id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 08 mei 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.182.754 Rolnummer: Zaak: Arrest 182754 - Wegverkeer van goederen - 08/05/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-05-22 Raadplegingen: 66 - laatst gezien 2026-06-29 08:00 Fiche Arrest nr 182.754 van 8 mei 2008 Economische zaken - Wegverkeer van goederen Beslissing : heropening debatten Samenvoeging prejudiciële vraag Aanvullend verslag Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 182.754 van 8 mei 2008 in de zaken A. I. 130.588/XII-
- A. II. 130.589/XII-
- A. III. 130.591/XII-
- In zake : I. de GEMEENTE KEERBERGEN, die woonplaats kiest bij advocaat C. Gysen, kantoor houdende te Mechelen, Antwerpsesteenweg 18 II. de GEMEENTE HAACHT, die woonplaats kiest bij advocaat C. Gysen, kantoor houdende te Mechelen, Antwerpsesteenweg 18 III. de GEMEENTE BOORTMEERBEEK, die woonplaats kiest bij advocaat S. De Pooter, kantoor houdende te Broechem, Antwerpsesteenweg 17 tegen :
- de GEMEENTE BONHEIDEN, die woonplaats kiest bij advocaat P. Flamey, kantoor houdende te Antwerpen, Jan Van Rijswijcklaan 16
- de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Mobiliteit en Vervoer, thans de staatssecretaris voor Mobiliteit. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, XIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat de gemeenten Keerbergen, Haacht en Boortmeerbeek elk op 16 december 2002 hebben ingediend om de nietigverklaring te vorderen van “de beslissing van de gemeenteraad van de gemeente Bonheiden van 27 februari 2002 houdende verkeersreglement betreffende het aanbrengen van gewichtsbeperking tot 3,5 ton in het centrum van Bonheiden en XII-3722-1/12 Rijmenam [...], alsmede van de goedkeuringsbeslissing van de federale minister van Mobiliteit van 18 april 2002”; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien de “memorie van toelichting” van de tweede verwerende partij; Gezien het verslag in de drie zaken, opgesteld door auditeur P. De Somere; Gelet op de beschikkingen van 9 januari 2007 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelasten; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memories; Gelet op de beschikkingen van 18 december 2007 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 29 januari 2008; Gehoord het verslag van staatsraad J. Lust; Gehoord de opmerkingen van advocaat T. Ryckalts, die loco advocaten C. Gysen en S. De Pooter verschijnt voor de verzoekende partijen, van advocaat P.J. Vervoort, die verschijnt voor de eerste verwerende partij, en van advocaat B. Van Hyfte, die verschijnt voor de tweede verwerende partij; Gehoord het advies van auditeur P. De Somere; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, XII-3722-2/12 OVERWEEGT WAT VOLGT : De gegevens van de zaak
- In de zitting van 19 december 2001 keurt de gemeenteraad van Bonheiden overeenkomstig artikel 2, eerste lid, van de wet betreffende de politie over het wegverkeer (hierna: de wegverkeerswet) een “Aanvullend verkeers- reglement houdende aanbrengen gewichtsbeperking in centrum Bonheiden en Rijmenam” goed. Luidens artikel 1 wordt in de dorpskernen van Bonheiden en deelgemeente Rijmenam de doorgang verboden voor bestuurders van voertuigen waarvan de maximaal toegelaten massa hoger is dan 3,5 ton. Dit artikel wordt ingevoegd in artikel 4 van het algemeen aanvullend reglement van 29 maart
