id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 15 mei 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.182.942 Rolnummer: A. 79023/X-8213 Zaak: Arrest 182942 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 15/05/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-05-28 Raadplegingen: 65 - laatst gezien 2026-06-29 08:03 Fiche Arrest nr 182.942 van 15 mei 2008 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 182.942 van 15 mei 2008 in de zaak A. 79.023/X-
- In zake : Guido WILBERTS, die woonplaats kiest bij advocaat J. STIJNS, kantoor houdende te 3001 HEVERLEE, Philipssite 5/2de verdiep tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat P. DECLERCQ, kantoor houdende te 3000 LEUVEN, J.P. Minckelersstraat
- D E R A A D V A N S T A T E, Xe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Guido WILBERTS op 18 juni 1998 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 18 maart 1998 van de Vlaamse minister van Openbare Werken, Vervoer en Ruimtelijke Ordening houdende, eensdeels, inwilliging van het beroep van de gemachtigde ambtenaar tegen het besluit van 8 april 1997 van de bestendige deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant waarbij hem de regularisatievergunning is verleend voor de oprichting van drie garages op een perceel gelegen te Aarschot, aan de Langdorpsesteenweg, kadastraal bekend Sectie A, nr. 350/w, en anderdeels, vernietiging van bedoeld besluit van de bestendige deputatie; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur A. EYLENBOSCH; Gelet op de beschikking van 3 maart 2003 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memories; X-8213-1/21 Gelet op de beschikking van 25 oktober 2007 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 30 november 2007; Gehoord het verslag van staatsraad J. BOVIN; Gehoord de opmerkingen van advocaat T. CORNELISSEN, die loco advocaat J. STIJNS verschijnt voor de verzoeker, en van advocaat G. HAVET, die loco advocaat P. DECLERCQ verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur A. VAN MINGEROET; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; OVERWEEGT WAT VOLGT :
- De feiten 1.
- Op 8 februari 1994 verleent het college van burgemeester en schepenen van Aarschot aan de verzoeker de bouwvergunning voor het oprichten van een meergezinswoning op een perceel gelegen aan de Langdorpsesteenweg te Aarschot, kadastraal bekend Sectie A, nr. 350/w, met in de kelderruimte de mogelijkheid om drie wagens te plaatsen. Bij de uitvoering der werken wordt om reden van een stabiliteitsprobleem deze kelderruimte niet gerealiseerd. Zonder in het bezit te zijn van een voorafgaandelijke uitvoerbare vergunning worden door de verzoeker achteraan op hetzelfde perceel drie garageboxen opgericht. 1.
- Volgens de bestemmingsvoorschriften van het bij koninklijk besluit van 7 november 1978 vastgestelde gewestplan Aarschot-Diest is het betrokken perceel gelegen in woongebied. Het blijkt niet te zijn gelegen binnen het beheersingsgebied van een goedgekeurd bijzonder plan van aanleg en evenmin binnen de omschrijving van een behoorlijk vergunde, niet vervallen verkaveling. X-8213-2/21 1.
- Op 26 juli 1995 (datum van het ontvangstbewijs) dient de verzoeker bij het college van burgemeester en schepenen van de stad Aarschot een aanvraag in strekkende tot het verkrijgen van de (regularisatie)bouwvergunning voor deze drie garageboxen. Blijkens de plannen hebben de metalen garageboxen een totale oppervlakte van 8 m bij 7,85 m bouwdiepte en zijn ze ingeplant op 0,80 m van de linkerperceelgrens, 2,85 m van de rechterperceelsgrens en minstens 2 m uit de achterste perceelgrens. Het plan voorziet tevens een (verharde) “draaizone zodat de auto's voorwaarts buiten kunnen”. 1.
- Op 13 september 1995 brengt de gemachtigde ambtenaar volgend ongunstig advies uit: “Het ingediend ontwerp brengt de goede stedenbouwkundige aanleg van de plaats en het doorgroend karakter van de tuinstrook in het gedrang door de inplanting op 0,80 m van de perceelsgrens. Bovendien zijn de aangewende metalen buitenwanden niet te verenigen met de bestaande bebouwing in de omgeving en voorziet het ontwerp een overdreven terreinverharding. Voor de reeds uitgevoerde werken is er een gerechtelijk onderzoek aanhangig. Derhalve besluit ik tot weigering van de vergunning”. 1.
- Bij besluit van op 14 december 1995 weigert het college van burgemeester en schepenen de gevraagde vergunning. 1.
- Bij besluit van 8 april 1997 willigt de bestendige deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant het beroep van de verzoeker in. Dit besluit is gemotiveerd als volgt : “Overwegende dat in de originele vergunning reeds een groot gedeelte van het terrein als verharding ontworpen was; dat de bijkomende garages weinig bijkomende verharding en last op de tuinstrook zullen veroorzaken; Overwegende dat de voorgestelde inplanting te verkiezen is boven een inplanting midden in de beperkte tuinstrook; Overwegende dat door de beroepsindieners een voorstel van groenaanplanting werd gedaan en eveneens een voorstel voor begroeiing van de garages werd ingediend; dat dit de aangevraagde bouw mede aanvaardbaar maakt”. X-8213-3/21 1.
- Met een op 3 juli 1997 ter post aangetekend schrijven stelt de gemachtigde ambtenaar beroep in tegen deze gunningsbeslissing bij de Vlaamse regering. Een afschrift van het beroepsschrift wordt tezelfdertijd aan de verzoeker ter kennis gebracht. Het beroep is gemotiveerd als volgt : “Het ontwerp is, volgens het gewestplan Aarschot-Diest, gelegen in een woongebied. De aanvraag betreft het oprichten van drie metalen garageboxen in een tuinstrook. De inwilligingsbeslissing van de bestendige deputatie is echter niet aanvaardbaar. De aangewende materialen (grijze metalen boxen waarop klimop zou aangebracht worden) en de inplanting op 0,80 m van de linkerperceelsgrens getuigen niet van een goede aanleg van de plaats. Bovendien brengt het project een overdreven terreinverharding teweeg. De verwijzing van de bestendige deputatie naar de oorspronkelijke vergunning, waarbij een verharding werd voorzien tot + 24 m diep op het perceel voor de toegang tot de voorziene en niet uitgevoerde ondergrondse garage is eerder een argument contra de huidige aanvraag dan een argument pro. Gelet immers op de reeds toegelaten verharding is verdere uitbreiding ervan onaanvaardbaar. Bij huidige aanvraag wordt de verharding voorzien tot op 29,80 m diep op het perceel, waarna de garage van 7,85 m diep op 8 m breed geplaatst is. Hierdoor is de volledige tuinzone teniet gedaan. Een groene strook van 2 m achter de garageboxen en 2,85 m aan de rechterperceelsgrens kan bezwaarlijk als een tuinzone worden beschouwd”. 1.
- Bij het thans bestreden besluit van 18 maart 1998 willigt de Vlaamse minister van Openbare Werken, Vervoer en Ruimtelijke Ordening het beroep van de gemachtigde ambtenaar in en wordt het besluit van de bestendige deputatie vernietigd. 1.
- Een afschrift van het bestreden besluit wordt met een op 22 april 1998 ter post aangetekend schrijven aan de verzoeker betekend.
- Ten gronde 2.
- Eerste middel 2.1.
- Standpunt van de partijen 2.1.1.
