id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 15 mei 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.182.926 Rolnummer: A. 149898/VII-31886 Zaak: Arrest 182926 - Varia (ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu) - 15/05/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-05-27 Raadplegingen: 70 - laatst gezien 2026-06-29 08:03 Fiche Arrest nr 182.926 van 15 mei 2008 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Varia (ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu) Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 182.926 van 15 mei 2008 in de zaak A. 149.898/VII-31.
- In zake : de NV STOLT SEA FARM, thans de NV MARINE HARVEST BELGIUM, die woonplaats kiest bij advocaat E. EMPEREUR, kantoor houdende te BRUSSEL, Louizalaan 106 tegen : de Vlaamse Milieumaatschappij (hierna: VMM). --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat de NV STOLT SEA FARM, thans de NV MARINE HARVEST BELGIUM, op 24 maart 2004 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de VMM van 26 januari 2004 waarin de door de verzoekende partij uitgevoerde meet- en bemonsteringscampagne van de periode 15 december 2003 tot 19 december 2003, met campagnenummer 36777, ongeldig wordt beschouwd en de daaruit voortvloeiende gegevens niet in aanmer- king worden genomen voor de berekening van de milieuheffing voor het heffingsjaar 2004; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur G. DE BLEECKERE; Gelet op de beschikking van 12 februari 2007 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gezien de laatste memorie van de verzoekende partij; VII-31.886-1/4 Gelet op de beschikking van 4 maart 2008 waarbij wordt bepaald dat de zaak met toepassing van artikel 90, § 1, derde lid, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, door één lid van de kamer wordt behandeld; Gelet op de beschikking van 4 maart 2008 waarbij de terechtzit- ting wordt bepaald op 10 april 2008; Gehoord het verslag van staatsraad E. BREWAEYS; Gehoord de opmerkingen van advocaat P. CALLEBAUT die, loco advocaat E. EMPEREUR verschijnt voor de verzoekende partij, en van advocaat R. LOOS die, loco advocaat S. LIBEER verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur G. DE BLEECKERE; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; OVERWEEGT WAT VOLGT : 1.
- De bestreden beslissing kadert in de toepassing van het besluit van de Vlaamse regering van 28 juni 2002 tot uitvoering van het Hoofdstuk IIIbis van de wet van 26 maart 1971 op de bescherming van de oppervlaktewateren tegen verontreiniging en Hoofdstuk IVbis van het decreet van 24 januari 1984 houdende maatregelen inzake het grondwaterbeheer. In essentie houdt het bestreden besluit in dat de door de verzoekende partij voor de periode van 15 december 2003 tot 19 december 2003 uitgevoerde meet- en bemonsteringscampagne met campagnenummer 36777 als ongeldig wordt beschouwd en dat de daaruit voortvloeiende gegevens niet in aanmerking worden genomen voor de berekening van de milieuheffing voor het heffingsjaar
- VII-31.886-2/4 1.
- In haar memorie van antwoord, die zij als "besluiten" betitelt, werpt de verwerende partij als exceptie onder meer op dat de Raad van State niet bevoegd is omdat het om een belastinggeschil gaat, dat volgens artikel 569, eerste lid, 32/, van het gerechtelijk wetboek tot de bevoegdheid van de rechtbank van eerste aanleg behoort. 1.
- In haar memorie van wederantwoord gedraagt de verzoekende partij zich omtrent de ontvankelijkheid van haar vordering naar de wijsheid van de Raad. 1.
- De heffing op waterverontreiniging is niet als een tegenprestatie voor een door de overheid geleverde dienst te beschouwen en moet als een belasting worden gekwalificeerd. Luidens artikel 569, eerste lid, 32/, van het gerechtelijk wetboek neemt de rechtbank van eerste aanleg kennis van geschillen betreffende de toepassing van een belastingwet. Deze expliciet door de wet aan de rechtbank van eerste aanleg toevertrouwde bijzondere exclusieve bevoegdheid, sluit de algemene residuaire bevoegdheid van de Raad van State uit. De voorliggende vordering is een vordering als bedoeld in de voormelde bepaling van het gerechtelijk wetboek, vermits ze betrekking heeft op de toepassing van een algemeen verbindend fiscaal voorschrift. De zaak behoort niet tot de rechtsmacht van de Raad van State. Aangezien in de bestreden beslissing ten onrechte wordt vermeld dat een beroep kan worden ingediend bij de Raad van State past het de kosten ten laste van de verwerende partij te leggen, OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
- Het beroep wordt verworpen. VII-31.886-3/4 Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verwerende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op vijftien mei tweeduizend en acht, door de VIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. E. BREWAEYS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, D. DECOCK, griffier. De griffier, De voorzitter, D. DECOCK. E. BREWAEYS. VII-31.886-4/4 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.182.926 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div