- Bij schrijven van 11 februari 2002 deelt het ministerie van Verkeer en Infrastructuur de gemeente Bonheiden mee dat het voorstel vooralsnog niet ter ondertekening aan de minister kan worden voorgelegd omdat in een aanvullend reglement duidelijk dient te worden bepaald welke straten onder het gebod of verbod vallen, alsook op welke plaatsen verkeersborden worden voorzien. In de zitting van 27 februari 2002 keurt de gemeenteraad van Bonheiden het “Aanvullend verkeersreglement houdende aanbrengen gewichts- beperking in centrum Bonheiden en Rijmenam- aanpassing” goed. Luidens artikel 1 wordt artikel 1 van het besluit van de gemeenteraad van 19 december 2001 aangevuld als volgt: “Aan volgende kruispunten zal het verkeersbord C21 geplaatst worden (= gewichtsbeperking tot 3,5 ton, uitgezonderd lijnbussen en laden en lossen): [...]”. Dit is het eerste bestreden besluit. Bij besluit van 18 april 2002 van de minister van Mobiliteit en Vervoer wordt het besluit van 27 februari 2002 van de gemeenteraad van Bonheiden houdende aanvullend verkeersreglement betreffende de gewichtsbeperking in het centrum en in Rijmenam goedgekeurd. Dit is het tweede bestreden besluit. Met een aanplakbrief van 6 mei 2002 deelt de burgemeester van Bonheiden mee dat de aanpassing van het aanvullend verkeersreglement houdende aanbrengen gewichtsbeperking in centrum Bonheiden en Rijmenam bij besluit van 18 april 2002 door de minister van Mobiliteit en Vervoer werd goedgekeurd en dat XII-3722-3/12 de volledige tekst van de betrokken aanvullende verkeersverordening ten gemeentehuize ter inzage ligt. Met een schrijven van 16 oktober 2002 brengt de gemeente Bonheiden er de gemeentebesturen van onder meer Keerbergen, Haacht en Boortmeerbeek van op de hoogte dat de gemeenteraad voormeld aanvullend verkeersreglement in zitting van 27 februari 2002 heeft goedgekeurd en dat in de loop van de maand december de nodige verkeersborden zullen worden aangebracht, met in bijlage een grondplan van de gemeente met aanduiding van de zones waarin de gewichtsbeperking van toepassing is. De samenvoeging
- Er is reden om vanwege de gelijkluidendheid van de verzoekschriften, de drie zaken in het belang van een goede rechtsbedeling samen te voegen. De procedure
- De tweede verwerende partij heeft na de ontvangst van de memorie van wederantwoord, in de drie zaken nog een memorie van toelichting ingediend waarin niet is voorzien door het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna : algemeen procedurereglement). Deze memories worden uit de debatten geweerd. De ontvankelijkheid 4.
- Verwerende partijen doen vooreerst gelden dat noch de beslissingen tot het indienen van een beroep tot nietigverklaring van de respectieve colleges van burgemeester en schepenen worden voorgelegd, noch de machtigingen van de gemeenteraden, zoals vereist door artikel 270, tweede lid, van de nieuwe gemeentewet. 4.
- De exceptie mist feitelijke grond. Verzoeksters hebben wel degelijk een afschrift van de bedoelde beslissingen bijgebracht. XII-3722-4/12 5.1.
- Voorts werpen verwerende partijen tegen dat de beroepen tot nietigverklaring te laat werden ingediend. Krachtens artikel 114 van de nieuwe gemeentewet immers zijn reglementen, zoals bedoeld in artikel 112, verbindend de vijfde dag volgend op de dag van bekendmaking door aanplakbrief. Verwijzend naar het arrest nr. 67/2001 van 17 mei 2001 van het Grondwettelijk Hof, stelt eerste verwerende partij dat de aanplakking van het betrokken reglement op 6 mei 2002 aan verzoeksters tegenwerpelijk is, ook al zijn zij geen inwoners van Bonheiden. 5.1.
