id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 16 mei 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.182.972 Rolnummer: A. 130181/IX-3628 Zaak: Arrest 182972 - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan - 16/05/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-05-30 Raadplegingen: 61 - laatst gezien 2026-06-29 08:03 Fiche Arrest nr 182.972 van 16 mei 2008 Openbaar ambt - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 182.972 van 16 mei 2008 in de zaak A. 130.181/IX-
- In zake : Marc BAUDART, wonende te LOKEREN, Gentsesteenweg 370 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken, die woonplaats kiest bij de Federale politie DGP/DPS, gevestigd te BRUSSEL, Fritz Toussaintstraat
- --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Marc BAUDART op 5 december 2002 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van de beslissing van 8 oktober 2002 van de directeur-generaal van de Algemene Directie Personeel van de federale politie waarbij hij definitief afgewezen wordt voor de basisopleiding van hulpagent van politie; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur H. COLIN; Gelet op de beschikking van 18 september 2006 die de neerleg- ging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de regelmatig gewisselde laatste memories; Gelet op de beschikking van 18 maart 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 14 april 2008; IX-3628-1/15 Gehoord het verslag van staatsraad A. VANDENDRIESSCHE; Gehoord de opmerkingen van de verzoeker, en van adviseur K. PEETERS, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur H. COLIN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, OVERWEEGT WAT VOLGT : De feiten 1.
- Op 16 mei 2002 beslist de gemeenteraad van Sint-Jans-Molenbeek verzoeker aan te werven voor het kader van hulpagenten van de politiezone vanaf 6 mei
- In de aanhef van dat besluit wordt overwogen dat “een opleidingscyclus van hulpagent is aangevangen op 6 mei 2002 in de G.I.P.”. 1.
- In het kader van de door verzoeker gevolgde basisopleiding, stelt de eerste evaluator van verzoeker op 17 juni 2002 de in artikel 12 van het ministerieel besluit van 24 oktober 2002 houdende het algemeen studiereglement betreffende de basisopleidingen van de personeelsleden van het operationeel kader van de politiediensten (hierna: het ministerieel besluit van 24 oktober 2002) bedoelde functioneringsfiche op met betrekking tot het professioneel functioneren van verzoeker. Het luik “Persoonlijkheidskenmerken” bevat 12 evaluatie- indicatoren. Voor zes van de twaalf indicatoren wordt verzoeker “neutraal” (dit wil zeggen, een niveau gelijk ten opzichte van de meerderheid van de collega’s met dezelfde graad) beoordeeld. Voor de indicatoren “eerlijkheid - integriteit”, “bekwaamheid tot het bevorderen van een positieve werksfeer”, “zin voor maat - doordacht en gematigd gebruik van het toevertrouwde gezag”, “zelfbeheersing - koelbloedigheid - stressbeheer” en “opvoeding - beleefdheid - handigheid om met mensen om te gaan - tact” wordt verzoeker “onvoldoende” beoordeeld. Voor de indicator “objectiviteit - onpartijdigheid - oordeel - open geest” wordt verzoeker “duidelijk onvoldoende” beoordeeld. IX-3628-2/15 In een als bijlage gevoegd document “vaststellingen” stelt de eerste evaluator onder meer wat volgt: “Heeft bepaalde vooroordelen en kan daardoor niet altijd objectief oordelen. Stelde zich alleen op t.o.v. de groep maar begint zich te integreren. Handelt soms heel impulsief zowel in woorden als in daden (schoppen tegen plint bij onderhoud bij Mr Meyermans). Kan taktloos zijn tegenover medeleerlingen. [...] Levert inspanningen om te verbeteren zowel op theoretisch als menselijk vlak. Heeft het moeilijk met plotse veranderingen die ‘zijn wereld’ overhoop halen. Heeft spijts alle inspanningen weinig vooruitgang geboekt. Heeft geprobeerd vrienden te maken door kritiek te uiten op andere leerlingen. Ziet zichzelf als slachtoffer en/of mikpunt van zijn medeleerlingen.” In een eveneens als bijlage gevoegd en door verzoeker ingevuld document “zelfevaluatie” somt verzoeker zijn “sterke punten” op, waaronder “vlot in de omgang (communicatie)” en “sociaal vaardig”. In een ander document “te ondernemen acties” schrijft verzoeker onder meer: “zal minder impulsief reageren en meer amicaal contact zoeken met medeleerlingen”. 1.
