id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 08 mei 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.182.757 Rolnummer: A. 107901/VII-24187 Zaak: Arrest 182757 - Milieuvergunningen - 08/05/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-05-23 Raadplegingen: 62 - laatst gezien 2026-06-29 08:01 Fiche Arrest nr 182.757 van 8 mei 2008 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Milieuvergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 182.757 van 8 mei 2008 in de zaak A. 107.901/VII-24.187. In zake : de NV VERVOERUITBATING Fr. CEULEMANS & Co, die woonplaats kiest bij advocaten J. MATTIJS, S. VAN ROY en J. VOET, kantoor houdende te LIER, Donk 54 tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat B. BRONDERS, kantoor houdende te OOSTENDE, E. Beernaertstraat 106. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, VIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat de NV VERVOERUITBATING FR. CEULEMANS & Co op 24 juli 2001 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van de Vlaamse minister van Leefmilieu en Landbouw van 17 mei 2001 waarbij het beroep ingesteld tegen de beslissing van de bestendige deputatie van de provincieraad van Antwerpen van 19 oktober 2000, houdende het weigeren van de vergunning aan de verzoekende partij om een zandwinning, gelegen te Herentals, aan de Watervoortstraat, te exploiteren, ongegrond wordt verklaard en de beroepen beslissing wordt bevestigd; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd M. LEFEVER; Gelet op de beschikking van 11 mei 2006 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gezien de laatste memorie van de verzoekende partij; VII-24.187-1/14 Gelet op de beschikking van 7 maart 2008 waarbij de terechtzit- ting bepaald wordt op 17 april 2008; Gehoord het verslag van kamervoorzitter L. HELLIN; Gehoord de opmerkingen van advocaat P. LOUAGE die, loco advocaat B. BRONDERS verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelings- hoofd M. LEFEVER; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; 1. De feiten Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.1. De verzoekende partij dient in 1998 een eerste milieuvergunnings- aanvraag in voor de exploitatie van een zandwinning aan de Watervoortstraat te Herentals. 1.2. Op 16 juli 1998 weigert de bestendige deputatie van de provincieraad van Antwerpen de vergunning. De verzoekende partij gaat tegen voornoemde beslissing in beroep. De Gewestelijke Milieuvergunningscommissie geeft op 20 november 1998 een positief advies. 1.3. Op 8 februari 1999 weigert de Vlaamse minister bevoegd voor het leefmilieu de vergunning. 1.4. Op 13 juni 2000 dient de verzoekende partij een nieuwe aanvraag in. Deze wordt op 19 oktober 2000 opnieuw geweigerd door de bestendige deputatie van de provincieraad van Antwerpen om volgende redenen : VII-24.187-2/14 "(...) Overwegende dat volgens het advies van de AMV geluidshinder door afvoeractiviteiten voor woningen gelegen op aanmerkelijke afstand van de inrichting zelf geen onderdeel uitmaakt van de beoordeling; dat in voormelde weigeringsbesluiten deze hinder wel degelijk in rekening werd gebracht; dat in dat verband de ontsluiting via Noord Dauwenland in het MER werd aangeduid als akoestisch meest gunstige ontsluiting omdat er langs deze weg geen woningen staan; dat dit alternatief niet werd weerhouden door de aanvrager omdat de aanwezige asfaltverharding niet bestand is tegen het vrachtvervoer; dat de weerhouden ontsluiting via de Watervoortstraat evenmin berekend is op frequent zwaar vervoer; dat de hinder voor de bewoners van de huizen langs deze straat onvoldoende kan beperkt worden gelet op de voorgaande weige- ringsbesluiten; Overwegende dat het opvullen van de zandgroeve voorzien is met niet- verontreinigde grond, dat alle gegevens over deze opvulling ontbreken (herkomst, samenstelling, duur), dat het storten zelfs van zuivere grond onderhevig is aan de vergunningsplicht, dat er gestort zal worden in waterplas- sen wat verboden is volgens Vlarem (art. 5.2.4.4.1.§2), dat het grondwater bovendien in deze zone werd aangeduid als 'zeer kwetsbaar'; dat ook hier de weigeringsmotieven van de vorige beslissingen blijven gelden; Overwegende dat bijgevolg gesteld kan worden dat de risico's voor de externe veiligheid, de hinder, de effecten op het leefmilieu, op de wateren, op de natuur en op de mens buiten de inrichting veroorzaakt door de gevraagde exploitatie zelfs mits naleving van gepaste milieuvergunningsvoorwaarden niet tot een aanvaardbaar niveau kunnen worden beperkt". 