id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 15 mei 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.182.963 Rolnummer: A. 184443/XIV-29613 Zaak: Arrest 182963 - Commissariaat-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen - 15/05/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-05-26 Raadplegingen: 69 - laatst gezien 2026-06-29 08:03 Fiche Arrest nr 182.963 van 15 mei 2008 Vreemdelingen - Commissariaat-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 182.963 van 15 mei 2008 in de zaak A. 184.443/XIV-29.
- In zake : XXX, die woonplaats kiest bij Advocaat R. JESPERS, kantoor houdende te 2018 ANTWERPEN, Broederminstraat 38 tegen : de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- -- DE VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Iraakse nationaliteit, op 20 juli 2007 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van 20 juni 2007 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen, IVe Kamer, waarbij hem de vluchtelingenstatus en de subsidiaire beschermingsstatus worden geweigerd; Gelet op de beschikking nr. 1097 van 9 augustus 2007 waarbij het cassatieberoep toelaatbaar wordt verklaard; Gelet op artikel 16 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door Auditeur M. VAN LIMBERGEN, op grond van artikel 16 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gelet op het verzoek tot voortzetting teneinde te worden gehoord van de verzoekende partij; Gelet op de beschikking van 9 januari 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 12 maart 2008; Gehoord het verslag van Kamervoorzitter A. BEIRLAEN; XIV-29.613-1/15 Gehoord de opmerkingen van Advocaat I. FLACHET die, loco Advocaat R. JESPERS verschijnt voor de verzoekende partij en van Attaché Kr. GOOSSENS, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Auditeur M. VAN LIMBERGEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Over de gegevens van de zaak. Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
- XXX komt op 3 januari 2005 België binnen en vraagt op 5 januari 2005 om de erkenning van de hoedanigheid van vluchteling. 1.
- Deze aanvraag wordt op 18 januari 2006 door de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen verworpen. 1.
- Verzoeker tekent tegen deze weigeringsbeslissing op 3 februari 2006 hoger beroep aan bij de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen. 1.
- Op 22 januari 2007 dient verzoeker overeenkomstig artikel 235, § 3, van de wet van 15 september 2006 tot hervorming van de Raad van State en tot oprichting van een Raad voor Vreemdelingenbetwistingen een verzoek tot voortzetting in. 1.
- Op 27 februari 2007 dient de Commissaris-generaal voor de vluchteling- en en de staatlozen een nota en het administratief dossier in. 1.
- Op de zitting van 10 april 2007 worden Advocaat G. DAEM, loco Advocaat R. JESPERS, die optreedt voor verzoeker, en Attaché G. DESNYDER, die optreedt voor de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen, gehoord. 1.
- Op 20 juni 2007 neemt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen de thans bestreden beslissing, waarbij aan verzoeker de vluchtelingen- en de subsidiaire beschermingsstatus worden geweigerd. XIV-29.613-2/15 Deze beslissing is als volgt gemotiveerd : “1.
- Verzoeker roept een schending in van artikel 3 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. 1.
- Verweerder wijst er betreffende de opgeworpen schending van artikel 3 van het E.V.R.M. op dat deze bepaling vereist dat verzoekende partij doet blijken dat er ernstige en zwaarwichtige gronden aanwezig zijn om aan te nemen dat in het land waarnaar hij mag worden teruggeleid, hij een ernstig en reëel risico loopt te worden blootgesteld aan foltering of mensonterende behandeling, dat immers de bescherming van artikel 3 van het E.V.R.M. slechts in uitzonderlijke gevallen toepassing zal vinden; dat degene die aanvoert dat hij een dergelijk risico loopt zijn beweringen moet staven met een begin van bewijs; dat inzonderheid een blote bewering of eenvoudige vrees voor onmenselijke behandeling op zich niet volstaat om een inbreuk uit te maken op artikel 3 van het E.V.R.M. (R.v.St., nr. 1906.509, 13 mei 2002). Hij besluit dat geenszins door verzoeker aangetoond wordt op welke wijze de bestreden beslissing een inbreuk op artikel 3 van het E.V.R.M. zou maken. 1.
- Verzoekers verwijzing naar artikel 3 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is niet relevant. Het louter declaratief karakter van de bevoegdheid van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen, dit wil zeggen het al dan niet erkennen van de hoedanigheid van vluchteling zonder een verwijderingsmaatregel te nemen, laat ter zake immers niet toe tot een beoordeling over te gaan (vgl. R.v.St., Gaelic, nr. 119.876, 26 mei 2003). 2.
- Verzoeker roept een schending in van artikel 62 van de Vreemdelingenwet van 15 december 1980 en van artikel 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelij- ke motivering van bestuurshandelingen. 2.
- Verweerder laat gelden dat voldaan is aan de formele motiveringsplicht, zoals voorgeschreven in artikel 62 van de voormelde wet van 15 december 1980 en artikel 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurs- handelingen. 2.
- De formele motiveringsplicht heeft tot doel de betrokkene een zodanig inzicht in de motieven van de beslissing te verschaffen, dat hij in staat is te weten of het zin heeft zich tegen die beslissing te verweren met de middelen die het recht hem verschaft. (R.v.St., X, nr. 167.408, 2 februari 2007; R.v.St., X, nr. 167.852, 15 februari 2007). Uit het verzoekschrift blijkt dat verzoeker de motieven van de bestreden beslissing kent, zodat het doel van de uitdrukkelijke motiveringsplicht in casu is bereikt. De Raad volgt verweerder in zijn repliek. Verzoeker voert ook de schending van de materiële motiveringsplicht aan. Hierbij moet worden onderzocht of de feitelijke gegevens juist zijn, of die correct werden beoordeeld en of op grond daarvan niet in onredelijkheid tot een besluit is gekomen. Op grond van de devolutieve werking van het beroep en de volle rechtsmacht van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen is de materiële motiveringsplicht het voorwerp van dit arrest. 3.
- Verzoeker roept een schending in van het vertrouwensbeginsel. 3.
- Verweerder stelt dat verzoeker niet aantoont op welke wijze het vertrouwensbegin- sel door de bestreden beslissing zou zijn geschonden. 3.