- Op 7 augustus 2002, bij het einde van de opleidingsstage, stelt de mentor van verzoeker het bij artikel 46, eerste lid, van het koninklijk besluit van 20 november 2001 betreffende de basisopleidingen van de personeelsleden van het operationeel kader van de politiediensten en houdende diverse overgangsbepalingen (hierna: het koninklijk besluit van 20 november 2001) bedoeld verslag op over het professioneel functioneren van verzoeker tijdens de stage. Wat betreft het domein “persoonlijkheidskenmerken” wordt verzoeker voor elk van de twaalf evaluatie-indicatoren “neutraal” beoordeeld en wordt hem het cijfer 65/100 toegekend. Zijn globaal puntencijfer voor het professioneel functioneren tijdens de stage bedraagt 260/400 (65%). 1.
- Op 30 augustus 2002 stelt de eerste evaluator van verzoeker het bij artikel 41 van het koninklijk besluit van 20 november 2001 bedoeld verslag op over het professioneel functioneren van verzoeker. IX-3628-3/15 Wat betreft het domein “persoonlijkheidskenmerken” krijgt verzoeker, zoals op de functioneringsfiche, voor dezelfde zes evaluatie-indicatoren een “neutrale” beoordeling en voor de indicatoren “eerlijkheid - integriteit” en “zin voor maat - doordacht en gematigd gebruik van het toevertrouwde gezag” een beoordeling “onvoldoende”. Anders dan op de functioneringsfiche krijgt verzoeker voor de indicator “objectiviteit - onpartijdigheid - oordeel - open geest” een beoordeling “onvoldoende” en voor de indicatoren “bekwaamheid tot het bevorderen van een positieve werksfeer”, “zelfbeheersing - koelbloedigheid - stressbeheer” en “opvoeding - beleefdheid - handigheid om met mensen om te gaan - tact”, een beoordeling “duidelijk onvoldoende”. Dat alles resulteert in een waarderingscijfer van 5/100 voor de rubriek “persoonlijkheidskenmerken” en een globaal puntencijfer voor het professioneel functioneren van 170/400 (42,5%). Onder een luik “gebeurlijk aanvullend commentaar” stelt de eerste evaluator met betrekking tot het domein “persoonlijkheidskenmerken” wat volgt: “Door de verschillende voorvallen gedurende de sessie tussen betrokkene en enerzijds zijn medeleerlingen en anderzijds het onderwijzend personeel, is het risico op ongepast gedrag en woorden vrij groot. Door bepaalde ideeën die voor betrokkene “de” waarheid zijn, geeft hij soms nutteloze en afbrekende kritiek zonder evenwel rekening te houden met andere argumenten en redeneringen dan die van hemzelf. Hij wordt overduidelijk buiten de groep leerlingen gehouden doordat hij medeleerlingen in een slecht daglicht probeert te stellen zowel t.o.v. medeleer- lingen als t.o.v. het onderwijzend personeel. Hij heeft gepoogd zich te integreren in de groep maar door zijn houding en manier van “zijn” (soms heel agressief en bekritiserend) is dit hem niet gelukt. Betrokkene reageert heel impulsief zowel in woorden als in daden. Hij verliest zijn koelbloedigheid als hij geconfronteerd wordt met delicate situaties die hemzelf aanbelangen. Dat uit zich in een zeer opvliegende manier van reageren. Als opleider heb ik vanwege verschillende medeleerlingen van betrokkene, klachten gehoord omwille van zijn gebrek aan takt en beleefdheid alsook zijn onhandigheid om met mensen om te gaan. Dit uit zich vooral t.o.v. gelijken, heel sporadisch t.o.v. meerderen.” 1.
