id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 15 mei 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.182.944 Rolnummer: A. 113275/X-10673 Zaak: Arrest 182944 - Stedenbouw en ruimtelijke ordening - Reglementen - 15/05/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-05-23 Raadplegingen: 61 - laatst gezien 2026-06-29 08:03 Fiche Arrest nr 182.944 van 15 mei 2008 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Stedenbouw en ruimtelijke ordening - Reglementen Beslissing : Verwerping heropening debatten Aanvullend verslag Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 182.944 van 15 mei 2008 in de zaak A. 113.275/X-10.673. In zake : 1. de cvba MAREC, 2. de vzw MAREC, die woonplaats kiezen bij advocaat P. FLAMEY, kantoor houdende te 2018 ANTWERPEN, Jan van Rijswijcklaan 16 tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat L. DEHAESE, kantoor houdende te 3500 HASSELT, Luikersteenweg 187. D E R A A D V A N S T A T E, Xe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat de c.v.b.a. MAREC en de v.z.w. MAREC op 23 november 2001 hebben ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 13 juli 2001 van de Vlaamse regering houdende definitieve vaststelling van het plan tot gedeeltelijke wijziging van het gewestplan Limburgs Maasland op het grondgebied van de gemeenten Dilsen-Stokkem, Kinrooi, Lanaken, Maaseik en Maasmechelen, bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 26 september 2001; Gelet op het arrest nr. 107.298 van 4 juni 2002 waarbij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing wordt verworpen; Gezien het verzoekschrift tot voortzetting, op 8 juli 2002 ingediend door de verzoekende partijen; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur T. DE WAELE; X-10.673-1/18 Gelet op de beschikking van 1 juli 2005 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memorie van de verzoekende partijen; Gelet op de beschikking van 25 mei 2007 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 22 juni 2007; Gehoord het verslag van staatsraad D. MOONS; Gehoord de opmerkingen van advocaat K. MAN, die loco advocaat P. FLAMEY verschijnt voor de verzoekende partijen, en van advocaat M. ROOSEN, die loco advocaat L. DEHAESE verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur T. DE WAELE; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; OVERWEEGT WAT VOLGT : 1. Feiten 1.1. De eerste verzoekende partij is een intercommunale vereniging die bij notariële akte van 10 oktober 2001 door de stad Maaseik en de gemeente Kinrooi is opgericht. Bij besluit van 29 januari 2002 van de Vlaamse Minister van Binnenlandse aangelegenheden, Ambtenarenzaken en Buitenlands beleid, is de oprichting ervan goedgekeurd en is goedkeuring verleend aan alle statutaire bepalingen met uitzondering van “artikel 32 en artikel 31, lid 3 voor zover naar artikel 32 verwezen wordt”. Haar doel is “het uitbouwen, het exploiteren en het beheren van het grindplassengebied Kinrooi-Maaseik (...) met het oog op het versterken van de toeristische of landschappelijke functie van dit gebied.”. De tweede verzoekende partij is de vereniging zonder winstoogmerk “Maaslandse Recreatiecentra”, afgekort “vzw Marec”. Ze is op 29 februari 1980 opgericht door de Intercommunale maatschappij voor Ruimtelijke Ontwikkeling in Limburg (hierna IML), de provincie Limburg, de Gewestelijke X-10.673-2/18 Ontwikkelingsmaatschappij Limburg (GOM), de vzw “ Streekbelangen-Maasland” en de gemeenten Kinrooi, Lanaken en Maaseik. Haar doel is “de exploitatie van de recreatiecentra welke door de IML in het Maasland worden ingericht”. Artikel 3, tweede zin van haar statuten bepaalt “dat de vereniging (...) met de IML dienaangaande een concessieovereenkomst (zal) afsluiten.” 1.2. Door de tweede verzoekende partij is op 25 maart 1998 een concessiecontract gesloten met de IML. Daarin geeft laatstgenoemde, met ingang van 1 januari 1998 en voor een - stilzwijgend verlengbare - periode van drie jaar, de recreatiecentra “Heerenlaak” te Maaseik en “De Spaanjerd” te Kinrooi aan de tweede verzoekende partij in concessie. 1.3. In een overeenkomst van 28 december 2000 zijn de eerste verzoekende partij en de tweede verzoekende partij onder andere overeengekomen wat volgt: “Voorafgaande uiteenzetting De VZW baat ingevolge een concessie die zij bekwam vanwege de CVBA intercommunale Maatschappij voor Ruimtelijke Ordening, kortweg IML, de recreatiedomeinen ‘Heerenlaak’ en ‘De Spaanjerd’ uit, resp. gelegen te Maaseik en Kinrooi. Aan deze concessieovereenkomst met IML komt een einde op 31/12/2000. Vanaf 1 januari 2001 zal de uitbating van de beide recreatiedomeinen verdergezet worden door de Intercommunale Maatschappij opgericht tussen de gemeentes Maaseik en Kinrooi, de C.V.B.A. Marec. Deze vennootschap is nog in oprichting en de statuten zullen slechts kunnen ondertekend worden in de loop van 2001. De activa, zowel materieel als immaterieel, alsook het personeel, en met inbegrip van de contracten met uitbaters, huurders, gebruikers, enz. zullen worden overgenomen door de CVBA van de VZW na haar oprichting tegen nog te bepalen voorwaarden. Teneinde de continuïteit van de exploitatie van beide recreatiedomeinen te garanderen, in afwachting van de overname, sluiten beide partijen huidige overeenkomst af. Art. 1. De CVBA zal vanaf 1 januari 2001 de beide recreatiedomeinen, thans begrepen in de concessie tussen IML en de VZW, in erfpacht bekomen van de cvba IML en zal vanaf die datum de beide domeinen exploiteren. De VZW verbindt er zich toe vanaf 1 januari tot aan de overname van de activa door de CVBA, de exploitatie van de domeinen te doen voor rekening van de CVBA. (...)”; 1.4. Door de tijdelijke vereniging “Rekin Grindbedrijven” wordt bij brief van 11 oktober 2001 aan de voorzitter van de eerste verzoekende partij gemeld wat volgt: X-10.673-3/18 “Hierbij geven wij de toestemming aan de cvba Marec, Maasdijk 1 bus 3 te 3640 Kinrooi, opgericht bij akte voor Notaris Anita Indekeu op 10 oktober 2001 te Maaseik, (...) tot recreatief medegebruik van onze grindplassen. Dit medegebruik, dat al sedert jaren een feit is via de vzw Marec en waarvoor de verantwoordelijkheid/aansprakelijkheid bij uw intercommunale en/of de cvba IML berust, dient zoals voorheen te gebeuren in goed nabuurschap en zonder dat de ontginningswerken, depotvorming, scheepvaart, etc. enige hinder hiervan mag ondervinden. Wij zijn ervan overtuigd dat deze samenwerking verder met wederzijdse genoegdoening zal verlopen.” 