id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 15 mei 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.182.924 Rolnummer: A. 145352/VII-37040 Zaak: Arrest 182924 - Natuurbehoud - Vergunningen - 15/05/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-05-26 Raadplegingen: 61 - laatst gezien 2026-06-29 08:02 Fiche Arrest nr 182.924 van 15 mei 2008 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Natuurbehoud - Vergunningen Beslissing : Vernietiging Verwerping bekendmaking Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 182.924 van 15 mei 2008 in de zaak A. 145.352/VII-37.040. In zake : 1. François MALOU, 2. en zijn echtgenote, 3. Agnès MALOU, 4. Cecile MALOU, 5. Brigitte MALOU, 6. Paul MALOU, 7. Lucie MALOU, die woonplaats kiezen bij advocaten T. VANDENPUT en P. DE MAEYER, kantoor houdende te BRUSSEL, Tedescolaan 7 tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat J. BERGÉ, kantoor houdende te LEUVEN, Naamsestraat 165 -------------------------------------------------------------------------------------------------- - D E R A A D V A N S T A T E, VIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat François MALOU, zijn echtgenote, Agnès MALOU, Cecile MALOU, Brigitte MALOU, Paul MALOU en Lucie MALOU op 16 december 2003 hebben ingediend om de vernietiging te vorderen van het besluit van de Vlaamse regering van 18 juli 2003 houdende definitieve vaststelling van het afbakeningsplan voor de Grote Eenheden Natuur en Grote Eenheden Natuur in Ontwikkeling van het Zoniënwoud, de Ijsevallei, de Dijlevallei, het Meerdaalwoud en de Molenbeek-Mollendaalbeek; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur G. DE BLEECKERE; VII-37.040-1/11 Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gezien de regelmatig gewisselde laatste memories; Gelet op de beschikking van 7 maart 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 17 april 2008; Gehoord het verslag van staatsraad E. BREWAEYS; Gehoord de opmerkingen van advocaat P. DE MAEYER, die verschijnt voor de verzoekende partijen, en van advocaat J. BERGÉ, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur G. DE BLEECKERE; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; OVERWEEGT WAT VOLGT: 1. De gegevens van de zaak 1.1. Hoofdstuk V van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu (hierna : natuurbehouddecreet) heeft betrek- king op het gebiedsgericht beleid. Het decreet regelt daartoe onder meer de afbake- ning van het Vlaams Ecologisch Netwerk (hierna : VEN). Artikel 17, § 1, van het natuurbehouddecreet omschrijft het VEN als : "een samenhangend en georganiseerd geheel, van gebieden van de open ruimte waarin een specifiek beleid inzake het natuurbehoud, gebaseerd op de kenmerken en elementen van het natuurlijk milieu, de onderlinge samenhang tussen de gebieden van de open ruimte en de aanwezige en potentiële natuurwaarden wordt gevoerd". Luidens artikel 17, § 2, van het natuurbehouddecreet, omvat het VEN de volgende onderdelen : VII-37.040-2/11 "1/ Grote Eenheden Natuur (GEN) : dit zijn gebieden die hetzij natuurelemen- ten over een oppervlakte van minstens de helft van het gebied bevatten hetzij gebieden waarin een specifiek natuurelement met hoge natuurkwaliteit aanwezig is; 2/ Grote Eenheden Natuur in Ontwikkeling (GENO) : dit zijn gebieden die één of meer van de volgende kenmerken vertonen :
- a)aanwezigheid van natuurelementen, verspreid over de oppervlakte van het gebied, waarvan de gezamenlijke oppervlakte echter kleiner kan zijn dan de helft van het gebied;
- b)aanwezigheid van belangrijke fauna- of floraelementen waarvan het voortbe- staan moet worden ondersteund door de maatregelen inzake het grondgebruik;