- Gelet op zijn globaal puntencijfer voor professioneel functioneren tijdens de stage, bedraagt zijn eindcijfer voor het professioneel functioneren derhalve 430/800 (53,75%). Verzoeker voldoet dus niet aan de in artikel 53, eerste lid, 1/, van het koninklijk besluit van 20 november 2001 gestelde vereiste dat de aspirant, om te slagen op het einde van de basisopleiding, ten minste 60% moet behalen voor zijn professioneel functioneren. IX-3628-4/15 1.
- Op 1 september 2002 dient verzoeker tegen zijn evaluatie van 30 augustus 2002, inzonderheid wat betreft het domein “persoonlijkheidskenmer- ken”, een verweerschrift in. Hij zet uiteen dat, in zoverre in het verslag wordt verwezen naar voorvallen met het onderwijzend personeel, hij alleen weet heeft van “een ernstig en emotioneel gesprek met zijn mentor zelf”, dat hij door de meerder- heid van zijn medeleerlingen wel is aanvaard, dat hij vreest dat “het voorval van juli tussen mij en mijn mentor een negatief licht stelt op mijn evaluatie” en dat zijn evaluatie veel verschilt van zijn stage-evaluatie. 1.
- Op 3 september 2002 antwoordt de eerste evaluator als volgt op het verweerschrift : “(...) - Wij hebben inderdaad een ernstig gesprek gehad op vrijdag 12 juli inzake roddels over een medeleerlinge die betrokkene verspreidde in de klasgroep. Hij was reeds voor dezelfde reden op het matje geroepen door de Heer Meyermans, Opleidingscoördinator, op 25/
- Op 23/5 heeft Mevr. Van Eynde (docente Moedertaal) vastgesteld dat betrokkene tijdens een test gepoogd heeft te spieken. Deze feiten werden besproken met betrokkene tijdens het functioneringsge- sprek. Tijdens de 2/ week van juli heeft betrokkene een gesprek gehad met de Mr. Van Callenberghe (docent Verkeer) waarin betrokkene de stem verhoffen heeft en een opmerking van de docent daaromtwege gekregen heeft. - Betrokkene werd, spijts zijn beweringen, niet echt aanvaard door zijn medeleerlingen maar eerder geduld daar hij toch deel uitmaakte van de klas. Naar het einde toe van de opleiding, is betrokkene door zijn houding (zie 1/ aanvullend commentaar) erin geslaagd de weinige medeleerlingen die hem nog hielpen met bepaalde leerproblemen, zodanig tegen hem in het harnas te jagen dat zij hem niet meer meehielpen. Een medeleerlinge die op dezelfde trein zat als hij om naar school te komen, heeft zelfs een 1/ klasabonnement genomen om niet steeds met betrokkene geconfronteerd te zijn. - Het is een feit dat het gesprek van 12 juli zijn evaluatie niet ten goede gekomen is daar betrokkene zijn zelfbeheersing verloren heeft en begonnen is met roepen, dit spijts ons bevel tot tweemaal toe, om kalm te blijven en te stoppen met roepen. - Wat betreft de evaluatie van de mentor en die van mijzelf, betreft het twee totaal verschillende zaken daar het ene betrekking heeft op zijn doorlopen stage en het ander op de schoolopleiding. Gezien voorafgaande, bevestigen wij zijn resultaat van 170 op 400 zijnde 42,5 op 100.” Op 7 september 2002 bezorgt verzoeker een repliek op dat antwoord. IX-3628-5/15 Hij voert onder meer aan dat het gesprek met de docent Verkeer uit zijn context is getrokken, dat een paar medeleerlingen hem negeren maar dat het niet waar is dat hij door de groep geweerd wordt, dat het antwoord van de eerste evaluator zijn vermoeden bevestigt dat het gesprek van 12 juli de evaluatie heeft beïnvloed, dat zijn evaluator tijdens dat gesprek terugkwam op een roddel die verzoeker zou verspreid hebben waardoor verzoeker “een beetje kwaad” was, dat een medeleerlinge de trein eerste klasse neemt omdat ze vroeger in de tweede klasse lastig gevallen is, en dat zijn evaluator hem op geen enkel ogenblik geconfronteerd heeft met klachten van medeleerlingen. 1.