1.5. De verzoekende partij tekent beroep aan tegen voornoemde weigeringsbeslissing. In haar beroepschrift argumenteert zij dat zij heeft geprobeerd de site te ontsluiten langs andere wegen, maar dat dit op een weigering is gestuit van zowel de gemeente Herentals als van het OCMW van die gemeente, zodat er enkel nog ontsluiting via de Watervoortstraat mogelijk bleek, dat uit het milieueffectenrap- port blijkt dat er enige hinder mag worden verwacht van de grondtransporten, maar zonder dat deze als overmatig kan worden beschouwd, omdat de geplande transporten minder dan 1% van de capaciteit van de Watervoortstraat bedragen. Daarnaast bestrijdt zij, met verwijzing naar de reglementering, rechtsleer en rechtspraak, de overweging dat het storten van zuivere grond vergunningsplichtig is. Hierbij wordt impliciet verwezen naar het advies van de Openbare Afvalstoffenmaatschappij voor het Vlaamse Gewest (hierna : OVAM) van 25 augustus 2000, dat door de bestendige deputatie van de provincieraad van Antwerpen is gevolgd. 1.6. In de beroepsprocedure worden de vereiste adviezen ingewonnen : (
- a)de afdeling Natuurlijke Rijkdommen en Energie adviseert op 6 februari 2001 gunstig; (
- b)OVAM geeft op 23 februari 2001 een ongunstig advies; VII-24.187-3/14 (
- c)de afdeling Stedenbouwkundige Vergunningen adviseert gunstig op 28 februari 2001, op voorwaarde dat de ontginning passend kan worden ontsloten en er voldoende waarborgen ter vrijwaring van het woongenot van de betrokken bewoners worden geboden; (
- d)de afdeling Milieuvergunningen geeft op 28 februari 2001 een ongunstig advies; (
- e)in navolging van voornoemd advies, brengt ook de Gewestelijke Milieuvergun- ningscommissie op 5 maart 2001 een ongunstig advies uit omdat : " - op het ogenblik van de adviesverlening dient nog steeds rekening gehouden te worden met het feit dat het opvullen van de ontginningsput met grond dient te worden gezien als een stortactiviteit; - de vrachtwagens die afkomstig zijn van de ontginningssite zullen voor geluids- en stofhinder zorgen". 1.7. Op 17 mei 2001 volgt de verwerende partij het advies van de Gewestelijke Milieuvergunningscommissie. Zij weigert de vergunning op grond van volgende motivering : "Overwegende dat vanuit oogpunt van de stedenbouwkundige en ruimtelijke aspecten gesteld kan worden dat de exploitatie van de inrichting die het voorwerp van de voormelde milieuvergunningsaanvraag uitmaakt, verenigbaar is met de toepasselijke ruimtelijke en stedenbouwkundige voorschriften; Overwegende dat het de aanvraag voor een nieuwe inrichting betreft; dat een quasi identieke aanvraag in 1998 reeds werd ingediend en zowel door de bestendige deputatie als door de minister werd geweigerd; Overwegende dat onderhavig beroep door de exploitant werd aangetekend tegen de weigering van de vergunning voor het exploiteren van een zandwin- ning; Overwegende dat de exploitant de ontginning van perceel 95a aanvraagt; dat dit perceel gelegen is in een ontginningsgebied (ongeveer 12 ha groot in het totaal); dat perceel 95a 2 ha 28a 17 ca groot is; dat hiervan slechts ongeveer 1,4 ha effectief zou ontgonnen worden; dat er zowel 'in den droge (60.000 m³) als 'in den natte' (140.000 m³) zou ontgonnen worden; dat de maximum diepte van de ontginning circa 3 à 4 m TAW zou bedragen; dat er geen bemaling wordt voorzien; Overwegende dat het zandig pakket bestaat uit drie geologische formaties (formatie van Kasterlee, formatie van Diest, formatie van Berchem) dat bovenop de Boomse klei gelegen is; dat de zandige afzettingen een dikte hebben van circa 90 in en een aaneensluitend watervoerend pakket vormen; dat de bovenlaag bestaat uit een 2 à 3 m dikke kwartaire afzetting (dekzanden); dat de onderliggende zanden tot de formatie van Kasterlee behoren; dat deze formatie hoofdzakelijk uit bleekgroene tot bruine kleihoudende fijne zanden (mica- en glauconiethoudend); dat deze een dikte heeft van 16 à 20 m; dat deze zanden geschikt zijn als ophoogzanden; Overwegende dat de watertafel zich bevindt op 4 meter onder het maaiveld; Overwegende dat er met een hydraulische rupskraan zal afgegraven worden tot circa 1 m boven de grondwatertafel; dat daarna, eveneens met een rupskraan, afgegraven wordt tot ca. 6 m onder de grondwatertatel; dat d.m.v. een cutterzuiger de verdere ontginning onder water zal uitgevoerd worden; dat VII-24.187-4/14 het ontgonnen zand langsheen de put wordt opgespoten waardoor het overtollige water naar de ontginningsput kan terugvloeien; Overwegende dat de maximale diepte van de ontginning wordt bepaald door het punt waarop de hellingen samenkomen; dat dit in artikel 5.18.2.1.