id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 15 mei 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.182.960 Rolnummer: A. 181971/XIV-29048 Zaak: Arrest 182960 - Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen - 15/05/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-05-26 Raadplegingen: 67 - laatst gezien 2026-06-29 08:03 Fiche Arrest nr 182.960 van 15 mei 2008 Vreemdelingen - Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 182.960 van 15 mei 2008 in de zaak A. 181.971/XIV-29.
- In zake : XXX, wonende te 8400 OOSTENDE, Torhoutsesteenweg 203 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Binnenlandse Zaken. ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- -- DE VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Soedanese nationaliteit, op 23 maart 2007 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van 30 januari 2007 van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen, Tweede Nederlandse Kamer, waarbij wordt geweigerd hem als vluchteling te erkennen en waarbij hem geen subsidiaire beschermingsstatus wordt toegekend; Gelet op de beschikking nr. 455 van 23 april 2007 waarbij het cassatieberoep toelaatbaar wordt verklaard; Gelet op artikel 16 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door Auditeur M. VAN LIMBERGEN, op grond van artikel 16 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van dat verslag aan de partijen; Gelet op de beschikking van 4 december 2007 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 27 februari 2008; Gehoord het verslag van Kamervoorzitter A. BEIRLAEN; XIV-29.048-1/11 Gehoord de opmerkingen van Advocaat S. HOCKÉ, die verschijnt voor de verzoekende partij en van Advocaat E. MATTERNE die, loco Advocaat C. DECORDIER verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur-afdelingshoofd R. VANDER ELSTRAETEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Over de gegevens van de zaak. Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat: 1.
- XXX komt op 4 januari 2006 België binnen en vraagt op 5 januari 2006 om de erkenning van de hoedanigheid van vluchteling. 1.
- Deze aanvraag wordt op 3 oktober 2006 door de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen verworpen. 1.
- Verzoeker tekent tegen deze weigeringsbeslissing op 20 oktober 2006 hoger beroep aan bij de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen. 1.
- Op de zitting van 30 januari 2007 wordt verzoeker, bijgestaan door Advocaat S. HOCKÉ, gehoord. 1.
- Op 30 januari 2007 neemt de gemachtigde bijzitter van de Tweede Nederlandse Kamer van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen de thans bestreden beslissing, waarbij het beroep ontvankelijk, maar ongegrond wordt verklaard en de erkenning van de hoedanigheid van vluchteling en van de subsidiaire beschermingsstatus derhalve wordt geweigerd. Deze beslissing is als volgt gemotiveerd : “Overwegende dat de feiten in de bestreden beslissing als volgt luiden: “U verklaart een Soedanees staatsburger van Rashaida-origine te zijn afkomstig van Wad Sharifey in de provincie Kassala. U behoort tot een nomadenstam die leeft van de veeteelt. Uw regio is verwaarloosd en achtergesteld door de Soedanese autoriteiten. In 1997 werd uw dorp XIV-29.048-2/11 door de regering aangevallen. De huizen werden in brand gestoken en er werd op de dorpelingen geschoten. Uw schoonbroer kwam om het leven bij deze aanval. U werd gewond aan uw been en had brandwonden. Uw familie verplaatste zich naar Mastura voor enkele maanden en keerde daarna terug. U sloot zich in 2005, ongeveer 7 maanden voor uw vertrek uit uw land, aan bij de oppositie in uw regio. Een groep gevormd uit uw stam Rashaida had zich in februari 2005 aangesloten bij de oppositiepartij Beja Congress en samen vormen ze het Oostelijk Front. U