- Op 10 september 2002 neemt de tweede evaluator overeenkomstig artikel 15, vierde en vijfde lid, van het ministerieel besluit van 24 oktober 2002 de volgende beslissing : “Nadat wij kennis hebben genomen van alle stukken van het evaluatiedossier van AHAP BAUDART, Marc moeten wij melden dat wij op de hoogte waren van het merendeel van de incidenten waarvan de eerste evaluator INP VERSCHUEREN, Dirk gewag maakt en dit door onze functie van opleidings- en stagecoördinator. Sinds het begin van de opleiding is AHAP BAUDART, Marc een probleemgeval geweest. Nadat de opleiding pas enkele dagen gestart was, waren wij verplicht belanghebbende op 25/05/2002 bij ons te roepen en hebben wij hem duidelijk gemaakt dat zijn gedrag in het algemeen niet gepast was voor een toekomstig politieman. Gedurende een paar dagen is hij dan kalm gebleven maar nadien zijn de incidenten herbegonnen. Wij hebben geen beterschap kunnen waarnemen. Hij is zeker niet in staat een positieve werksfeer te bevorderen. Wij hebben kunnen vaststellen dat hij vlug zijn koelbloedigheid verliest en geen tact heeft om met zijn collega’s om te gaan. Na lezing van de twee verweerschriften van BAUDART vinden wij dan ook geen enkele reden om de punten van de eerste evaluator aan te passen. De punten blijven dus 170 op 400 zijnde, 42,5 op 100.” 1.
- Op 12 september 2002 beslist de examenjury : “De examenjury, na beraadslaging, stelt vast dat aspirant hulpagent BAUDART, Marc, van de politiezone Brussel-West, niet geslaagd is voor het eindexamen. Hij behaalt 107,5 op 200 voor zijn professioneel functioneren wanneer het minimum vereiste puntencijfer 120 is. Met unaniem advies, beslist de jury, overeenkomstig artikel IV.II.44.4/ van het KB RPPOL, voor te stellen aan de heer Directeur Generaal van het Personeel de definitieve afwijzing uit te spreken voor betrokkene en dit om de volgende redenen: - BAUDART, Marc behaalt het minimum vereiste puntencijfer niet voor het professioneel functioneren ; IX-3628-6/15 - het blijkt uit de verslagen over het professioneel functioneren dat BAUDART, Marc zware gebreken vertoont in hoofde van de volgende persoonlijkheidscritera: contactvaardigheid, servicegerichtheid, flexibili- teit, stressbestendigheid, zin voor samenwerking, inlevingsvermogen, sociale intelligentie en extremisme, zoals voorzien in bijlage 4 aan het M.B. van 28.12.2001 ; - de jury is van mening dat betrokkene zijn opleiding laten herbeginnen geen nut heeft wegens zijn moeilijkheden om zich in vraag te stellen ; - aangezien zijn asociaal gedrag tijdens zijn opleiding en zijn duidelijk gebrek aan zelfbeheersing is het niet aangewezen betrokkene een nieuwe kans tot opleiding te geven; betrokkene hoort niet thuis in een politie- milieu.” 1.