§4 van titel II van het Vlarem is opgelegd; dat er geen bemaling wordt voorzien; dat er aan de west-, zuid- en oostzijde van het perceel 95a een beschermstrook van 20 m wordt voorzien; dat dit breder is dan de beschermstrook van 15 m die geldt volgens artikel 5.18.2.1 §4, 2/ van titel II van het Vlarem; dat het de bedoeling is om hierop een aarden wal aan te leggen met de afgegraven teelaarde; dat de ontginning zal gestart worden in de noordwestelijke hoek van het terrein; Overwegende dat de stockage van zand, zowel voor het ontwateren als in afwachting van afvoer, alsook de opslag van teelaarde en onbruikbare gronden worden voorzien binnen het ontginningsgebied; dat in de vorige milieuvergun- ningsaanvraag deze opslag werd voorzien in landschappelijk waardevol agrarisch gebied; Overwegende dat de bestaande verharding op de noordelijk gelegen weg Noord Dauwenland niet bestand is tegen het voorziene vrachtvervoer; dat volgens de exploitant de gemeente Herentals niet bereid is deze weg aan te passen aan zwaar verkeer; dat er in een vorige aanvraag nog werd van uitgegaan dat perceel 76 a kon aangekocht worden om de site te ontsluiten (OCMW is eigenaar); dat dit nu ook niet mogelijk blijkt te zijn; dat er zodoende door de exploitant voor geopteerd wordt om via de zuidelijk gelegen Water- voortstraat te ontsluiten; dat het transport vanaf de site zal gebeuren langs de bestaande zandweg gelegen tussen de zuid-oostrand van perceel 95a en de Watervoortstraat; Overwegende dat er in het aanvraagsdossier vermeld staat dat het transport van de gronden zal gebeuren met vrachtwagens van 26 ton bruto (15 ton netto) en vrachtwagens van 45 ton bruto (29 ton netto); dat er per vrachtwagen gemiddeld circa 10 m³ zal vervoerd worden; dat de intensiteit van de ontginning en van het zandtransport afhankelijk is van de vraag naar grondstoffen; dat in het Mer werd gesteld dat er gemiddeld 30 à 50 transporten per dag zouden plaatsvinden (rekening houdende met de huidige ervaring van de exploitant): dat het dus zou gaan om 60 à 100 bewegingen; dat er maximaal 100 transporten per dag zouden gebeuren (dus 200 bewegingen); dat er transport zou zijn gedurende 1/3 van de werkdagen; dat dit dus zou gaan om 75 à 60 werkdagen per jaar; Overwegende dat er volgens het aanvraagdossier zal gewerkt worden van 7 uur tot 19 uur; dat er een ontginningssnelheid van 300 m³/dag tot maximaal 1.000 m³/dag wordt voorzien; dat er circa 75 à 100 werkdagen/jaar worden voorzien; Overwegende dat er in het Mer blijkbaar werd uitgegaan van 225 à 240 werkdagen/jaar en in het aanvraagdossier van 75 à 100 werkdagen/jaar; Overwegende dat er in het aanvraagdossier werd gesteld dat er gemiddeld 4 à 6 transporten per uur en dit gedurende 8 uren per dag zullen zijn; dat er in het Mer wordt vermeld (...) dat er een maximale uurintensiteit van circa 25 vrachtwagenbewegingen kan mogelijk zijn; Overwegende dat er in het Mer gesteld wordt (...) dat er wordt verwacht dat het specifiek geluid veroorzaakt door de ontginning (en tijdens de ontginning welke enkel tijdens de dagperiode zal plaatsvinden) steeds beneden de richtwaarde van titel II van het Vlarem zal liggen en dit voor woningen op 200 meter en meer van de machines; dat er langs de Watervoortstraat echter een aantal woningen gelegen zijn op kortere afstand tot de ontginning; dat er echter steeds een bufferzone van 20 meter zal gerespecteerd worden welke bovendien zal aangewend worden om een aarden wal van 4 tot 5 meter hoogte (restaarde) VII-24.187-5/14 aan te brengen; dat er zodoende ook voor deze woningen geen geluidshinder zou optreden te wijten aan de ontginning zelf; Overwegende dat de vrachtwagens over een aarden weg tot aan de Watervoortstraat moeten rijden; dat deze daarna door de Watervoortstraat naar de Poederleeseweg moeten gaan; dat er langs de Watervoortstraat verschillende woningen staan; dat er in het Mer duidelijk wordt vermeld dat er vanaf de oostgrens van het ontginningsgebied tot aan de N153 (Poederleeseweg) circa 70 woningen staan waarvan circa 25 woningen ter hoogte van de site; Overwegende dat er in het Mer tevens vermeld staat (...) : 'de woningen zijn echter vrij dicht tot de as van de weg gelegen zodat een bijkomende intensiteit van 25 