- Het vertrouwensbeginsel houdt in dat de door het bestuur bij een rechtsonderhorige gewekte rechtmatige verwachtingen zo mogelijk dienen te worden gehonoreerd. Voor de toepassing van dit beginsel dient aan drie voorwaarden te zijn voldaan: er moet sprake zijn van een vergissing van een overheidsorgaan, er dient ten gevolge van die vergissing een voordeel te zijn verleend aan een rechtsonderhorige, en er mogen geen gewichtige redenen zijn die het afnemen van dit voordeel door de overheid zouden rechtvaardigen. (R.v.St., nr. 168.263, 26 februari 2007). Verzoeker toont, zoals hierna zal blijken, met geen enkel concreet element aan dat in casu aan de opgesomde voorwaarden is voldaan. Hij maakt een schending van het XIV-29.613-3/15 vertrouwensbeginsel dan ook niet aannemelijk en slaagt er niet in de schending van de aangehaalde bepalingen of beginselen aan te tonen.
- Blijkens de bestreden beslissing luidt het feitenrelaas als volgt: “Volgens uw verklaringen zou u de Irakese nationaliteit bezitten, Chaldeeuws christen zijn en afkomstig zijn van Zakho. U zou niet politiek actief zijn geweest. Begin jaren negentig zouden uw ouders in Bagdad zijn gaan wonen en er een alcoholwinkel hebben geopend in de wijk Bagdad Al Jadida. U zou bij uw grootvader in Zakho zijn gebleven om er te studeren. In de zomermaanden zou u uw familie in Bagdad zijn gaan bezoeken. In 1999 zou u definitief in Bagdad zijn gaan wonen. U zou uw land zijn ontvlucht tengevolge problemen met terroristen die u en uw familie bedreigden omdat jullie een alcoholwinkel openhielden in Bagdad. Op 4 augustus 2004 zou er een aanslag zijn gepleegd op jullie winkel. Uw neef die samen met u in de winkel werkte zou hierbij om het leven zijn gekomen. Uw vader en oom zouden na het incident naar de politie zijn gegaan maar de politie zou hen hebben geantwoord dat vele christenen dezelfde problemen kenden. Toen de veiligheidssituatie in Bagdad slechter werd zou uw vader u hebben aangeraden om te vluchten. Op 1 december 2004 zou u met uw ouders naar Mosul zijn gegaan. U zou alleen doorgereisd zijn naar Zakho. Na een verblijf van ongeveer twintig dagen bij uw grootvader in Zakho zou u met uw eigen paspoort en een visum voor Turkije Irak hebben verlaten. U zou enkele dagen in Istanbul hebben verbleven en daarna via Griekenland naar België zijn gekomen. Op 3 januari 2005 zou u in België zijn aangekomen. Op 5 januari 2005 diende u een asielaanvraag in bij de Belgische autoriteiten”. Verzoeker betwist deze beschrijving niet.
- De motivering van de bestreden beslissing luidt: ”Niettegenstaande de initiële ontvankelijkheidsbeslissing door de Dienst Vreemdelin- genzaken dient nu in deze fase van de procedure te worden opgemerkt dat u de hoedanigheid van vluchteling niet kan worden toegekend. Er dient immers te worden opgemerkt dat aan uw verklaringen als zou u in Bagdad hebben gewoond geen geloof kan worden gehecht gezien uw geringe kennis over deze stad. U verklaarde in de periode 1999 tot aan uw vertrek in december 2004 bij uw ouders in de wijk Battawin te hebben gewoond (zie gehoorverslag CGVS, 16/01/2006, p.2). Gevraagd echter naar alle omliggende wijken van Battawin zei u dat u enkel de wijk Camp Al Arman kent, maar andere wijken zou u niet kennen (zie gehoorverslag CGVS, 16/01/2006, p.3). Verder is het opmerkelijk dat u behalve de straat waar u woonde geen enkele andere straatnaam in uw wijk bij naam kon noemen (zie gehoorverslag CGVS, 16/01/2006, p. 4). Evenmin kende u namen van pleinen in de buurt (zie gehoorverslag CGVS, 16/01/2006, p. 4). U zei verder dat uw zussen naar school gingen in een school in Battawin, maar u moest het antwoord schuldig blijven toen u werd gevraagd naar de namen van enkele scholen in uw wijk (zie gehoorverslag CGVS, 16/01/2006, p. 10). Verder beweerde u dat er in de buurt van uw wijk een rivier stroomt. Gevraagd echter naar de naam van deze rivier moest u wederom het antwoord schuldig blijven (zie gehoorverslag CGVS, 16/01/2006, p. 4). Ook verklaarde u foutief dat de rivieren Tigris en Eufraat in Bagdad samenkomen (zie gehoorverslag, 16/01/2006, p. 4). Verder is het uiterst bevreemdend dat u geen enkele naam kende van hotels in de buurt van uw wijk, noch kon u namen geven van enkele bruggen (zie gehoorverslag CGVS, 16/01/2006, p. 5). U verklaarde verder dat uw familie eigenaars waren van een alcoholwinkel gelegen in de wijk Bagdad Al Jadida (zie gehoorverslag CGVS, 16/01/2006, p. 5). Uit uw relaas blijkt dat u er ongeveer één jaar heeft gewerkt (zie gehoorverslag CGVS, 16/01/2006, p. 10). XIV-29.613-4/15 Hierbij dient echter te worden opgemerkt dat u de omgeving waar uw winkel gelegen was totaal niet kon omschrijven. Zo antwoordde u onvolledig toen u werd gevraagd naar de wegbeschrijving van uw wijk naar Bagdad Al Jadida en kon u niet aangeven of er in de buurt van de winkel bijvoorbeeld een bank, een politiekantoor of een kerk gelegen is (zie gehoorverslag CGVS, 16/01/2006, p. 5, 6, 9, 10 + gehoorverslag CGVS, 31/03/2005, p. 8). Tenslotte verklaarde u dat u een paspoort heeft aangevraagd bij de Dienst Paspoorten in Bagdad (zie gehoorverslag CGVS, 16/01/2006, p. 11), maar kon niet precies aangeven waar deze dienst zich in Bagdad zich bevindt. Dit is uiterst vreemd daar uit uw verklaringen blijkt dat u er wel bent geweest (zie gehoorverslag CGVS, 16/01/2006, p. 11). Bovenstaande vaststellingen stellen uw verklaringen als zou u verschillende jaren in Bagdad hebben gewoond en er in een alcoholwinkel hebben gewerkt in een ernstig bedrieglijk daglicht. Uw gebrek aan kennis van Bagdad, waar u toch de laatste jaren van uw verblijf in Irak doorbracht staat in schril contrast met de kennis die u over uw geboortestad Zakho etaleert (zie gehoorverslag CGVS, 6/01/2006 p.7). Hierdoor kan dan ook geen geloof worden gehecht aan uw verklaringen als zou u in Bagdad problemen hebben gekend met terroristen, noch aan uw vrees die bij een eventuele terugkeer naar Bagdad zou hebben.”
