id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 08 mei 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.182.753 Rolnummer: A. 158778/XII-4342 Zaak: Arrest 182753 - Kansspelen - 08/05/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-05-20 Raadplegingen: 61 - laatst gezien 2026-06-29 08:00 Fiche Arrest nr 182.753 van 8 mei 2008 Justitie - Kansspelen Beslissing : heropening debatten Aanvullend verslag Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 182.753 van 8 mei 2008 in de zaak A. 158.778/XII-
- In zake : de BVBA POMPEÏ, die woonplaats kiest bij advocaat J. Stijns, kantoor houdende te Leuven, Ubicenter - Philipssite 5 tegen :
- de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Justitie,
- de KANSSPELCOMMISSIE bij de federale overheidsdienst Justitie, die woonplaats kiezen bij advocaat B. Bronders, kantoor houdende te Oostende, E. Beernaertstraat
- --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, XIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat de BVBA Pompeï op 4 februari 2005 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van de beslissing van 5 februari 2003 van de kansspelcommissie om haar geen vergunning klasse B uit te reiken voor de uitbating van een kansspelinrichting klasse II aan de Schansstraat 16 te Mol, evenals van “de beslissing die vervat zit in de mededeling bij gewone brief van een kopie van de beslissing van 5 februari 2003 aan de raadsman van verzoekster dd. 16 december 2004 [...] houdende het beschouwen van de aanvraag tot vergunning klasse B als een nieuw dossier”; Gelet op het arrest nr. 138.945 van 6 januari 2005 waarbij de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing wordt verworpen; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgesteld door eerste auditeur-afdelingshoofd W. Van Noten; XII-4342-1/12 Gelet op de beschikking van 8 mei 2007 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memorie van de verwerende partijen; Gelet op de beschikking van 8 november 2007 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 8 januari 2008; Gehoord het verslag van staatsraad J. Lust; Gehoord de opmerkingen van advocaat L. De Wulf, die loco advocaat J. Stijns verschijnt voor de verzoekende partij, en van advocaat P. Louage, die loco advocaat B. Bronders verschijnt voor de verwerende partijen; Gehoord het advies van eerste auditeur-afdelingshoofd W. Van Noten; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, OVERWEEGT WAT VOLGT : De feitelijke gegevens
- Verzoekster dient een 30 januari 2001 gedateerde aanvraag in bij de kansspelcommissie om een vergunning klasse B te verkrijgen voor de uitbating van een kansspelinrichting klasse II te Mol, Schansstraat
- De kansspelcommissie besluit op 27 juni 2001 de vergunning te weigeren omdat de gemeenteraad van Mol op 9 april 2001 besliste geen convenant te sluiten voor de uitbating van de kansspelinrichting. Na vernietiging van de gemeenteraadsbeslissing van 9 april 2001 bij arrest van de Raad van State, nr. 107.947 van 18 juni 2002, trekt de kansspelcommissie de beslissing van 27 juni 2001 in op 2 oktober
- Op 14 oktober 2002 beslist de gemeenteraad van Mol opnieuw om geen convenant te sluiten met verzoekster. Die beslissing wordt de kansspel- commissie ter kennis gebracht met een brief van 29 oktober
- Van een XII-4342-2/12 mededeling van de beslissing aan verzoekster is er geen spoor. Op 5 februari 2003 stelt de kansspelcommissie vast dat de gemeenteraad van Mol op 14 oktober 2002 besloot om geen convenant te sluiten met verzoekster en beslist zij bij afwezigheid van een convenant ook geen vergunning klasse B uit te reiken. Die beslissing van de kansspelcommissie wordt niet aan verzoekster ter kennis gebracht. Uiteindelijk stemt de gemeenteraad van Mol er op 22 november 2004 dan toch mee in om met verzoekster een convenant te sluiten voor de uitbating van een kansspelinrichting klasse II. Verwijzend naar de vergunningsaanvraag die op 31 januari 2001 werd ingediend, deelt de raadsman van verzoekster op 8 december 2004 aan de kansspelcommissie mee dat op 6 december 2004 met de gemeente Mol een convenant werd gesloten, zodat het dossier volledig is en aan de verzoekster een vergunning klasse II dient te worden toegekend. De kansspelcommissie antwoordt met een brief van 16 december 2004 wat volgt : “Na onderzoek van het dossier is gebleken dat de commissie reeds ter zitting van 5 februari 2003 een beslissing ten gronde nam in het dossier van uw cliënt. Wij constateerden echter dat er zich geen bewijs van kennisgeving van deze beslissing bevond in het dossier. Wij gaan er dan ook van uit dat deze - omwille van een administratieve vergetelheid - niet gebeurde. De situatie zal onmiddellijk worden rechtgezet. Als bijlage vindt u eveneens een kopie van de beslissing van 5 februari