1.5. Tussen de verzoekende partijen is op 18 december 2001 een overeenkomst gesloten tot overdracht van het handelsfonds van de tweede verzoekende partij aan de eerste verzoekende partij. Daarin is onder andere overeengekomen wat volgt: “Deze overdracht van het handelsfonds heeft tot voorwerp de activa en deels ook de passiva, zowel materiële als immateriële, die verbonden zijn aan de uitbating van de recreatiecentra ‘Heerenlaak’ te Maaseik en ‘De Spaanjerd’ te Kinrooi. De uitbating van de beide recreatie-centra was voorheen in handen van de vzw en zulks ingevolge een concessieovereenkomst, die de vzw afsloot met de cvba Intercommunale Maatschappij voor Ruimtelijke Ordening in Limburg IML (...). (...) Aan de concessieovereenkomst tussen IML en de vzw kwam een einde door opzegging door deze laatste op 31/12/2000. De cvba heeft sinds 1 januari 2001 de betreffende recreatiedomeinen in erfpacht vanwege IML en heeft met de vzw op 28/12/2000 een overeenkomst afgesloten waarbij deze laatste vanaf 1 januari 2001 voorlopig de exploitatie van de domeinen zou doen in opdracht en voor rekening van de cvba. Partijen wensen nu aan deze voorlopige regeling een einde te stellen en de cvba wenst volkomen zelfstandig de exploitatie te verrichten. De vzw wenst in vereffening te gaan maar heeft naast activa ook nog een aantal schulden, voornamelijk opzichtens IML. Derhalve gaan beide partijen deze overeenkomst aan teneinde naast de activa ook de passiva en de verbintenissen van de vzw over te laten nemen door de cvba. ARTIKEL 1 - VOORWERP: de vzw draagt over aan de cvba, die aanvaardt: - Alle hiernagenoemde bestanddelen die samen het handelsfonds van de vzw uitmaken, inclusief contracten en passiva, behoudens hetgeen afwijkend bepaald is omtrent de vorderingen en de schuld van de vzw ten laste of opzichtens IML 1.1. DE ACTIVA 1.1.1. Immateriële vaste activa 1. de exploitatievergunningen 2. de bouwvergunningen 3. eventueel andere vergunningen nodig of nuttig voor de exploitatie (...) ARTIKEL 4 - PERSONEEL X-10.673-4/18 1. Gelet op het feit dat de vzw in afwachting van de formele oprichting van de cvba in opdracht en voor rekening van de cvba in oprichting de exploitatiewerkzaamheden uitvoert, zal het personeel van de vzw voorlopig in dienst blijven bij deze laatste. 2. De cvba verbindt er zich toe om met ingang van 01.01.2002 het personeel van de vzw dat nog in dienst is, over te nemen met behoud van hun statuut m.b.t. (...) ARTIKEL 5 - RECHTEN EN PLICHTEN OPZICHTENS IML De vzw bevestigt dat zij de concessieovereenkomst die zij afsloot met IML heeft opgezegd tegen 31.12.2000 en dat zij sindsdien de exploitatie van de recreatiedomeinen verricht voor rekening van de cvba - die bevestigt een erfpachtovereenkomst te hebben met IML betreffende dezelfde recreatiedomeinen. ARTIKEL 8 - VERPLICHTINGEN VAN PARTIJEN: ALGEMEEN 1. Huidige overeenkomst treedt in werking met terugwerkende kracht op 01.01.2001. 2. Ten laatste op de datum van inwerkingtreding van huidige overeenkomst gaat de vzw over tot afgifte van respectievelijk ter beschikkingstelling aan de cvba van alle overgedragen bestanddelen van het handelsfonds in de staat zoals beschreven in de jaarrekening en opgemaakt op 31.12.2000 (...) ARTIKEL 9 - ONTBINDENDE VOORWAARDE De cvba bevestigt dat omtrent haar erfpachtovereenkomst nog een onenigheid bestaat met IML. Het bekomen of bezitten van deze erfpachtovereenkomst is nochtans een essentiële voorwaarde voor de exploitatie van de recreatiedomeinen en derhalve van de activa en passiva. Zodra zou komen vast te staan, via gerechtelijke uitspraak of anderszins, dat tussen de cvba en IML geen erfpachtovereenkomst is tot stand gekomen, kan de vzw de ontbinding van huidige overeenkomst vorderen en worden de zaken hersteld in dezelfde toestand alsof er geen overeenkomst had bestaan en zulk conform artikel 1183 B.W. Indien de Algemene Vergadering van de vzw Marec huidige overeenkomst niet bekrachtigt, heeft dit de ontbinding van deze overeenkomst voor gevolg.” 1.6. In het voornoemd besluit van 29 januari 2002 (zie punt 1.1) houdende goedkeuring van de oprichting van de eerste verzoekende partij is onder andere overwogen wat volgt: “Overwegende dat de gronden en de infrastructuur van de recreatiegebieden eigendom zijn van de Intercommunale maatschappij voor Ruimtelijke Ontwikkeling in Limburg, afgekort IML en in concessie gegeven zijn aan de vzw Marec die de uitbating verzorgt sinds 1980; dat vzw Marec nu omgevormd wordt tot een intercommunale vereniging met als aandeelhouders de gemeenten Kinrooi en Maaseik. Overwegende dat de vzw Marec de laatste jaren zwaar verlieslatend was tengevolge van hoge concessievergoedingen die dienden betaald te worden aan IML tengevolge van de bouw van een jachthaven die door het grindfonds van IML gefinancierd werd; Overwegende dat de verdere uitbating van de Maaslandse recreatiegebieden daardoor in gevaar kwam, wat een ramp zou betekenen voor de toeristische sector van de Maaslandse gemeenten die een belangrijke pijler vormt van de plaatselijke economie; dat uit het onderzoek van een technische werkgroep X-10.673-5/18 bleek dat de figuur van de intercommunale vereniging de beste oplossing was om de uitbating naar de toekomst toe te kunnen garanderen. Overwegende dat een financieel plan, uitgewerkt in de schoot van het preconstitutioneel orgaan uitwees dat de uitbating van de