← België

Arrest 182906 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 14/05/2008

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 14 mei 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.182.906 Rolnummer: A. 187004/X-13660 Zaak: Arrest 182906 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 14/05/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-05-23 Raadplegingen: 62 - laatst gezien 2026-06-29 08:02 Fiche Arrest nr 182.906 van 14 mei 2008 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Verwerping Inwilliging tussenkomst Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 182.906 van 14 mei 2008 in de zaak A. 187.004/X-13.

  1. In zake : Ignace DEDEURWAERDER-HOSTENS, die woonplaats kiest bij advocaat R. MITTENAERE, kantoor houdende te 8500 KORTRIJK, Residentie Isis, Peter Benoitstraat 7 bus 8 tegen :
  2. het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat Y. FRANCOIS, kantoor houdende te 8790 WAREGEM, Eertbruggestraat 10,
  3. de gemeente SPIERE-HELKIJN, die woonplaats kiest bij advocaten D. VAN HEUVEN en S. RONSE, kantoor houdende te 8500 KORTRIJK, President Kennedypark 6/
  4. tussenkomende partij : Philippe BAYART, die woonplaats kiest bij advocaten L. OCKIER en F. ROGGE, kantoor houdende te 8500 KORTRIJK, Katteputstraat 3 DE Wnd. VOORZITTER VAN DE Xe KAMER, Gezien het enig verzoekschrift dat Ignace DEDEURWAERDER- HOSTENS op 11 februari 2008 heeft ingediend, en waarin hij de schorsing van de tenuitvoerlegging vordert van het besluit van 28 november 2007 van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente SPIERE-HELKIJN, waarbij aan Philippe BAYART de stedenbouwkundige vergunning wordt verleend voor het bouwen van een rundveestal en sleufsilo’s en de aanleg van betonverharding op een perceel gelegen te Spiere-Helkijn, Gaverstraat 33, kadastraal bekend sectie A, nrs. 692/g, 692/h, 694/c, 694/d, 698/d, 699/b en 701/b; Gezien de nota’s van de verwerende partijen; X-13.660-1/7 Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur E. LANCKSWEERDT; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; Gelet op de beschikking van 4 april 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 18 april 2008; Gehoord het verslag van staatsraad P. LEFRANC; Gehoord de opmerkingen van advocaat R. MITTENAERE, die verschijnt voor de verzoekende partij, van advocaat Y. FRANCOIS, die verschijnt voor de eerste verwerende partij, van advocaat S. RONSE, die verschijnt voor de tweede verwerende partij, en van advocaat F. ROGGE, die verschijnt voor de tussenkomende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur E. LANCKSWEERDT; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; OVERWEEGT WAT VOLGT :
  5. Rechtspleging Met een verzoekschrift van 5 maart 2008 heeft Philippe BAYART gevraagd om in het administratief kort geding te mogen tussenkomen. Er is grond om het verzoek in te willigen.
  6. De feiten 2.
  7. De tussenkomende partij dient op 29 maart 2007 een aanvraag in voor het verkrijgen van een stedenbouwkundige vergunning voor “de nieuwbouw van een rundveestal en sleufsilo’s & de aanleg van betonverharding” op de percelen gelegen aan de Gaverstraat 33 te Spiere-Helkijn. X-13.660-2/7 2.
  8. De percelen met het landbouwbedrijf van de tussenkomende partij zijn volgens het bij koninklijk besluit van 4 november 1977 vastgestelde gewestplan Kortrijk gelegen in agrarisch gebied. 2.
  9. Het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Spiere-Helkijn verleent op 10 april 2007 een gunstig vooradvies “mits het landschappelijk inkaderen van het bedrijf d.m.v. streekeigen groen”. 2.
  10. Tijdens het openbaar onderzoek worden twee bezwaarschriften ingediend, waarvan één mede namens de verzoeker. 2.
  11. Het departement landbouw en visserij verleent op 14 augustus 2007 een gunstig advies. 2.
  12. De gewestelijk stedenbouwkundig ambtenaar verleent op 8 november 2007 een gunstig advies, “(...) onder voorbehoud van naleving van de door het college gestelde voorwaarden. Ter verbetering van de landschappelijke inkleding S dienen de grijze golfplaten vervangen te worden door antracietkleurige en dienen de doorzichtige golfplaten gegroepeerd te worden aan een zijde van het dak; S dient voorafgaand aan de stedenbouwkundige vergunning een landschapsbedrijfsplan te worden opgemaakt; daarin dient onder meer te worden voorzien in de aanplanting van een krans van hoogstammige (fruit)bomen in wijd plantverband bezijden de aardappelloods en de rundveestal of in een evenwaardige aanplanting. Bij de vergunning moet een aangepast plan worden gevoegd”. 2.