- In een eerste middel voert de verzoeker de schending aan van “het vertrouwensbeginsel en continuïteitsbeginsel”. De verzoeker zet dit middel uiteen als volgt: X-8213-4/21 “
- Aangezien verzoeker in zijn oorspronkelijke vergunningsaanvraag drie garages had voorzien in de kelderverdieping met de daarbij horende oprit en manoeuvreerruimte achter de te bouwen woning; Dat het College van Burgemeester en Schepenen op 8 februari 1994, op basis van dit projekt een bouwvergunning afleverde; Dat de regularisatieaanvraag betrekking had op de aanleg van de garages, die om hogervermelde redenen achter de woning werden geplaatst; Dat verzoeker overgegaan is tot de aanleg van deze drie garages en daarvoor een regularisatievergunning beoogde om aan de behoefte aan parkeerruimte te voldoen; Dat het College van Burgemeester en Schepenen deze gedachtenlijn terecht heeft doorgetrokken in een gunstig préadvies;
- Aangezien dergelijke houding van de Gemeente in het verlengde ligt van een omzendbrief, waarin bij het bouwen van woningen de aanleg van parkeergelegenheid wordt verplicht of minstens aanbevolen; Dat alleszins in een met het oog op deze bouwvergunning opgesteld plan verwezen wordt naar de stedebouwkundige voorschriften, o.m. naar de verplichting één garage per woongelegenheid (...); Dergelijke beleidslijn strekt ertoe te voorzien in een oplossing voor de steeds meer prangende parkeerproblematiek; Dat deze omzendbrief midden 1997 is opgeheven, maar dat deze vaststelling van ondergeschikt belang is; Dat deze omzendbrief in ieder geval een gedragslijn van de overheid inhield, waarnaar verzoeker zich te goeder trouw had gedragen zowel bij de indiening van de eerste vergunningsaanvraag als bij de tweede in 1995; Dat verzoeker deze garages anders nooit in de tuin had geplaatst en er vervolgens nooit een vergunning had voor aangevraagd;
- Aangezien het College van Burgemeester en Schepenen en de Bestendige Deputatie, door hun positief advies respektievelijk dito beslissing, bij de beoordeling van de vergunningsaanvraag of het beroep minstens impliciet de noodzaak van parkeergelegenheid hebben erkend; Dat de Bestendige Deputatie overweegt ‘dat de woongelegenheden niet meer konden beschikken over een autobergplaats (en) dat de (verzoeker) daarop volgend de garages achteraan in de tuin heeft geplaatst’; Dat het onder meer op basis was van deze overweging dat de Bestendige Deputatie het beroep tegen de weigering van bouwvergunning heeft ingewilligd en een antwoord heeft gegeven op het negatief advies van de Gemachtigde Ambtenaar dat aan de basis lag van de weigeringsbeslissing;
- Aangezien het overigens opmerkelijk is dat de Gemachtigde Ambtenaar geen oog heeft voor dit aspekt van de beoordeling van de vergunning, beoordeling die enkel opzichtens het doorgroend karakter van de tuinstrook en de gebruikte materialen van de garages werd gemaakt; Dat hetzelfde advies aan de basis lag van het door de Gemachtigde Ambtenaar ingestelde beroep; Aangezien de Minister ook geen oog heeft gehad voor andere overwegingen, waarmee dit advies en dit beroep minstens in afweging diende te worden gebracht! Dat de discretionaire bevoegdheid geen voorwendsel mag vormen om deze andere overwegingen overboord te gooien; Dat de Minister daardoor het belang van de zaak miskent en dat het feit dat de omzendbrief is opgeheven, niets afdoet dat deze omzendbrief, terecht, mede X-8213-5/21 in aanmerking werd genomen bij de beoordeling in de vorige stappen van de beroepsprocedure; Dat de Minister die het beroep had moeten beoordelen op basis van de op het ogenblik van de regularisatieaanvraag bestaande omzendbrief, die in hoofde van verzoeker de verwachting had gewekt - die overigens voldoende zwaarwichtig was - dat de garages dienden te worden aangelegd;
- Aangezien ‘het vertrouwensbegingsel een afweging impliceert van het belang dat de burger heeft bij honorering van het vertrouwen tegen het algemeen belang of de belangen van derden welke zich in het gegeven geval zouden verzetten tegen die honorering’ (BOES, M., ‘Het vertrouwensbeginsel’ in Algemene beginselen van behoorlijk bestuur, Kluwer, 1993, p. 161 e.v.); Dat uw Raad het vertrouwensbeginsel omschreef als ‘...één der beginselen van behoorlijk bestuur krachtens hetwelk de burger moet kunnen betrouwen op een vaste gedragslijn van de overheid, of op toezeggingen of beloften die de overheid in het concrete geval heeft gedaan’ (...); Dat echter ‘typisch voor het administratief recht is, dat verwachtingen ook bij wege van regelgeving zullen kunnen worden gewekt. De bescherming van het vertrouwen van de burger in regelgeving lijkt vooral afdwingbaar voor de rechter indien op grond van de bestaande regelgeving bepaalde handelingen zijn verricht of nagelaten die anders hadden kunnen uitvallen indien men de nieuwe, met terugwerkende kracht uitgevaardigde regelen op het ogenblik van het handelen (of niet-handelen) had gekend’ (SCHELTEMA, M., ‘Enkele gedachten over het vertrouwensbeginsel in het publiekrecht’, R.M.Themis, 1984, 538); Dat ook het Hof van Cassatie heeft geoordeeld dat ‘het recht op rechtszekerheid o.m. inhoudt dat de burger moet kunnen vertrouwen op wat door hem niet anders dan al een vaste gedrags- of beleidsregel van de overheid kan worden opgevat. Daaruit volgt dat de door de overheid opgewekte gerechtvaardigde achtingen van de burger in de regel moeten worden gehonoreerd’ (Cass., 27 maart 1992, R.W., 1991-92, 1466)”. 2.1.1.
- De verwerende partij beantwoordt dit middel als volgt: “Dit middel is volledig ongegrond. Verzoekende partij, die overigens niet eens specificeert om welke omzendbrief het zou gaan en evenmin aanduidt welke de relevante precieze inhoud ervan is. stelt zelf vast dat die omzendbrief, op welke inhoud zij zich beroept, op het ogenblik van de bestreden beslissing opgeheven wordt. Het is ten onrechte dat verzoekende partij stelt dat de beslissende overheid zich dient te laten leiden door voorschriften van kracht op het ogenblik van de aanvraag. De beslissende overheid is in tegenstelling tot wat verzoekende partij voorhoudt, gehouden door de bindende voorschriften op het ogenblik van het nemen van de beslissing. Zo werd er beslist door de Raad van State (...): ‘dat, in tegenstelling tot wat verzoeker betoogt, de vergunningverlenende overheid, wanneer zij uitspraak doet over een bouw- of verkavelingsaanvraag niet gebonden is door de reglementering die van toepassing is op de datum van de aanvraag ; dat zij integendeel ertoe gehouden is als orgaan van aktief bestuur de reglementering toe te passen die geldt op het ogenblik van de uitspraak ;’ (...). De redenering van verzoekende partij als zou zij zonder meer recht hebben op drie garages daar ingeplant waar zij deze nu reeds zonder vergunning heeft ingeplant en met de materialen dewelke zij reeds gebruikt heeft, is natuurlijk X-8213-6/21 volledig onhoudbaar en zou de beslissende overheid precies die discretionaire bevoegdheid ontnemen die haar gegeven is om de aanvraag te beoordelen, rekening houdende met de goede aanleg der plaats. Er dient tevens te worden opgemerkt dat er geen enkele verwachting verwekt is in hoofde van de verzoekende partij, zoals deze ten onrechte voorhoudt, tot het mogen bouwen van de garageboxen waar een regularisatievergunning wordt aangevraagd, door het optreden van het bestuur. Het is natuurlijk niet omdat verzoekende partij een vergunning bekwam om een woning te plaatsen met drie garages in de kelderverdieping, dat zij, bij gebrek aan uitvoering van die werken volgens die vergunning, nadien het recht (zou) hebben, om garages te plaatsen daar waar zij het heeft gedaan en waarvoor de regularisatievergunning wordt aangevraagd”. 2.1.1.