recreatiegebieden door een intercommunale vereniging rendabel is indien de concessieovereenkomst zou vervangen worden door een erfpachtovereenkomst. Overwegende dat tussen de initiatiefnemers en IML een akkoord is bereikt omtrent het sluiten van een erfpachtovereenkomst onder volgende voorwaarden: vereffening van de bestaande vzw na overdracht van de passiva en regeling van het sociaal luik, terugbetaling zonder interesten van de uitstaande concessievergoedingen met inkomsten uit de toekomstige uitbating via spreiding in de tijd, investeringen zijn enkel toegestaan voor zover zij verband houden met de watersportgebieden van Maaseik en Kinrooi, erfpacht met duurtijd van 27 jaar tegen een vergoeding van een symbolische frank; verbod tot vervreemding van onroerende goederen zonder toestemming van IML en verbod tot uitkering van dividenden; Overwegende dat de gemeenteraden van Kinrooi en Maaseik zich uitdrukkelijk geëngageerd hebben om die voorwaarden te realiseren; (...)”. 1.7.1. Op 28 april 2000 beslist de Vlaamse regering tot de voorlopige vaststelling van het ontwerpplan tot gedeeltelijke wijziging van het gewestplan Limburgs Maasland op het grondgebied van de gemeenten Dilsen-Stokkem, Kinrooi, Lanaken, Maaseik en Maasmechelen. 1.7.2. Tijdens het van 1 augustus 2000 tot 29 september 2000 gehouden openbaar onderzoek, dient de tweede verzoekende partij een “gecoördineerd bezwaarschrift” in. Daarin zijn de bezwaarschriften van 22 verschillende organisaties en verenigingen behorend tot “de sector toerisme en recreatie (van
- de)gemeenten Kinrooi en Maaseik” samengebracht. 1.7.3. Zowel de gemeenteraad van Kinrooi als die van Maaseik brengen, respectievelijk op 16 oktober 2000 en op 27 november 2000, ongunstig advies uit. 1.7.4. Op 5 maart 2001 brengt de streekcommissie advies uit. Zij treedt het bezwaar van de tweede verzoekende partij bij. 1.7.5. Op 13 juli 2001 beslist de Vlaamse regering tot de definitieve vaststelling van het plan tot gedeeltelijke wijziging van het gewestplan Limburgs Maasland. Dit is het bestreden besluit. 2. Ontvankelijkheid X-10.673-6/18 2.1. De Raad van State heeft reeds bij arrest nr. 124.636 van 24 oktober 2003 het bestreden besluit vernietigd “in zoverre het gebied ter plaatse Herenlaak en Klauwenhof (Maaseik), vervat in bijlage 2 en 3, wordt herbestemd als ontginningsgebied met nabestemming recreatiegebied, natuurgebied en agrarisch gebied met ecologisch belang en met in overdruk de aanvullende aanduiding overstromingsgebied”. De verzoekende partijen betwisten niet dat het beroep wat betreft de terreinen “Herenlaak en Klauwenhof” (Maaseik) zonder voorwerp is geworden. Het beroep is in die mate niet ontvankelijk. 2.2.1. De verzoekende partijen zetten in hun verzoekschrift hun belang op de volgende wijze uiteen: “De VZW MAREC beheert de jachthavens en recreatiedomeinen ‘de Spaanjerd’ te Kinrooi en ‘Heerenlaak’ te Maaseik, via een concessieovereenkomst afgesloten met de VZW IML (Intercommunale Maatschappij van Limburg). (...) Deze concessieovereenkomst werd opgezegd tegen 31.12.2000. In het kader van de ontbinding van IML zouden de terreinen te Kinrooi en Maaseik via een erfpachtovereenkomst met IML (later de GOM) worden geëxploiteerd door een Intercommunale op te richten tussen de Stad Maaseik en de gemeente Kinrooi. Deze Intercommunale werd intussen opgericht, namelijk de CVBA Marec (opgericht bij akte voor notaris dd. 10.10.2001).(...) Tussen de VZW MAREC en de CVBA MAREC werd een overeenkomst afgesloten waarbij de(
- ze)eerste voor rekening van de CVBA de exploitatie doet. De TIJDELIJKE VERENIGING REKIN GRINDBEDRIJVEN geeft de toestemming aan CVBA MAREC/VZW MAREC m.b.t. het recreatief medegebruik van de grindplassen. (...) . Dat het volgende percelen betreft met kadastrale gegevens, Kinrooi, 4de afdeling Ophoven- Kessenich (...) (...) Eerste verzoekster, CVBA MAREC, heeft conform haar statutair doel, zoals omschreven in de notariële oprichtingsakte dd. 10.10.2001, belang bij de nietigverklaring (...), gezien de gewestplanwijziging geen waarborgen biedt voor de exploitatie van de jachthaven-recreatiedomeinen en de exploitatie daarvan zelfs hypothekeert. Tweede verzoekster, VZW MAREC, verzorgt de exploitatie van de jachthavens en de recreatiedomeinen ‘De Spaanjerd’ (Kinrooi) en ‘Heerenlaak’ (Maaseik) voor rekening van eerste verzoekster en heeft aldus evenzeer belang bij de (...)nietigverklaring”. X-10.673-7/18 2.2.2. De verwerende partij werpt in haar memorie van antwoord volgende excepties op: “1. TEN AANZIEN VAN DE PROCESBEVOEGDHEID IN HOOFDE VAN DE TWEEDE VERZOEKENDE PARTIJ VZW MAREC: Tweede verzoekende partij, VZW MAREC, brengt geen bewijs bij dat haar bevoegd orgaan beslist heeft een verzoek tot nietigverklaring van het bestreden besluit in te dienen bij de Raad van State. Bij het verzoekschrift werden dienaangaande niet de nodige bewijsstukken gevoegd. Volgens vaste rechtspraak van de Raad van State rust het bewijs dat tijdig een geldige beslissing werd genomen door het bevoegde orgaan op de verzoekende vereniging, en zal de Raad dit ambtshalve onderzoeken (...): (...) Enkel de statuten van de VZW MAREC werden gevoegd bij het verzoekschrift. Er wordt niet aangetoond dat deze statuten gepubliceerd werden in het Belgisch Staatsblad. Overeenkomstig artikel 3 van de Wet van 27.06.1921 bezit de vereniging rechtspersoonlijkheid vanaf de dag waarop haar statuten, de namen, de voornamen, het beroep en de woonplaats van haar overeenkomstig de statuten aangewezen beheerders in de bijlagen van het Staatsblad zijn bekendgemaakt. Ingeval de bekendmakingen en de formaliteiten, voorgeschreven door de artikelen 3, 9, 10 en 11, werden verzuimd, kan de vereniging zich niet op de rechtspersoonlijkheid beroepen tegenover derden (artikel 26 van de Wet van 27.06.1921). 