bent geletterd en legde de pamfletten van het front uit aan uw stamgenoten. Op 20 november 2005 reed u met uw moeder naar het ziekenhuis van Kassala. Onderweg stond er een militaire controlepost en werd het voertuig tegengehouden. Alle jongeren uit het voertuig werden aan de kant gezet en in een ander voertuig geduwd. Het voertuig reed weg en hield onderweg nog een paar keer halt om nieuwe jongeren op te halen. Na een hele dag diende u uit te stappen. U werd in een grote zaal gebracht in een militair kamp in Shuwak in de provincie Gedaref. Er werd u gezegd dat u het land zou dienen en de regio’s waar rebellen zijn zou bevrijden. Samen met een vriend Mohamed Ahmed kon u na twee weken ontsnappen. U wilde uw opleiding niet verderzetten, omdat u het huidige Soedanese regime niet wilde dienen. U liep met Mohamed Ahmed weg naar de stad Shuwak en vluchtte u verder per kameel naar Koutouta, het dorp van Mohamed Ahmed. De volgende morgen ging u verder naar uw dorp, waar uw oom u aanraadde om het land te verlaten. U heeft Soedan per boot verlaten vanuit Port Soedan op 12 december 2005 en op 5 januari 2006 in België asiel gevraagd”; Dat het verzoekschrift de feiten uit de bestreden beslissing volledig overneemt en deze niet betwist; Overwegende dat de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen haar oordeel moet steunen op de feitelijke situatie, zoals deze zich voordoet in het land van oorsprong op het ogenblik van haar beslissing (R.v.St., X, nr. 46.530, 16 maart 1994; R.v.St., X, nr. 96.562, 18 juni 2001; J. HATHAWAY, The Law of Refugee Status, Butterworths, Toronto- Vancouver, 1991, 74-75); dat deze stelling voortvloeit uit de definitie van vluchteling zoals geformuleerd in artikel 1 van het Verdrag van Genève van 28 juli 1951, waarin het criterium “gegronde vrees voor vervolging” het wezenlijke is; dat determinerend is bij het onderzoek van dit criterium of de asielzoeker thans een toevluchtsoord nodig heeft voor een te verwachten risico van vervolging in zijn land van oorsprong; Overwegende dat appellant noch zijn reisweg, noch het ogenblik dat hij zijn land verliet of in België aankwam, bewijst; dat hij beweert vanuit Port Soedan naar Antwerpen te zijn gekomen aan boord van een vrachtschip; dat hij uit Soedan vertrok op 12 december 2005 en in Antwerpen aanmeerde op 4 januari 2006 (gehoorverslag DVZ dd. 6 februari 2006, p. 11); dat hij geen enkel nuttig gegeven van het schip kan meedelen zoals de cargo, de naam of de nationaliteit; dat hij stelt dat het donker was toen hij aan boord van het schip ging en hij door een kleinere boot na twee uren varen werd afgezet aan het vrachtschip (gehoorverslag CGVS DB dd. 15 maart 2006, p. 8-9); Dat volgens de scheepvaartpolitie van Antwerpen (zie stuk 10 VBV-bundel) geen schepen uit Soedan in de Antwerpse haven zijn aangekomen op 4 januari 2006, noch in de dagen voor en na deze datum; dat Soedan ook geen aanloophaven was voor het enige schip dat uit het Oosten en het Suez-kanaal kwam; Dat appellant de plicht heeft mee te werken om de waarheid te achterhalen; dat voor zover appellant in volle zee aan boord van een schip zou zijn gegaan, hij dit voldoende moet kunnen toelichten; dat zijn verklaringen klaar en ondubbelzinnig moeten zijn zodat hij het aannemelijk maakt dat hij deze reis effectief heeft beleefd; dat dit in casu niet het geval is; dat hij in verband met zijn reisweg ook ter zitting onvolledige en vage verklaringen aflegt en aldus vrijwillig de controle van zijn reisweg onmogelijk maakt; dat dit zijn geloofwaardigheid ondermijnt; Overwegende dat appellant een begin van bewijs van identiteit bijbrengt aan de hand van een studentenkaart en schoolcertificaat; dat appellant beweert nooit identiteitsdocu- menten te hebben gehad (gehoorverslag DVZ dd. 6 februari 