- Verzoeksters repliceren dat zij ten vroegste op 16 oktober 2002, datum van het schrijven van eerste verwerende partij waarbij werd meegedeeld dat het aanvullend verkeersreglement in zitting van 27 februari 2002 werd aangenomen en op 18 april 2002 door de bevoegde minister werd goedgekeurd, kennis konden hebben van de bestreden maatregelen. Verzoeksters verwijzen in de eerste plaats naar artikel 4 van het algemeen procedurereglement volgens hetwelk beroepen tot nietigverklaring verjaren zestig dagen nadat de bestreden akten, reglementen of beslissingen werden bekendgemaakt of betekend en, indien ze noch bekendgemaakt noch betekend dienen te worden, zestig dagen vanaf de dag waarop de verzoeker er kennis van heeft gehad. Het betrokken aanvullend verkeersreglement ressorteert onder de maatregelen en reglementen bedoeld in artikel 112 van de nieuwe gemeentewet, doch de daarin vervatte bekendmakingsplicht is een algemene verplichting. Artikel 12 van de wegverkeerswet voorziet met betrekking tot de bekendmaking van verkeersreglementen nog in een bijzondere bekendmakingsverplichting: om verbindend te zijn, moeten de betrokken maatregelen aan de belanghebbenden ter kennis worden gebracht door personen die de kentekens van hun ambt dragen en ter plaatse zijn opgesteld of door passende verkeerstekens. Met toepassing van het adagium “lex specialis derogat generalis” werd in het arrest van de Raad van State nr. 87.889 van 7 juni 2000 overwogen dat artikel 12 van de wegverkeerswet geenszins van de in de nieuwe gemeentewet voorziene algemene regel afwijkt, behalve dat eraan toegevoegd wordt dat in die aangelegenheid aanvullende reglementen van de gemeenten pas bindend zijn als zij bovendien worden aangegeven door passende verkeerstekens of door bevelen van agenten die de kentekens van hun ambt dragen. In dat verband stellen de verzoeksters vast dat de eerste verwerende partij in het schrijven van 16 oktober 2002 uitdrukkelijk vermeldt dat de nodige verkeersborden in de loop van de maand december zullen worden aangebracht, zodat het aanvullend verkeersreglement op het ogenblik van de XII-3722-5/12 aanplakking geenszins verbindend was overeenkomstig artikel 12 van de wegverkeerswet. Voorts stellen verzoeksters dat te dezen niet kan worden verwezen naar het arrest nr. 67/2001 van 17 mei 2001 van het Grondwettelijk Hof. In dit arrest komt het Grondwettelijk Hof, zoals ook de Raad van State in het arrest nr. 41.986 van 16 februari 1993, tot de beoordeling dat de aanplakking kan worden tegengeworpen aan iemand die op het grondgebied van een gemeente belangen heeft doch er geen inwoner van is en dat hieruit geen onredelijke discriminatie met de inwoners van die gemeente voortvloeit. Te dezen is er evenwel sprake van een ander praktijkgeval waarbij een naburige gemeente die geen belangen heeft op het grondgebied van een aanpalende gemeente, wordt geconfronteerd met reglementen die rechtstreeks invloed hebben op de verkeersbewegingen op haar grondgebied. Verzoeksters zijn niet gekend in de voorbereiding van de betrokken maatregelen en zij zijn niet wettelijk verplicht zich te vergewissen van alle reglementen die de gemeenteraad van eerste verwerende partij uitvaardigt, terwijl wel mag worden verwacht dat er tussen gemeenten overleg plaatsvindt als een maatregel enige impact kan hebben op het grondgebied van een aanpalende gemeente. Verzoeksters verzoeken de Raad van State eventueel de volgende prejudiciële vraag tot het Grondwettelijk Hof te richten: “Doen de artikelen 112 en 114 van de nieuwe gemeentewet, inzoverre zij een wijze van bekendmaking door aanplakking invoeren van de reglementen en verordeningen van de gemeentelijke overheden die ingeroepen kan worden tegen eender wie, met inbegrip van de personen van buiten de gemeente dewelke geen rechtstreekse belangen hebben op het grondgebied van de bekendmakende gemeente, inzonderheid voor de berekening van de verjaringstermijn van de beroepen tot nietigverklaring voor de Raad van State, geen discriminatie ontstaan tussen de genoemde personen en de bewoners van de gemeente, die in strijd is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet?”. 5.2.