- De bewijslast inzake de gegrondheid van een asielaanvraag rust in beginsel op de kandidaat-vluchteling zelf. De asielzoeker moet aantonen dat zijn aanvraag tot erkenning is gerechtvaardigd. De kandidaat-vluchteling moet een poging ondernemen het relaas te staven. Hij moet de waarheid vertellen (UNHCR, Guide des procédures et critères à appliquer pour déterminer le statut de réfugié, Genève, 1992, nr. 205). Zijn verklaringen kunnen een voldoende bewijs zijn van zijn hoedanigheid van vluchteling op voorwaarde dat ze mogelijk, geloofwaardig en eerlijk zijn (J. HATHAWAY, The Law of Refugee Status, Butterworths, Toronto-Vancouver, 1991, 84). De afgelegde verklaringen mogen niet in strijd zijn met algemeen bekende feiten. In het relaas mogen geen hiaten, vaagheden, ongerijmde wendingen en tegenstrijdigheden op het niveau van de relevante bijzonderheden voorkomen. Het voordeel van de twijfel kan slechts worden toegestaan als alle elementen werden onderzocht en men overtuigd is van de geloofwaardigheid van de afgelegde verklaringen (UNHCR, Guide des procédures et critères à appliquer pour déterminer le statut de réfugié, Genève, 1992, nr. 204).
- In zijn verzoekschrift van 3 februari 2006 (zie rubriek 3.2.2.) besluit verzoeker dat “het Commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen in zijn beslissing stelt dat verzoekers relaas niet aannemelijk is, niet geloofwaardig is en dat er twijfel bestaat”. Hij zegt dat hij ten gepaste tijde zal aantonen dat dit geenszins het geval is. Verzoeker behandelt onder punt B. “In rechte : Wat betreft de gegrondheid van de aanvraag : ” in hoofdorde op een theoretische wijze het antwoord op vragen als “Wat is het niveau van risico dat concluant loopt in geval van terugkeer ?”, “Is de evaluatie van de aantasting van de fundamentele rechten dermate groot dat zij gelijk staat aan vervolging ?”, en “Is het bewijs dat wordt geleverd van het risico en de vervolging voldoende om te besluiten tot vervolging ?”. Meer concreet stelt verzoeker dat de veiligheidssituatie voor christenen uit Irak nog steeds zeer slecht is. Hij zegt te verwijzen naar de recente aanslagen op christelijke kerken zowel in Bagdad als op andere plaatsen in Irak en meent dat hij op dit ogenblik nog steeds vervolging, over het hele grondgebied van Irak, dient te vrezen. Hij zegt dat hij zal aantonen dat hij vervolgd zal worden door terroristen, actief op het grondgebied van Irak, die christenen viseren. Hij beweert dat hij risico loopt het slachtoffer te worden van een aanslag door terroristen en geen aanspraak zal kunnen maken op de hulp van de politie die zelf geviseerd wordt door terroristen en niet in staat is de openbare orde te handhaven. Ook het Amerikaanse leger zal niet in staat zijn om hem te beschermen. XIV-29.613-5/15 Hij herhaalt dat de redenen van de vervolging duidelijk godsdienstig van aard zijn en herinnert eraan dat een aanslag op het leven een zeer ernstige inbreuk is op de mensenrechten. Hij besluit (zie punt C. “Besluit”) dat “Verzoeker heeft voldoende aangetoond dat er sprake is van een ernstig risico op vervolging bij een terugkeer naar Irak. Verzoeker heeft voldoende aangetoond dat de vervolging zeer ernstig is daar hij riskeert opnieuw het slachtoffer te worden van een aanslag. Verzoeker heeft voldoende aangetoond dat zowel het risico op vervolging als de vervolging zelf, ernstig zijn.” 7.
- Verweerder laat gelden dat verzoekers bewering dat hij voldoende heeft aangetoond dat er een vervolging is bij terugkeer naar Irak omdat de veiligheidssituatie voor christenen er nog steeds zeer slecht is, niet volstaat om te besluiten dat zijn asielaanvraag gegrond zou zijn. Hij stelt dat een loutere vermelding van een welbepaalde situatie in het land van herkomst niet volstaat om iemand als vluchteling te erkennen. De kandidaat-vluchteling dient steeds in concreto aan te tonen dat er in zijnen hoofde ernstige aanwijzingen bestaan van een gegronde vrees voor vervolging. Hij besluit dat op basis van de in de bestreden beslissing vermelde motivering, dit inzake verzoeker niet het geval is. Hij stelt dat verzoeker niet kan worden erkend als vluchteling omdat er geen geloof kan worden gehecht aan zijn asielrelaas. 7.
- De Raad stelt vast dat verzoeker de motieven in de bestreden beslissing waarop de Commissaris-generaal zijn besluit baseert dat aan diens verklaringen dat hij in Bagdad heeft gewoond van 1999 tot eind 2004 en aldaar problemen heeft gehad met terroristen geen geloof kan worden gehecht, geenszins heeft weerlegd. Van verzoeker mag verwacht worden dat hij kan antwoorden op eenvoudige vragen in verband met de streek waarvan hij stelt afkomstig te zijn en waar hij zijn vrees voor vervolging situeert (R.v.St. nr. 114.475 van 15 januari 2003). De Raad herneemt derhalve die motivering. Hier kan nog aan worden toegevoegd dat verzoeker verklaard heeft niet in Zakho gebleven te zijn omdat “er geen toekomst was voor hem”, “er geen werk is” en “hij naar hier gekomen is zodat hij geld kan verdienen en dat zijn familie dan ook het land kan verlaten” (zie het gehoorverslag CGVS TG van 31 maart 2005, p. 4). Gelet op bovenstaande vaststellingen is het asielrelaas van verzoeker niet geloofwaar- dig. Bij een ongeloofwaardig relaas is er geen reden om het te toetsen aan het Verdrag van Genève van 28 juli 1951 (R.v.St., Polat, 12 januari 1999, nr. 78.054). 8.