- c)terreinen al dan niet door kunstmatige ingrepen tot stand gekomen, met belangrijke mogelijkheden voor natuurontwikkeling". De opname van een gebied in het VEN heeft onder meer tot gevolg dat overeenkomstig artikel 25, § 3, van het natuurbehouddecreet voor dat gebied een aantal voorschriften en verbodsbepalingen gelden, onder andere inzake het gebruik van meststoffen en bestrijdingsmiddelen, vegetatiewijzigingen, enzovoort. De overheid kan voor die gebieden maatregelen nemen om de natuur en het natuurlijk milieu te behouden, te herstellen en te ontwikkelen. In GEN gelden die maatregelen "bij voorrang ten opzichte van de andere functies in het gebied", in GENO gelden zij "rekening houdend met de overige functies in het gebied" (artikel 25, §1). Die maatregelen zijn opgenomen in het besluit van de Vlaamse regering van 21 november 2003 houdende maatregelen ter uitvoering van het gebiedsgericht natuurbehoud (hierna : maatregelenbesluit). Voorts wordt voor elk gebied dat behoort tot het VEN een natuurrichtplan opgesteld, dat specifieke maatregelen inzake natuurbehoud kan bevatten (artikel 48 en 50). De onroerende goederen gelegen in het VEN zijn in principe onderworpen aan een recht van voorkoop door het Vlaamse Gewest (artikel 37). De opname van een gebied in het VEN maakt het dus mogelijk om, zoals bepaald in artikel 17, §1, eerste lid, van het natuurbehouddecreet, voor dat gebied "een specifiek beleid inzake het natuurbehoud" te voeren. De overheid kan in die gebieden eigendomsbeperkingen opleggen die niet gelden in andere gebieden. Het natuurbehouddecreet bepaalt dat de Vlaamse regering binnen vijf jaar na de inwerkingtreding ervan een effectief te realiseren oppervlakte van 125.000 ha afbakent (artikel 17, § 1, tweede lid). 1.2. Op 19 juli 2002 beslist de Vlaamse regering tot de voorlopige vaststelling van de ontwerpen van de afbakeningsplannen VEN - eerste fase. De beslissing omvat onder meer de voorlopige vaststelling van "het ontwerp van afbakeningsplan van de Grote Eenheden Natuur en Grote Eenheden Natuur in Ontwikkeling van het Zoniënwoud, de Ijsevallei, de Dijlevallei, VII-37.040-3/11 het Meerdaalwoud en de Molenbeek-Mollendaalbeek". Naar aanleiding van deze voorlopige vaststelling wordt een openbaar onderzoek georganiseerd. Dit wordt aangekondigd in het Belgisch Staatsblad van 12 september 2002: het plan ligt ter inzage op het gemeentehuis van de betrokken gemeenten, onder meer ook in Huldenberg, van 23 september 2002 tot 21 november 2002. De verzoekende partijen zijn samen eigenaars van de kadastrale percelen HULDENBERG, afdeling 2, Loonbeek, Sectie B, nrs. 104/E/2 (kasteel), 107/E (braakliggend terrein), 104/P/2, 104/N/2, 104/M/2, 103/G (park), en 46/A (kasteelweg), gelegen aan de Margijsbosweg te Huldenberg. Deze percelen blijken opgenomen te zijn in het hierboven vermelde ontwerp van afbakeningsplan. 1.3. Naar aanleiding van het openbaar onderzoek dienen de verzoekende partijen op 18 november 2002 een bezwaarschrift in. In dat bezwaarschrift wordt onder meer het volgende aangevoerd: - de percelen nrs. 104/E/2, 107/E en 46/A vormen een kasteel met bijhorende formele tuin, die ten onrechte als natuurgebied werd bestemd in het gewestplan en die nooit de functie gehad heeft van natuurgebied. De formele tuin wordt gevormd samen met percelen toebehorend aan de consoorten VAN WEYENBERGH; daarbij wordt tevens verwezen naar de verwevenheid met de woonfunctie en wordt er gesteld dat die percelen om die redenen niet beschouwd kunnen worden als gebieden die specifieke natuurelementen en/of belangrijke fauna- of floraelementen bevatten; de woning is vergund of moet worden geacht te zijn vergund; - er wordt tevens aangevoerd dat het domein een belangrijke cultuurhistorische en