- Voorgaande elementen werpen dus een nieuw licht op de stand van zaken van het dossier. Wij kunnen akkoord gaan wat de 2 eerste punten van uw schrijven betreft. Voor het overige dient rekening te worden gehouden met het bestaan van bovenvermelde beslissing. Uw schrijven en de bijlagen zullen wij beschouwen als een nieuw dossier. Van zodra u dit heeft vervolledigd, kan u een plaats op de wachtlijst worden toegekend”. Eveneens op 16 december 2004 wordt alsnog een afschrift van de beslissing van 5 februari 2003 van de kansspelcommissie aan verzoekster toegezonden. Op 21 februari 2005 beslist de gemeenteraad van Mol dat zijn besluit van 14 oktober 2002 om geen convenant met verzoekster te sluiten “wordt ingetrokken”. Uiteengezet wordt dat “[i]ngevolge gewijzigde omstandigheden -aantal aanvragen, noodzakelijke spreiding, regelmatig en bijzonder toezicht door lokale politie-” op 22 november 2004 besloten werd toch een convenant te sluiten, en dat door de intrekking een einde wordt gesteld aan het bestaan van twee tegenstrijdige beslissingen en “duidelijk [wordt] gesteld dat de gemeente sinds XII-4342-3/12 22 november 2004 een convenant heeft afgesloten met de bvba Pompei voor de uitbating van een kansspelinrichting klasse II op het adres Schansstraat 16 te Mol”. De ontvankelijkheid
- Volgens de memorie van antwoord is het tweede voorwerp van het beroep geen aanvechtbare beslissing : “Gezien er reeds een eindbeslissing was tussengekomen in het initiële aanvraagdossier van verzoekende partij vermocht de Kansspelcommissie het schrijven van de raadsman van verzoekende partij houdende kennisgeving van het convenant met de gemeente Mol te beschouwen als een nieuw dossier, waarin een nieuwe beslissing zal worden genomen, nadat het dossier is vervolledigd. Bijgevolg beïnvloedt deze mededeling van de Kansspelcommissie geenszins de rechtstoestand van verzoekende partij, wie[r] beroep daartegen dan ook onontvankelijk moet worden beschouwd”.
- In haar brief van 16 december 2004 deelt de kansspelcommissie in de eerste plaats aan verzoeksters raadsman mee dat er reeds op 5 februari 2003 een beslissing over haar dossier is genomen. Daarvan uitgaande, deelt de kansspelcommissie bijkomend mee dat de brief en de stukken die verzoeksters raadsman haar op 8 december 2004 toezond als een nieuw dossier zullen worden beschouwd. Als zodanig is deze laatste mededeling niet meer dan een loutere gevolgtrekking -zonder eigen rechtsgevolgen- uit het bestaan van de beslissing van 5 februari
- Ofschoon de mededeling aldus in principe niet aanvechtbaar is, kan er te dezen niettemin toch reden toe zijn haar in voorkomend geval tezamen met de beslissing van 5 februari 2003 te vernietigen, met het oog op de duidelijkheid in het rechtsverkeer. De exceptie wordt in die mate verworpen. Het verzoek tot heropening van de debatten
- Met een brief van 19 maart 2008 vraagt de raadsman van de verwerende partijen de debatten te heropenen omdat hem gegevens ter kennis zijn gekomen die de verwerping kunnen meebrengen van het in het auditoraatsverslag besproken eerste middel. Het verzoek wordt afgewezen. Zoals hierna blijkt, is er ook zonder de bedoelde gegevens al reden toe om het eerste middel te verwerpen. XII-4342-4/12 De grond van de zaak Standpunt van partijen