- Artikel 4, derde lid, van het algemeen procedurereglement bepaalt dat beroepen tot nietigverklaring verjaren zestig dagen nadat de bestreden akten, reglementen of beslissingen werden bekendgemaakt of betekend en dat, indien ze noch bekendgemaakt, noch betekend dienen te worden, de termijn ingaat met de dag waarop de verzoeker er kennis van heeft gehad. XII-3722-6/12 Het bestreden aanvullend verkeersreglement van 27 februari 2002 houdende aanbrengen gewichtsbeperking in centrum Bonheiden en Rijmenam is geen beslissing waarbij een individuele situatie wordt geregeld, doch heeft de draagwijdte van een reglement dat op een algemene wijze van toepassing is op een onbepaald aantal gevallen. Ten aanzien van dergelijke reglementaire akten bepaalde, toentertijd, artikel 112 van de nieuwe gemeentewet: “De reglementen en verordeningen van de gemeenteraad, het college van burgemeester en schepenen en van de burgemeester worden door laatstgenoemde bekendgemaakt door middel van een aanplakbrief die het onderwerp van het reglement of de verordening vermeldt, de datum van de beslissing waarbij het reglement of de verordening werd aangenomen en, in voorkomend geval, de beslissing van de toezichthoudende overheid. De aanplakbrief vermeldt tevens de plaats of plaatsen waar de tekst van het reglement of de verordening ter inzage ligt van het publiek”. De verplichting om een bestuurshandeling die niet individueel ter kennis moet worden gebracht bekend te maken, heeft tot gevolg dat de dag van die bekendmaking het uitgangspunt moet zijn voor het berekenen van de beroepstermijn. Waar in onderhavig geval het bestreden aanvullend verkeersreglement, om uitwerking te kunnen hebben, goedgekeurd moet zijn, is het de bekendmaking van de goedkeuring samen met de bekendmaking van het gemeentelijk reglement die als de verplichte bekendmaking dient te worden beschouwd waardoor de verjaringstermijn voor het instellen van een beroep tot nietigverklaring een aanvang neemt. Daar het bestreden aanvullend verkeersreglement houdende aanbrengen gewichtsbeperking in centrum Bonheiden en Rijmenam, zoals goedgekeurd door de minister van Mobiliteit en Vervoer op 18 april 2002, op 6 mei 2002 werd bekendgemaakt door middel van een aanplakbrief van de burgemeester, wordt vastgesteld dat de beroepen tot nietigverklaring die op 16 december 2002 zijn ingesteld, niet binnen de voorgeschreven beroepstermijn werden ingediend. Genoemde bekendmaking doet de termijn voor het instellen van een beroep tot nietigverklaring onherroepelijk ingaan, ook al houdt zij geen mededeling van de integrale tekst van het betrokken reglement in. Het feit dat het reglement verzoeksters na de bekendmaking bij schrijven van 16 oktober 2002 individueel ter kennis is gebracht, heeft geen nieuwe beroepstermijn doen ingaan. XII-3722-7/12 5.2.
- Van het voorgaande doet niet af, de omstandigheid dat aanvullende verkeersreglementen van gemeenten om verbindend te zijn de belanghebbenden ook ter kennis moeten worden gebracht, overeenkomstig artikel 12, eerste lid, van de wegverkeerswet door personen die de kentekens van hun ambt dragen en ter plaatse zijn opgesteld of door passende verkeerstekens. Het arrest van de Raad van State nr. 87.889 van 7 juni 2000 spreekt dat niet tegen. In dat arrest wordt bevestigd dat alle gemeentereglementen overeenkomstig artikel 112 van de nieuwe gemeentewet moeten worden bekendgemaakt en dat zij volgens artikel 114 van die wet in principe pas na die bekendmaking bindend zijn, dat artikel 12 van de wegverkeerswet geenszins van die algemene regel afwijkt, behalve dat eraan wordt toegevoegd dat in die aangelegenheid aanvullende reglementen van de gemeenten pas bindend zijn als zij bovendien worden aangegeven door passende verkeerstekens of door bevelen van agenten die de kentekens van hun ambt dragen. Vervolgens wordt overwogen dat een beroep tegen een aanvullend reglement dat niet werd bekendgemaakt overeenkomstig artikel 112 van de nieuwe gemeentewet, doch dat uitvoerbaar is geworden en bovendien werd uitgevoerd, inzonderheid door het aanbrengen van een conforme bewegwijzering en door bevelen van agenten van de openbare macht, daarom nog niet voorbarig is of niet-ontvankelijk wegens gebrek aan belang, dat in casu vaststaat dat het bestreden reglement, dat werd goedgekeurd door de toezichthoudende overheid, niet is bekendgemaakt overeenkomstig artikel 112 van de nieuwe gemeentewet, dat echter eveneens vaststaat dat de bewegwijzering aan dat reglement werd aangepast en dat het verkeer overeenkomstig dat reglement wordt geregeld, dat dit reglement weliswaar niet bindend is, maar daarom niet minder uitvoerbaar is, uitgevoerd is en bijgevolg een akte is waartegen beroep kan worden ingesteld en waarvan de verzoekers de nietigverklaring kunnen vorderen. Te dezen, evenwel, is het aanvullend gemeentelijk verkeers- reglement, zoals goedgekeurd door de toezichthoudende overheid, wel degelijk door aanplakking bekendgemaakt en staat de aanvechtbaarheid ervan niet in het minst ter discussie. Uit artikel 112, eerste lid, van de nieuwe gemeentewet volgt dat de aanplakking het wettelijk en verplicht bekendmakingsmiddel is van reglementen van de gemeenteraad en van de beslissing van de toezichthoudende overheid en dat de termijn om een beroep tot nietigverklaring in te stellen vanaf deze aanplakking loopt. XII-3722-8/12 5.2.