- In de memorie van wederantwoord dupliceert de verzoeker: “
- Verwerende partij bekritiseert de vaagheid die verzoekende partij beweerdelijk creëert rond de omzendbrief. Deze omzendbrief bestond wel degelijk tot medio 1997, en was waarschijnlijk een fiscaal reglement of bouwverordering die van kracht was in de Gemeente AARSCHOT en waarbij de afwezigheid van voldoende parkeergelegenheid op de ene of de andere manier werd ontmoedigd. Telefonisch contact van de raadsman van verzoekende partij met de gemeentelijke administratie heeft geleerd dat dit ‘reglement’ vroeger bestond, doch niet meer in voege was, reden waarom verzoekende partij geen copie heeft kunnen bekomen van dit niet meer bestaand, noch gearchiveerd document. Indien Uw raad van oordeel is dat dit reglement of de verwijzing ernaar vaag zou overkomen of zelfs twijfels zou hebben rond het vroegere bestaan ervan - quod non -, dient hij of een aangewezen lid van het auditoraat, overeenkomstig de artikelen 16-25 van het Procedurereglement een bijkomend onderzoek naar dit reglement te voeren. Minstens dient te worden vastgesteld dat dergelijk gemeentelijk reglement genomen is in uitvoering of in de lijn ligt van de - op zich reeds expliciete - bepalingen van een ministeriële omzendbrief van 20 oktober 1982, betreffende de eis om bij bouwwerken parkeerruimte te scheppen (B.S. 21 dec 1982/(...)). Bij wijze van voorbeeld brengt verzoekende partij een reglement bij i.v.m. de aanleg van parkeerruimte, dat van kracht is in de Stad LEUVEN en dat tevens in uitvoering de Ministeriële Omzendbrief is genomen. Dergelijk reglement heeft ook bestaan of bestaat nog steeds in de Stad TIENEN en in vele andere steden.
- Naar de rechtspositie van verzoekende partij doet het er niet veel toe dat het parkingreglement van de Stad AARSCHOT is opgeheven op het ogenblik van de bestreden beslissing. De in dat opzicht aangehaalde rechtspraak van uw Raad (...) is geen op zich staand gegeven, waarbij het verkeerd zou zijn een lezing voor te houden die het rechtszekerheids- en vertrouwensbeginsel miskent. De discretionaire bevoegdheid van tegenpartij mag niet zo ver gaan dat de bij het nemen van de beslissing van kracht zijnde norm blindelings wordt toegepast en de omstandigheden en de toen toepasselijke normen zou mogen negeren, die er verzoekende partij toe hebben aangezet de garageboxen te bouwen en, vooral, er een regularisatievergunning voor aan te vragen om op wettelijk vlak in orde te zijn. X-8213-7/21 Er kan niet aan getwijfeld worden dat verzoekende partij door een regularisatieaanvraag te goeder trouw heeft willen handelen. Indien dergelijke invulling van de discretionaire bevoegdheid en dergelijke benadering van de toepasselijke normeringen de overheid toestaat een gedrag van een particulier te sanctioneren, daar waar die zich wilde conformeren met de toenmalige beleidslijn, maakt deze overheid de particulier tot haar speelbal van haar grillen en schendt zij het vertrouwens- en rechtszekerheidsbeginsel.
- Het komt niet ongepast over de houdingen terzake van het College van Burgemeester en Schepenen (in zijn aanvankelijk advies) en van de Bestendige Deputatie, enerzijds, te vergelijken met deze van de Gemachtigde Ambtenaar en de Vlaamse Regering, anderzijds. De Gemachtigde Ambtenaar, die zich impliceert in alle echelons van de administratieve procedure, had van in den beginne oog moeten en kunnen hebben voor de gemeentelijke reglementering op de parkeergelegenheden. Waar dan ook door de Gemachtigde Ambtenaar hoger beroep werd ingesteld tegen de beslissing van de Bestendige Deputatie dd. 8.4.1997 en, algemeen gesproken, de houding van de Gemachtigde Ambtenaar bepalend is geweest voor de evolutie van het dossier, mag de Minister er zich niet zomaar van afmaken met de loutere stelling dat ‘niet gebonden is door de reglementering die van toepassing is op de datum van de aanvraag’. Het standpunt van de Minister toont duidelijk aan dat hij geen oog heeft gehad voor de evolutie die het administratief dossier heeft gekend : wat vroeger verworven was en minstens had moeten of kunnen zijn in toepassing van een vroegere regelgeving, is nu verloren gegaan door de tussenkomst van de Gemachtigde Ambtenaar. Het is bijvoorbeeld niet uitgesloten dat de Gemachtigde Ambtenaar een beoordeling van de zaak in het licht van een nieuwe reglementering heeft beoogd.
- Er dient te worden besloten dat de rechtspraak van uw Raad niet als excuus mag worden aangegrepen om vroeger verworven rechten en, algemeen gesproken, de rechtszekerheid aan te tasten. Er kan niet verwacht worden van de rechtsonderhorige dat hij, net zoals een windhaan, rondtolt in functie van een wispelturige wind”. 2.1.1.
- In de laatste memorie laat de verzoeker nog gelden wat volgt: “
- In het verslag van het Auditoraat wordt gesteld dat de beslissende overheid als orgaan van actief bestuur ook bij de beoordeling van een regularisatieaanvraag slechts vermag rekening te houden met de op dat eigenste ogenblik geldende reglementering. Bij Decreet van 13 juli 2001 werd artikel 195quinquies ingevoerd in het Decreet op de Ruimtelijke Ordening : ‘De in de artikelen 145bis en 195bis, eerste lid, 3/, vermelde voorwaarde dat de werken en handelingen gebeuren aan een bestaand vergund of vergund geacht gebouw geldt niet voor vergunningsaanvragen, ingediend vóór 1 februari 2003, voorzover de aanvrager kan aantonen dat de werken of handelingen worden of zijn uitgevoerd aan een gebouw dat bij de aanvang van de werken bestond en geheel of gedeeltelijk vergund was of werd geacht.’ Er werd een amnestiemaatregel door de decreetgever ingevoerd in de wetgeving op de ruimtelijke ordening. X-8213-8/21 Conform dit artikel bekijkt men voor de toepassing van dit uitzonderingsregime niet de toestand op het ogenblik van de aanvraag, maar wel de toestand op het ogenblik van het begin van de onvergunde werken. Verzoeker wenst dienaangaande te verwijzen naar de toelichting dewelke door de Vlaamse overheid wordt verstrekt op volgend internetadres: http://www2.vlaanderen.be/ned/sites/ruimtelijk/zonevreemd/regularisatie.htlm Aangezien het in deze een regularisatie betreft, dient te worden gekeken naar de toestand bij de uitvoering van de onvergunde werken. Er rustte op verzoeker een verplichting om voor de drie woongelegenheden een parkeerplaats te voorzien. Gelet op de stabiliteitsproblemen konden deze niet voorzien worden in de kelder. Teneinde aan deze verplichting te voldoen, breidde verzoeker zijn vergunde woning uit met drie garageboxen. De garageboxen werden gebouwd op een plaats waar voorheen bijgebouwen stonden! Juist op die plaats stonden reeds vergunde constructies. Het staat dan ook vast dat bij de beoordeling van de regularisatie-aanvraag dient te worden gekeken naar de toestand ten tijde van de uitvoering van de onvergunde werken, rekening houdend met de thans geldende reglementering. Bij de oprichting van de garageboxen rustte er op verzoeker een verplichting te voorzien in drie parkeerplaatsen. De uitbreiding van een vergunde woning met een garage, gelegen in woongebied, is een regulariseerbare handeling.