- Verzoekster voert in een eerste middel “Schending van het rechtszekerheidsbeginsel en het vertrouwensbeginsel” aan. Zij argumenteert wat volgt : “De rechten van verzoekster werden volledig miskend door dezelfde en zelfs verdergaande rechtsgevolgen te verbinden aan een beslissing die bijna 2 jaar oud is en die genomen is met miskenning van de bestaande situatie, namelijk dat intussen een convenant met de gemeente van vestiging werd, gesloten. Het hoeft dan ook geen betoog dat door dergelijk overheidsoptreden het rechtszekerheidsbeginsel danig op de helling werd gezet. Verzoekster werd geschokt in haar vertrouwen in de overheid doordat dergelijke belangrijke beslissingen met zo'n impact op de rechtspositie genomen werd zonder inachtneming van de feitelijke omstandigheden. Men mag er toch op vertrouwen dat overheidsbeslissingen met rechtstreekse en individuele werking ter kennis gebracht worden of minstens dat deze binnen redelijke termijn ter kennis worden gebracht aan de betrokkene. Het schrijven van 16 december 2004 (slechts ontvangen op 21 december 2004) stelt dat het ‘herontdekken’ van deze weigeringsbeslissing een nieuw licht op het dossier werpt. Integendeel diende de Kansspelcommissie een nieuwe beoordeling van de aanvraag te maken op het ogenblik dat werd vastgesteld dat de weigeringsbeslissing nooit ter kennis werd gebracht en dat intussen een convenant werd verleend. In het geval dat de beslissing tot weigering van convenant dd. 14 oktober 2002 (waarvan verzoekster het bestaan ontdekte door de weigering van vergunning door de Kansspelcommissie) was ter kennis gebracht, had zij hiertegen beroep kunnen aantekenen bij de Raad van State. Wanneer de thans bestreden beslissing destijds reeds zou zijn ter kennis gebracht, zou verzoekster ook hiertegen een procedure kunnen hebben opstarten bij de Raad van State. Beide procedures zouden nog niet afgerond geweest zijn, op het ogenblik dat de beslissing genomen werd om een convenant te verlenen aan verzoekster. Het aanvraagdossier had in elk geval moeten worden beschouwd als een dossier in de overgangsperiode. Dit ‘normaal’ procedureverloop is verzoekster ontzegd geweest. Nu wordt verzoekster geconfronteerd met een weigering van vergunning gebaseerd op de enkele reden dat geen convenant met de gemeente werd gesloten, nadat wél een convenant met de gemeente kon worden gesloten. De beslissing tot het verlenen van een convenant is onverenigbaar en onbestaanbaar met een beslissing tot het weigeren van een convenant. De beslissing tot het verlenen van een convenant houdt de impliciete intrekking in van de eerder genomen weigering van convenant. Dergelijke besluitvorming vond plaats met miskenning van het rechtszekerheidsbeginsel. Het vertrouwensbeginsel werd erdoor geschonden”.
- Verwerende partijen antwoorden in de memorie van antwoord dat, aangezien de gemeente Mol besloten had om geen convenant te sluiten met verzoekster, de kansspelcommissie de vergunning klasse B kon weigeren. De XII-4342-5/12 verzoekster maakt in het middel geen onderscheid tussen de gevolgen van het bestaan van een administratieve beslissing en de kennisgeving daarvan. De weigeringsbeslissing van 5 februari 2003 van de kansspelcommissie is niet onwettig, gezien ze op dat ogenblik kon worden gemotiveerd onder verwijzing naar de beslissing van 14 oktober 2002 van de gemeente Mol om geen convenant te sluiten met verzoekster. De vaststelling dat de gemeente Mol circa twee jaar later, met name op 6 december 2004, beslist om toch een convenant te sluiten met verzoekster, betekent niet dat de beslissing van 5 februari 2003 van de kansspelcommissie, die steunt op voornoemde weigeringsbeslissing van de gemeente van 14 oktober 2002, onwettig zou zijn of worden. De omstandigheid dat de weigeringsbeslissing van 5 februari 2003 van de kansspelcommissie laattijdig werd betekend aan verzoekster doet geen afbreuk aan de wettigheid van die beslissing. Indien de weigerings- beslissing binnen kortere termijn zou zijn betekend, vóór de ondertekening op 6 december 2004 van de convenant tussen de gemeente Mol en verzoekster, zou dit op zich geen wijziging hebben teweeggebracht in de rechtstoestand van verzoekster. Verwerende partijen betogen vervolgens dat de late kennisgeving van de beslissing van 5 februari 2003 van de kansspelcommissie aan verzoekster ook geen afbreuk heeft gedaan aan het recht om tegen die beslissing een schorsings- en annulatieberoep in te dienen. Er valt niet in te zien dat het convenant van 6 december 2004 enige invloed zou hebben op de uitkomst van een schorsings- of vernietigingsprocedure, ongeacht of dergelijke procedure voor of na de datum van dit convenant werd ingeleid. Het convenant kan immers geen invloed uitoefenen op de wettigheid van de beslissing van de kansspelcommissie die vóór de totstandkoming van dit convenant werd genomen. De verwerende partijen zijn voorts van oordeel dat het de gemeente Mol niet stond om haar weigeringsbeslissing van 14 oktober 2002, die ze had