- In zijn arrest nr. 67/2001 van 17 mei 2001 heeft het Grondwettelijk Hof overwogen wat volgt : “B.2.
- Uit de prejudiciële vraag en uit de motivering van het verwijzings- arrest blijkt dat aan het Hof een vraag wordt gesteld over het verschil in behandeling dat door artikel 112 zou worden veroorzaakt tussen de inwoners van de gemeente en de personen die er niet wonen, waarbij de eerstgenoemden gemakkelijker kunnen weten wanneer de in het artikel bedoelde reglementen en verordeningen worden bekendgemaakt en, derhalve, wanneer de termijn voor het beroep tot vernietiging van dat reglement voor de Raad van State begint te lopen. Artikel 114, dat de datum bepaalt waarop de voormelde reglementen en verordeningen bindend worden en de manier waarop de bekendmaking ervan kan worden vastgesteld, heeft niets uit te staan met dat verschil in behandeling en valt dus niet onder de toetsing door het Hof. B.2.
- Het argument van de Ministerraad volgens hetwelk het in het geding zijnde verschil in behandeling niet zou uitgaan van artikel 112 van de nieuwe gemeentewet, maar wel van artikel 4 van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling administratie van de Raad van State, een verordeningsbepaling die aan de toetsing van het Hof ontsnapt, kan niet worden aanvaard : dat argument leidt er immers toe de inhoud van de prejudiciële vraag te wijzigen door het Hof te verzoeken rekening te houden, niet met de erin bedoelde tegenstelbaarheid van de reglementen en verordeningen, maar met de aanvang van de termijn voor beroep tegen die reglementen en verordeningen. Het staat niet aan de partijen de inhoud van de aan het Hof gestelde vragen te wijzigen. B.
- De grondwettelijke regels van de gelijkheid en de niet-discriminatie sluiten niet uit dat een verschil in behandeling tussen bepaalde categorieën van personen wordt ingesteld, voor zover dat verschil op een objectief criterium berust en het redelijk verantwoord is. Dezelfde regels verzetten er zich overigens tegen dat categorieën van personen, die zich ten aanzien van de aangevochten maatregel in wezenlijk verschillende situaties bevinden, op identieke wijze worden behandeld, zonder dat daarvoor een redelijke verantwoording bestaat. Het bestaan van een dergelijke verantwoording moet worden beoordeeld rekening houdend met het doel en de gevolgen van de betwiste maatregel en met de aard van de ter zake geldende beginselen; het gelijkheidsbeginsel is geschonden wanneer vaststaat dat geen redelijk verband van evenredigheid bestaat tussen de aangewende middelen en het beoogde doel. B.
- De Raad van State heeft in het verwijzingsarrest geoordeeld dat het in het geding zijnde reglement, dat ten laste van elke uitgever een belasting invoert op de distributie of de verspreiding, op het grondgebied van de gemeente, van gidsen, telefoongidsen of telefaxgidsen, moest worden bekendgemaakt. B.5.
- De wetgever vermag redelijkerwijze te oordelen dat de gemeentelijke overheden er niet toe zouden kunnen worden verplicht voor hun reglementen en verordeningen eenzelfde bekendmaking te verzekeren als die waarin is voorzien voor de bepalingen die alle inwoners van het Rijk aanbelangen, vermits die verordeningen en reglementen normalerwijze slechts een lokaal belang hebben. B.5.