2.TEN AANZIEN VAN HET BELANG IN HOOFDE VAN DE VERZOEKENDE PARTIJEN: De verzoeker moet doen blijken van een persoonlijk, rechtstreeks, griefhoudend en geoorloofd belang. In het verzoekschrift tot nietigverklaring put de eerste verzoekende partij CVBA MAREC haar belang uit het feit dat de gewestplanwijziging geen waarborgen biedt voor de exploitatie van de jachthavenrecreatiedomeinen en de exploitatie daarvan zelfs hypothekeert. De tweede verzoekende partij VZW MAREC meent dat zij evenzeer belang heeft bij de vernietiging aangezien zij de exploitatie van de jachthavens en de recreatiedomeinen ‘De Spaanjerd’ (Kinrooi) en ‘Heerenlaak’ (Maaseik) voor rekening van eerste verzoekster verzorgt. Vastgesteld moet worden dat de verzoekende partijen geen stukken bijbrengen betreffende de exploitatie van de jachthavens en de recreatiedomeinen, noch dat hun betrokkenheid nader wordt toegelicht. Het arrest nr. 107.298 van 4 juni 2002, waarbij de vordering tot schorsing werd verworpen, heeft het volgende overwogen met betrekking tot het belang (bladzijde 4/5): ‘Overwegende. voorts dat verzoeksters verzuimen de exacte draagwijdte van hun betrokkenheid bij het recreatiedomein De Spaanjerd en van hun precieze belangen ter zake toe te lichten en te staven;’ In het verslag van de Auditeur inzake de vordering tot schorsing werd het volgende opgemerkt (bladzijde 10-11/14): ‘Verzoeksters rol in gans het recreatief gebeuren wordt onvoldoende toegelicht; wat zijn precies de belangen van deze twee partijen; welke invloed feitelijk(
- e)en juridisch hebben ze op het terrein daar waar verslaggever (die) geen stukken kreeg overgelegd i.v.m. de betekenis en werkelijke organisatie van het recreatief gebeuren rond de Spanjaard en Heerenlaak. In die zin wordt de indruk gewekt dat verzoeksters eigenlijk X-10.673-8/18 opkomen voor andermans belang - zo is het bezwaarschrift ingediend tijdens het openbaar onderzoek trouwens grotendeels opgevat.’ De verzoekende partijen doen niet blijken van het rechtens vereiste persoonlijk, rechtstreeks, griefhoudend en geoorloofd belang. Aangezien het belang van de verzoeker een ontvankelijkheidsvoorwaarde is om het annulatieberoep in te stellen, is het verzoek tot nietigverklaring van de beslissing van 13 juli 2001 niet ontvankelijk”. 2.2.3. De verzoekende partijen repliceren in hun memorie van wederantwoord als volgt: “Ten onrechte wordt het belang in twijfel getrokken van de verzoekende partijen. Onder uitdrukkelijke vermelding naar het feitenrelaas dienaangaande in het annulatieberoep, wordt hier nogmaals op gewezen dat, na beëindiging van de oorspronkelijke concessieovereenkomst voor het beheer van de jachthavens en recreatiedomeinen ‘de Spaanjerd’ en ‘Herenlaak’ tussen de VZW MAREC en de Intercommunale maatschappij Limburg, (...) werd overeengekomen dat de concessie verder zou worden geëxploiteerd door een intercommunale, op te richten tussen de stad Maaseik en de gemeente Kinrooi, met name de CVBA MAREC, opgericht bij notariële akte van 10 oktober 2001 (...) Tussen de VZW MAREC en de CVBA MAREC werd, ten einde de continuïteit te verzekeren, overeengekomen dat de VZW (oude concessionaris zonder concessie) tijdelijk de exploitatie zou verder zetten voor rekening van de nieuwe concessionaris, de CVBA MAREC, in afwachting van het statuut als Intercommunale van de CVBA. Ondertussen heeft de CVBA MAREC dit statuut verworven en heeft de CVBA de tijdelijke exploitatie door de VZW overgenomen. Het belang van beide verzoekende partijen is derhalve evident. De rol van verzoekende partijen in het recreatief gebeuren is dan ook duidelijk, terwijl in tegendeel het hypothetisch en onzeker karakter van het aanvullend stedenbouwkundig voorschrift (...) de bestendiging van dit recreatief gebruik precies hypothekeert. De excepties zijn ongegrond”. 2.2.4. De verzoekende partijen voeren in hun laatste memorie nog het volgende aan inzake de ontvankelijkheid van hun beroep: “Voorafgaandelijk: In zoverre de bestreden beslissing reeds gedeeltelijk door Uw Raad werd vernietigd betrekking hebbende op de terreinen ‘Herenlaak’ bij arrest van 24 oktober 2003, nr. 124.636, gedragen verzoekende partijen zich naar de wijsheid van Uw Raad; In elk geval behoudt de voorliggende vordering zijn voorwerp in zoverre zij strekt tot de nietigverklaring van het overige gedeelte van de bestreden beslissing; A. De procesbevoegdheid van tweede verzoekende partij, de V.Z.W. MAREC Hoewel niet uitdrukkelijk behandeld in het Auditoraatsverslag bleef verwerende partij de procesbevoegdheid van de V.Z.W MAREC in twijfel trekken, met name of wel sprake zou zijn van een vereniging die de vereiste rechtspersoonlijkheid bezit om in rechte te treden; De VZW verwierf krachtens de wetgeving van toepassing ten tijde van de oprichting van de VZW MAREC rechtspersoonlijkheid vanaf de dag waarop X-10.673-9/18 haar oprichtingsakte alsmede de namen, voornamen, het beroep en de woonplaats van haar beheerders in de bijlagen van het Belgisch Staatsblad werden bekendgemaakt (Art. 3 van de wet van 27 juni 1921); Verzoekende partijen wijzen dan ook op de corresponderende publicatie in het Belgisch Staatsblad van de oprichtingsakte en de statuten met vermelding van de wettelijk gevraagde gegevens; Er kan geen twijfel bestaan omtrent de rechtspersoonlijkheid van tweede verzoekende partij; B. Tijdig genomen besluit van het bevoegde orgaan om in rechte te treden in hoofde van tweede verzoekende partij de V.Z.W. MAREC