socio-culturele erfgoedwaarde heeft, terwijl de "hoofdfunctie natuur" de instand- houding en versterking van de erfgoedwaarde verhindert; - de overige percelen van het park maken nog geen deel uit van een bosbeheerplan (in tegenstelling tot de bossen van de consoorten VAN WEYENBERGH), maar de verzoekende partijen hebben het vaste voornemen om het behoud van het bos te verzekeren; - in het park zijn tevens tennisterreinen gelegen die door de door de gemeente erkende tennisclub met meer dan 100 leden, bespeeld worden; - concluderend wordt gesteld dat gelet op de meerdere verweven functies (woonfunctie, natuurfunctie, cultuurhistorische en socio-culturele erfgoedwaarde, recreatieve functie) het Integraal verwevings- en ondersteunend netwerk (Ivon)- statuut het meest aangewezen is. VII-37.040-4/11 1.4. Op 19 maart 2003 brengt de Mina-raad advies uit over de bezwaarschriften die zijn ingediend naar aanleiding van het openbaar onderzoek inzake het ontwerp afbakeningsplan VEN - eerste fase. Dit advies omvat enerzijds een algemeen advies over de bezwaren inzake de voorbereidende fase, het openbaar onderzoek, de gevolgen van de afbakening en de maatregelen, en anderzijds een gebiedsspecifiek advies waarbij ook per afbakeningsplan de bezwaren geëvalueerd worden. Het door de verzoekende partijen ingediende bezwaar wordt door de Mina-raad als volgt samengevat : "(Nr. 546) Bezwaar tegen de opname van het kasteel met domein te Huldenberg. De bezwaarindiener stelt dat gelet op de specificiteit van de percelen die een kasteelpark en beheerd bos vormen en gelet op de meerdere verweven functies, het IVON-statuut het meest aangewezen is. Ook de natuurwaarde wordt betwist". De raad beoordeelt dit bezwaar als volgt: "De Raad stelt vast dat het kasteel met domein - met bestemming natuurgebied - volledig opgenomen zijn in de VEN-afbakening. De Raad adviseert behoud van dit parkdomein, dat als een enclave gelegen is in het VEN, mits aandacht voor de specifieke beschermingsstatuten (cf. toetsingskader)". 1.5. Op 18 juli 2003 stelt de Vlaamse regering het afbakeningsplan voor "de Grote Eenheden Natuur en Grote Eenheden Natuur in Ontwikkeling van het Zoniënwoud, de Ijsevallei, de Dijlevallei, het Meerdaalwoud en de Molenbeek- Mollendaalbeek" definitief vast. Dit is de bestreden beslissing. Zij wordt bij wijze van uittreksel als volgt in het Belgisch Staatsblad van 17 oktober 2003 bekendgemaakt: "18 JULI 2003. — Besluit van de Vlaamse regering houdende definitieve vaststelling van het afbakeningsplan voor de Grote Eenheden Natuur en Grote Eenheden Natuur in Ontwikkeling van het Zoniënwoud, de Ijsevallei, de Dijlevallei, het Meerdaalwoud en de Molenbeek – Mollendaalbeek De Vlaamse regering, Op voorstel van de Vlaamse minister van Leefmilieu, Landbouw en Ontwikkelingssamenwerking; Na beraadslaging, Besluit : Artikel 1. Het bij dit besluit gevoegde afbakeningsplan voor de Grote Eenheden Natuur en Grote Eenheden Natuur in Ontwikkeling van het Zoniënwoud, de Ijsevallei, de Dijlevallei, het Meerdaalwoud en de Molenbeek - Mollendaalbeek wordt definitief vastgesteld. Art. 2. De Vlaamse minister, bevoegd voor het natuurbehoud, is belast met de uitvoering van dit besluit". 2. De ontvankelijkheid VII-37.040-5/11 2.1. De verwerende partij doet ter terechtzitting afstand van de door haar ingeroepen excepties. 2.2. De verzoekende partijen hebben slechts belang bij de vernietiging van de bestreden beslissing in de mate dat deze beslissing percelen bevat waarop de verzoekende partijen een zakelijk recht hebben. Een eventuele vernietiging van de bestreden beslissing moet ambtshalve worden beperkt tot de percelen HULDENBERG, 2/ afd., Loonbeek, Sectie B, nrs. 104/E/2, 104/P/2, 104/N/2, 104/M/2, 103/G, 107/E en 46/A. Het wordt ook niet betwist dat deze percelen afsplitsbaar zijn van het volledige besluit. 