- In het Auditoraatsverslag wordt gesteld dat verzoeker helemaal niet aantoont dat de minister in het verleden aanvragen die betrekking hebben op parkeergelegenheid anders dan andere aanvragen zou hebben getoetst aan de eisen van goede plaatselijke aanleg. Verzoeker hoeft dit niet aan te tonen met concrete voorbeelden. Het is immers duidelijk - zoals blijkt uit de stedenbouwkundige vergunning die verleend worden in gemeenten waar gelijkaardige parkeerreglementen gelden - dat het niet anders kan dat dergelijke aanvragen anders worden beoordeeld. De burger zou zich in een onmogelijke situatie bevinden, namelijk enerzijds geconfronteerd met een verplichting te voorzien in voldoende parkeergelegenheid en anderzijds geconfronteerd met een verbod om aan die verplichting te voldoen.
- Ondanks het feit dat omzendbrieven gericht aan de overheden en die richtsnoeren bevatten nopens de interpretatie en de toepassing van de bestaande wetten, geen enkel bindend karakter hebben - zoals gesteld in het Auditoraatsverslag -, staat het vast dat een gedragslijn was uitgestippeld en verplichtingen dienden te worden nagekomen. Vergeten we niet dat de overheid voor de burger één en ondeelbaar is. Pas rond de tijd dat de administratieve procedure zich reeds op het niveau van de Minister bevond, werd het gemeentelijk reglement opgeheven. Het mag toch wel duidelijk zijn dat verzoeker de garageboxen nooit zou hebben gebouwd. indien de verplichting van voldoende parkeergelegenheid niet op hem van toepassing was. Het terrein is immers groot genoeg en er is dus voldoende plaats om auto's te stallen. Het dient ten slotte te worden benadrukt dat de boxen werden gebouwd op de plaats waar voorheen bijgebouwen stonden”. 2.1.1.
- In haar laatste memorie stelt de verwerende partij nog wat volgt: “In het Auditoraatsverslag wordt terecht m. b.t. het eerste middel, houdende de schending van het vertrouwensbeginsel en het continuïteitsbeginsel, gesteld dat de beslissende overheid moet rekening houden met de regelgeving die op X-8213-9/21 het ogenblik van de beslissing geldt. Verwerende partij had dit ook reeds opgeworpen. De omzendbrief waarnaar verzoekende partij zelf steeds verwijst om te stellen dat de beslissende overheid ervan afgeweken is, is volgens diezelfde verzoekende partij niet meer van kracht op het ogenblik van het nemen van de bestreden beslissing. Het is natuurlijk niet een regeling voorzien jaren nadat de bestreden beslissing genomen werd, die kan ingeroepen worden om de wettigheid te beoordelen van de bestreden beslissing. Aan de Raad van State ligt de wettigheidscontrole voor m.b.t. de bestreden beslissing en het is dan ook ten onrechte dat verzoekende partij stelt dat bij de beoordeling van de regularisatieaanvraag gekeken dient te worden naar de toestand ten tijde van de uitvoering van de onvergunde werken, rekening houdend met thans geldende reglementering, waarbij bedoeld wordt deze geldend bij toepassing van art. 195 quinquies van het decreet van 13 juli 2001”. 2.1.
- Onderzoek van het middel In een eerste middel roept de verzoeker de schending in van het vertrouwensbeginsel en van het continuïteitsbeginsel. Hij voert samengevat aan dat de minister het beroep had moeten beoordelen rekening houdende met een -niet nader omschreven- omzendbrief inzake parkeergelegenheid die weliswaar inmiddels is opgeheven maar die ten tijde van de regularisatieaanvraag bestond en die in zijnen hoofde de verwachting heeft gewekt “dat de garages dienden te worden aangelegd”. Er dient te worden vastgesteld dat de door de verzoeker ingeroepen -doch niet nader gespecifieerde- “omzendbrief” naar eigen zeggen reeds was “opgeheven” op het ogenblik van het bestreden besluit, zodat de minister, op het ogenblik dat hij over het beroep van de gemachtigde ambtenaar uitspraak deed, terecht in zijn beoordeling van de aanvraag geen rekening heeft gehouden met deze “omzendbrief” en de volgens de verzoeker erin vervatte verplichting om voor de drie woongelegenheden een parkeerplaats te voorzien. De door de verzoekende partij aangevoerde argumenten doen aan deze vaststelling geen afbreuk. Het middel is niet gegrond. 2.
- Tweede middel 2.2.
- Standpunt van de partijen 2.2.1.