2006, p. 6); dat in Soedan echter een legitimatieplicht bestaat en Soedanezen formeel in het bezit dienen te zijn XIV-29.048-3/11 van hun identiteitskaart; dat appellant dit ter zitting ontkent en stelt dat hij nomade is en in zijn dorp geen formaliteiten bestaan; dat appellant in zijn verzoekschrift op dit punt stelt dat: “hij in de bergachtige streek leefde in één van de armste streken van Soedan, die bovendien helemaal afgezonderd was van de buitenwereld”; dat wanneer ter zitting gewezen werd op appellants verklaringen over zijn genoten onderwijs, hij stelt dat hij naar een informele lokale basis-koranschool ging; dat appellants verklaring- en ingaan tegen de neergelegde schooldocumenten; Overwegende dat bovendien voor zover appellant werd ingelijfd in het leger, hij een identificatie kreeg en moest bijhouden; dat appellants verklaring ter zitting dat hij niet vrijwillig naar het leger ging, geen reden is waarom de algemene administratieve en militaire regels niet op hem toepasselijk zouden zijn; dat niet aannemelijk is dat het Soedanese leger niet nauwgezet de rekruten zou inschrijven en soldaten in een militair trainingskamp niet zou documenteren; dat dit minstens twijfels oproept over de echtheid van appellants inlijving; Dat aangezien appellant ter zitting volhoudt dat hij ongedocumenteerd bleef er moet besloten worden dat hij niet als rekruut gelegitimeerd werd en aldus geen legerdienst vervulde en bijgevolg ook niet kon deserteren; Overwegende dat voor zover nuttig, appellant in zijn verzoekschrift wijst op de gevolgen van desertie en het gebrek aan juridische bescherming van personen die voor militaire rechtbanken moeten verschijnen in Soedan en hierbij verwijst naar een mensenrechtenrapport (LIS DoS, Country reports on human rights practices, Sudan 2005, februari 2006): “Desertie is één van de zware misdrijven die gestrafd wordt met de doodstraf of met een gevangenisstraf van 10 jaar. Dit blijkt uit artikel 48 van de Wet op de volksstrijdkrachten. Bovendien biedt het militair recht geen effectieve mogelijk- heid tot beroep in geval van een doodvonnis, hetgeen absoluut in strijd is met de rechten van de verdediging zoals opgenomen in het EVRM en in België gehuldigd als één van de meest belangrijkste principes! Men kan niet ontkennen dat dit opnieuw een bewijs is van de willekeurige rechtsbedeling in Soedan!”; Dat echter in de praktijk weinig gevallen bekend zijn van deserteurs die ook daadwerkelijk opgesloten werden wegens hun desertie, laat staan de doodstraf kregen; dat de Soedanese overheid de deserteurs of dienstweigeraars veeleer onder toezicht en onder dwang de dienstplicht doet vervullen (Asylum and Immigration Tribunal, BA (military service – no risk) Sudan CG [2006] UKAIT 00006, gehoord op 12 december 2005, http:// www.ait.gov.uk/; verwijzend naar de Deense bron: Danish Immigration Office, “Report on fact-finding mission to Cairo, Khartoum and Nairobi. Human rights situation, military service, and entry and embarkation procedures in Sudan”, 8 to 19 August and 20 to 23 November 2001, 1 december 2001); dat het bij het verzoekschrift toegevoegde Ambtsbericht van het Nederlandse Ministerie van Buitenlandse Zaken betreffende de situatie in Soedan, dit niet ontkent; dat dit ambtsbericht er bovendien op wijst dat er “geen berichten zijn over een grootschalige gedwongen recrutering door het leger in verband met het conflict in Darfur”; Overwegende dat de bestreden beslissing terecht stelt: “Niettegenstaande uw asielaanvraag door het Commissariaat-generaal ontvankelijk werd verklaard op 16 maart 2006, dient na onderzoek ten gronde te worden vastgesteld dat in uw hoofde geen gegronde vrees voor vervolging bestaat. U verklaart uw land van herkomst te hebben verlaten nadat u uit een militair kamp was