3. Ten gronde 3.1. Het tweede middel wordt afgeleid uit de schending van artikel 21, § 8, van het natuurbehouddecreet, uit de schending van de beginselen van behoorlijk bestuur, inzonderheid het algemeen motiveringsbeginsel, en uit machtsoverschrijding : "doordat uit het advies van de Minaraad van 19 maart 2003 blijkt dat het bezwaarschrift van verzoekende partijen niet (op een deugdelijke wijze) werd behandeld en, bij wege van gevolgtrekking, de daarop gestemde beslissing met dezelfde onvolkomenheid behept is; terwijl artikel 21, §8 van het decreet van 21 oktober 1997 aan de Minaraad oplegt alle bezwaren en opmerkingen te coördineren en binnen de zestig dagen na het einde van het openbaar onderzoek een gemotiveerd advies terzake uit te brengen bij de Vlaamse Regering ; en terwijl de beginselen van behoorlijk bestuur gebieden dat een administratieve overheid die in het kader van een openbaar onderzoek de bezwaren moet coördineren en adviseren deze taak aldus ter harte dient te nemen dat een afzonderlijke behandeling van elk bezwaarschrift mogelijk wordt en de redenen waarom met de bezwaren geen rekening zou kunnen worden gehouden duidelijk dienen teruggevonden te worden in het advies dat als gemotiveerd dient beschouwd te worden en aan het Vlaamse Gewest dient overgemaakt te worden; zodat uit de vaststelling dat de Minaraad geenszins de bezwaarschriften van verzoekende partijen heeft behandeld, doch enkel de bezwaren heeft opgesomd en vervolgens heeft geadviseerd tot behoud van de percelen binnen de VEN- afbakeningen, kan worden afgeleid dat de Minaraad tekort gekomen is aan de in artikel 21 §8 vermelde verplichting een gemotiveerd advies uit te brengen, hetwelk de bestreden beslissing eveneens met voormelde onwettigheid vitieert, zodat de in het middel vermelde bepaling manifest werd geschonden". 3.2. De verwerende partij stelt daartegenover het volgende : "De verplichting opgenomen in art. 21 §8 van het Natuurdecreet om de bezwaren te coördineren en gemotiveerd advies te verlenen houdt niet de VII-37.040-6/11 verplichting in om ieder bezwaarschrift afzonderlijk te beantwoorden. Niet zonder reden formuleert het decreet immers eerst de coördinatie-opdracht en dan pas de advies-opdracht. De verzoekende partijen hebben bovendien geen oog voor de structuur van het advies van de Mina-Raad. Zij kijken enkel naar de passage in het Mina- advies dat specifiek over hun bezwaar gaat (...). Er wordt door de Mina-Raad echter een antwoord geformuleerd op drie niveau's: het niveau 'Algemene bezwaren' (...), het niveau 'Gebiedsspecifiek advies - Algemene situatieschets' (...) en tenslotte het niveau 'Gebiedsspecifiek advies - per afbakeningsplan'. In casu betrof het dan het advies over het afbakeningsplan 25 (...). In de bestreden beslissing wordt dezelfde structuur aangehouden, met uiteraard die nuance dat wordt aangegeven wanneer van het advies van de Mina-Raad wordt afgeweken. Conform art. 17 van het Natuurdecreet gebeurt de afbakening van het GEN niet op basis van de natuurwaarde van ieder particulier perceel, maar op basis van de natuurwaarde op het niveau van het GEN zelf. (...) Op voorwaarde dat binnen een bepaald gebied minstens de helft van de oppervlakte natuurelementen bevat in de zin van art. 2,8/ van het decreet, of indien binnen het gebied een specifiek natuurelement met hoge natuurkwaliteit in de zin van art. 2,14/ van het decreet aanwezig is, komen de gronden gelegen binnen dit gebied in aanmerking voor opname in het GEN. Die aanpak op het niveau van het GEN blijkt dan ook uit de motivering van het Minaraad-advies (...): 'Toetsingskader VEN-natuurwaarde: ... De Raad beklemtoont evenwel dat de toetsing van het criterium 'natuurwaarde' gebeurt op het niveau van het GEN en of GENO. Zoals duidelijk gesteld in artikel 17 §2 dient minstens de helft van het GEN 'natuur' te bevatten. Bovendien bepaalt dit artikel dat indien hier niet aan voldaan is, het ook voldoende is dat er een specifiek natuurelement met hoge natuurwaarde aanwezig is ... Een bezwaar met betrekking tot het aanvechten van de natuurwaarde wordt dus beoordeeld op het niveau van het GEN of GENO'. En uit de motivering van de bestreden beslissing (...): 'Beide veronderstellingen of voorgestelde criteria gaan immers uit van de natuurwaarde per perceel, terwijl krachtens art. 17,§ 2, van het decreet aan de criteria voor afbakening moet worden voldaan op het niveau van het GEN of GENO. Daarbij is het voor het GEN voldoende dat het natuurelementen over de helft van het gebied omvat. Het is voor het GEN ook voldoende als er een specifiek natuurelement met grote natuurkwaliteit aanwezig is'. Als toetskader van de natuurwaarde op het niveau van het GEN dienen allerlei uitgebreide gebiedsfiches, en in het bijzonder de gegevens van de Biologische Waarderingskaart. Het belang van de informatie uit de BWK bij de beoordeling als GEN-gebied moge ten overvloede nogmaals blijken uit volgende passage uit het advies van de Minaraad (...): 'Hoge natuurwaarden en belangrijke fauna- of flora-elementen zijn ondermeer af te leiden van de Biologische Waarderingskaart, soorten van lijsten habitatrichtlijn, lijsten vogelrichtlijn, rode lijsten, lijsten beschermde fauna- en flora-elementen, inventarisaties' 'Als toetskader hanteert de Raad de uitgebreide gebiedsfiches, en de gegevens van de Biologische Waarderingskaart ... In een enkel geval (GEN 133) werd vastgesteld dat 55% van het gebied biologisch minder waardevol is ...' Als men een controle uitvoert van de natuurkwaliteit van de percelen opgenomen in het GEN 528, stelt men via één blik op de Biologische Waarderingskaart - die gebaseerd is op feitelijke gegevens - vast dat het VII-37.040-7/11 volledige gebied overwegend bestaat uit elementen (die) als biologisch waardevol dan wel biologisch zeer waardevol worden beschouwd. Dit geldt trouwens zelfs voor het deelgebied dat de eigendommen van de verzoekende partijen vormen vermits ter plaatse een complex van biologische waardevolle en biologische zeer waardevolle elementen kan worden aangetroffen (zie Biologische Waarderingskaart, verder: BWK, (...). Ten overvloede kan nog verwezen worden naar een nota van het Instituut voor het Natuurbehoud waarin de biologische waarde van het GEN 528 wordt beschreven (...). De BWK spreekt dan ook voor zich en is bovendien (...) eenvoudig consulteerbaar op www.gisvlaanderen.be. In alle redelijkheid kan niet worden geëist dat de verwerende partij of de Mina-Raad de VEN-waardigheid van het GEN-gebied waarin de percelen zijn gelegen ook nog eens expliciet zou moeten motiveren via een tekstuele bespreking van de Biologische Waarderingskaart waarop duidelijk staat aangeduid welke deelgbieden biologisch minder waardevol, biologisch waardevol, biologisch zeer waardevol zijn dan wel een complex van twee of meerdere elementen bevatten. Bovendien is de beslissing niet alleen verantwoord en gemotiveerd op basis van het criterium van de natuurwaardigheid. Bij studie van het afbakeningsplan en de BWK kan tevens duidelijk worden vastgesteld dat de eigendommen van de verzoekende partij ingesloten liggen tussen andere biologisch waardevolle gronden (...). Ter verantwoording van haar beslissing tot opname in het GEN van de gronden van de verzoekende partij kon de verwerende partij dus ook beroep doen op de criteria van de samenhang en aaneengesloten oppervlakte (zie decreet van 21 oktober 1997: art. 17 §1 en §2, laatste zin). Ook de volgende passages uit de bestreden beslissing en uit het Advies van de Mina-Raad doen in casu dus ter zake (...): 'Wat de opname van gronden met landbouwgebruik betreft in het VEN dient eraan herinnerd te worden dat de afbakening van GEN en GENO in het decreet dient uit te gaan van actuele natuurwaarden, van aanwezige belangrijke potentie voor de ontwikkeling van natuurwaarden en van samenhang (art. 17, §2)'. 