- In een tweede middel voert de verzoeker de schending aan van “het zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel”. De verzoeker zet dit middel uiteen als volgt: X-8213-10/21 “
- Aangezien van een overheid mag worden verwacht dat zij zorgvuldig tewerk gaat om te komen tot haar voorstelling van de feiten (...) en tot haar feitenvinding (...); Dat ‘de Raad op omstandige manier onderzoekt of de elementen die worden aangevoerd in rechte en in feite juist zijn, correct werden beoordeeld en redelijkerwijze tot de aangevochten beslissing hebben kunnen leiden’ (...); Dat ‘de motiveringsplicht het zorgvuldigheidsbeginsel versterkt, omdat het bestuur wordt verplicht zijn beslissingen te verantwoorden als het resultaat van een zorgvuldige verzameling en afweging van de relevante gegevens’ (POPELIER, P., ‘De toepassing van de Uitdrukkelijke Motiveringswet in het domein van de ruimtelijke ordening en stedebouw’, in T.R.O.S., 1997/8, 361); Dat ‘minstens doorheen de individuele beslissingen enige inzicht dient te worden verschaft in het beleid dat wordt gevoerd. De Raad van State stelt daarom terecht de vereiste dat ook concrete gegevens en argumenten omstandig moeten worden aangegeven en dat deze verplichting zwaarder wordt naarmate het bestuur meer discretionaire vrijheid toekomt. ( ... ) Uit de motivering van deze enkele beslissing, de verwijzing naar het beleid en het ruimer juridisch kader, en de aanduiding van de gegevens die al dan niet relevant zijn voor de invulling van vage en onbepaalde begrippen in dat kader, kan de bestuurde dan meteen lezen welke perspectieven hem nog worden geboden. Zowel het vertrouwensbeginsel als het gelijkheidsbeginsel laten toe dat men toekomstige beslissingen voorspelt aan de hand van de administratieve praktijk die uit de individuele beslissingen blijkt; afwijkingen daarvan dienen bijzonder te worden gemotiveerd (POPELIER, P., o.c., 360);
- Aangezien in casu de Bestendige Deputatie, zoals hoger omschreven, minstens impliciet hadden verwezen naar de toenmalige omzendbrief nopens de parkeergelegenhedenen o.m. deze overweging in afweging bracht met deze vooropgesteld in het advies van de Gemachtigde Ambtenaar en die voornamelijk betrekking had op de doorgroening van de tuinstrook, de overdreven terreinbezetting en de gebruikte bouwmaterialen; Dat de Minister, daarentegen, er zich bijzonder snel van af gemaakt heeft door te overwegen ‘dat voor het bouwterrein geen bindende voorschriften voorhanden zijn; dat derhalve de beoordeling van de stedenbouwkundige aanleg ter plaatse behoort tot de discretionaire bevoegdheid van de vergunningverlendende overheid die hierbij de gangbare normen inzake een verantwoorde ruimtelijke uitbouw der omgeving hanteert’ en voor het overige enkel verwijst naar hogeromschreven inhoud van het advies van de Gemachtigde Ambtenaar (verzoeker onderlijnt); Dat hij in zijn argumentatie niet op een omstandige manier heeft aangegeven waarom hij van de kwestieuze omzendbrief is afgeweken; Dat deze verplichting zich nochtans opdrong, gelet op zijn - in casu - grote discretionaire bevoegdheid en het hogerbeschreven eerste rechtsmiddel; Dat de Minister in zijn beoordeling evenmin oog heeft gehad voor het door verzoeker in de tuinstrook aangebrachte inheemse groen en diens inspanningen om de garages te integreren in deze tuinaanleg, ook naar de belendende percelen toe, door de gebruikte materialen te bedekken met klimop. Dat hij bovendien uit het oog is verloren dat het College van Burgemeester en Schepenen op 8 februari 1994 reeds een gedeeltelijke verharding in de tuinstrook - dienstig als manoeuvreerruimte voor de auto's - had vergund;
- Aangezien, ten overvloede, kan worden gewezen op het feit dat de garages ingeplant zijn op een plaats, waar vroeger reeds bijgebouwen waren opgericht en dat er op de aanpalende percelen ook nog bijgebouwen staan (...); Dat deze vaststelling een relevant gegeven is bij de beoordeling van de zaak, omdat ze een criterium zijn bij de beoordeling van de verzoenbaarheid van het X-8213-11/21 projekt met de omgeving, zodat het bestuur verplicht is zich een opvatting te vormen omtrent de bestemming van het perceel en die van de buurt waarin het perceel is gelegen (...)”. 2.2.1.
- De verwerende partij beantwoordt dit middel als volgt: “In het tweede middel stelt verzoekende partij dat de bestreden beslissing een schending zou inhouden van het zorgvuldigheidsbeginsel en het motiveringsbeginsel. Uit de uiteenzetting van verzoekende partij blijkt dat zij de schending situeert - doordat de beslissende overheid niet heeft aangegeven waarom van de omzendbrief werd afgeweken terwijl volgens verzoekende partij de beslissende overheid dit had moeten doen. Gelet op wat hoger vermeld werd in verband met de relevantie van de niet nader geschreven omzendbrief, is dit ongegrond. - doordat de beslissende overheid geen aandacht zou geschonken hebben aan de groenbeplanting die verzoekende partij voorziet (klimop) en geen rekening zou houden met de verharding die reeds bij een vorige vergunning was toegestaan en doordat blijkbaar door de beslissende overheid geen rekening werd gehouden met de vroegere bijgebouwen en de naburige bijgebouwen. Wat dit onderdeel van het middel betreft, dient het eveneens als ongegrond te worden afgewezen. Conform artikel 53 paragraaf 3 van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening dienen de beslissingen van de Bestendige Deputatie en de Vlaamse Regering, wanneer deze uitspraak doen in graad van beroep, gemotiveerd te zijn. De Raad van State heeft reeds in (...), overwogen: ‘Overwegende dat de Bestendige Deputatie en de Vlaamse Regering, wanneer zij op grond van artikel 53, paragraaf 3 van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, in beroep uitspraak doet over een bouw- of verkavelingsaanvraag, optreden, niet als administratief rechtscollege, maar als orgaan van het actief bestuur; dat hieruit volgt dat zij, om te voldoen aan zijn opgelegde motiveringsverplichting, er niet toe gehouden zijn al de in het beroep aangevoerde argumenten te beantwoorden ; dat het volstaat dat zij in de beslissing duidelijk aangeven door welke, met de goede plaatselijke aanleg verband houdende redenen, zij is verantwoord;’ (...). Wanneer dan in de bestreden beslissing overwogen wordt: ‘dat zowel de inplanting, onderantwoord dicht bij de perceelsgrenzen, als de aangewende materialen stedebouwkundig onaanvaardbaar zijn; dat de uitgevoerde verharding de volledige tuinstrook teniet doet, dat er een overdreven terreinbezetting tot stand wordt gebracht dat de goede plaatselijke aanleg in het gedrang wordt gebracht dat aldus de beslissing van de Bestendige Deputatie in strijd is met een degelijk beleid inzake stedebouw en ruimtelijke ordening dan moet worden vastgesteld dat de bestreden beslissing volledig beantwoord aan de motiveringsverplichting zoals hoger beschreven. Er werd overigens in de bestreden beslissing eerst overwogen dat ‘de aanvraag strekt tot het regulariseren van drie opgerichte garageboxen in de tuinzone ; dat achteraan het bebouwde perceel garageboxen werden opgericht met een totale oppervlakte van 8,00 mee bij 7,85 meter bouwdiepte, opgericht X-8213-12/21 op 0,80 meter van de linker en op 2,85 meter van de rechter zijdelingse perceelsgrens en op minimum 2,00 meter van de achterste perceelsgrens ; dat deze constructie bestaat uit grijze metalen boxen; dat voor de toegang tot deze garageboxen de normale tuinstrook praktisch volledig verhard werd”. 2.2.1.
- In de memorie van wederantwoord dupliceert de verzoeker: “
- De Raad van State verplicht de besturen een coherent ordeningsbeleid te voeren. Afwijkingen daarvan zijn nog mogelijk, maar slechts gedragen door een specifieke motivering gebaseerd op een nieuw onderzoek (LAGASSE, D., L'erreur manifeste d'appréciation en droit administratif, Brussel, Bruylant, 1986, 111). ‘De motivering wordt derhalve aan het beleid getoetst dat vaak neergelegd is in richtlijnen of beleidsregels’ (VAN MEENSEL, A., Het beginsel van behoorlijk bestuur, Antwerpen, Kluwer, 1990, 49). ‘Het gebrek aan draagkracht van de motivering kan (...) voortvloeien uit een gebrekkige binding tussen de beslissing en de feiten die als grondslag dienen voor de beslissing. De relevante feiten, waarop de overheid haar beslissing baseert, moeten vanzelfsprekend bestaan en juist zijn. Aan de grondslag van een besluit dienen zorgvuldig vastgestelde feiten te liggen. Om tot een rechtmatig besluit te komen, dient het bestuur dan ook volledig op de hoogte te zijn van de feiten die de besluitvorming kunnen beïnvloeden. Zo nodig dienen betrokkenen gehoord te worden; desnoods wordt om de bijstand van deskundigen verzocht (advies); ... ( ... ) De vaststelling van de feiten moet derhalve juist en volledig zijn. ( ... ) De Raad van State aarzelt niet om de materiële juistheid van de ingeroepen feiten te verifiëren. Hij neemt daarvoor toevlucht tot expertises, getuigenverhoor, onderzoek’ (VAN MEENSEL, A., o.c., 47). ‘Wanneer de overheid eenmaal tot een bepaald opportuniteitsoordeel is gekomen, kan ze niet zomaar in een latere beslissing in verband met dezelfde zaak, een tegenovergestelde zaak, een tegenovergestelde opvatting als grondslag voor de nieuwe beslissing nemen, tenzij in de nieuwe beslissing of in een voorbereidend stuk preciese, concrete elementen te vinden zijn die doen begrijpen waarom de overheid van beleid is veranderd’ (...). ‘Indien het beleid een totale ommezwaai maakt, dient de beslissing zelfs formeel gemotiveerd. In deze veronderstelling zou de overheid zelfs dienen over te gaan tot voorlichting van de burgers zodat iedereen op de hoogte is van de beleidswijziging’ (VAN MEENSEL, A., o.c., 50).