- a)Principe van de bekrachtigingsbeslissing Volgens het Auditoraatsverslag werd pas op 18 december 2001 de beslissing genomen door de raad van beheer om het door eerste verzoekende partij aangetekende beroep bij de Raad van State te volgen en te ondersteunen, met terugwerkende kracht vanaf 2 november 2001; Zodoende zou deze beslissing niet tijdig zijn genomen, gelet op het gegeven dat het verzoekschrift werd ingediend op 23 november 2001; Het is echter zo dat de terugwerkende kracht van de beslissing van de Raad van Beheer tot 2 november 2001 niet toevallig werd gekozen; Op die datum werd immers reeds een beslissing genomen om in rechte te treden door de voorzitter van de Raad van Beheer van de V.Z.W. MAREC, zijnde dhr. (...) die in naam van de Raad van Beheer toen reeds besliste samen met de secretaris dhr. (...), de bestreden beslissing aan te vechten door middel van een annulatieberoep en verzoek tot schorsing (...); Op later tijdstip, te weten op 18 december 2001 werd deze beslissing vervolgens voorgelegd aan de voltallige raad van beheer; In de volledige weergave van de notulen van de raad van beheer van 18 december 2001 kan vervolgens worden vastgesteld dat unaniem wordt beslist de beslissing tot het optreden in rechte te bekrachtigen; De bekrachtiging van de eerder genomen beslissing van een beheerder die handelt buiten de hem door de statuten toegekende bevoegdheden door het orgaan met beslissingsbevoegdheid strekt ertoe dat de VZW wel degelijk gebonden was door de beslissing genomen op 2 november 2001; De analogie kan worden getrokken met de eerdere rechtspraak van Uw Raad waarbij de bekrachtiging van een onbevoegd handelen van twee leden van de raad van bestuur door een buitengewone algemene vergadering werd aanvaard door Uw Raad en de VZW werd geacht door toedoen van het bekrachtigd handelen tot optreden in rechte te zijn gebonden (...); Vooralsnog heeft Uw Raad aan een dergelijke bekrachtiging geenszins de vereiste gekoppeld dat deze dient plaats te vinden binnen het tijdsbestek in het procedurereglement voorzien voor het indienen van een annulatieberoep of vóór het tijdstip van het indienen van dit annulatieberoep; Ten onrechte besluit het Auditoraatsverslag dan ook tot de ongeldigheid van het ingediende annulatieberoep in hoofde van tweede verzoekende partij;
- b)Gevolgen van de Prokura-regeling binnen de VZW sinds de inwerkingtreding van de nieuwe VZW-wet De VZW- wet van 27 juni 1921 werd inmiddels gewijzigd door de Wet van 2 mei 2002 waarbij een nieuw art. 13 bis werd voorzien, die (dat) tevens wat betreft de VZW een prokura-stelsel invoert, zoals dit reeds in het kader van de BVBA en de NV bestond; Krachtens de bepaling van art. 13 bis, in werking getreden op 1 juli 2003, kunnen interne beperkingen aan de bestuursbevoegdheid niet langer worden opgeworpen om de toerekening aan de VZW te omzeilen van handelingen van dat orgaan dat extern de vertegenwoordigingsmacht heeft; Procedureel werpt de onmiddellijke toepassing van deze wettelijke bepaling een heel ander licht op het in rechte treden van een VZW, waarbij derden voortaan niet langer kunnen eisen dat een beslissing van het intern bevoegde X-10.673-10/18 bestuursorgaan voorligt teneinde in rechte te treden; De interne bestuursbeperking doet immers niets af aan het gegeven dat de VZW gebonden is; De bevoegdheidsafbakening is enkel van tel voor de interne aansprakelijkheid binnen de vereniging; In het kader van de VZW is voorzien in een gematigd prokura-stelsel waarbij wel sprake dient te zijn van een handeling binnen het statutaire doel van de vereniging (...); In casu is de vertegenwoordigingsmacht onder meer overgedragen aan het directiecomité dat wordt vertegenwoordigd door de Voorzitter van de raad van beheer en de secretaris die tevens de functie van directeur waarnam; De beslissing van 2 november 2001 tot het treden in rechte is derhalve een voldoende grondslag om te besluiten tot het voorhanden zijn van een afdoende mandaat; Bovendien is door het nieuwe wettelijke stelsel het bewijs van de bevoegdheid van het orgaan dat besliste tot het treden in rechte niet langer te leveren, want enkel relevant voor de interne aansprakelijkheid; De wettelijke scheiding tussen intern bestuur en externe vertegenwoordigingsbevoegdheid (Prokurasysteem) heeft tot gevolg dat men een rechtshandeling zoals een proceshandeling, gesteld door een orgaan van vertegenwoordiging binnen haar vertegenwoordigingsbevoegdheid rechtstreeks toerekent aan de rechtspersoon, ongeacht of hiertoe een geldig besluit voorligt van het bevoegde orgaan van intern bestuur (...). Zo zal een proceshandeling aan een N.V. worden toegerekend, en voortaan tevens door de inwerkingtreding van het prokurasysteem voor VZW's, als die geldig vertegenwoordigd werd door een orgaan van vertegenwoordiging, zelfs indien niet voorafgaandelijk over het instellen van de rechtsvordering werd beraadslaagd door het bestuursorgaan (...); De enige vraag die zich derhalve kan stellen is of de verklaring van 2 november 2001werd ondertekend door personen die de vereniging in rechte konden vertegenwoordigen; Deze vraag dient bevestigend te worden beantwoord; De vordering is opzichtens tweede verzoekster derhalve geenszins onontvankelijk; C. Belang in hoofde van eerste verzoekende partij, de CVBA MAREC, op het ogenblik van het indienen van het annulatieberoep en op het ogenblik van de uitspraak Het auditoraatsverslag meent te kunnen besluiten dat eerste verzoekende partij, de CVBA MAREC, op het ogenblik van het instellen van het annulatieberoep zijnde op 23 november 2001 niet beschikte over het vereiste belang nu uit de stukken van het dossier door verzoekende partijen overgelegd zou blijken dat op dat ogenblik geen erfpachtovereenkomst was gesloten tussen de Intercommunale Maatschappij voor Ruimtelijke Ontwikkeling in Limburg (IML) en eerste verzoekende partij, zodoende dat geen sprake was van exploitatie in haren hoofde; Op het ogenblik dat de CVBA MAREC bij monde van een beslissing van de Raad van Bestuur besliste een verzoek tot schorsing en een annulatieberoep in te dienen, met name bij besluit van 14 november 2001 was zij reeds behoorlijk opgericht met het specifieke doel de uitbouw, het exploiteren en het beheren van het grindplassengebied Kinrooi-Maaseik na te streven; Dit geschiedde bij authentieke akte van 10 oktober 2001 ten kantore van notaris INDEKEU; Een uittreksel uit de oprichtingsakte werd behoorlijk gepubliceerd in de bijlagen van het Belgisch Staatsblad van 6 november 2001; Tevens werden de nodige