gedeserteerd, maar u heeft doorheen uw verklaringen op het Commissariaat-generaal (dd.15.3.2006 (hierna CGVS I) en dd.10.7.2006 (hierna CGVS II)) uw beweerde vrees voor vervolging niet aannemelijk gemaakt. Er dient te worden opgemerkt dat desertie op zich niet ressorteert onder de criteria van de Vluchtelingenconventie van Genève. U blijkt te vrezen voor de gemeenrechtelijke gevolgen van desertie, waarbij kennelijk geen politieke, religieuze, etnische of conventiegerelateerde elementen een significante rol spelen. Zo blijkt uit uw verklaringen dat u nooit eerder problemen kende met de Soedanese autoriteiten (zie gehoor CGVS II, p.7). U was enkele maanden voor uw vertrek uit uw land van herkomst actief voor de oppositie van het Oostelijk Front, maar dit was echter niet XIV-29.048-4/11 bekend bij de Soedanese autoriteiten. U verklaart uitdrukkelijk dat u door de Soedanese autoriteiten werd ingelijfd om hun troepen te versterken (zie gehoor CGVS I, p.16). U maakt evenmin aannemelijk onoverkomelijke bezwaren te hebben tegen het vervullen van uw militaire dienstplicht. U verklaart niet te willen vechten voor het huidige Soedanese regime, dat u onrechtvaardig vindt. U stelt dat de regio vanwaar u afkomstig bent, te lijden heeft onder dit regime en u voor ditzelfde regime niet wil dienen (zie gehoor CGVS II, p.10). Voor een ander Soedanees regime stelt u wel uw militaire dienstplicht te willen doen (zie gehoor CGVS II, p.11). U verklaart uitdrukke- lijk het vervullen van uw militaire dienst niet te weigeren, maar wel te weigeren om samen te werken met de huidige Soedanese regering (zie gehoor CGVS II, p.13). U verklaart verder geen argumenten te hebben die ingaan tegen het vervullen van uw militaire dienstplicht (zie gehoor CGVS II, p.12). Daarbij verklaart u dat elk lid van uw stam een wapen heeft en uit uw verklaringen blijkt dat u akkoord gaat met het gewapend verzet van uw stam tegen de autoriteiten (zie gehoor CGVS I, p.15)”; Overwegende dat ter zitting gewezen werd op de gewijzigde situatie in Soedan; dat het Eastern Front een vredesakkoord heeft gesloten met het regime in Khartoem en op basis van dit akkoord het Eastern Front opgenomen wordt in de regering en het parlement (IRIN, “Sudan: Gov’t, eastern rebels sign peace agreement”, 16 oktober 2006, http://www.irinnews.org/report.asp?ReportID=55962”); dat het akkoord tevens voorziet in een herverdeling van de welvaart en in specifieke investeringen ten voordele van de oostelijke provincies; dat de gewapende rebellen gedemobiliseerd worden en ofwel terugkeren naar het gewone leven, ofwel geïntegreerd worden in het nationale leger ( zie Sudan Tribune van 27 november 2006, 3 december 2006, 6 december 2006, 20 december 2006, http://www.sudantribune. com); dat appellant ter zitting niet ontkent dat de situatie gewijzigd is; dat hij geen elementen inroept die een huidige vrees voor vervolging kunnen ondersteunen; Overwegende dat appellant niet aantoont dat hij de bescherming van het land waarvan hij de nationaliteit bezit niet kan of niet wil inroepen omwille van een gegronde vrees voor vervolging wegens zijn ras, godsdienst, nationaliteit, het behoren tot een bepaalde sociale groep of zijn politieke overtuiging zoals bepaald in art. 1, par. A, al. 2 van het Verdrag van Genève van 28 juli 1951, Overwegende dat appellant niet aannemelijk maakt aanspraak te kunnen maken op de toepassing van de bepalingen met betrekking tot de subsidiaire beschermingsstatus overeenkomstig artikel 48/4 van de bovenvermelde vreemdelingenwet van 15 december 1980, OM DEZE REDENEN : verklaart het beroep ontvankelijk doch ongegrond en weigert derhalve aan XXX de erkenning van de hoedanigheid van vluchteling; kent geen subsidiaire beschermingsstatus toe aan XXX.”;
- Over de gegrondheid van het beroep. 2.1.