  13. Het college van burgemeester en schepenen verleent op 28 november 2007 de bestreden stedenbouwkundige vergunning mits de voorwaarde: “(...) 2/bis: Ter verbetering van de landschappelijke inkleding - dienen de grijze golfplaten vervangen te worden door antracietkleurige of bruinkleurige en dienen de doorzichtige golfplaten gegroepeerd te worden aan een zijde van het dak; - wordt het landschapsbedrijfsplan goedgekeurd mits de beperking dat alle * hoogstam Quercus robur met volgende maat: HT 18-20 en 3 x verplant (3xv) * hoogstam Fraxinus excelsior met volgende maat: 18-20 en 3 x verplant (3xv) X-13.660-3/7 * losse haag Carpinus betulus in de configuratie van een losse haag, minimum 3 planten per lopende meter, over een afstand van 70 meter met de volgende maat: 1/2 en 80-100 * losse heg (1 plant per lopende meter) van Corylus avellane, Viburnum Tinus en Cornus sanguinea met de maat :1/2 struik en 100-125 - vooraleer de verbouwingswerken kunnen worden aangevat, zal een borgsom van 2500.00 EUR in de gemeentelijke kas worden gestort met de vermelding ‘borgsom bayart’ . nadat de werken voltooid zijn, volgens de bovenstaande voorschriften en het goedgekeurd plan (en met inbegrip van het aanplanten van de beplanting) zal op eenvoudig verzoek de borgsom worden teruggestort. Daarvoor dient hij wel een factuur voor te leggen van de aangeplante delen, met de gespecificeerde maat. De bouwheer verbindt zich bij het aanvatten van de werkzaamheden, dat de te beplanten delen duurzaam zullen zijn in tijd. Indien het plantgoed afsterft, zal hij op eigen initiatief de beplanting terug plaatsen. - voordat het plantmateriaal wordt geplant, zal de bouwheer het gemeentebestuur inlichten, dat het plantmateriaal op de bouwwerf aanwezig is, waar het door de technisch adviseur zal worden gekeurd. (...)”.
  14. De ontvankelijkheid De door de eerste verwerende partij opgeworpen exceptie dient slechts te worden onderzocht indien de Raad van State tot de schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing zou overgaan, wat, zoals hierna zal blijken, niet het geval is.
  15. Beoordeling 4.
  16. Krachtens artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, kan de Raad van State slechts tot de schorsing van de tenuitvoerlegging besluiten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de nietigverklaring van de aangevochten akte of verordening kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden akte of verordening een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen. 4.
  17. Wat de tweede schorsingsvoorwaarde betreft, dient vastgesteld dat luidens artikel 8, eerste lid, 3/, van het koninklijk besluit van 5 december 1991 tot bepaling van de rechtspleging in kort geding voor de Raad van State, het enig verzoekschrift “een uiteenzetting (bevat) van de feiten die van aard zijn aan te tonen dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden akte de verzoekende partij een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen, waarbij alle stukken worden gevoegd die het risico op dergelijk nadeel aantonen”. X-13.660-4/7 Bij het beoordelen van deze schorsingsvoorwaarde kan dan ook alleen rekening worden gehouden met wat ter zake in het verzoekschrift werd aangevoerd en met de bij dat verzoekschrift gevoegde stukken. 4.
  18. Wat de tweede door artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State opgelegde voorwaarde betreft, stelt de verzoeker samengevat dat zijn “vergezicht (...) van 1.250 m in de richting van Bossuit gereduceerd (zal) worden tot nog slechts 155 meters (...) gelet op de afmetingen van de geplande rundveestal, nl. 40,50 m x 27,10 m” en dat hij “door het optrekken van de litigieuze rundveestal vanop de koer van zijn historische hofstede geconfronteerd (zal) worden (met) een betonnen complex van maar liefst 100 meters, nl. 40 m van de reeds bestaande aardappelloods, 20 m tussenruimte en vervolgens opnieuw 40 m 50 m voor de thans vergunde rundveestal”. Voorts voert hij de schending aan van het “als landschappelijk waardevol aangemerkt landschap gelegen rond de historische hoeve van verzoeker” en argumenteert hij dat de rundveestal “zich op slechts 155 m van de hoeve (...) zal bevinden” waardoor hij “ook last (zal) hebben van lawaaihinder (...) nog veel meer lawaai (...) dan thans reeds het geval is”. 4.