documenten neergelegd ter griffie van de Rechtbank van koophandel op 24 oktober 2001; Bij ministerieel besluit werd de oprichting van de intercommunale vereniging Marec goedgekeurd en werd besloten tot gedeeltelijke goedkeuring van de statuten; Eerste verzoekende partij beschikte derhalve over rechtspersoonlijkheid ten tijde van het indienen van de verzoekschriften voor de Raad van State op 23 november 2001; Dit wordt evenmin betwist in het Auditoraatsverslag; X-10.673-11/18 Evenmin wordt betwist dat wel degelijk sprake was van een rechtsgeldige concessie tot exploitatie van de beide recreatieve domeinen in hoofde van de VZW MAREC ten gevolge van een overeenkomst met de IML dd. 25 maart 1998; Aan deze concessieovereenkomst was een einde voorzien op 31/12/2000, zijnde bijna een jaar voordat de desbetreffende verzoekschriften voor Uw Raad werden ingediend; Tussen eerste en tweede verzoekster werd op 28 december 2000 een overeenkomst afgesloten, met dien verstande dat eerste verzoekster toen een CVBA in oprichting betrof, doch waarvan de gebondenheid tot deze overeenkomst onmiskenbaar vaststaat door de bekrachtiging ervan op latere datum door de CVBA na het verkrijgen van rechtspersoonlijkheid; In gevolge deze overeenkomst van 28 december 2001
(2000)neemt de CVBA, eerste verzoekster, de uitbating van de beide recreatiedomeinen over vanwege de VZW met ingang vanaf 1 januari 2001; De juridische verantwoordelijkheid over de domeinen rustte echter reeds op de schouders van de CVBA vanaf begin 2001, einde van de concessie met de vzw, hetgeen minstens impliciet werd bevestigd door de IML, nu de recreatieve activiteiten onder de eindverantwoordelijkheid van de CVBA en door middel van vertegenwoordiging door de vzw werden gecontinueerd tot op heden; Het is niet omdat voor deze uitbating geen schriftelijke erfpachtovereenkomst was voorzien tussen de IML en de CVBA, dat er ook geen akkoord dienaangaande bestond met de IML; De CVBA verbond zich immers onder meer tot overname van alle activa en passiva van de VZW vanaf 1 januari 2001, en de feitelijke exploitatie van de domeinen zou krachtens de overeenkomst tussen verzoekende partijen onmiskenbaar geschieden door de CVBA vanaf 1 januari 2001; Evenwel verbond de VZW zich ertoe in naam en voor rekening van de CVBA de exploitatie voorlopig te blijven uitvoeren, totdat de juiste omschrijving van de uitbating zou zijn vastgelegd in een schriftelijke overeenkomst met de IML; Het bestaan van een erfpachtovereenkomst is consensualistisch en niet afhankelijk van een geschrift; De IML heeft zich steeds akkoord verklaard met de uitbating van de domeinen door de CVBA (en tijdelijk nog door de VZW voor rekening van de CVBA). De loutere omstandigheid dat dit (nog) geen aanleiding heeft gegeven tot een geschrift, verandert niets aan het principe dat de uitbating niet door de IML gebeurde, maar wel door de CVBA na beëindiging van de concessie. Deze uitbating gebeurt tot op de dag van vandaag zonder enige vorm van verzet vanwege de IML; Met ingang van 1 januari 2001 werd de exploitatie zodoende gevoerd door de CVBA; Hiertoe diende zij niet te beschikken over een erfpachtovereenkomst; De enkele juridische gehoudenheid ten opzichte van de overeenkomst gesloten met eerste verzoeker volstond hiertoe; Bovendien is de IML stilzwijgend akkoord gegaan met de verdere exploitatie van de recreatieve domeinen onder de verantwoordelijkheid van de CVBA tussen het einde van de concessie met de VZW en heden; Er was zodoende sprake van een stilzwijgende overeenkomst tussen IML en de CVBA; In het kader van de geplande vereffening van de VZW en de juiste omschrijving van de samenwerking tussen IML en de CVBA die vanaf 1 januari 2001 gehouden is tot de daadwerkelijke organisatie van de recreatieve activiteiten op de grindplassen, waren er inderdaad problemen gerezen; Er werd onderhandeld tussen de CVBA en de IML betreffende de juiste modaliteiten van enerzijds de toekomstige ontbinding van de VZW, die tot op heden nog niet is gerealiseerd en anderzijds de verantwoordelijkheden van de CVBA bij de uitbating van de grindplassen; Deze onderhandelingen dienden te leiden tot een erfpachtovereenkomst die niet bestond op 23 november 2001 doch niet hoefde te bestaan om te kunnen spreken van een voldoende belang in hoofde van eerste verzoekster; X-10.673-12/18 Eerste verzoekster was ertoe gehouden (op contractuele basis: uitdrukkelijk met de VZW, stilzwijgend met de IML) vanaf 1 januari 2001 in te staan voor de organisatie van de recreatieve activiteiten; Uit de notulen van de raad van bestuur zoals neergelegd door verzoekende partijen blijkt zeer duidelijk dat omwille van financiële moeilijkheden de bestuursverantwoordelijkheid over de domeinen niet langer op de schouders van de VZW kon rusten; Vanaf 1 januari 2001 werd ook feitelijk en met de impliciete toestemming van IML het beheer over de domeinen gevoerd door de CVBA, die voor de exploitatie op het terrein gebruik maakte van een afgevaardigde zijnde de nog steeds bestaande VZW, die vanaf dat tijdstip optrad in naam en voor rekening van de CVBA; Uw Raad heeft overigens de aanwezigheid van een voldoende processueel belang reeds aanvaard bij het opkomen van (tegen) een beslissing die de uitvoering van een aangegane verbintenis in de weg staat (...); In casu staat de bestreden beslissing het beheer over de recreatieve domeinen in de weg en beschikt de CVBA derhalve over een voldoende belang; Op het ogenblik van het indienen van het annulatieberoep op 23 november 2001 beschikte eerste verzoeker over een voldoende belang, met name en meer precies de op grond van de overeenkomst dd. 28 december 2000 contractuele gehoudenheid tot het beheer van de recreatieve domeinen die door de gewestplanwijziging in hun verder bestaan worden bedreigd, contractuele gehoudenheid die door de IML stilzwijgend werd aanvaard; Het gegeven of zij de praktische afhandeling van haar contractuele