'In de afbakeningscriteria uit artikel 17, §2 Decreet Natuurbehoud wordt geen onderscheid gemaakt naargelang het om openbare dan wel privé-eigendommen gaat, er geldt geen verplichting om meer openbaar eigendom of evenveel openbaar eigendom op te nemen. De decretaal voorgeschreven criteria (bestemming, ecologische waarde, samenhang) om gronden al dan niet in het VEN op te nemen, werden overal op gelijke wijze toegepast...' 'Voor GEN en GENO moet gestreefd worden naar voldoende samenhang, ook met de afgebakende IVON, en een voldoende aaneengesloten oppervlakte. De na te streven oppervlakte varieert in functie van de huidige oppervlakten van de eenheden natuur in Vlaanderen, die in het westen van Vlaanderen duidelijk lager zijn dan in het oosten van het land. Aan mekaar grenzende GEN en GENO zouden best een minimale gezamenlijke oppervlakte van 40 ha hebben.' Het advies dat de Mina-Raad specifiek omtrent het bezwaar van de verzoekende partijen formuleert is trouwens juist een concretisering en toepassing van een algemener advies dat zij op pag. 54-55 had te kennen gegeven en waarbij dit aspect van samenhang een essentiële rol speelde (...): - pag. 316 (bezwaar 546): 'De Raad stelt vast dat het kasteel met domein - met bestemming natuurgebied - volledig is opgenomen in de VEN-afbakening. De Raad adviseert behoud van dit parkdomein, dat als een enclave is gelegen in het VEN, mits aandacht voor de specifieke beschermingsstatuten (cf. toetsingskader)' - pag. 54-55: 'Wat betreft de bezwaarschriften mbt parkdomeinen onderzoekt de Raad steeds de mogelijkheid tot schrapping van de gebouwen (o.a. VII-37.040-8/11 kasteel, hoeve) en de omringende tuinen ... Een belangrijke randvoorwaarde voor schrapping is evenwel dat hierdoor de samenhang van het gebied niet mag gehypotheceerd worden. Dit betekent dat de Raad geen schrapping voorstelt van enclaves of met andere woorden van parkdomeinen die ingebed liggen in het VEN. De Raad adviseert het behoud van parkdomeinen die als een enclave gelegen zijn in het VEN mits er aandacht is voor de cultuurhistorische waarde van deze gebieden.' Op basis van de criteria van artikel 17 §2 van het decreet van 21 oktober 1997 is de opname van de eigendommen van de verzoekende partijen in het GEN dan ook verantwoord en gewettigd. Met de hogervermelde motieven en de verwijzing naar de Biologische Waarderingskaart is de opname tevens afdoende gemotiveerd. Meteen is de facto ook aan de verzoekende partijen geantwoord dat hun bezwaar niet van aard is de gronden uit het VEN te doen schrappen, laat staan de verwerende partij daartoe te verplichten. Het middel is ongegrond". 3.3. In haar laatste memorie laat de verwerende partij gelden dat aan de door artikel 21, § 9, van het natuurbehouddecreet opgelegde motiverings- plicht die bestaat uit het beantwoorden van de bezwaren, geen al te formalis- tische eisen mogen worden gesteld, dat de verzoekende partijen te dezen wisten wat het antwoord op hun bezwaren was, dat bij het opmaken van het VEN wordt gestreefd naar samenhang en dat voldoende aaneengesloten oppervlakten worden opgenomen, dat de percelen van de verzoekende partijen een grote natuurwaarde hebben. Zij overloopt de concrete antwoorden op de door de verzoekende partijen geuite bezwaren en stelt dat deze die bezwaren op afdoende wijze weerleggen. 