meegedeeld aan de kansspelcommissie, na twee jaar en zonder afdoende motivering in te trekken, te meer daar deze weigeringsbeslissing rechtsgevolgen had voor derden. De beslissing van de kansspelcommissie was immers op die weigeringsbeslissing gesteund en ze had ook implicaties voor de rechtstoestand van andere aanvragers van een vergunning klasse B, rekening houdend met het maximumaantal kansspelinrichtingen waarvoor een vergunning klasse B kan worden toegekend. XII-4342-6/12 Tenslotte merken de verwerende partijen op dat het vreemd voorkomt dat de verzoekster en haar raadsman in het verzoekschrift beweren niet in kennis te zijn gesteld van de weigeringsbeslissing van 14 oktober 2002 van de gemeente Mol, die aan de basis ligt van de weigeringsbeslissing van 5 februari 2003 van de kansspelcommissie. Uit de gemeenteraadsbeslissing blijkt immers dat verzoekster samen met haar raadsman op 29 augustus 2002 op hun verzoek werden gehoord omtrent hun vraag om met de gemeente een convenant te sluiten. Verzoekster kan dan ook bezwaarlijk beweren dat zij daarvan niet op de hoogte was, vooral indien blijkt dat ze daarna onderhandelingen voerde met de gemeente Mol om alsnog een convenant te kunnen sluiten. Verzoekster voert geen middelen aan tegen de weigeringsbeslissing van 14 oktober 2002 van de gemeente Mol, alhoewel ze van oordeel is dat de weigeringsbeslissing van de kansspelcommissie die daarop is gesteund, onwettig is.
- Verzoekster repliceert in de memorie van wederantwoord : “De rechten van verzoekster werden volledig miskend door dezelfde rechtsgevolgen te verbinden aan een beslissing die bijna 2 jaar oud is en die genomen is met miskenning van de bestaande situatie, namelijk dat intussen een convenant met de gemeente van vestiging werd gesloten. Verweerster stelt in haar memorie van antwoord dat de beslissing van de Kansspelcommissie van 5 februari 2005 niet is aangetast door onwettigheid, gezien ze op dat ogenblik kon worden gemotiveerd onder verwijzing naar de beslissing van de Gemeente Mol van 14 oktober 2002 om geen convenant af te sluiten. Verweerster stelt het inderdaad terecht : op dat ogenblik kon de Kansspelcommissie verwijzen naar de beslissing van de Gemeente Mol van 14 oktober
- Op het ogenblik dat de bestreden beslissing ter kennis werd gebracht, namelijk op 16 december 2004, was de beslissing van Mol van 14 oktober 2002 reeds impliciet ingetrokken daar inmiddels een convenant werd verleend, hetwelk in contrast staat met de eerdere weigering van convenant. Voor verzoekster dateert de bestreden beslissing dan ook van ná het verlenen van een convenant. De weigering van convenant werd daarenboven uitdrukkelijk ingetrokken door de Gemeente Mol op 21 februari
- Zeker nu de funderingen waarop de bestreden beslissing werd gesteund, zijn weggenomen, staat de onwettigheid ervan des te meer vast. Verweerster stelt verder dat de laattijdige kennisgeving van de bestreden beslissing niet verhindert dat verzoekster een schorsings- en annulatieprocedure opstart bij de Raad van State en dat niet valt in te zien hoe de tussenkomst van het convenant van invloed zou kunnen geweest zijn op de uitslag van de opgestarte procedure. Verzoekster trachtte integendeel aan de Raad van State toe te lichten dat door in het schrijven van 16 december 2004 te stellen dat het dossier wordt beschouwd als een nieuw dossier, het normale verloop van een procedure bij de Raad van State wordt weggenomen. Kansspelinrichtingen kunnen immers genieten van de overgangsperiode zolang de procedure bij de Raad niet is XII-4342-7/12 afgerond. Door te stellen dat het dossier als een nieuwe aanvraag wordt beschouwd, gaat men omgekeerd te werk en worden dus verdergaande gevolgen gekoppeld aan een beslissing tot weigering van vergunning. Dergelijke besluitvorming vond plaats met miskenning van het rechtszekerheidsbeginsel. Het vertrouwensbeginsel werd erdoor geschonden”. Beoordeling
- Vanzelfsprekend betaamt het niet dat de weigering van 5 februari 2003 van de kansspelcommissie om verzoekster een kansspelvergunning klasse B te weigeren, haar pas met een brief van 16 december 2004 ter kennis is gebracht. Klaarblijkelijk gaat het om “een administratieve vergetelheid”. Hoe afkeurens- waardig die tekortkoming echter ook is, zij vermag in principe niet terug te slaan op de wettigheid van de beslissing van 5 februari
- 9.