- Overwegende dat verzoeker als eerste middel aanvoert: “III.1 Over het eerste middel: schending van artikel 235 §l, 2 en 3 van de wet van 15 september 2006 tot hervorming van de Raad van State en tot oprichting van een Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Overwegende dat artikel 235 § 1, 2 en 3 van de Wet van 15 september 2006 tot hervorming van de Raad van State en tot oprichting van een Raad voor Vreemdelin- genbetwistingen het volgende bepaalt: "§
- De Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen blijft bevoegd om kennis te nemen van de in artikel 57/11 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang XIV-29.048-5/11 tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen bepaalde beroepen tot daags voor de datum bepaald in artikel
- Vanaf de door de Koning te bepalen datum tot daags voor de datum bepaald in artikel 231, wordt tijdens deze periode inzake de aanhangige beroepen tegen de beslissingen van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen de bevoegdheid van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen uitgebreid tot de bevoegdheid om te onderzoeken of de verzoekende vreemdeling voldoet aan de in artikel 48/4 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen voorziene voorwaarden. (NOTA : de datum bedoeld in artikel 235, § 1, tweede lid, is 10 oktober 2006; zie KB 2006-10-03/30 art. 3) §
- Inzake de beroepen, die met toepassing van § 1 aanhangig zijn en waarvoor nog geen rechtsdag is bepaald, heeft de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen dezelfde bevoegdheid als die welke bij deze wet aan de Raad voor Vreemdelingenbe- twistingen wordt toegekend Inzonderheid kan de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen : 1/ de bestreden beslissing bevestigen of hervormen; 2/ de bestreden beslissing vernietigen hetzij omdat aan de bestreden beslissing een substantiële onregelmatigheid kleeft die door de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen niet kan worden hersteld, hetzij omdat essentiële elementen ontbreken die inhouden dat de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen niet kan komen tot de in l/ bedoelde bevestigen of hervorming zonder aanvullende onderzoeksmaatregelen hiertoe te moeten bevelen. Deze beroepen worden behandeld overeenkomstig de procedure en de bepalingen bepaald bij de artikelen 39/9, 39/17, 39/18, 39/56 tot 39/67, 39/69 tot 39/77 van de wet van 15 december 1980, zoals ingevoegd bij deze wet, met dien verstande dat telkens de woorden "De raad" dienen te worden begrepen als “De Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen". §
- In de zaken bedoeld in § 1, vraagt de eerste voorzitter of het door hem aangewezen lid aan de verzoekende partij het geding voort te zetten en het aanhangige verzoek- schrift te vervolledigen derwijze dat het voldoet aan de procedurele voorschriften die gelden voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Het verzoekschrift tot voortzetting bevattende een aanvulling van het initiële verzoekschrift dient op straffe van onontvankelijkheid te beantwoorden aan de vereisten bepaald in artikel 39/69, § 1, van de wet van 15 december
- In afwijking van artikel 39/69, § 1, tweede lid, 4/, van de wet van 15 december 1980 is de aldaar gestelde vereiste niet op straffe van onontvankelijkheid voorgeschreven. Ten aanzien van de verzoekende partij geldt een vermoeden van afstand wanneer zij, binnen een termijn van dertig dagen die ingaat met de betekening van het in het eerste lid bepaalde verzoek, bij aangetekende brief geen verzoek tot voortzetting bevattende de aanvulling van het initiële verzoekschrift indient. De kennisgeving van het in het tweede lid bepaalde verzoek maakt melding van dit vermoeden. Wanneer de verzoekende partij binnen de in het tweede lid gestelde termijn een verzoek tot voortzetting bevattende de aanvulling van het initiële verzoekschrift indient, wordt de procedure hernomen overeenkomstig de in § 2, derde lid, aangehaalde bepalingen. Dat de Vaste Beroepscommissie voor Vluchtelingen bijgevolg gebonden is door een bijzondere procedure met betrekking tot de voortzetting van de behandeling van de hangende dossiers; Dat de Vaste Beroepscommissie voor Vluchtelingen in casu deze procedure niet heeft nageleefd, hoewel deze duidelijk voorgeschreven is in artikel 235 § 2en 3 van bovenvernoemde wet; Dat dit artikel echter duidelijk voorschrijft dat aan de asielzoeker wiens asielaanvraag op 1 december 2006 hangende is bij de Vaste Beroepscommissie voor Vluchtelingen per aangetekende brief moet worden gevraagd of hij de procedure wil verderzetten en om het verzoekschrift aan te vullen zodat het voldoet aan de vereisten van de nieuwe wet; XIV-29.048-6/11 Dat deze brief zowel naar de raadsman als naar de gekozen woonplaats van de asielzoeker moet worden verstuurd; Dat de eventuele aanvullingen niet enkel de formele vereisten en alle elementen en grieven betreffen maar ook de eventuele toepassing van subsidiaire bescherming; Dat duidelijk blijkt uit de bestreden beslissing dat de Vaste Beroepscommissie voor Vluchtelingen verzoeker op 13 december 2006 heeft opgeroepen voor de zitting van 30 januari 2007; Dat in casu de bijzondere procedure omschreven in artikel 235 § 2 en 3 van de Wet van 15 september 2006 tot hervorming van de Raad van State en tot oprichting van een Raad voor Vreemdelingenbetwistingen dus absoluut van toepassing was en niet nageleefd is geweest door de Vaste Beroepscommissie voor Vluchtelingen; Dat artikel 235 § 2 en 3 van de Wet van 15 september 2006 tot hervorming van de Raad van State en tot oprichting van een Raad voor Vreemdelingenbetwistingen bijgevolg geschonden is door de Vaste Beroepscommissie voor Vluchtelingen; Dat het eerste middel gegrond is;”; 2.1.