- Op 30 september 2002 beslist de directeur-generaal van de Algemene Directie Personeel van de federale politie, overeenkomstig artikel IV.II.44 RPPol, dat verzoeker definitief wordt afgewezen voor de basisopleiding die hij sinds 2 mei 2002 volgt. Die beslissing, die het voorwerp uitmaakt van het onderhavig beroep tot nietigverklaring, is gemotiveerd als volgt: “De aspirant-hulpagent BAUDART werd op 08-04-2002 als aspirant hulpagent aangeworven door de PZ BRUSSEL-WEST. De examenjury stelt op 13-09-2002 vast dat betrokkene niet geslaagd is voor het eindexamen. Hij behaalt 107,5 op 200 voor zijn professioneel functioneren wanneer het minimum vereiste puntencijfer 120 is. Op basis van dit gegeven, van het feit dat het geen zin heeft hem de opleiding te laten herbeginnen wegens zijn asociaal gedrag, zijn gebrek aan zelfbeheersing, zijn onvermogen om zichzelf in vraag te stellen en op basis van de verslagen over het professioneel functioneren van betrokkene waaruit blijkt dat hij zware gebreken vertoont op het vlak van de persoonlijkheidscriteria contactvaardigheid, servicegerichtheid, flexibiliteit, stressbestendigheid, zin voor samenwerking, inlevingsvermogen, sociale intelligentie en extremisme beslist de examenjury unaniem mij het voorstel te doen tot definitieve afwijzing van de AHAP BAUDART. Ik sluit mij aan bij het advies van de jury en beslis overeenkomstig de bepalingen van het art. IV.II.44 van het KB onder ref. 1 dat de AHAP BAUDART definitief wordt afgewezen voor de basisopleiding die hij sinds 02-05-2002 volgt. Deze beslissing wordt van kracht vanaf 01-10-2002.” 1.
- Met een brief van 23 oktober 2002 vraagt verzoeker aan de directeur-generaal hem “nog een kans te geven”. Hij schetst nogmaals zijn visie op de gebeurtenissen van 12 juli
- IX-3628-7/15 Met een brief van 25 november 2002 deelt de directeur-generaal aan verzoeker mee dat de beslissing van 30 september 2002 gehandhaafd blijft. De grond van de zaak
- Verzoeker voert twee middelen aan, het eerste ontleend aan de schending van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, het tweede ontleend aan de schending van de materiële motiveringsverplichting. Ter ondersteuning van het eerste middel stelt verzoeker dat de jury uit de verslagen over zijn professioneel functioneren opgemaakt heeft dat hij zware gebreken vertoont met betrekking tot enkele persoonlijkheidskenmerken. Die stellingname steunt op het evaluatieverslag van 30 augustus 2002, maar dat verslag stemt niet overeen met het eerste evaluatieverslag van 17 juni 2002 en met het evaluatieverslag van 7 augustus 2002 over zijn stage. Het verslag van 30 augustus 2002 had ook, voortgaand op zijn goede resultaten tijdens de stage, uitvoerig gemotiveerd moeten worden. Hij moet integendeel vaststellen dat het verslag van 30 augustus 2002 beperkt is tot algemeenheden, dat het geen concrete voorbeelden bevat en dat er niet in wordt verklaard waarom de eerste evaluator het evaluatiever- slag over zijn stage niet bijvalt. Gelet op de verschillen tussen de evaluatieverslagen van 17 juni 2002 en 30 augustus 2002, had de jury de voorkeur moeten geven aan de eerste evaluatie omdat de evaluator -die overigens toegeeft dat de aanvaring die hij op 12 juli 2002 met verzoeker gehad heeft zijn opinie beïnvloed heeft- op 30 augustus 2002 niet meer objectief was. Voorts kan opgemerkt worden dat het evaluatieverslag van 30 augustus 2002 geen afdoende motivering bevat, in de zin dat er ofwel enkel stijlformules zijn vermeld die de algemene omschrijving van de indicatoren overnemen, ofwel helemaal geen motivering wordt gegeven, zoals voor de criteria “eerlijkheid en integriteit” en “zin voor maat, doordacht en gematigd gebruik van het toevertrouwde gezag”. In ieder geval kan hij niet uitmaken op grond van welke feiten de eerste evaluator tot zijn bevindingen gekomen is. Ter adstructie van het tweede middel zet verzoeker uiteen dat de tegenstrijdigheden in de evaluatieverslagen en het gebruik van stijlformules in het evaluatieverslag van 30 augustus 2002 reeds aantonen dat de bestreden beslissing geen deugdelijke grondslag heeft. Hij stelt ook dat hij in zijn bezwaarschriften tegen de evaluatie van 30 augustus 2002 uiteengezet heeft dat er geen concrete tekortko- mingen werden aangevoerd, dat hij toen ook zijn puntenscore met betrekking tot de IX-3628-8/15 persoonlijkheidskenmerken betwist heeft, aangezien hij voor alle criteria waarop hij een “onvoldoende” kreeg minstens de score “neutraal” verdiende -zoals gebeurd is bij de evaluatie van zijn stage-, in welk geval hij wel degelijk de minimumscore van 60% behaald zou hebben. Pas na zijn bezwaarschrift tegen de evaluatie van 30 augustus 2002 heeft de eerste evaluator enkele concrete voorvallen vermeld maar in het algemeen zijn de aangehaalde feiten niet correct, zij zijn uit hun context gehaald en dagtekenen zelfs van vóór 17 juni 2002, de datum waarop hem nog een score van 60% werd toegekend.