- Er kan niet worden ontkend dat de oorspronkelijke bouwvergunningsaanvraag die verzoekende partij had ingediend voor het gebouw, met drie woningen, kadert in het vroeger gemeentelijk beleid in verband met parkeergelegenheden; Deze vergunning was verworven, doch er stelde zich het gekende technisch probleem van de stabiliteit van de constructie van garages in de kelderverdieping. Ook de aanvraag tot regularisatie van de garages in de tuinstrook ligt in de lijn van dit overheidsbeleid. De Minister heeft de coherentie van dat beleid doorbroken, zonder daarvoor een specifieke motivering te geven die afdoende was. Waar de overheid inderdaad niet verplicht is alle argumenten te beantwoorden, mag dit voor haar echter geen rechtvaardiging zijn om de realiteit en de ernst van de problematiek en de gevolgen ervan, waarmee X-8213-13/21 verzoekende partij werd geconfronteerd, te minimaliseren en zich te onttrekken aan haar verplichting zich via een grondig en omstandig onderzoek een gedegen beeld te vormen van de realiteit, Deze minimalisering uit zich al te expliciet: de Minister onderkent misschien het stabiliteitsprobleem, doch speelt het probleem van het vinden van parkeergelegenheden voor de drie woningen doodgewoon terug door naar verzoekende partij, die aldus tussen twee vuren komt te staan. Uit de bijgebrachte foto's alleen al blijkt dat vanuit het opzicht van de verkeersveiligheid, het niet aangewezen is zich op straat te parkeren aangezien de Langdorpsesteenweg een van de belangrijkere invalsroutes is voor AARSCHOT. In dat opzicht en in dergelijke omstandigheden volstaat het niet dat de Minister enkel verwijst naar zijn opvatting van een goede plaatselijke aanleg en een degelijk beleid inzake stedenbouw en ruimtelijke ordening, en wordt niet enkel duidelijk dat niet alle gegevens van de zaak in rekening werden gebracht, doch ook dat dergelijke verwijzing geenszins een voldoende specifieke motivering vormt om af te wijken van de vroegere beleidslijn in verband met parkeergelegenheden.
- De Gemachtigde Ambtenaar heeft zelf de Ministeriële Omzendbrief dd. 20 oktober 1982, betreffende de eis om bij bouwwerken parkeerruimte te scheppen (B.S. 21 dec 1982/(...)), aan de Raadsman van verzoekende partij overgemaakt. Het valt te betreuren dat de Minister zijn beslissing niet degelijk verantwoordt in het licht van deze Omzendbrief, die nochtans zijn eigen beleid uittekent voor het hele Vlaamse Gewest: een afwijking van deze expliciete, specifieke beleidslijn versterkt de eis van een bijzondere motivering. Waar de motieven die hij in zijn beslissing aangeeft nopens de afstandsregels, de gebruikte materialen, edm., zonder verdere rechtvaardiging afwijken van de in de Ministeriële Omzendbrief terzake uitgestippelde regels, dient men inderdaad te besluiten dat deze motieven niet draagkrachtig zijn voor de genomen beslissing”. 2.2.1.
- In de laatste memorie laat de verzoeker nog gelden: “
- Waar verzoeker reeds kon aantonen dat wel degelijk een beleidslijn uitgestippeld was, staat het vast dat de Minister hiervan afweek. Verzoeker meent dat dit getuigt van onzorgvuldigheid en dat als motivering meer mag worden verwacht dan er eenvoudigweg geen woorden aan vuil te maken.
- Waar de Minister zijn beslissing baseerde op de overweging dat er een overdreven terreinbezetting wordt tot stand gebracht, dient verzoeker op te merken dat de boxen dan nergens mochten worden geplaatst. Dit vormt duidelijk een onmogelijke situatie : verzoeker zou zich bevonden hebben in de onmogelijkheid om zijn verplichtingen ten aanzien van het gemeentebestuur na te komen. In het Auditoraatsverslag worden de opmerkingen van de Gemachtigde Ambtenaar letterlijk overgenomen. Zeer onredelijk wordt gesteld dat de bekleding met klimop veeleer kan worden zien als de aanvaarding van het stedenbouwkundig onaanvaardbare materiaalgebruik. Onder deze noemer kunnen alle materialen worden geweigerd”. X-8213-14/21 2.2.1.
- In haar laatste memorie stelt de verwerende partij nog wat volgt: “In het tweede middel roept verzoekende partij de schending in van de zorgvuldigheids- en motiverings(beginsel) waarbij in het Auditoraatsverslag besloten wordt tot het niet gegrond zijn van dit middel en terecht bij de bespreking van het middel gesteld wordt dat de elementen die de verzoekende partij aanbrengt i.v.m. de motivering niet toelaten aan te nemen dat de gronden waarop de minister zijn beslissing heeft gesteund, niet correct zouden zijn, of nog dat de minister op grond van die elementen niet had kunnen komen tot de genomen beslissing. In het Auditoraatsverslag wordt er daarenboven aan toegevoegd dat sommige van de aangehaalde argumenten door de verzoekende partij veeleer de bevestiging zijn van de genomen beslissing en van de negatie ervan”. 2.2.
- Onderzoek van het middel 2.2.2.
- In een tweede middel roept verzoeker de schending in van het zorgvuldigheids- en van het motiveringsbeginsel. Hij voert samengevat aan dat de minister niet heeft aangegeven waarom hij van de kwestieuze omzendbrief is afgeweken, dat de minister evenmin oog heeft gehad voor het in de tuinstrook aangebrachte inheemse groen, voor verzoekers “inspanningen om de garages te integreren in deze tuinaanleg, ook naar de belendende percelen toe, door de gebruikte materialen te bedekken met klimop” en voor het gegeven dat de vergunning van 8 februari 1994 reeds een gedeeltelijke verharding in de tuinstrook, dienstig als manoevreerruimte voor auto's, heeft vergund. Ten overvloede wijst verzoeker op het “feit dat de garages ingeplant zijn op een plaats, waar vroeger reeds bijgebouwen waren opgericht en dat er op de aanpalende percelen ook nog bijgebouwen staan”. 2.2.2.