  19. De eerste verwerende partij betwist het zicht van de verzoeker “van op zijn koer (...) op de hofstede van” de tussenkomende partij, wijst op de ligging in agrarisch gebied, betwist het persoonlijk karakter van de belemmering van het zicht op de hoeve van de verzoeker en de “extra geluidsoverlast” die “uitsluitend het gevolg (is) van de exploitatie”. De tweede verwerende partij wijst op de aanwezigheid van “reeds meerdere bestaande constructies (...) in de nabijheid van de eigendom” van de verzoeker waardoor “het gezichtsveld nu reeds aan beperkingen is onderworpen”, voorts stelt zij dat “men redelijkerwijs zich in agrarisch gebied kan verwachten aan bedrijfsuitbreidingen in de omgeving” en betwist zij “dat verzoekende partij überhaupt uitzicht hééft op de dorpskern van Bossuit”, dat de vermindering van het zicht op de hoeve van de verzoeker een persoonlijk nadeel is, dat het gebied landschappelijk waardevol is en dat de aangevoerde lawaaihinder “in causaal verband (staat) met de bestreden beslissing”. De tussenkomende partij betwist het zicht van de verzoeker “(v)anuit zijn woonvertrekken (...) op het agrarische landschap” waar zich reeds een woning en het bestaande landbouwbedrijf bevinden, zij wijst op de afstand van minstens 155 m tussen de vergunde stal en de hoeve van de verzoeker en op het feit dat het agrarisch gebied geen landschappelijk waardevol gebied is. Voorts betwist X-13.660-5/7 zij dat “de ingeroepen aantasting van het zicht van passanten” een persoonlijk nadeel is en betoogt zij dat “de ingeroepen lawaaihinder (...) weinig ernstig te noemen” is. 4.
  20. Uit de gegevens van het dossier blijkt dat de verzoeker in de richting van Bossuit geen ongeschonden uitzicht heeft door de aanwezigheid van de reeds bestaande hoeve en bijhorende stallen van de tussenkomende partij en dat de vergunde stal aansluit bij het reeds bestaande hoevecomplex van de tussenkomende partij. Het agrarisch gebied waarin de hoeves van de verzoeker en de tussenkomende partij zich bevinden is niet als landschappelijk waardevol aangestipt. Uit niets blijkt dat dit gebied een bijzondere schoonheidswaarde moet worden toegeschreven. In die omstandigheden vertoont het aangevoerde nadeel, mede gelet op de afstand tussen de vergunde stal en de hoeve van de verzoeker, niet de rechtens vereiste ernst. 4.
  21. Wat betreft de beweerde aantasting van het landschap rond de historische hoeve van de verzoeker, geldt de voormelde vaststelling dat de bijzondere schoonheidswaarde van het betrokken gebied niet is aangetoond. Bovendien moet worden vastgesteld dat de verzoeker zelf stelt dat het nadeel dat bestaat in de afname van het zicht op “de historische Hofstede van verzoeker” zal worden ondergaan door “de mensen die komen van St.-Denijs via de Gaverstraat”. Het aangevoerde nadeel vertoont derhalve niet het rechtens vereiste persoonlijk karakter. 4.
  22. De bijkomende lawaaihinder schrijft de verzoeker niet toe aan andere dan agrarische activiteiten van de tussenkomende partij. De verzoeker toont niet de ernst van dit nadeel aan dat overigens voortvloeit uit de exploitatie van de inrichting waarvoor een door de verzoeker kennelijk niet aangevochten milieuvergunning werd verleend aan de tussenkomende partij. 4.
  23. Uit de ter terechtzitting door de partijen zelf verstrekte toelichting blijkt bovendien dat de kwestieuze rundveestal inmiddels volledig werd opgericht. Er valt dan ook niet in te zien hoe de schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden vergunning de nadelen die volgens de verzoeker uit de bestreden beslissing volgen, zou kunnen verhinderen of ongedaan maken. Die vaststelling alleen al volstaat om de vordering tot schorsing af te wijzen. X-13.660-6/7 4.
  24. Bijgevolg is niet voldaan aan één van de door artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State opgelegde voorwaarden om de schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit te bevelen. Die vaststelling volstaat om de vordering af te wijzen. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
  25. Het verzoek tot tussenkomst van Philippe BAYART in het administratief kort geding wordt ingewilligd. Artikel
  26. De vordering tot schorsing wordt verworpen. Artikel
  27. De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld. De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de tussenkomst in de schorsingsprocedure wordt uitgesteld. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op veertien mei 2008, door : de H. P. LEFRANC, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. T. TEMMERMAN, griffier. De griffier, De voorzitter, T. TEMMERMAN. P. LEFRANC. X-13.660-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.182.906 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.186.251 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.