- Verzoeker vraagt in ondergeschikte orde de toekenning van de subsidiaire beschermingsstatus zoals voorzien bij artikel 48/4 van de Vreemdelingenwet van 15 december
- Hij stelt dat een terugkeer naar Irak voor hem met zekerheid foltering of onmenselijke en vernederende behandeling of bestraffing impliceert omwille van zijn religie. Hij verwijst ook naar de slechte algemene veiligheidssituatie in Irak. 8.
- Verweerder antwoordt dat de bestreden beslissing stelt dat verzoeker, wegens een gebrek aan geloofwaardigheid, er niet in geslaagd is zijn vrees voor vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag, aannemelijk te maken. Aangezien uit het verzoekschrift blijkt dat verzoeker zich voor zijn verzoek tot toekenning van de subsidiaire beschermingsstatus beroept op dezelfde feiten als voor zijn asielaanvraag, dient te worden vastgesteld dat verzoeker evenmin een reëel risico op lijden van ernstige schade zoals bepaald in de definitie van subsidiaire bescherming in artikel 48/4 van de voormelde Vreemdelingenwet aannemelijk maakt. Verweerder wijst er in verband met de algemene situatie in Irak op dat uit informatie blijkt dat de veiligheidssituatie in het algemeen en voor christenen in het bijzonder, verschilt naargelang de regio van het land. Zo blijkt de situatie voor Chaldese christenen in Noord-Irak, waar verzoeker tot zijn vertrek in 2000 naar Bagdad zou hebben gewoond, stabieler te zijn dan in de rest van het land. XIV-29.613-6/15 8.
- Uit het administratief dossier blijkt dat verzoeker op het Commissariaat-generaal verklaarde in zijn stad van herkomst, Zakho, nooit problemen te hebben gehad en dat er daar geen terroristen zijn. Het blijkt dus dat hij die stad verliet om economische redenen (zie het gehoorverslag CGVS TG van 31 maart 2005, p. 4). Zakho is gelegen in de provincie Dahuk in de Koerdisch Autonome Regio. Uit door de Commissaris-generaal neergelegde informatie (Antwoorddocument, ref. IRQ, 2007-005w, met bijlagen: Algemeen Ambstbericht Irak, 27 april 2006; Algemeen Ambtsbericht Irak, 15 december 2005) blijkt dat de veiligheidssituatie er significant beter is dan in Centraal en Zuid-Irak en dat men kan spreken van een relatieve politieke stabiliteit. De situatie is relatief kalm en gestabiliseerd en de lokale autoriteiten verbinden zich ertoe de interne en externe veiligheid te garanderen (Return Advisory and Position on International Protection Needs of Iraqis Outside Iraq, UNHCR, 18 december 2006). Bovendien is de regio een aantrekkingspool geworden voor Christelijke families uit andere regio’s, net omwille van de veiligheid en stabiliteit in de regio (Niqash, iraqi christians-communities looking for safe haven, www.niqash.org/content.php?.contentTypeID=212&id=1688 alsook AFP, 27 juni 2006, Iraq Christians flee Baghdad for Peace and hardship in Kurdistan). Verzoeker verklaarde dat ook zijn familie geen problemen heeft in Zakho (zie het gehoorverslag CGVS TG van 31 maart 2005, p. 4). Derhalve lijkt voor hem een valabel intern vluchtalternatief te bestaan binnen Irak. Dit wordt bevestigd door een rapport van UNHCR van januari 2007, “Rapid Needs Assessment of Recently Displaced Persons in the Kurdistan Region”, waarbij de situatie van onder andere gevluchte Christenen in de Koerdische regio Dahuk werd nagegaan (zie http://www.unhcr.org/cgibin/texis/vtx/home/opendoc.pdf?tbl=SUBSITES&id=45db 09052). Het rapport toont aan dat 99 tot 100 % van de vluchtelingen zich veilig voelt. De overheden steunen de vluchtelingen op verschillende niveaus. Christenen die oorspronkelijk uit het district Dohuk afkomstig zijn krijgen bijvoorbeeld zowel materiële als geldelijke steun (“The KRG in Dahuk does not provide official financial support to IDPs. However, Christian families originating from the Governorate receive a monthly cash allowance starting at $65 from the Ministry of Finance, headed by Sarkis Agha Jan, a prominent Christian politician in the KRG. The IRCS also distributes assistance to new arrivals including flour, blankets and household items”). Ook op het vlak van behuizing, toegang tot voedsel, water, gezondheidszorg, elektriciteit en brandstof worden geen grote problemen gemeld. Al deze elementen tonen aan dat verzoeker geen reëel risico loopt op ernstige schade zoals bepaald in artikel 48/4, §1, b en c van de wet van 15 december
- OM DIE REDENEN BESLUIT DE RAAD VOOR VREEMDELINGENBETWIS- TINGEN: Artikel 1 De vluchtelingenstatus wordt aan de verzoekende partij geweigerd. Artikel 2 De subsidiaire beschermingsstatus wordt aan de verzoekende partij geweigerd.”. XIV-29.613-7/15
- Over de ontvankelijkheid van het beroep. 2.
- Overwegende dat in een enig middel, afgeleid uit de schending van artikel 47 van het handvest van de grondrechten van de Europese Unie en van “de principes van het EU procesrecht”, verzoeker het volgende aanvoert: “EERSTE MIDDEL: Schending van artikel 47 van het handvest van de grondrechten van de Europese Unie. Schending van de principes van het EU procesrecht. Verzoeker betoogt dat onderhavig beroep geenszins voldoet aan de waarborgen zoals vastgesteld in bovenvermelde rechten. Verzoeker meent dat hij recht heeft op een beroep met volle rechtsmacht en dat onderhavig beroep hieraan niet voldoet. Verzoeker meent dat hij conform bovenvermelde principes recht heeft op een onderzoek van de feiten door het jurisdictioneel orgaan dat zijn beroep behandelt en dit omwille van het feit dat de natuur van een asielaanvraag een actuele beoordeling dient in te houden van zijn asielaanvraag op het moment van de finale beslissing. Dat dit recht beperkt wordt gezien verzoekster na het indienen van onderhavig beroep geen nieuwe stukken kan aanbrengen en geen geactualiseerde memorie/conclusie kan bijbrengen. Dat geenszins sprake kan zijn van een jurisdictioneel orgaan dat volle rechtsmacht heeft. Verzoeker zal aantonen dat de principes van art. 6 EVRM thans direct van toepassing zijn. Verzoeker zal verder aantonen dat ook art. 47 van het handvest van de grondrechten van de Europese Unie van toepassing is. Verzoeker zal aantonen dat het begrip "volle rechtsmacht" een bijzondere betekenis heeft en dat de betekenis varieert van materie tot materie. Verzoeker zal tenslotte aantonen dat de waarborgen van het Europees procesrecht volledig afwezig zijn en dit ondanks het feit dat de ganse materie van asiel thans onder het Europees recht ressorteert.