- Wanneer de wetgever, met de wet van 8 april 1991, de in het geding zijnde bepaling (die sedert 1836 onveranderd was gebleven) heeft herzien, heeft hij zich afgevraagd welke bekendmaking diende te worden gegeven aan de in de wet bedoelde akten, daarbij opmerkend dat zeer weinig inwoners de teksten lezen op de plaats waar zij worden aangeplakt (Parl. St., Senaat, 1989- XII-3722-9/12 1990, nr. 915-1, p. 1), dat de voorgeschreven aanplakking volgens sommigen niet meer verenigbaar was met het volume en het complexe karakter van de huidige reglementeringen en dat andere wijzen van bekendmaking dan die waarin de in het geding zijnde bepaling thans voorziet, zoals de bekendmaking in de gemeentelijke informatiebladen, geen aanvaardbare oplossing boden (idem, nr. 915-2, pp. 2 en 3). Hij vermocht terecht van oordeel te zijn dat het ten behoeve van de inwoners van de gemeente is dat de bekendmaking van de gemeentelijke verordeningen en reglementen diende te geschieden en dat de personen die er niet wonen maar die er een belang hebben, ervoor dienen te zorgen dat ze op de hoogte zijn en daartoe over meer praktische communicatiemiddelen beschikken dan die van de negentiende eeuw. Het aldus ingestelde evenwicht tussen het belang dat elke situatie die strijdig is met het recht moet kunnen worden geëlimineerd en het belang dat de regelmatigheid van een bestuurshandeling niet te allen tijde mag kunnen worden betwist, kan niet als kennelijk onredelijk worden beschouwd. B.
- De prejudiciële vraag dient ontkennend te worden beantwoord”. Ofschoon, formeel, het Grondwettelijk Hof op grond hiervan voor recht zegde dat artikel 112 van de nieuwe gemeentewet niet de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schendt in zoverre de erin bepaalde bekendmaking van gemeentelijke reglementen en verordeningen de termijn voor het instellen van een beroep tot nietigverklaring doet aanvangen, zowel ten aanzien van inwoners van de gemeente als ten aanzien van personen buiten de gemeente, lijken, gelet precies op de hiervoor overgeschreven overwegingen, met die laatste categorie meer bepaald toch de personen bedoeld te zijn die buiten de gemeente wonen, maar er niettemin een “belang” hebben. Niet ten onrechte betogen verzoeksters dat het hier niet om een dergelijke persoon gaat, maar om een naburige gemeente die als zodanig geen “belangen” heeft op het grondgebied van de aanpalende gemeente en die wordt geconfronteerd met een reglement van deze gemeente, dat haar benadeelt. In dit licht kan de Raad van State niet zonder meer bijvallen dat, zoals eerste verwerende partij in de laatste memorie betoogt, de vraag die verzoeksters aan het Grondwettelijk Hof gesteld willen zien, reeds voorgelegd is en door het Hof beantwoord. Evenmin overigens wordt de eerste verwerende partij gevolgd waar zij, in de laatste memorie, verzoeksters verwijt hun verzoek tot het stellen van een prejudiciële vraag te laat, want pas in de memorie van wederantwoord, te hebben geformuleerd. Het betrokken verzoek kadert immers in het verweer tegen de laattijdigheidsexceptie die verwerende partijen in de memorie van antwoord opwierpen. XII-3722-10/12 Er is reden toe om de door verzoeksters voorgestelde prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof te stellen. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
- De zaken nrs. A. 130.588/XII-3722, 130.589/XII-3723 en 130.591/XII-3724 worden gevoegd. Artikel
- De debatten worden heropend. Artikel
- Aan het Grondwettelijk Hof wordt de volgende prejudiciële vraag gesteld : “Doen de artikelen 112 en 114 van de nieuwe gemeentewet, inzoverre zij een wijze van bekendmaking door aanplakking invoeren van de reglementen en verordeningen van de gemeentelijke overheden die ingeroepen kan worden tegen eender wie, met inbegrip van de personen van buiten de gemeente dewelke geen rechtstreekse belangen hebben op het grondgebied van de bekendmakende gemeente, inzonderheid voor de berekening van de verjaringstermijn van de beroepen tot nietigverklaring voor de Raad van State, geen discriminatie ontstaan tussen de genoemde personen en de bewoners van de gemeente, die in strijd is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet?”. Artikel
- Het door de auditeur-generaal aan te stellen lid van het auditoraat wordt belast met het verder onderzoek van de zaak na ontvangst van de uitspraak van het Grondwettelijk Hof. XII-3722-11/12 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op acht mei 2008, door de XIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. D. VERBIEST, kamervoorzitter, J. LUST, staatsraad, G. VAN HAEGENDOREN, staatsraad, Mevr. S. DOMS, griffier. De griffier, De voorzitter, S. DOMS. D. VERBIEST. XII-3722-12/12 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.182.754 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.