vrachtwagenbewegingen per uur aanleiding zal geven tot geluidshinder'; Overwegende evenwel dat er ook wordt gesteld dat (...) er langs de Watervoortstraat een aantal verspreide woningen staan op korte afstand tot de as van de weg (10 tot 15 meter); dat toename van het verkeer (vrachtwagenbe- wegingen) zal aanleiding geven tot geluidshinder; dat een volledige minimalisa- tie van geluidshinder enkel kan gerealiseerd worden door het transport langs de Noord Dauwenland af te leiden; Overwegende dat de zandweg niet bestand is tegen vrachtwagenvervoer; dat de exploitant heeft gepoogd om perceel 76a aan te kopen om via dit perceel de site te kunnen ontsluiten; dat de eigenaar van dit perceel niet wil verkopen; dat de exploitant heeft nagevraagd of het mogelijk was Noord Dauwenland te verbreden; dat deze vraag ook op een weigering botste; dat trouwens langs deze kant de gasleidingen gelegen zijn; dat de exploitant zich uiteindelijk genood- zaakt ziet om de ontsluiting te voorzien via de bestaande zandweg (R3) van 4 à 5 m 5 breed; dat deze doodlopende weg enkel dient voor de ontsluiting van het perceel van aanvrager en de percelen 105a en 106a; dat dit evenwel geen goede oplossing is; dat bij droog weer hier ook stofhinder voor de aanpalende omwonenden, op de hoek van de zandweg en de Watervoortstraat, kan optreden; dat deze zandweg immers een openbare weg is zodat de aanvrager niet over de mogelijkheden beschikt om de stofhinder te vermijden; dat hij bij voorbeeld zelf niet kan overgaan tot verharding van deze weg R3; dat de gemeentelijke technische dienst bevestigt in haar advies dat deze zandweg niet uitgerust is voor veelvuldig gemotoriseerd verkeer en dat dus de ontsluitende wegen onvoldoende zijn uitgerust voor de aangevraagde bedrijvigheid; Overwegende dat het ontbreken van een verharding ook zijn impact heeft op het verkeersgeluid; dat in het Mer meermaals (...) is gesteld dat de ontsluiting via de Watervoortstraat niet te verkiezen is omwille van de te verwachten (geluids)hinder voor de omwonenden langs de Watervoortstraat; dat hiervoor gewezen wordt op de korte afstand tussen de woningen en de as van de weg; dat dit argument des te meer opgaat voor de woningen op de hoek van de zandweg en de Watervoortstraat, waar het geluid van remmen en optrekken niet te verwaarlozen zal zijn; Overwegende dat moet besloten worden dat de ontsluiting van het perceel, door het wegvallen van de milieutechnisch gunstiger alternatieven (via Noord Dauwenland) niet mogelijk is zonder onaanvaardbare hinder voor de omwonen- den; Overwegende dat er trouwens in de Watervoortstraat een gewichtsbeperking tot 3,5 ton is goedgekeurd en omgezet in politiereglementering; dat dus de voorgestelde ontsluiting in de huidige situatie niet kan gerealiseerd worden; dat een eventuele milieuvergunning onuitvoerbaar zou zijn gezien aan- en afvoer in de praktijk door de verkeersreglementering onmogelijk zijn; dat het verlenen van een milieuvergunning geen rechten zou verlenen om hieraan te ontkomen; Overwegende dat de heropvulling van de site (waterplas) zal gebeuren met niet-verontreinigde grond, via bemiddeling van de grondbank; dat er volgens de exploitant geen sprake zal zijn van een stortplaats; dat er geen opvulling zal VII-24.187-6/14 gebeuren met inerte materialen (in tegenstelling tot wat in de vorige aanvraag wel werd vermeld); Overwegende dat er zich op 800 m van de site een beschermingszone III van een Waterwinning van de PIDPA; dat de natuurlijke grondwaterstroming naar de waterwinning toe gaat; Overwegende dat er volgens de exploitant tijdens de ontginning geen bemalingen of droogzuigingen zullen worden toegepast; dat er ook geen afvalwater zal worden geloosd; Overwegende dat ook de opvulling vergunningsplichtig is (rubriek 2.3.6, a, 1/) aangezien restgronden vallen onder de inerte afvalstoffen zoals bepaald in artikel 5.2.4.1.5, §l.,