- Overwegende dat de verwerende partij antwoordt: “In een eerste middel beroept de verzoekende partij zich op een vermeende schending van art. 235 §1, 2 en 3 van de Wet dd. 15.09.2006 tot hervorming van de Raad van State en tot oprichting van een Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Ter ondersteuning poneert verzoeker dat hem (en zijn raadsman) niet per aangetekende brief werd gevraagd of hij de procedure wenste verder te zetten en om het verzoek- schrift aan te vullen, hetgeen een schending zou uitmaken van het art. 235 §2 en 3 van de Wet dd. 15.09.2006 tot hervorming van de Raad van State en tot oprichting van een Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Het is de verwerende partij niet duidelijk welk belang verzoeker bij de door hem geuite kritiek -in zoverre deze al gegrond zou zijn - heeft, te meer nu: - het bij de Vaste Beroepscommissie ingestelde beroep ontvankelijk doch ongegrond werd verklaard, - het art. 235 §3 uitdrukkelijk handelt over "procedurele voorschriften", - geen afstand werd vastgesteld. De verwerende partij is derhalve de mening toegedaan dat verzoekers eerste middel geenszins de eventuele nietigverklaring van de in casu bestreden beslissing kan verantwoorden. Het eerste middel kan niet worden aangenomen.”; 2.1.
- Overwegende dat verzoeker repliceert: “Dat verwerende partij in zijn memorie van antwoord opwerpt dat het voor haar niet duidelijk is welk belang verzoeker heeft bij het opwerpen van dit middel; Dat aan verzoekende partij tijdens de zitting is verweten dat alle argumenten volgens de nieuwe wettelijke bepalingen schriftelijk in het verzoekschrift dienden opgenomen te zijn en dat nieuwe argumenten of een verdere uitwerking van reeds schriftelijk uiteengezette argumenten niet enkel mondeling mochten toegelicht worden; Dat verzoeker dan ook van mening is dat de Vaste Beroepscommissie voor Vluchteling- en, door het niet naleven van de bovenvermelde wettelijke bepalingen, zijn rechten van de verdediging heeft geschonden door hem de mogelijkheid te ontnemen om zijn verzoekschrift aan te vullen. Dat artikel 235 § 2 en 3 van de Wet van 15 september 2006 tot hervorming van de Raad van State en tot oprichting van een Raad voor Vreemdelingenbetwistingen bijgevolg geschonden is door de Vaste Beroepscommissie voor Vluchtelingen; Dat het eerste middel gegrond is;”; XIV-29.048-7/11 2.1.
- Overwegende dat artikel 235, §§ 3 en 4, van de wet van 15 september 2006 tot hervorming van de Raad van State en tot oprichting van een Raad voor Vreemde- lingenbetwistingen, gewijzigd bij wet van 27 december 2006, luidt als volgt: “§
- Inzake beroepen die op de datum vastgesteld in artikel 243, derde lid, aanhangig zijn en waarvoor nog geen rechtsdag bepaald is, vraagt de eerste voorzitter of het door hem aangewezen lid bovendien, bij aangetekend schrijven, aan de verzoekende partij of zij het geding wenst voort te zetten en, in voorkomend geval, het aanhangige verzoekschrift te vervolledigen opdat het voldoet aan de procedurele voorschriften die gelden voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. (...) §
- De beroepen, die met toepassing van deze bepaling aanhangig zijn en waarvoor een rechtsdag is bepaald, worden afgedaan volgens de voorschriften die gelden daags voor de inwerkingtreding van deze bepaling. (...)”; dat uit de samenlezing van de §§ 3 en 4 van voormeld artikel 235 van de wet van 15 september 2006 derhalve blijkt dat enkel voor de beroepen waarvoor nog geen rechtsdag was bepaald op 1 december 2006 aan de verzoekende partij diende te worden gevraagd of zij het geding wenste voort te zetten en het aanhangige verzoekschrift te vervolledigen, en dat dit niet nodig was voor de beroepen waarvoor reeds een rechtsdag was bepaald vóór 1 december 2006; dat in casu uit het administratief dossier blijkt dat aan verzoeker bij brief van 22 november 2006 kennis werd gegeven van het feit dat zijn zaak zou worden behandeld op de zitting van 25 januari 2007, zodat dient te worden vastgesteld dat de Vaste Beroeps- commissie voor vluchtelingen, niettegenstaande het feit dat zij bij brief van 13 december 2006 aan verzoeker meedeelde dat de zitting plaats zou vinden op 30 januari 2007 in plaats van 25 januari 2007, in voorliggende zaak een zittingsdag had bepaald vóór 1 december 2006 en zij derhalve ingevolge de duidelijke bepaling van artikel 235, waarin uitdrukkelijk wordt gesteld dat enkel inzake de beroepen waarvoor nog geen rechtsdag bepaald is aan de verzoekende partij wordt gevraagd of zij wenst het geding voort te zetten en het aanhangige verzoekschrift te vervolledigen, terecht de procedure kon behandelen overeenkomstig § 4 van artikel 235, zonder daarbij verzoeker te vragen of hij de procedure wenste voort te zetten; dat het eerste middel niet gegrond is; XIV-29.048-8/11 2.2.