- In zover de verzoeker in het middel aanvoert dat de minister niet “op een omstandige manier heeft aangegeven waarom hij van de kwestieuze omzendbrief is afgeweken” kan worden volstaan met een verwijzing naar hetgeen hiervoor werd uiteengezet bij het onderzoek van het eerste middel. 2.2.2.
- Voorts dient te worden vastgesteld dat, in tegenstelling tot hetgeen de verzoeker beweert, er geen enkele aanwijzing is dat de overheid bij de afgifte van de vergunning van 8 februari 1994 bedoelde “omzendbrief” mee in de besluitvorming heeft betrokken. De verzoeker kan dan ook niet worden bijgetreden in zijn betoog dat het thans bestreden besluit “afwijkt” van de gevolgde “beleidslijn” en deze “afwijking” had moeten motiveren. X-8213-15/21 2.2.2.
- Het bestreden besluit weigert de vergunning om volgende redenen: “(...) dat zowel de inplanting, onverantwoord dicht bij de perceelsgrenzen, als de aangewende materialen stedenbouwkundig onaanvaardbaar zijn; dat de uitgevoerde verharding de volledige tuinstrook teniet doet; dat er een overdreven terreinbezetting tot stand wordt gebracht; dat de goede plaatselijke aanleg in het gedrang wordt gebracht;(...)”. 2.2.2.
- De voorziene bedekking met klimop, het gegeven dat de vergunning van 8 februari 1994 reeds een gedeeltelijke verharding heeft vergund in de tuinstrook of nog de omstandigheid dat op de plaats waar thans de garages zijn opgericht, ook vroeger al bijgebouwen zouden zijn opgericht en er op de aanpalende percelen nog bijgebouwen staan, laten niet toe aan te nemen dat de gronden waarop de minister zijn beslissing heeft gesteund, niet correct zouden zijn of dat de minister op grond van die elementen, in redelijkheid niet had kunnen komen tot de genomen beslissing. 2.2.2.
- Het middel is niet gegrond. 2.
- Derde middel 2.3.
- Standpunt van de partijen 2.3.1.
- In een derde middel voert de verzoeker de schending aan van “het continuïteits- en gelijkheidsbeginsel”. De verzoeker zet dit middel uiteen als volgt: “
- Aangezien ‘een verschillende behandeling kan gewettigd zijn door de zorg om de toekomstige aanleg van het grondgebied te vrijwaren, die naar het oordeel van de overheid door het aantal en de omvang van de ontworpen verkavelingen in gevaar kan worden gebracht (...); Dat ‘de continuïteit kan worden doorbroken, op voorwaarde dat uit de motivering van de bestreden beslissing of uit het dossier blijkt dat een nieuwe opvatting over de eisen van de plaatselijke aanleg resulteert uit een nieuw onderzoek van de feitelijke gegevens der zaak en wanneer blijkt dat zij niet op onjuiste gronden berust. Om geen aanleiding te geven tot willekeur en miskenning van het gelijkheidsbeginsel, moet deze opvatting een zekere continuïteit vertonen’ (...); Aangezien verzoeker stukken bijbrengt, waaruit blijkt dat er zich in de onmiddellijke omgeving eveneens bijgebouwen bevinden; Dat deze elementen niet enkel bepalend zijn voor de plaatsgesteldheid en bijgevolg ook de opvatting die het bestuur van deze plaatsgesteldheid zou X-8213-16/21 moeten hebben, zodat het bestuur, wanneer zij van deze opvatting afwijkt, verplicht is nieuwe feitelijke en juridische gegevens aan te reiken en in haar beslissing uiteen te zetten, die haar gewijzigde opvatting staven;
- Aangezien de Minister bovendien is afgeweken van een gedragsregel, die voorbeschreven omzendbrief uitmaakte; Dat hij hierdoor blijkbaar een nieuwe opvatting verdedigt, die afwijkt van deze gedragsregel, die nochtans in voege was op het ogenblik dat de vergunningsaanvraag werd ingediend en waarop verzoeker zich gebaseerd had om tot deze aanvraag over te gaan; Dat deze omzendbrief in het verleden en alleszins ook in de vorige graden van huidige beroepsprocedure bepalend was in de beoordeling van de goede plaatselijke aanleg; Dat echter nergens uit blijkt dat deze nieuwe opvatting resulteert uit een nieuw onderzoek van de feitelijke gegevens der zaak; Dat men enkel kan afstappen van een bepaalde gedragslijn om redenen verband houdend met de goede plaatselijke aanleg (...); Dat deze redenen reeds aangehaald werden in het eerste negatieve advies van de Gemachtigde Ambtenaar, dat reeds het bestaan van de omzendbrief uit het oog verloor; Dat deze redenen nooit zijn aangevuld aan de hand van een nieuw onderzoek van het probleem van de parkeergelegenheden, doch nog steeds in ongewijzigde vorm terug te vinden zijn in de beroepsakte van de Gemachtigde Ambtenaar alsmede in het aangevochten besluit van de Minister; Dat het niet redelijk, noch logisch overkomt dat de minister de voormalige omzendbrief, die een bepaalde gedragslijn vertaalt, doodzwijgt, om te kunnen besluiten dat er redenen, verband houdend met de goede plaatselijke aanleg, voorhanden zijn, die een afwijking verantwoorden van deze gedragslijn; Dat dergelijk standpunt onverenigbaar is met uw rechtspraak (...)”. 2.3.1.
- De verwerende partij beantwoordt dit middel als volgt: “In het derde middel roept verzoekende partij een schending in van het continuïteits- en het gelijkheidsbeginsel. Uit de uiteenzetting van dat middel meent verwerende partij dat verzoekende partij de schending meent te kunnen situeren in het feit dat er geen rekening werd gehouden met stukken die verzoekende partij heeft bijgebracht en waaruit blijkt dat er zich in de onmiddellijke omgeving eveneens bijgebouwen bevinden. Het middel is onontvankelijk omdat verzoekende partij geenszins duidelijk aangeeft welke rechtsregel geschonden is op welke wijze. Blijkbaar moet het middel zo gelezen worden dat verzoekende partij van oordeel is dat anderen, derden, wel een vergunning gekregen hebben om bijgebouwen te plaatsen, daar waar zij van oordeel is dat zij ten onrechte deze vergunning niet heeft gekregen. Het is volstrekt onduidelijk uit de uiteenzetting van de verzoekende partij waarin de schending van het gelijkheidsbeginsel gelegen is. Het is al te gemakkelijk te stellen dat er in de onmiddellijke omgeving bijgebouwen zijn zonder dat er kan worden nagegaan of het een gelijke situatie is waarin anderen zich bevinden die op ongelijke wijze zouden behandeld zijn. Overigens blijkt niet uit de stukken van verzoekende partij om welke stukken het zou gaan. Het middel is dan ook onontvankelijk, minstens ongegrond. Voor zover het middel zo moet gelezen worden dat volgens verzoekende partij ten onrechte de beslissende overheid geen rekening gehouden heeft met X-8213-17/21 die stukken en niet heeft uitgelegd waarom zij met deze gegevens geen rekening heeft gehouden, moet hier verwezen worden naar wat met betrekking tot het tweede middel en in het bijzonder de motiveringsverplichting conform het hogergenoemde artikel 53, paragraaf 3 van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening werd gesteld. Wat het tweede deel van de uiteenzetting in verband met dit middel betreft, dient erop gewezen te worden dat verzoekende partij van oordeel is dat de minister niet heeft uiteengezet waarom hij afgeweken zou zijn van een vroegere gedragsregel, volgens verzoekende partij terug te vinden in niet omschreven omzendbrief. Ook hier dient te worden gewezen naar wat hoger werd gesteld met betrekking tot de motiveringsverplichting enerzijds en anderzijds tot de relevantie van een omzendbrief, waarvan verzoekende partij zelf stelt dat zij niet meer van kracht was op het ogenblik van het nemen van de beslissing”. 2.3.1.