- b)van titel II van het Vlarem; dat dit bevestigd wordt door het arrest dd. 5 januari 1999 van de rechtbank van eerste aanleg van het gerechtelijk arrondissement Antwerpen (97/3811) inzake het storten van opvulgronden door de firma Stallaert in een oude ontginningsput van de firma Swenden te Rumst; dat in dit arrest staat bepaald dat het storten van grond al of niet verontreinigd met stenen krachtens artikel 14 van het afvalstoffendecreet een milieuvergunningsplichtige activiteit is; dat de exploitant in zijn vergun- ningsaanvraag de heropvulling niet heeft aangevraagd; Overwegende dat de afdeling Natuurlijke Rijkdommen en Energie op 6 februari 2001 een gunstig advies heeft uitgebracht; dat dit gunstig advies op de vergadering van de Gewestelijke Milieuvergunningscommissie van 5 maart 2001 als minderheidsstandpunt werd ingenomen, rekening houdende met het belang van de ontginning voor de toekomstige bevoorrading enerzijds, en anderzijds omdat de negatieve beoordelingen voornamelijk betrekking hebben op de opvulactiviteiten met zuivere grond die gelet op de aard van de winning pas kunnen van start gaan nadat het terrein volledig is ontgonnen (dit is na ca 5 jaar); dat het juridisch statuut van zuivere gronden op heden onduidelijk is omdat een aantal beleidsvoorbereidende werkzaamheden hieromtrent nog niet in een definitieve wetgeving zijn vervat; dat volgens de afdeling Natuurlijke Rijkdommen en Energie mag verwacht worden dat het juridisch statuut van zuivere gronden éénduidig vast zal staan op het ogenblik dat de eventuele opvulactiviteiten van start kunnen gaan zodat de exploitant zich kan in orde stellen met de op dat ogenblik geldende wetgeving; dat volgens dezelfde afdeling de juridische onduidelijkheden van de opvulling op dit ogenblik bijgevolg de (noodzakelijke) zandwinning niet zouden mogen hypothekeren; Overwegende evenwel dat hier niet kan ingegaan worden op de vraag om de ontginning en de opvulling van elkaar los te koppelen; dat enkel de ontginning vergunnen zou impliceren dat de ontstane vijver eventueel niet zou moeten worden opgevuld; dat zodoende de nabestemming van dit gebied in het gedrang zou komen; Overwegende dat de aanspraken, aangehaald door de beroepsindiener als volgt kunnen worden geëvalueerd: • op het ogenblik van deze beslissing dient nog steeds rekening gehouden te worden met het feit dat het opvullen van de ontginningsput met grond dient te worden gezien als een stortactiviteit; • de vrachtwagens die afkomstig zijn van de ontginningssite zullen voor geluids- en stofhinder zorgen; de ontsluiting van het perceel op een milieutechnisch verantwoorde wijze is niet mogelijk; Overwegende dat gesteld kan worden dat de risico's voor de externe veiligheid, de hinder, de effecten op het leefmilieu, op de wateren, op de natuur en op de mens buiten de inrichting veroorzaakt door de gevraagde exploitatie mits naleving van aangepaste milieuvoorwaarden niet tot een aanvaardbaar niveau worden beperkt"; VII-24.187-7/14 2. De gegrondheid 2.1.1.1. Overwegende dat het eerste middel en het vierde middel nauw met elkaar samenhangen; dat zij bijgevolg samen worden onderzocht; dat de verzoeken- de partij in het eerste middel de schending aanvoert van het motiveringsbeginsel, van artikel 23, §2, van het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning (hierna : milieuvergunningsdecreet) en van artikel 52, 3/, b, van het besluit van de Vlaamse regering van 6 februari 1991 houdende vaststelling van het Vlaams reglement betreffende de milieuvergunning (hierna : Vlarem I), doordat het bestreden besluit geen afdoende antwoord verstrekt op bepaalde middelen en argumenten van het beroepschrift, terwijl de voornoemde artikelen voorschrijven dat de bevoegde overheid een gemotiveerde beslissing neemt; dat de verzoekende partij stelt dat er niet afdoende werd geantwoord op de argumentatie die zij ontwikkelde betreffende het feit dat storten van zuivere grond niet vergunningsplichtig is, dat zij over vijftien pagina's alle mogelijke middelen heeft aangehaald om aan te tonen dat het storten van zuivere grond geen stortactiviteit is die vergunningsplichtig is, dat het bestreden besluit deze argumentatie volledig negeert en alleen stelt dat het storten van zuivere grond wel vergunningsplichtig is; 2.1.1.2. Overwegende dat de verzoekende partij in het vierde middel de schending aanvoert van de artikelen 3 en 4 van het milieuvergunningsdecreet en van "artikel 5§1 VLAREM I, bijlage 1, lijst van als hinderlijk beschouwd(