- Wat betreft de toepassing van art. 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. Zowel de Kwalificatierichtlijn (2004/83) als de Procedurerichtlijn verwijzen direct naar het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en dus ook naar art. 47 van het handvest. In juni 2006 citeerde het Europees Hof van Justitie het Charter derwijze dat het zijn rechtstreekse werking bevestigde. Het stelde dat de vermelding in de preambule in de richtlijn voldoende was om het Charter van toepassing te maken(...). Een Advocaat Generaal van het Europees Hof van Justitie stelde dat het Handvest de uitdrukking is van het hoogste niveau, van een democratisch gevestigde politiek consensus welke thans beschouwd moet worden als een catalogus van fundamentele rechten gewaarborgd in het Gemeenschapsrecht. Dat voor een preliminaire studie verwezen wordt naar volgende weblink: http://www.law.kuleuven.ac.be/jura/38nl/debussere.htm. Dat deze studie reeds liet uitschijnen wat het belang van het Handvest zou worden en thans heeft. Het handvest wordt geciteerd en toegepast in diverse materie zowel bij het Europees Hof van Justitie als bij nationale rechters. Dat ook het UNHCR deze visie is toegedaan. Dat verzoeker verwijst naar "The European asylum procedures directive in Legal context." Research Paper No.
- p. 20 ev. (www.unhcr.orq) Dat de toepassing van art. 47 van het Handvest dan ook gewaarborgd dient te worden in alle zaken die de Europese Unie regelt waaronder het asielrecht. Dat art. 47 als volgt luidt: XIV-29.613-8/15 Recht op een doeltreffende voorziening in rechte en op een onpartijdig gerecht Eenieder wiens door het recht van de Unie gewaarborgde rechten en vrijheden zijn geschonden, heeft recht op een doeltreffende voorziening in rechte, met inachtneming van de in dit artikel gestelde voorwaarden. Eenieder heeft recht op een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak, binnen een redelijke termijn, door een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. Eenieder heeft de mogelijkheid zich te laten adviseren, verdedigen en vertegenwoordi- gen. Rechtsbijstand wordt verleend aan diegenen die niet over toereikende financiële middelen beschikken, voorzover die bijstand noodzakelijk is om de daadwerkelijke toegang tot de rechter te waarborgen. Dat de invulling van art. 47 gelijklopend is met de invulling van art. 6 EVRM met het verschil dat het toepassingsgebied zich uitstrekt niet alleen over burgerlijke en strafrechtelijke materies maar ALLE materies die het Europees recht regelt waaronder dus ook het asielrecht. Dat de tekst zowel art. 13 EVRM als art. 6 EVRM incorporeert. Dat de rechtspraak ivm art. 6 EVRM dan ook relevant is ter beoordeling van het feit of dat onderhavig beroep voldoet aan de voorwaarde zoals gesteld in het Europees Handvest. Dat evenwel art. 47 van het handvest geen vereiste stelt van burgerlijke of politieke rechten.
- Begrip “volle rechtsmacht”. Verzoeker stelt dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen volle rechtsmacht dient te hebben en thans niet voldoet aan deze vereist. Verzoeker betoogt dat het principe dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen geen eigen onderzoek kan stellen in strijd is met het begrip "full jurisdiction" volle rechtmacht zoals vastgelegd in het EVRM en dus indirect van toepassing via art. 47 van het Handvest (zie hierboven). 'Full jurisdiction' Van belang is om te beginnen dat artikel 6 lid 1 EVRM niet alleen toegang tot een rechter garandeert maar ook eisen stelt aan de rechterlijke toetsing van overheidsoptre- den. In het kader van een procedure moet op grond van vaste jurisprudentie ten minste één rechterlijke instantie met volledige rechtsmacht ('full jurisdiction') de betreffende besluiten kunnen controleren (...). De eis van 'full jurisdiction' houdt in dat de betreffende rechter de bevoegdheid moet hebben: 'to examine all questions of fact and low relevant to the dispute before it.’(...) De rechter moet op grond van artikel 6 lid 1 EVRM dus alle voor het betreffende geschil relevante vragen van juridische en feitelijke aard kunnen onderzoeken. Het is belangrijk om expliciet te constateren dat er geen onderscheid wordt gemaakt tussen rechtsvragen en feitelijke vragen (...). Uit het voorgaande volgt dat de rechter om te voldoen aan de eisen van artikel 6 EVRM dus ook moet kunnen oordelen over de vaststelling van de feiten als deze relevant zijn in het geschil. Daarmee is van belang wat wordt bedoeld met 'facts relevant to the dispute'. Immers alleen met betrekking tot deze feiten geldt het vereiste van 'full jurisdiction'. Daarmee is de vraag aan de orde hoe intensief de rechter terzake moet kunnen toetsen. Uitgangspunt van de jurisprudentie van het EHRM lijkt te zijn dat de rechter een eigen oordeel over de feiten moet geven hetgeen impliceert dat hij de bestuurlijke feitenvast- stelling vol moet kunnen toetsen. Gewezen kan hier worden op de uitspraak van het EHRM in de zaak Terra Woningen t. Nederland. Daarin werd een schending van artikel 6 lid 1 EVRM aangenomen omdat de kantonrechter bij het vaststellen van een huurprijs niet zelfstandig wilde onderzoeken of er sprake was van bodemverontreini- ging (een factor bij het bepalen van de huurprijs) en het standpunt van Gedeputeerde Staten daarover zonder meer overnam. Dit ondanks het feit dat partijen van mening verschilden over de vraag of er inderdaad sprake was van bodemverontreiniging. Uit het voorgaande zou kunnen worden afgeleid dat een meer terughoudende - marginale toetsing van de feitenvaststelling nooit door de beugel zou kunnen,365 maar XIV-29.613-9/15 uit de zaak Bryan t. Verenigd Koninkrijk blijkt dat het EHRM onder bepaalde omstandigheden daarmee wel genoegen neemt (...). Deze zaak betrof een handhavings- besluit op grond waarvan de heer Bryan twee huizen moest slopen en bouwmateriaal moest verwijderen. Daartegen kwam hij vergeefs op bij het bestuursorgaan dat het besluit nam, waarna er beroep werd ingesteld bij de rechter. Daar kon