140-9/9 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.182.751 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:1998:ARR.74.005 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.