- e)inrichting- en"; dat zij in een eerste onderdeel stelt dat het bestreden besluit het opvullen van een ontginningsput met niet-verontreinigde grond als vergunningsplichtig beschouwt terwijl deze activiteit niet is opgenomen in de lijst van de als hinderlijk beschouwde inrichtingen; dat zij uiteenzet dat de Vlaamse regering op dit moment een ontwerpbesluit maakt dat het opvullen met niet-verontreinigde grond zal invoeren als een hinderlijke inrichting onder rubriek 59, dat zolang de reglementering niet in die zin is gewijzigd die activiteit niet als een hinderlijke inrichting kan worden beschouwd; dat de verzoekende partij ook verwijst naar "een nota van het kabinet", die zij bijvoegt als een bijlage 26, en waarin wordt gesteld dat uitgegraven grond niet als afval moet worden beschouwd aangezien die niet is opgenomen in de afvalstoffencatalogus; dat de verzoekende partij in een tweede onderdeel aanvoert dat het bestreden besluit ten onrechte stelt dat het opvullen met niet-verontreinigde grond een stortactiviteit is, dat niet-verontreinigde grond niet als afvalstof kan worden beschouwd, dat het storten ervan dan ook geen vergunningsplichtige activiteit kan zijn; VII-24.187-8/14 2.1.2. Overwegende dat de verwerende partij in haar memorie van antwoord, zowel met betrekking tot het eerste middel als het vierde middel, verwijst naar wat in de motivering van het bestreden besluit wordt gezegd betreffende de onmogelijkheid om, ondanks het juridisch onduidelijke statuut van "zuivere grond", de problematiek van de ontginning los te koppelen van deze van de opvulling; dat zij stelt dat de rechtszekerheid vereist dat geen vergunning wordt verleend voor de ontginning, indien er geen duidelijkheid bestaat over de realisatie van de nabestemming van het te ontginnen gebied, dat de verzoekende partij steeds beweert "goede" grond te zullen aanvoeren, zonder dat daaromtrent enige duidelijkheid, laat staan een garantie, wordt gegeven, wetende dat goede grond schaars is en dat de aanwending ervan als opvulling van een groeve geen best beschikbare techniek is, dat het aan de vergunningverlenende overheid dan ook vrijstond, met het oog op een goed bestuur en de handhaving van de rechtszekerheid, vast te stellen dat de opvulling van de groeve, "restgronden" betreffen die vallen onder artikel 5.2.4.1.5., §1, b, van het besluit van de Vlaamse regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne (hierna : Vlarem II), zodat de opvul- ling overeenkomstig "rubriek 2.3.6.,a,1/" vergunningsplichtig is; dat de verwerende partij ten slotte stelt dat aan de motiveringsplicht werd voldaan; 2.1.3.1. Overwegende dat de verzoekende partij in haar laatste memorie, met betrekking tot het eerste middel, stelt dat de motivering van het bestreden besluit onduidelijk is, een kringredenering bevat, en niet afdoende is, aangezien ze is gebaseerd op een onbestaand arrest van een zaak die nog behandeld moet worden voor het hof van beroep; 2.1.3.2. Overwegende dat de verzoekende partij in haar laatste memorie, met betrekking tot het vierde middel, aanvoert dat zij ook kritiek heeft op het motief inzake de ontsluiting, dat het niet is omdat zij de problematiek inzake het storten en de vergunningsplicht heeft benadrukt dat zij geen kritiek zou hebben op de houding van de verwerende partij inzake de ontsluiting; dat zij hiervoor zowel naar de toelichting in het verzoekschrift als naar het aangevoerde tweede middel verwijst; 2.1.4. Overwegende dat de belangrijkste bestaansreden van de motiveringsplicht, opgelegd door de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, erin gelegen is dat de betrokken bestuurde in de hem aanbelangende beslissing zelf de motieven moet kunnen aantreffen op grond waarvan ze werd genomen, onder meer opdat hij met kennis van zaken zou kunnen uitmaken of het aangewezen is de beslissing met een VII-24.187-9/14 annulatieberoep te bestrijden; dat om aan die belangrijke bestaansreden tegemoet te komen, evenwel niet is vereist dat een antwoord wordt gegeven op elk van de in beroep aangevoerde argumenten; dat het noodzakelijk, doch voldoende is dat de beslissing duidelijk de redenen doet kennen die de beslissing verantwoorden en waaruit kan worden afgeleid waarom de in beroep verdedigde stellingen niet worden aangenomen; dat te dezen aan die vereiste is voldaan aangezien het verzoekschrift zelf aangeeft dat de verzoekende partij weet welke de motieven zijn die door de verwerende partij werden gehanteerd; Overwegende dat het bestreden besluit in hoofdzaak op twee motieven steunt, met name : "- op het ogenblik van deze beslissing dient nog steeds rekening gehouden te worden met het feit dat het opvullen van de ontginningsput met grond dient te worden gezien als een stortactiviteit; - de vrachtwagens die afkomstig zijn van de ontginningssite zullen voor geluids- en stofhinder zorgen; de ontsluiting van het perceel op een milieutechnisch verantwoorde wijze is niet mogelijk"; dat de verzoekende partij in haar verzoekschrift geen kritiek uit op het