- In de memorie van wederantwoord dupliceert de verzoeker: “
- ‘Op grond van art. 45 Stedenbouwwet wordt de bouwvergunning geval na geval gegeven of onthouden op grond van een discretionaire beoordeling van de eisen welke een behoorlijke plaatselijke aanleg stelt. Dit verplicht de bevoegde overheid zich een opvatting te vormen omtrent de bestemming van het perceel en die van de buurt waar het perceel is gelegen; opvatting die, op straffe van willekeur en miskenning van het gelijkheidsbeginsel aanleiding te geven, een zekere continuïteit moet vertonen’ (...).
- Vooreerst valt niet in te zien dat huidig rechtsmiddel onontvankelijk zou kunnen zijn, omdat niet duidelijk zou zijn aangegeven welke rechtsregel zou zijn geschonden, en dat, terwijl juist wordt gesteld dat het continuïteits- en gelijkheidsbeginsel zijn geschonden. Verzoekende partij rappeleert dat deze beginselen ook normen zijn, waaraan uw Raad het optreden van de overheid kan toetsen. De beoordeling van de al dan niet schending van het continuïteits- en gelijkheidsbeginsel wordt gedaan in het licht van de voor het nemen van de beslissing relevante feiten : de aanwezigheid van de bijgebouwen in de naburige tuinen, zoals blijkt uit(...), is bepalend in de beoordeling en opvatting van de plaatsgesteldheid en dus ook van de bestaanbaarheid van de garages met de onmiddellijke omgeving. De situatie van deze andere bijgebouwen is, vanuit het oogpunt van een goede plaatselijke aanleg, niet in die mate ongelijk dat het een ongelijke behandeling verdient; minstens worden door de Minister geen elementen aangereikt die wijzen op dergelijke ongelijkheid van de andere gebouwen. Men kan dan ook reeds besluiten dat de overheid, bij het nemen van een verschillende beslissing, de plaatsgesteldheid niet op afdoende wijze heeft beoordeeld en benaderd in het licht van het continuïteits- en gelijkheidsbeginsel.
- T.a.v. het vroegere gemeentelijke voorschrift i.v.m. de parkeerruimtes, verwijst verzoekende partij naar haar uiteenzetting omtrent het rechtszekerheids- en vertrouwensbeginsel. Het bestaan van de Ministeriële Omzendbrief dd. 20 oktober 1982, betreffende de eis om bij bouwwerken parkeerruimte te scheppen, bevestigt de pertinentie van het vroegere gemeentelijke reglement of voorschrift. X-8213-18/21 Verzoekende partij benadrukt dat de Minister, ook ten aanzien van deze Ministeriële Omzendbrief, door, bij het nemen van zijn beslissing, niet de motieven mede te delen waarom hij ervan afwijkt, niet enkel het motiveringsbeginsel heeft geschonden doch eveneens het continuïteitsbeginsel”. 2.3.1.
- In de laatste memorie laat de verzoeker nog gelden: “Verwijzend naar de uiteenzetting in het verzoekschrift tot nietigverklaring en de memorie van wederantwoord, wenst verzoeker nog de volgende punten te benadrukken. Waar in het Auditoraatsverslag gesteld wordt dat niet blijkt dat verzoeker in de loop van de procedure de vergelijking met de in de omgeving voorhanden zijnde bijgebouwen heeft ingeroepen, kan het volgende worden geantwoord : Verzoeker heeft zijn eigen belangen behartigd in de hele administratieve procedure. Het beroep dat ingediend werd bij de Bestendige Deputatie bestond dan ook enkel uit één pagina waarin verzoeker verzocht om te worden gehoord. Uiteraard werd naar aanleiding van de hoorzitting in eerste instantie gewezen op de aanwezige bebouwing op de omliggende percelen. Het staat immers vast dat het nastreven van een gelijke behandeling leeft onder de burger en het eerste is wat deze opmerkt, los van bestaande wettelijke regels. Er kan moeilijk worden voorgehouden dat niet kan worden nagegaan of het gelijkheidsbeginsel werd geschonden. Verzoeker legde immers de plannen, gevoegd bij de vergunningsaanvraag, neer als stuk in huidige procedure. Het administratief dossier bevat het omgevingsplan en zelfs een luchtfoto, en dus alle nodige elementen om te kunnen afleiden dat gelijkaardige bebouwing aanwezig is op omliggende percelen”. 2.3.1.
- In haar laatste memorie laat de verwerende partij nog het volgende gelden: “In het derde middel roept verzoekende partij een schending van het continuïteitsbeginsel en het gelijkheidsbeginsel in en terecht wordt in het Auditoraatsverslag besloten tot de verwerping van dit middel. Noch de door de verzoekende partij aangehaalde afwijking van een vaste beleidslijn, noch een ongelijke behandeling door de beslissende overheid wordt weerhouden door het Auditoraat”. 2.3.
- Onderzoek van het middel 2.3.2.
- In een derde en laatste middel voert de verzoeker nogmaals de schending aan van het continuïteitsbeginsel en van het gelijkheidsbeginsel. Verzoeker verwijst naar bijgebouwen die zich in de onmiddellijke omgeving bevinden en naar de in de vorige middelen reeds ingeroepen omzendbrief, waarvan de minister zou zijn afgeweken. X-8213-19/21 2.3.2.
- Ook in dit middel stelt de verzoeker dat de “omzendbrief” betreffende parkeergelegenheid “in het verleden en alleszins ook in de vorige graden van huidige beroepsprocedure bepalend was in de beoordeling van de goede plaatselijke aanleg”. Zoals reeds bij het onderzoek van de vorige middelen is gebleken, vindt deze stelling geen steun in de vergunning van 8 februari 1994, het gunstig pre-advies van het college van burgemeester en schepenen of het besluit van de bestendige deputatie. Zoals hiervoor reeds gesteld kan de verzoeker dan ook niet worden bijgetreden in zijn betoog dat de minister zou zijn “afgeweken” van een vaste beleidslijn. Aangezien deze stelling het uitgangspunt vormt van verzoekers betoog, hoeft het middel voor het overige niet verder te worden onderzocht. 2.3.2.
- Het in de artikelen 10 en 11 van de Grondwet vastgelegde gelijkheidsbeginsel vereist enkel dat allen die zich in eenzelfde toestand bevinden op een gelijke wijze worden behandeld. De door de verzoeker aangebrachte gegevens tonen niet aan dat aan anderen die zich in eenzelfde feitelijke en juridische toestand bevinden, is vergund wat hem is geweigerd. 2.3.2.
- Het middel is niet gegrond. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
- Het beroep wordt verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van de verzoeker. X-8213-20/21 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op vijftien mei 2008, door de Xe kamer, die was samengesteld uit : de HH. R. STEVENS, kamervoorzitter, J. BOVIN, staatsraad, D. MOONS, staatsraad, Mevr. A. TRUYENS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. TRUYENS. R. STEVENS. X-8213-21/21 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.182.942 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div