echter de juistheid van de vastgestelde feiten die de basis vormden van het besluit niet meer direct worden betwist. De rechter was alleen bevoegd ten aanzien van rechtsvragen en kon geen nader bewijs ontvangen. Wel had de rechter de bevoegdheid om te beoordelen of de procedure waarin de feiten waren vastgesteld rechtmatig was en of de feitenvaststel- ling 'perverse or irrational' was. Beperkingen van rechterlijke controle op de bestuurlijke feitenvaststelling bevinden zich dus 'in de gevarenzone van artikel 6 EVRM’, maar zijn gelet op de zaak Bryan niet zonder meer ongeoorloofd. Voor dergelijke beperkingen moet wel een overtuigende rechtvaardigingsgrond bestaan, zoals de aard van het materiële rechtsgebied en de daaraan verbonden bestuurlijke vrijheid en het gespecialiseerde karakter van de feitenvaststelling. Daarbij is van belang dat de bestuurlijke feitenvaststelling in een met voldoende waarborgen omklede - quasirechterlijke - gespecialiseerde administratieve voorprocedure heeft plaatsgevonden. Hieruit lijkt voort te vloeien dat het in dergelijke gevallen in het licht van artikel 6 EVRM ook mogelijk is grenzen te stellen aan het inbrengen van bepaald nieuw bewijsmateriaal in de rechterlijke procedure. Sommige bewijsmateriaal vergt immers een geheel nieuwe beoordeling door de rechter, iets waartoe hij echter juist niet in staat is gelet op, bijvoorbeeld, de daartoe vereiste specialisatie. De beperkingen van rechterlijke controle op de bestuurlijke feitenvaststelling mogen in ieder geval nooit zo ver gaan dat de rechter zich geheel verlaat op het oordeel van het bestuur. Dat zou immers feitelijk betekenen dat de betrokkene opdat punt geen toegang heeft tot de rechter. Er moet in het kader van de rechterlijke procedure een debat kunnen worden gevoerd over de juistheid van het bestuurlijke feitenoordeel en de wijze waarop dat tot stand is gekomen. Het geheel uitsluiten daarvan kan blijkens de jurisprudentie van het EHRM niet door de beugel. Gewezen kan worden op de al genoemde zaak Terra Woningen t. Nederland en op de meer recente zaak Chevrol t. Frankrijk (...). Deze laatste zaak werd aan het EHRM voorgelegd nadat de Franse Raad van State (Conseil d'Etat) het beroep van verzoekster tegen de weigering haar Algerijnse artsexamen te erkennen had afgewezen. Daarbij heeft de Raad van State zijn eigen jurisprudentie gevolgd, waarbij hij, bij de beantwoording van de vraag of de betreffende verdragen toepasselijk waren, zich geheel heeft verlaten op het oordeel van een bestuursorgaan, ook waar dat de feitenvaststelling betrof. Het EHRM is daarover kritisch: ook al lijkt raadpleging van de minister door de Raad van State over de beoordeling van de voorwaarde van wederkerigheid bij de erkenning van diploma's noodzakelijk, door deze wijze van werken verplicht de Raad van State zich het oordeel te volgen van de minister, dat wil zeggen van een buiten de Raad staande en tot de uitvoerende macht behorende autoriteit, zonder het oordeel van die autoriteit aan kritiek of aan een contradictoir debat te onderwerpen. Het Hof is verder van oordeel dat met betrekking tot het inwinnen van het oordeel van de minister, dat bepalend zou zijn voor hetgeen in het geschil ter beslissing stond, voor appellante geen enkele voorziening openstond. Zij heeft geen enkele gelegenheid gekregen zich uit te spreken over het gebruik van het ministerieel oordeel, of over de formulering van de aan de minister gestelde vraag, of over de elementen van de beantwoording van die vraag. Appellante heeft aan de Raad van State verscheidene stukken overgelegd om aan te tonen dat de Algerijnse overheid de betreffende regelingen feitelijk wel degelijk toepaste. Deze stukken zijn zelfs niet onderzocht door de Raad, die derhalve niet heeft willen onderzoeken of zij een goede grondslag voor het betoog van appellante vormden. Aldus heeft de Raad zich gebonden geacht aan het oordeel van de minister, en zichzelf de bevoegdheid ontzegd om feitelijke gegevens die beslissend konden zijn voor het aan hem voorgelegde geschil in zijn beoordelingen te betrekken. Onder deze omstandighe- den kan volgens het EHRM niet worden gezegd dat appellante toegang heeft gehad tot XIV-29.613-10/15 een rechterlijke instantie die een toereikende bevoegdheid had, dan wel erkende dat zij een dergelijke bevoegdheid had, om zich te buigen over alle feitelijke en juridische kwesties die relevant waren om het geschil te beoordelen. Toegepast op de beroepsprocedure bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen, meent verzoeker dat deze procedure geenszins voldoet. Dat de Raad voor Vreemdelingenbe- twistingen ambtshalve dient over te gaan tot een onderzoek van alle feiten relevant voor deze zaak. Meer bepaald dient zij zich ervan te vergewissen dat verzoeker geen enkel risico op een mensonterende behandeling zal ondergaan wanneer hij terug zou keren naar Irak. Het citeren van rapporten (waarvan een groot deel gedateerd is voor 2007) aangewend door het Commissariaat-Generaal voor de Vluchtelingen en Staatlozen volstaat niet. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen negeert bovendien de door verzoeker in zijn verzoek tot voortzetting aangehaalde rapporten zonder enige motivering. Zo wordt gengegeerd verwijst het rapport betr(e)ffende "Guidelinens of the treatment of Iraqi asylum seekers and refugees in Europe" (Richtlijnen betreffende de behandeling van Irakese asielzoekers en vluchtelingen in Europa) van ECCRE welke stelt dat de Chaldeeuwse christenen een bijzondere risicogroep vormt; Members of religious minorities.38 For example Kurdish Yazidis,39 Mandaeans,40 Jews,41 and Christians (including members of the Assyrian, Chaldean, Armenian and Catholic religious branch). Iraqi Christians increasingly experience discrimination with regard to access to the labour market or basic social services and many are afraid of persecution by insurgent groups as well as Islamic militias, which have gained de facto control over entire neighbourhoods in various