- Mogelijk evenwel is er reden om van dit principe af te wijken indien, zoals verzoekster beweert, de laattijdige betekening effectief heeft meegebracht dat haar rechten “volledig miskend [werden]”, meer bepaald doordat er verdergaande rechtsgevolgen aan het besluit van 5 februari 2003 zijn verbonden en doordat haar een “‘normaal’ procedureverloop” werd ontzegd. Blijkbaar is de redenering van verzoekster de volgende: er bestaat ten gunste van kansspelinrichtingen een overgangsperiode “zolang de procedure bij de Raad [van State] niet is afgerond”; indien de beslissing van 5 februari 2003 tijdig was betekend, zou het beroep ertegen “nog niet afgerond geweest zijn, op het ogenblik dat de beslissing genomen werd om een convenant te verlenen aan verzoekster”; binnen deze overgangsperiode kon dan zijn opgeworpen dat de beslissing van 5 februari 2003 achterhaald is door het verlenen van het convenant, met als gevolg dat de beslissing vernietigd diende te worden en dat er door de kansspelcommissie opnieuw een besluit moest worden genomen over de initiële (!) aanvraag; de laattijdige betekening én de mededeling “dat het dossier wordt beschouwd als een nieuw dossier”, sluiten dat nu uit en verbinden aldus “verdergaande gevolgen” aan de beslissing van 5 februari
- 9.
- De meer vermelde “overgangsperiode” is die waarin artikel 19 van het koninklijk besluit van 22 december 2000 betreffende de werking en het beheer van de kansspelinrichtingen klasse II, de wijze van aanvraag en de vorm van de vergunning klasse B voorziet ten voordele van de exploitanten van de reeds bestaande lunaparken. Gelet inzonderheid op stuk 2 van het administratief dossier, XII-4342-8/12 mag worden aangenomen dat verzoeksters inrichting te Mol een dergelijk lunapark is, weze het dat, zoals in het arrest over de vordering tot schorsing werd overwogen, dit lunapark zich niet voordoet als een reeds bestaande inrichting “welke ten gevolge van de weigering van een vergunning [haar] activiteiten [dreigt] te moeten staken” - aangezien blijkbaar verzoekster reeds vroeger eigener beweging de exploitatie ervan stopzette. Volgens de overgangsregeling van genoemd artikel 19 mogen de bedoelde exploitanten -onder voorwaarden- hun inrichting verder exploiteren tot op het ogenblik dat de kansspelcommissie een beslissing heeft genomen over hun aanvraag van een kansspelvergunning en beschikken zij, ingeval de kansspelcommissie de vergunning weigert, vanaf de datum van kennisgeving over een periode van drie maanden om de exploitatie van de kansspelinrichting stop te zetten. Indien van de beslissing van 5 februari 2003, zoals behoorde, eerder aan verzoekster kennis was gegeven, dan zouden de drie maanden waarin de exploitatie nadien nog kon worden voortgezet, ook zoveel eerder verstreken zijn. Verkeerdelijk meent verzoekster dat de overgangsperiode zou hebben voortgelopen totdat haar beroep bij de Raad van State tegen de beslissing van de kansspel- commissie ten einde gekomen zou zijn. Thans is, door de vergetelheid van de kansspelcommissie, de periode waarin verzoekster gerechtigd was op grond van de besproken overgangsmaatregel de uitbating te continueren, tot begin 2005 blijven duren. Dit kan bezwaarlijk als een nadeel worden opgevat. Tevens heeft de laattijdige betekening evenmin de mogelijkheid voor verzoekster geschaad om tegen de beslissing van 5 februari 2003 een beroep bij de Raad van State in te stellen. Voorts heeft de laattijdige betekening van de weigering verzoekster geenszins belet om in het kader van haar beroep tegen die beslissing het uiteindelijk op 6 december 2004 gesloten convenant ter sprake te brengen, en om aan de hand van het convenant te betogen dat de beslissing achterhaald is. Integendeel heeft verzoekster zulks nu reeds in het inleidend verzoekschrift kunnen doen, wijl zij bij een tijdige betekening van de beslissing daartoe pas later de mogelijkheid zou hebben gehad, voor zoveel de procedure dan nog niet beëindigd zou zijn geweest. XII-4342-9/12 9.