tweede weigeringsmotief; dat zij evenmin aanvoert dat het tweede weigeringsmotief niet determinerend is; dat bijgevolg wordt vastgesteld dat zij geen rechtstreeks belang heeft bij het gegrond bevinden van het eerste en het vierde middel, die slechts tegen het eerste weigeringsmotief zijn gericht, aangezien het tweede weigeringsmotief op zich voldoende is om de weigering van de milieuvergunning te schragen; dat het eerste middel en het vierde middel bijgevolg niet tot nietigverklaring kunnen leiden; 2.2.1. Overwegende dat de verzoekende partij in het tweede middel de schending aanvoert van het zorgvuldigheids-, het redelijkheids-, het vertrouwens-, het rechtszekerheids- en het motiveringsbeginsel; dat zij uiteenzet dat de verwerende partij onzorgvuldig te werk is gegaan doordat zij nog steeds spreekt van het "arrest" in de zaak "Stallaert/Swenden"; dat zij voorts het rechtszekerheids- en het vertrouwensbeginsel geschonden acht doordat de verwerende partij de eerste quasi volledig identieke vergunningsaanvraag alleen op zuiver procedurele gronden - geen openbaar onderzoek - heeft geweigerd en nu, bij het opnieuw indienen van de aanvraag, een probleem opwerpt inzake het storten van zuivere grond; 2.2.2. Overwegende dat de verwerende partij in haar memorie van antwoord repliceert dat het de vergunningverlenende overheid vrijstond om naar aanleiding van een nieuwe vergunningsaanvraag, deze aanvraag in haar geheel VII-24.187-10/14 opnieuw te onderzoeken, dat, naar analogie met de bevoegdheid van de overheid in het kader van een beroepsprocedure, bij een nieuwe aanvraag moet worden overgegaan tot de zelfstandige beoordeling en afweging van alle bij de zaak betrokken aspecten en belangen, dat, in tegenstelling tot wat de verzoekende partij aanvoert, de louter procedurele redenen in het eerste besluit niet de enige reden van de weigering vormden, dat uit de beslissing van de bestendige deputatie van de provincieraad van Antwerpen van 16 juli 1998 blijkt dat de eigenlijke grondslag voor de weigering van de exploitatie gelegen is in het feit dat de milieuhinder onaanvaardbaar wordt geacht indien de ontsluiting gebeurt langs de weg R3, dat de bestendige deputatie van de provincieraad van Antwerpen toen heeft besloten tot de stedenbouwkundige onverenigbaarheid van de ontwateringsactiviteit en de opslag in het agrarisch gebied, en tevens heeft vastgesteld dat er onduidelijkheid bestond over de opvulling van de put, wat relevant is gelet op de grote kwetsbaarheid van het grondwater; dat de verwerende partij voorts stelt dat uit het administratief dossier blijkt dat het eerste bestreden besluit tot stand kwam, rekening houdend met de uitgebrachte adviezen en met de tijdens het openbaar onderzoek gemaakte opmerkingen en bezwaren, alsmede met de door de aanvrager aangehaalde argumenten, dat de overheid aldus zorgvuldig is te werk gegaan; dat zij voorts aanvoert dat de verzoekende partij niet aantoont waarom het thans bestreden besluit het motiveringsbeginsel schendt; dat de verwerende partij ten slotte de motivering uit het bestreden besluit citeert om aan te tonen waarom zij tot de weigering van de milieuvergunning is overgegaan; 2.2.3. Overwegende dat de verzoekende partij in haar memorie van wederantwoord stelt dat het antwoord van de verwerende partij niet ter zake is en dat het onbegrijpelijk is dat het storten van zuivere grond nu wel een weigeringsmotief vormt, aangezien de relevante wetgeving niet is veranderd; 2.2.4. Overwegende dat de verzoekende partij in haar laatste memorie stelt dat het bestreden besluit het vertrouwen schendt dat het heeft gecreëerd bij het eerdere besluit; 2.2.5. Overwegende dat de verzoekende partij in het tweede middel enkel kritiek uit op het eerste weigeringsmotief; dat zij niet aantoont dat de verwerende partij ook op een onzorgvuldige, het rechtszekerheids- en vertrouwensbeginsel schendende wijze tot het tweede weigeringsmotief is gekomen; dat de verzoekende partij derhalve geen voldoende belang heeft bij het gegrond bevinden van het tweede middel, dat slechts tegen het eerste weigeringsmotief is VII-24.187-11/14 gericht; dat het tweede weigeringsmotief op zich voldoende is om de weigering van de milieuvergunning te schragen; dat het tweede middel niet ontvankelijk is; 2.3.1. Overwegende dat de verzoekende partij in het derde middel de schending aanvoert van artikel 6 van het EVRM, met verwijzing naar het arrest Bentham van 8 oktober 1983 