cities and villages in Iraq. Additionally, there are reports from almost all parts of the country of assaults and attacks against Christian individuals and facilities (e.g. churches, community centres). (...) (Vrije vertaling: Leden van religieuze minderheden. Bijvoorbeeld Koerdische Yazedi's, Mandeens, Joden en Christenen -inclusief leden van de Assyrische, Chaldeeuwse, Armeense en Katholieke religie, Irakese christenen hebben meer en meer af te rekenen met discriminatie inzake toegang tot de arbeidsmarkt of sociale basisvoorzieningen en velen vrezen vervolging van zowel opstandelingen als Islamistische milities, welke de facto controle hebben over ganse buurten in bepaalde steden en dorpen in Irak. Meer nog, er zijn rapporten van bijna alle delen van het land betreffende aanvallen en aanslagen tegen Christelijke individuen en gebouwen.) Maar ook het Belgisch reisadvies dat het volgende stelt: “Naar Irak reizen wordt ten stelligste afgeraden. De situatie is en blijft er onzeker en gevaarlijk voor reizigers. Zowel in Bagdad als in de rest van het land zijn veiligheidsvoorzorgen voor reizigers praktisch onbestaande. Het risico van aanslagen en banditisme is hoog, vooral in Bagdad en in de rest van Centraal-, West-, Noord-West- en Zuid-Irak. Er bestaat voorts een hoog risico van ontvoering, zonder onderscheid in nationaliteit. Verder zijn er risico's verbonden aan de aanwezigheid van mijnen en aan voortdurende militaire operaties. Verzoeker meent dat ook dat gelet op het feit dat huidige Vreemdelingenwet de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen niet toelaat ambtshalve dergelijk onderzoek te voeren. Dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen ambtshalve dient over te gaan tot onderzoek van de actuele toestand in Zakho. Dat ook de beginselen van het Europees procesrecht voortvloeiende uit art. 47 van het Handvest en uit de rechtspaak van het Hof van Justitie zelf geschonden zijn. Dat verzoeker eveneens verzoekt aan de Raad van State een prejudiciële vraag te stellen aan het Europees Hof van Justitie die als volgt luidt: “Dienen de lidstaten te voorzien in een beroep bij een administratief rechtscollege met volle rechtsmacht inzake de materie van de Kwalificatierichtlijn 2004/83 en volstaat een mogelijkheid tot terugwijzing naar de initiële administratieve overheid om te kunnen spreken van volle rechtsmacht of dienen deze administratieve rechtscolleges over een eigen onderzoeksbevoegdheid te beschikken die hen toelaat tot op de dag van de XIV-29.613-11/15 eindbeslissing onderzoek te verrichten naar alle relevante feiten die nuttig zijn om de zaak te beoordelen". Dat de vraag relevant is in die zin dat indien beide onderdelen bevestigend beantwoord worden de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen ambtshalve diende over te gaan tot een onderzoek.”; 2.
- Overwegende dat de verwerende partij antwoordt: “2.1 In het eerste en enige middel roept verzoeker de schending in van artikel 47 van het handvest van de grondrechten van de Europese Unie. Schending van de principes van het EU procesrecht. 2.1.1 Verweerder stelt vast dat artikel 47 van het handvest van de grondrechten van de Europese Unie stelt dat eenieder recht heeft op een eerlijk en openbare behandeling van zijn zaak, binnen een redelijke termijn, door een onafhankelijk en onpar(t)tijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. Eenieder heeft de mogelijkheid zich te laten adviseren, verdedigen en vertegenwoordigen. Verweerder meent dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen aan deze waarborgen voldoet. Verzoeker toont nergens aan dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen één van deze waarborgen zou geschonden hebben. 2.1.2 Verzoeker stelt dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen volle rechtsmacht dient te hebben en thans niet voldoet aan deze vereist (sic.). Verweerder antwoordt dat de memorie van toelichting stelt dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen over de volheid van rechtsmacht beschikt inzake beslissingen van de commissaris-generaal (Wetsontwerp tot hervorming van de Raad van State en tot oprichting van een Raad voor Vreemdelingenbetwistingen, Memorie van toelichting, Parl. St. Kamer 2005-2006, nr.2479/001, 95); “De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen het geschil in zijn geheel aan een nieuw onderzoek onderwerpt en hij als administratieve rechter in laatste aanleg uitspraak doet over de grond van het geschil, waarbij hij de bevoegdheid heeft tot hervorming of tot bevestiging van de door de commissaris-generaal genomen beslissingen ongeacht het motief waarop de commissaris-generaal de bestreden beslissing heeft gesteund. Bij het uitoefenen van zijn bevoegdheid van volle rechtsmacht kan de Raad op dezelfde gronden en met eenzelfde appreciatiebevoegdheid beslissen als de commissaris- generaal. Het beroep is immers devolutief en wordt in zijn geheel aanhangig gemaakt bij de Raad”. 2.1.3 Verzoeker meent de rapporten van de commissaris-generaal niet volstaan om te stellen dat verzoeker geen enkel risico op een mensonterende behandeling zal ondergaan wanneer hij zou terugkeren naar Irak. Volgens verzoeker negeert de Raad zijn aangehaalde rapporten. Verweerder antwoordt dat verzoeker in wezen een heronderzoek vraagt van de feiten. Dat de feitelijke appreciatie van de door verzoeker aangebrachte gegevens niet behoort tot de bevoegdheid van de Raad van State als administratieve cassatierechter (05-14630, Irak, R.v.St. nr. 1031 van 27 juli 2007). Artikel 14, §2 van de gecoördineerde wetten op de R.v.St., stelt dat de Raad in geval van cassatieberoep tegen de door de administratieve rechtscolleges in laatste aanleg gewezen beslissing niet in de beoordeling van de zaken zelf treedt. Voor de volledigheid wenst verweerder nog op te merken dat de Raad voor Vreemde- lingenbetwistingen zich op verschillende rapporten en bronnen baseerde op tot zijn conclusie te komen. Het middel is ongegrond.”; XIV-29.613-12/15 2.