- Het middel maakt bijgevolg niet aannemelijk dat de beslissing van de kansspelcommissie, om de enkele reden dat er zeer laat kennis van gegeven is, verzoeksters rechten heeft geschaad wat de overgangsperiode betreft die het koninklijk besluit van 22 december 2000 haar garandeert of wat het verloop betreft van een annulatieberoep tegen de beslissing.
- In zoverre verzoekster haar vertrouwen geschonden noemt doordat de kansspelcommissie “de bestaande situatie” miskent en nalaat “de feitelijke omstandigheden” in acht te nemen, verwijt zij de kansspelcommissie op 5 februari 2003 geen rekening te hebben gehouden met een convenant waarmee de gemeenteraad van Mol op 22 november 2004 heeft ingestemd en dat op 6 december 2004 werd gesloten. De gemeenteraadsbeslissing van 22 november 2004 en het convenant van 6 december 2004 tot sluiting van het convenant tonen echter niet aan dat de kansspelcommissie zich op 5 februari 2003, hetzij méér dan twintig maanden voordien, ten onrechte op de afwezigheid van een convenant heeft gesteund. Evenmin, overigens, is de gemeenteraadsbeslissing van 22 november 2004 “onverenigbaar en onbestaanbaar” met de eerdere gemeenteraadsbeslissing van 14 oktober 2002 waarbij geweigerd werd met verzoekster een convenant te sluiten. Zoals uit de gemeenteraadsbeslissing van 21 februari 2005 tot “intrekking” van de beslissing van 14 oktober 2002 blijkt, wordt immers de gemeenteraadsbeslissing van 22 november 2004 verantwoord door “gewijzigde omstandigheden -aantal aanvragen, noodzakelijke spreiding, regelmatig en bijzonder toezicht door lokale politie-”.
- Blijft nog de opwerping van verzoekster dat “de Kansspel- commissie een nieuwe beoordeling van de aanvraag [diende] te maken op het ogenblik dat werd vastgesteld dat de weigeringsbeslissing nooit ter kennis werd gebracht en dat intussen een convenant werd verleend”. Als zodanig wijst de grief niet uit dat de beslissing van 5 februari 2003 van de kansspelcommissie met een onwettigheid is behept. Hij viseert in wezen een weigering om de beslissing van 5 februari 2003 te herzien in het licht van de latere gebeurtenissen. XII-4342-10/12 Met een 22 december 2004 gedateerde brief, hetzij dus van na de bestreden besluiten, heeft verzoekster een eerste keer gevraagd aan de kansspelcommissie om de beslissing van 5 februari 2003 aan te passen. Daar is volgens het verzoekschrift niet op geantwoord. Verzoekster heeft opnieuw de kansspelcommissie aangeschreven, met een vraag tot intrekking van haar beslissing van 5 februari 2003, nadat de gemeenteraad van Mol zijn weigering van 14 oktober 2002 van een convenant had “ingetrokken” bij beslissing van 21 februari
- De vraag werd door de kansspelcommissie op 6 april 2005 verworpen, aangezien -aldus de memorie van wederantwoord- “dit zou leiden tot een feitelijke onwettige uitbating, bovenop de 180 vergunde inrichtingen en dat een feitelijke oneerlijke concurrentiële situatie zou worden gestimuleerd”. Zo er in die omstandigheden ongetwijfeld reden toe kan zijn aan de kansspelcommissie de weigering toe te schrijven om haar beslissing van 5 februari 2003 in te trekken, moet hoe dan ook worden vastgesteld dat zo een weigering niet tot het voorwerp van het beroep behoort.
- Het middel wordt verworpen. Het laat dus de oplossing van het geschil toe. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
- De debatten worden heropend. Artikel
- Het door de auditeur-generaal aangestelde lid van het auditoraat wordt belast met een aanvullend onderzoek van de zaak. XII-4342-11/12 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op acht mei 2008, door de XIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. D. VERBIEST, kamervoorzitter, J. LUST, staatsraad, G. VAN HAEGENDOREN, staatsraad, Mevr. S. DOMS, griffier. De griffier, De voorzitter, S. DOMS. D. VERBIEST. XII-4342-12/12 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.182.753 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.138.945 gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.193.803 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.