verplichting zou realiseren door middel van vertegenwoordiging (door de Vzw marec, zoals dit tot op heden geschiedt) of door middel van een erfpachtovereenkomst is niet doorslaggevend; Overname van het personeel is in dat licht slechts een praktische reorganisatie; Hoewel zij geen erfpachthouder was van de domeinen op het ogenblik van het instellen van het beroep bestaat geen enkele indicatie dat zij juridisch niet verantwoordelijk was voor de exploitatie van de recreatieve domeinen, hetgeen op zich een voldoende belang aantoont; De overeenkomst inzake overdracht van het handelsfonds dd. 18 december 2001 kadert volledig in die praktische organisatie en houdt de bevestiging in de van de reeds op 28 december 2000 gesloten overeenkomst tussen eerste verzoekster in oprichting en tweede verzoekster; Verzoekende partijen brengen overigens het bewijs bij dat de recreatieve activiteiten tussen het einde der concessie verleend aan de vzw marec en de datum van heden zijn blijven plaatsvinden hetgeen niet zou zijn kunnen geschieden zonder minstens de impliciete toestemming van de IML met het beheer van de CVBA MAREC. De overdracht van het handelsfonds houdt in dat overigens de VZW enkel als praktische vertegenwoordiger van de CVBA kon optreden nu zij zelf niet langer over afdoende middelen zou beschikken teneinde alleen de exploitatie verder te zetten; De VZW kan zich dan ook als vertegenwoordiger van de CVBA belast met de praktische uitvoering van het beleid waarvoor de CVBA verantwoordelijk is beroepen op een onderscheiden belang; Conclusie: Het auditoraatsverslag kan dan ook niet worden bijgetreden waar zij een gebrek aan rechtens vereist belang aanhaalt; Het standpunt van de Auditeur berust op de verkeerde premisse dat er geen erfpacht zou voorhanden geweest zijn op het ogenblik van het indienen van het annulatieberoep, hetgeen manifest strijdt met het akkoord van de IML om de exploitatie te laten verder zetten door de CVBA (en tijdelijk door de VZW voor rekening van de CVBA); Eerste verzoekende partij beschikt over een voldoende belang zowel op het ogenblik van het indienen van het verzoekschrift als op het ogenblik van de uitspraak; D. De bestreden beslissing raakt op overduidelijke wijze het statutair doel van verzoekende partijen X-10.673-13/18 De ingestelde rechtsvordering strekkende tot vernietiging van de bestreden beslissing past volledig binnen het maatschappelijk doel dat verzoekende partijen zich hebben gesteld in de onderscheiden statuten; Bovendien hebben verzoekende partijen buiten een evident collectief belang tevens een eigen belang in zoverre dat de wijziging van de gewestplanbestemming de recreatieve uitbating van de beide domeinen onmogelijk (red. onwettig) zou maken, en zodoende een aantasting zou uitmaken van de werking en de bedrijvigheid van de beide rechtspersonen; Het maatschappelijk doel van eerste verzoekster zoals omschreven in de statuten betreft ‘het uitbouwen, het exploiteren en het beheren van het grindplassengebied Kinrooi-Maaseik, zoals dit gebied omschreven is in de studie van het bur(eau) landschapsplanning stedenbouw en techniek N.V. in opdracht van de Stad Maaseik en de Gemeente Kinrooi en dit met het oog op het versterken van de toeristische, recreatieve of landschappelijke functie van het gebied’; Het statutair doel van tweede verzoekende partij betreft ‘de exploitatie van de recreatiecentra welke door het IML in het Maasland worden ingericht’. Het auditoraatsverslag geeft terecht aan dat het belang van verzoekers in het bijzonder betrekking heeft op de wijzigingen die de bestreden beslissing doorvoert aan het gewestplan Limburgs Maasland om en bij de jachthavens en recreatiedomeinen Herenlaak te Kinrooi en De Spaanjerd te Kinrooi; Voor beide domeinen wordt de recreatieve nabestemming die in de gewestplanvoorschriften was vervat aangetast en omgevormd door nabestemmingen natuurontwikkeling, natuurgebied of wordt de bestemming gewijzigd van recreatiegebied of ontginningsgebied met nabestemming agrarisch gebied naar natuurgebied of natuurontwikkelingsgebied; Gelet op het recreatief medegebruik van de grindplassen door verzoekende partijen en de nabestemming recreatie die haar voorbestaan garandeert is een wijziging van de nabestemming naar natuurgebied of natuurontwikkelingsgebied evident nadelig, nu deze nabestemming geenszins verenigbaar is met de uitbating van recreatieve faciliteiten zoals aanlegstijgers, lokalen voor de watersport en andere faciliteiten in functie ervan; De wijziging van de hoofdbestemming is evident en a fortiori in die zin nadelig; Ter staving van deze gevolgen van de bestreden beslissing wordt verwezen naar het gedetailleerd bezwaarschrift dat reeds naar aanleiding van het openbaar onderzoek werd ingediend; Aan dit bezwaar werd in de bestreden beslissing niet verholpen zodoende dat verzoekende partijen een belang hebben teneinde de nietigverklaring te vorderen; Elke nieuwe bestemming waardoor recreatie als nabestemming wordt aangetast betreft een hypotheek op de activiteiten die verzoekende partijen tot doel stellen (...); Verwerende partij zal bezwaarlijk op geloofwaardige manier kunnen volhouden dat de bestemmingswijziging de recreatieve activiteiten dewelke door verzoekende partijen krachtens hun statuten worden ingericht onverlet blijven voor die delen waarin de bestreden beslissing voorziet in een bestemmingswijziging zoals hoger vermeld; De specifieke rol van verzoekende partijen wordt duidelijk bij lezing van zowel de concessieovereenkomst tussen de ILM en tweede verzoekster als de overeenkomst tussen verzoekers onderling; Verzoekende partijen groeperen een aantal belanghebbende rechtspersonen zoals de gemeenten Kinrooi en Maaseik, alsmede watersportverenigingen zoals Bloso teneinde de volledige infrastructuur op efficiënte wijze te kunnen uitbaten en commercialiseren zonder het belang van een voldoende toegankelijke recreatieve structuur op gemeentelijk