- Overwegende dat verzoeker in zijn memorie van wederantwoord integraal het middel, ontwikkeld in zijn inleidend verzoekschrift herhaalt, en daar het volgende aan toevoegt: “(...) Dat in het Verenigd Koninkrijk eenzelfde discussie heeft plaatsgevonden in een asielzaak en dat men tot besluit gekomen is dat een loutere beoordeling van het dossier zonder de bevoegdheid om eigen vaststellingen te doen een inbreuk oplevert van art. 6 EVRM (Collins J in R (on the application of Q and others) v Secretary of State for the Home Department [2003] EWHC 195, Administrative Court, February 19, 2003.) Dat het de overtuiging van verzoeker is dat de wetgever zich op glad ijs heeft begeven bij het toebedelen van de bevoegdheid van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen en dat de verwijzing naar het arrest Kingsley niet zonder meer gehanteerd kan worden. (...) Dat wanneer verwerende partij stelt niet te begrijpen waarom art. 47 van het handvest van de grondrechten van de Europese Unie en principes van EU procesrecht geschonden zou zijn is dit duidelijk omdat zij punten 1 en 2 van onderhavig middel niet samenleest. Dat punt 2 volgt uit punt
- Immers in punt twee wordt aangehaald waarom art. 6 EVRM dat evenwel niet van toepassing is asielzaken inhoudelijk wel van belang is gezien de restrictie van art. 6 (enkel in burgerlijke en strafzaken) niet van toepassing is in art. 47 van het Handvest dat dit artikel uit het EVRM incorporeert. Dat de verwijzing naar de grondwettelijke grondrechten inzake het EU procesrecht relevant zijn maar de facto ook in art. 47 begrepen zijn. Dat de verwijzing naar de memorie van toelichting geenszins een oplossing biedt voor de rechtsvraag die hier voorligt met name of de bevoegdheid van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen ver genoeg gaat om in overeenstemming te zijn met het Europees Handvest en de processuele waarborgen in het EU recht. Een verwijzing naar het intern wetgevend werk van een lidstaat biedt geenszins een antwoord aan de voorliggende rechtsvraag.”; 2.
- Overwegende dat het middel er enerzijds toe strekt aan te tonen dat verzoeker zich dienstig kan beroepen op artikel 47 van het handvest van de grondrechten van de Europese Unie, en dat er anderzijds wordt bepleit dat het beroep bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen er een moet zijn in “volle rechtsmacht”; Overwegende dat de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, zoals gewijzigd door de wet van 15 september 2006 tot hervorming van de Raad van State en tot oprichting van een Raad voor Vreemdelingenbetwistingen, uitdrukkelijk voorziet dat het beroep ingesteld tegen de beslissingen van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen er een is met volle rechtsmacht; dat luidens artikel 39/2, § 1, van de wet van 15 december 1980, de Raad de bestreden beslissingen kan bevestigen, hervormen, vernietigen wegens een substantiële onregelmatigheid, of nog, vernietigen omdat essentiële elementen ontbreken die inhouden dat de Raad niet kan komen tot de bevestiging of hervorming zonder aanvullende onderzoeksmaatregelen hiertoe te moeten bevelen; dat zulks inhoudt dat de Raad kennis neemt van het geschil in zijn volledigheid en hij de beslissingen XIV-29.613-13/15 van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen kan herzien, ongeacht op grond van welk motief deze tot de bestreden beslissing is gekomen; dat bovendien het gebrek aan aanvullende onderzoeksbevoegdheid wordt ondervangen door een aantal correcties: de vreemdeling mag onder bepaalde voorwaarden “nieuwe gegevens” aanvoeren in het verzoekschrift ingediend bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen (artikelen 39/69 en 39/76, § 1, tweede lid, van de wet van 15 december 1980), de Raad kan ook op eigen initiatief beslissen om onder bepaalde voorwaarden rekening te houden met elk “nieuw gegeven” dat hem ter kennis wordt gebracht door de partijen, ook tijdens hun verklaringen op de terechtzitting, en zulks zelfs wanneer daarvan geen melding is gemaakt in het inleidend verzoekschrift, krachtens artikel 39/76, § 2, van de wet van 15 december 1980 ten slotte kan de kamervoorzitter of de rechter in vreemdelingenzaken bij een gemotiveerde beschikking de bestreden beslissing vernietigen en voor een nieuw onderzoek terugsturen naar de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen indien hij van oordeel is dat hij de zaak niet ten gronde kan onderzoeken, omdat hij niet beschikt over bepaalde essentiële gegevens en waarvoor het nodig is aanvullende onderzoeksmaatregelen te bevelen; 2.4.
- Overwegende dat verzoeker zich in het middel beperkt tot de stelling dat hij recht heeft op een beroepsmogelijkheid die voldoet aan het vereiste van volle rechtsmacht; dat hij nalaat op concrete wijze aan te duiden op welke wijze de behandeling van zijn beroep niet voldeed aan het vereiste van volle rechtsmacht, zoals hierboven uiteengezet; 2.4.
- Overwegende dat de vraag of de lidstaten dienen “te voorzien in een beroep bij een administratief rechtscollege inzake de materie van de Kwalificatierichtlijn 2004/83" niet dienend is voor de oplossing van het geschil, omdat de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijde- ring van vreemdelingen precies dergelijk beroep bij een administratief rechtscollege, de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen, voorziet; dat artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie als dusdanig geen bindende kracht heeft; dat het Europees Hof van Justitie in het arrest van 27 juni 2006 in de zaak C-540/03, waarnaar de verzoekende partij verwijst, uitdrukkelijk stelt dat “het Handvest geen bindend rechtsinstru- ment is”; dat het recht op hoger beroep, anders dan de verzoekende partij voorhoudt, geen algemeen rechtsbeginsel is; dat het recht van verdediging als algemeen beginsel wel in elk geding en voor elk gerecht geldt, doch betrekking heeft op een eerlijk verloop van de procedure en geen algemeen recht op hoger beroep inhoudt; dat heel de uiteenzetting van de verzoekende partij wat dat betreft trouwens aan artikel 6, eerste lid, van het E.V.R.M. wordt gekoppeld, terwijl die bepaling niet van toepassing is op geschillen betreffende de toegang XIV-29.613-14/15 tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelin-gen; dat het derde middel, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond is en dat om de hierboven uiteengezette redenen niet op het verzoek om een prejudiciële vraag te stellen moet worden ingegaan; dat het enig middel ongegrond is, BESLUIT: Artikel
- Het beroep wordt verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op vijftien mei tweeduizend en acht, door : de HH. A. BEIRLAEN, kamervoorzitter, C. VERHAERT, griffier. De griffier, De voorzitter, C. VERHAERT. A. BEIRLAEN. XIV-29.613-15/15 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.182.963 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.