- Overwegende dat verzoeker als tweede middel aanvoert: “III.2 Over het tweede middel: schending van de rechten van verdediging en van het recht op tegenspraak, zoals o.a. voorzien in artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november
- Het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en Fundamentele Vrijheden waarborgt in zijn artikel 6 de rechten van de verdediging en het recht op een tegensprekelijk debat, alsook het principe van de wapengelijkheid. Dit Verdrag heeft rechtstreekse werking in het Belgische rechtsstelsel. Voor de Vaste Beroepscommissie voor Vluchtelingen bracht verzoekende partij een aantal stukken bij, ter ondersteuning van de nieuwe argumenten door de raadsman van verzoeker ingeroepen tegen de beslissing, in eerste aanleg, gewezen door het Commissariaat-Generaal voor de Vluchtelingen en de Staatslozen op 3 oktober 2006; Dat deze stukken het bewijs brachten van de gegrondheid van zowel de vrees van verzoeker als van zijn vervolging; Dat deze stukken volledig rechtsgeldig werden bijgebracht; Niettemin legde de Voorzitter van de Vaste Beroepscommissie voor Vluchtelingen de stukken in hoger beroep bijgebracht door verzoeker expliciet naast zich neer en weigerde ze er kennis van te nemen, zeggende dat deze stukken reeds vroeger in de procedure hadden moeten neergelegd worden; Dat deze dan ook bij de beslissing van de Vaste Beroepscommissie voor Vluchtelingen dienden betrokken te worden; Dat verzoeker aldus niet door een onpartijdige rechter is gehoord; Dat het tweede middel gegrond is;”; 2.2.
- Overwegende dat de verwerende partij antwoordt: “In een tweede middel beroept de verzoekende partij zich op een vermeende schending van het art. 6 EVRM, alsook op "het recht op een tegensprekelijk debat" en "het principe van de wapengelijkheid”. Ter ondersteuning poneert de verzoekende partij dat hij stukken bijbracht die het bewijs zouden hebben gevormd "van zowel de vrees van verzoeker als van zijn vervolging", en dat deze stukken door de Voorzitter naast zich neer werden gelegd. De verwerende partij laat gelden dat verzoekers vage en ongestaafde beweringen niet kunnen worden aangenomen, en geen afbreuk kunnen doen aan de in casu bestreden beslissing waarin uitvoerig wordt gemotiveerd waarom geen gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Vluchtelingenconventie kan worden weerhouden in verzoekers hoofde. Te meer nu de verzoekende partij er niet eens in slaagt om te specificeren welke documenten hij nu juist zou hebben aangebracht, die dan bovendien: - door de Voorzitter naast zich neer zouden zijn geleg(d), - afbreuk zouden doen aan de vaststelling dat: ! verzoeker geen begin van bewijs aanbrengt, ! er twijfels zijn over de echtheid van verzoekers inlijving, ! de geloofwaardigheid van zijn relaas wordt ondermijnd, ! de voorgehouden desertie niet ressorteert onder de criteria van de Vluchte(n)lingen- conventie, ! verzoeker ter zitting erkende dat de situatie in het land van herkomst gewijzigd is, ! geen elementen worden ingeroepen die een huidige vrees voor vervolging ondersteunen, ! niet aannemelijk wordt gemaakt dat verzoeker aanspraak zou kunnen maken op het subsidiaire beschermingsstatuut. Het tweede middel kan niet worden aangenomen.”; XIV-29.048-9/11 2.2.