belang uit het oog te verliezen”. X-10.673-14/18 2.2.5. Op 4 december 2001 werd aan de tweede verzoekende partij gevraagd om onder andere een stuk toe te zenden waaruit blijkt dat het bevoegd orgaan heeft beslist tot het instellen van het beroep. Als reactie daarop is een verklaring van 2 november 2001 bezorgd. In dat document, dat is ondertekend door “André Willen Voorzitter vzw Marec” en “Jansen Carlo Secretaris vzw Marec”, staat te lezen wat volgt: “De raad van Beheer van de vzw Marec, maatschappelijke zetel te 3640 Kinrooi, Maasdijk 1 bus 3, heeft beslist om een verzoekschrift tot nietigverklaring en schorsing in te leiden bij de Raad van State tegen Het besluit van de Vlaamse Regering van 13 juli 2001 houdende de definitieve vaststelling van het plan tot gedeeltelijke wijziging van het gewestplan Limburgs Maasland op het grondgebied van de gemeenten Dilsen- Stokkem, Kinrooi, Lanaken, Maaseik en Maasmechelen. De Raad van Beheer machtigt het Advocatenkantoor Budé en Van Leeuwen, Siemkensheuvel 20 te 3680 Maaseik het verzoekschrift tot nietigverklaring en schorsing op te stellen en in te leiden en de vereniging te vertegenwoordigen in de procedures voor de Raad van State teneinde alle memories in dat kader op te stellen en voor haar te pleiten. Verder zijn de genoemde Raadslieden gemachtigd om andere advocaten in hun plaats te laten optreden in de loop van de procedure. (...)”. Op 19 maart 2002 is aan de Raad van State onder andere “een verslag van de Raad van Beheer van de VZW Marec gehouden op 18 december 2001” bezorgd. Daarin wordt met betrekking tot de “gewestplanwijziging Maasland” gesteld: “De c(v)ba Marec heeft beroep aangetekend bij de Raad van State tegen de laatste gewestplanwijziging van het Maasland alsmede de schorsing gevraagd gezien onherstelbare schade zou kunnen optreden aan de exploitatie. Gezien de dubbele exploitatie momenteel diende de vzw dit beroep en deze aanvraag tot schorsing te volgen. Vandaar dat wij volmacht vragen om dit beroep te ondersteunen met terugwerkende kracht vanaf 02.11.2001. De Raad van Beheer gaat unaniem akkoord”. Het annulatieberoep is ingediend op 23 november 2001. Op dat ogenblik gold artikel 13 van de wet van 27 juni 1921 waarbij aan de verenigingen zonder winstgevend doel en aan de instellingen van openbaar nut rechtspersoonlijkheid werd verleend (hierna vzw-wet). Die bepaling luidde: X-10.673-15/18 “De beheerraad leidt de zaken der vereeniging en vertegenwoordigt deze bij elke gerechtelijke en buitengerechtelijke akte. Hij kan, onder zijne verantwoordelijkheid, zijne bevoegdheden overdragen aan een zijner leden of zelfs, indien de statuten of de algemeene vergadering het toelaten, aan een derde. Hij is verplicht jaarlijks de rekening over het verloopen dienstjaar en de begrooting voor het volgende dienstjaar aan de goedkeuring der algemeene vergadering te onderwerpen”. Artikel 17 van de statuten van de tweede verzoekende partij bepaalde op het ogenblik van het indienen van het annulatieberoep: “Alle bevoegdheden die niet door de wet of door de statuten zijn toegewezen aan de algemene vergadering, worden uitgeoefend door de raad van beheer: ondermeer bestuurt hij de vereniging en vertegenwoordigt haar bij alle gerechtelijke en buitengerechtelijke handelingen, hij treedt op als eiser of verweerder in alle rechtsgedingen (en) beslist over het al dan niet aanwenden van rechtsmiddelen”. Uit de samenlezing van deze statutaire bepaling en het toentertijd geldende artikel 13 van de vzw-wet blijkt dat alleen de raad van beheer van de tweede verzoekende partij bevoegd was om een beslissing te nemen om in rechte treden. De verklaring van 2 november 2001 van de voorzitter André Willen en de secretaris Carlo Jansen van de tweede verzoekende partij is niet een dergelijke beslissing van de raad van beheer van de tweede verwerende partij. Noch het in de laatste memorie ingeroepen “principe van de bekrachtigingsbeslissing”, noch de “gevolgen van de Prokura- regeling binnen de VZW sinds de inwerkingtreding van de nieuwe VZW-wet” vermogen aan het bovenstaande afbreuk te doen. De exceptie opgeworpen tegen de tweede verzoekende partij is gegrond. 2.2.6. De verzoekende partijen hebben stukken neergelegd, weergegeven in het hierboven uiteengezette feitenrelaas betreffende de exploitatie van de jachthaven en de recreatieterreinen, waarin zij hun “betrokkenheid” nader toelichten. Uit deze stukken blijkt genoegzaam dat de eerste verzoekende partij doet blijken van het rechtens vereiste belang bij de gevraagde vernietiging; De exceptie opgeworpen tegen de eerste verzoekende partij is ongegrond. X-10.673-16/18 2.2.7. Het verslag van het met het onderzoek van de zaak gelaste lid van het auditoraat is beperkt, wat de eerste verzoekende partij betreft, tot het onderzoek van de opgeworpen exceptie. Er is reden om de debatten te heropenen en het door de auditeur- generaal aangewezen lid van het auditoraat te gelasten met het aanvullend onderzoek. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel 1. Het beroep wordt verworpen in hoofde van de tweede verzoekende partij. Artikel 2. Het beroep wordt verworpen wat de terreinen “Heerenlaak” en “Klauwenhof” betreft. Artikel 3. De debatten worden voor het overige heropend. Artikel 4. Het door de auditeur-generaal aangewezen lid van het auditoraat wordt gelast met het aanvullend onderzoek. X-10.673-17/18 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op vijftien mei 2008, door de Xe kamer, die was samengesteld uit : de HH. R. STEVENS, kamervoorzitter, J. BOVIN, staatsraad, D. MOONS, staatsraad, Mevr. A. TRUYENS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. TRUYENS. R. STEVENS. X-10.673-18/18 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.182.944 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2002:ARR.107.298 gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.189.414 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div