van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens; dat zij stelt dat artikel 6 van het EVRM werd geschonden doordat het bestreden besluit werd genomen door de Vlaamse minister van Leefmilieu en Landbouw, zijnde een niet-onafhankelijk, niet-onpartijdig orgaan, terwijl zij op grond van voornoemd artikel recht heeft op een beoordeling door een orgaan dat zowel de opportuniteit als de legaliteit in volle onafhankelijkheid en onpartijdigheid beoordeelt; 2.3.2. Overwegende dat de verwerende partij in haar memorie van antwoord stelt dat het beginsel "nemo iudex in causa sua" in de regel niet slaat op de organen van het actief bestuur tenzij zulks verenigbaar is met de eigen aard, inzonderheid de structuur van dat bestuur, dat het milieuvergunningsdecreet bepaalt dat het de Vlaamse minister van Leefmilieu is die bij betwistingen over het verlenen van een vergunning beslist, dat de procedure die is uitgewerkt in Vlarem I, afdoende waarborgen biedt ter verzekering van de onpartijdigheid van de organen die optreden in het kader van de vergunningsprocedure, dat zij op geen enkel ogenblik zelf als "partij" optrad, dat de adviesverlening, rapportering en dergelijke zijn uitgevoerd door andere overheden en deskundigen, dat uit de omstandigheden evenmin enige partijdigheid kan worden afgeleid; 2.3.3. Overwegende dat de verzoekende partij in haar memorie van wederantwoord repliceert dat het duidelijk is dat de verwerende partij het arrest Bentham niet heeft nagelezen, dat evenmin kan worden volstaan met te stellen dat het probleem ondervangen wordt doordat er een beroep bij de Raad van State mogelijk is, aangezien een beroep bij de Raad van State steeds beperkt is tot de beoordeling van de legaliteit en de Raad van State niet beschikt over de volheid van bevoegdheid; 2.3.4. Overwegende dat naar luid van artikel 6.1. van het EVRM eenieder bij het vaststellen van zijn burgerlijke rechten en verplichtingen recht heeft op onder meer een behandeling van zijn zaak door een onafhankelijke en onpartijdige rechterlijke instantie; dat de waarborgen die artikel 6.1. van het EVRM aldus biedt voor een eerlijk proces door een onafhankelijke en onpartijdige VII-24.187-12/14 "rechterlijke instantie" van toepassing zijn op gerechtelijke beslissingen, en niet betrokken kunnen worden, zoals te dezen, op een beslissing van een administratieve overheid die niet optreedt als rechtsprekende instantie, maar als orgaan van actief bestuur; Overwegende dat het hoe dan ook volstaat dat uiteindelijk een beroep mogelijk is bij een rechterlijke instantie met volle rechtsmacht die aan de bij artikel 6 van het EVRM gestelde vereisten voldoet; dat niet blijkt dat daar te dezen niet aan zou zijn voldaan; dat de Raad van State -wiens onafhankelijkheid en onpartijdigheid door de verzoekende partij overigens niet worden betwist- bevoegd is om zich over alle door de verzoekende partij aangevoerde wettigheidsbezwaren tegen het bestreden besluit uit te spreken; dat de Raad van State daarbij een controle in rechte en in feite uitoefent, met inbegrip van de toepassing van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, zoals het onpartijdigheidsbeginsel; dat een verzoekende partij dienvolgens de mogelijkheid heeft om voor de Raad van State aan te tonen dat de bestreden rechtshandeling niet is genomen door een onpartijdig orgaan; dat het gegeven dat de Raad van State op grond van een aldus vastgestelde onwettigheid vervolgens de bestreden beslissing niet hervormt, maar ze in voorkomend geval vernietigt zonder er zelf een beslissing voor in de plaats te mogen stellen, aan de eis inzake "volle rechtsmacht" in de bij artikel 6 van het EVRM te geven betekenis, niet tekortkomt; dat de omvang van de rechtsmacht van de Raad van State voldoet aan de vereisten die aan een rechterlijke instantie zijn gesteld bij artikel 6.1. van het EVRM; dat het derde middel niet gegrond is, BESLUIT: Artikel 1. Het beroep wordt verworpen. Artikel 2. De kosten van het beroep, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. VII-24.187-13/14 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op acht mei tweeduizend en acht, door de VIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. L. HELLIN, kamervoorzitter, J. LUST, staatsraad, E. BREWAEYS, staatsraad, Mevr. E. IMPENS, griffier. De griffier, De voorzitter, E. IMPENS. L. HELLIN. VII-24.187-14/14 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.182.757 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div