3.4. Hoewel artikel 21, § 9, van het natuurbehouddecreet niet voorschrijft dat de beslissing tot definitieve vaststelling van de afbakeningsplannen moet zijn gemotiveerd, spreekt het voor zich dat het in het leven roepen van een openbaar onderzoek met een bezwaarprocedure (artikel 21, §§ 5 tot en met 8) impliceert dat de ingediende bezwaren moeten worden beoordeeld en geëvalueerd, zoniet zou de bedoeling van de decreetgever volledig uitgehold worden. Over de door de verzoekende partijen ingediende bezwaren wordt in de bestreden beslissing niets expliciet gesteld, zodat moet worden aan- genomen dat de Vlaamse regering het advies van de Mina-raad heeft gevolgd. Uit de motivering van de bestreden beslissing blijkt immers dat slechts die motivering is opgenomen waar afgeweken wordt van het advies van de Mina- raad, of waar dit advies wordt aangevuld. VII-37.040-9/11 Uit het advies dat de Mina-raad in het huidige geval heeft gegeven blijkt geen duidelijke, concrete beoordeling van de door de verzoekende partijen ingediende bezwaren, zodat niet wordt ingezien op grond van welke motieven die raad van oordeel is geweest dat deze bezwaren niet bijgetreden kunnen worden. Dit tekort wordt te dezen niet goedgemaakt door de toelichtingen en toevoegingen die de verwerende partij in de procedurestukken voor de Raad van State aanbrengt. Het advies tot behoud van het parkdomein als enclave binnen het VEN wordt enkel onderworpen aan een algemene, onduidelijke voorwaarde, met name dat er aandacht moet zijn "voor de specifieke beschermingsstatuten (cf. toetsingskader)". Uit deze voorwaarde kan niet afgeleid worden in welke mate de specifieke beschermingsstatuten een antwoord op de bezwaren van de verzoekende partijen kunnen zijn. Uit de lezing van dit advies blijkt dat geoordeeld werd dat de percelen van de verzoekende partijen in het VEN als enclave behouden moesten worden omdat anders de samenhang van het gebied gehypothekeerd zou worden. De loutere vermelding "mits aandacht voor de specifieke beschermingsstatuten" is geen deugdelijke en voldoende evaluatie van de ingediende bezwaren. Aangezien de verwerende partij zich zonder meer aangesloten heeft bij dit advies, zijn de door de verzoekende partijen ingediende bezwaren niet op een behoorlijke wijze beoordeeld en geëvalueerd, en schendt de bestreden beslissing aldus artikel 21, § 8, van het natuurbehouddecreet. Het middel is gegrond, OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel 1. Vernietigd wordt het besluit van de Vlaamse regering van 18 juli 2003 houdende definitieve vaststelling van het afbakeningsplan voor de Grote Eenheden Natuur en Grote Eenheden Natuur in Ontwikkeling van het Zoniënwoud, de Ijsevallei, de Dijlevallei, het Meerdaalwoud en de Molenbeek- Mollendaalbeek, in de mate dat het de percelen HULDENBERG, 2/ afd., Loonbeek, Sectie B, nrs. 104/E/2, 104/P/2, 104/N/2, 104/M/2, 103/G, 107/E en 46/A bevat. Artikel 2. VII-37.040-10/11 Het beroep wordt voor het overige verworpen. Artikel 3. Dit arrest zal worden bekendgemaakt op dezelfde wijze als het vernietigde besluit. Artikel 4. De kosten van het beroep, bepaald op 1.225 euro, komen ten laste van de verwerende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op vijftien mei tweeduizend en acht, door de VIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. L. HELLIN, kamervoorzitter, J. LUST, staatsraad, E. BREWAEYS, staatsraad, Mevr. E. IMPENS, griffier. De griffier, De voorzitter, E. IMPENS. L. HELLIN. VII-37.040-11/11 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.182.924 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div