- Overwegende dat verzoeker repliceert: “Dat verwerende partij in zijn memorie van antwoord laat gelden dat verzoeker er niet in slaagt te specifiëren welke documenten hij bijgebracht heeft; Dat het voor verzoeker zeer moeilijk is in het kader van deze procedure stukken over te maken waaruit blijkt dat hij gedwongen gerekruteerd is geweest door het Soedanese leger of waaruit blijkt dat hij in zijn land van herkomst politiek actief was, aangezien hij als “voortvluchtige" zijn land in de grootste hoogdringendheid heeft moeten verlaten. Dat verzoeker zich bijgevolg enkel kan staven op informatie die algemeen, via de internationale media, verspreid wordt. Dat de door verzoeker aangehaalde praktijken (in zijn verzoekschrift ter indiening van hoger beroep tegen een beslissing van de Commissaris-Generaal voor de Vaste Beroepscommissie voor Vluchtelingen) worden bevestigd in het algemeen ambtsbericht Sudan van het Ministerie van Buitenlandse Zaken te Nederland, die dergelijk gebeuren zwaar bekritiseerd Dat verzoeker in Soedan berecht zou worden volgens het militaire strafrecht; Dat de militaire rechtbanken in Soedan geen eerlijke rechtsgang garanderen. Militaire processen vinden achter gesloten deuren en snel plaats en soms worden zelfs geen advocaten toegelaten (US DoS, Country reports on human rights practices. Sudan 2005, februari 2006); Dat Soedan door de internationale gemeenschap niet beschouwd wordt als een veilig land van herkomst. Dat het tweede middel bijgevolg gegrond is.”; 2.2.
- Overwegende dat de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen zou hebben gezegd dat de stukken die verzoeker wenste neer te leggen “reeds vroeger in de procedure hadden moeten neergelegd worden”, een loutere bewering is die niet wordt gestaafd en bovendien geen enkele steun vindt in de stukken van het dossier, waaronder inzonderheid het verslag van de zitting; dat voor zover verzoeker in zijn memorie van wederantwoord verduidelijkt welke stukken hij bijbracht ter ondersteuning van zijn nieuwe argumenten, met name “o.a. het algemeen ambtsbericht Sudan van het Ministerie van Buitenlandse Zaken te Nederland”, hij er overigens aan voorbijgaat dat de Vaste Beroeps- commissie voor vluchtelingen wel degelijk rekening houdt met dit stuk, zoals genoegzaam blijkt uit de overweging dat het bij het verzoekschrift toegevoegde Ambtsbericht van het Nederlandse Ministerie van Buitenlandse Zaken betreffende de situatie in Soedan, de door haar geraadpleegde informatie omtrent dienstweigeraars niet ontkent, integendeel, “dat dit ambtsbericht er bovendien op wijst dat er ‘geen berichten zijn over een grootschalige gedwongen recrutering door het leger in verband met het conflict in Darfur’;”; dat voor zover verzoeker aanvoert “dat het voor (hem) zeer moeilijk is in het kader van deze procedure stukken over te maken waaruit blijkt dat hij gedwongen gerekruteerd is geweest door het Soedanese leger of waaruit blijkt dat hij in zijn land van herkomst politiek actief was, aangezien hij als ‘voortvluchtige’ zijn land in de grootste hoogdringendheid heeft moeten verlaten” en hij “zich bijgevolg enkel kan staven op informatie die algemeen, via de internationale media, verspreid wordt”, het middel niet in aanmerking kan worden genomen XIV-29.048-10/11 daar het uitsluitend aan de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen als feitenrechter toekomt om te oordelen over de mogelijkheid waarin de vreemdeling zich bevindt om stukken ter staving van het asielrelaas voor te leggen; dat deze beoordeling door de Raad van State, optredend als administratieve cassatierechter, niet kan worden overgedaan; dat het tweede middel niet gegrond is, BESLUIT: Artikel
- Het beroep wordt verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op vijftien mei tweeduizend en acht, door : de HH. A. BEIRLAEN, kamervoorzitter, C. VERHAERT, griffier. De griffier, De voorzitter, C. VERHAERT. A. BEIRLAEN. XIV-29.048-11/11 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.182.960 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.