- De verwerende partij antwoordt op het eerste middel dat de verslagen van 7 en van 30 augustus 2002 verschillende situaties behandelen en door verschillende personen opgesteld zijn: het eerste betreft het functioneren van verzoeker tijdens de stage, het tweede het functioneren van verzoeker tijdens de schoolopleiding. Het verslag van 30 augustus 2002 moest dan ook niet motiveren waarom de score afweek van de score behaald voor de stage, maar moest enkel een motivering bevatten van de criteria die negatief beoordeeld werden. Dat is ook gebeurd. De stelling van verzoeker dat hij goed scoorde voor zijn stage moet gerelativeerd worden: zijn score op dat vlak was uitgesproken neutraal. Wat de vergelijking van de verslagen van 17 juni 2002 en van 30 augustus 2002 betreft, moet vastgesteld worden dat eerstgenoemd verslag geen waardering in cijfers bevat. Dat de evaluator in zijn repliek op het bezwaar van verzoeker tegen zijn evaluatie gesteld heeft dat het voorval van 12 juli 2002 zijn evaluatie niet ten goede gekomen is, bewijst geenszins het gebrek aan objectiviteit van de evaluator, hetgeen verzoeker overigens nooit formeel aan de orde gesteld heeft. Het is niet omdat de wijze waarop de evaluatie geformuleerd is afgestemd is op de beschrijving van de evaluatiecriteria dat er sprake kan zijn van het hanteren van stijlformules. De vermeldingen zijn het resultaat van een concrete beoordeling van verzoeker op de betrokken criteria. De verwerende partij stelt ten aanzien van het tweede middel dat verzoeker niet aantoont waarom hij op de evaluatiecriteria geen onvoldoende maar minstens een neutrale score zou moeten gekregen hebben. De score bij de evaluatie van zijn stage verleent hem geen recht op een gelijkwaardige score bij de evaluatie van zijn schoolopleiding. Verzoeker heeft in zijn verweerschrift van 7 september 2002 geen concrete gegevens aangereikt waaruit blijkt dat de feiten, vermeld in de repliek van de eerste evaluator op het bezwaar van verzoeker, uit hun context gehaald zouden zijn of niet aan de werkelijkheid zouden beantwoorden. IX-3628-9/15
- Verzoeker repliceert, wat het eerste middel betreft, dat de eerste evaluator wel degelijk rekening had moeten houden met zijn significant betere score voor de stage, zeker nu deze evaluator na 12 juli 2002 niet meer objectief was. En wegens het teloorgaan van die objectiviteit -waarover hij gehandeld heeft in zijn bezwaarschrift van 1 september 2002 én in zijn repliek van 7 september 2002- moest de verwerende partij wel degelijk rekening houden met het evaluatieverslag van 17 juni 2002, omdat het betrekking heeft op zijn functioneren tot op die datum. Wat het tweede middel betreft, herhaalt verzoeker dat, nu de evaluator op 30 augustus 2002 niet meer objectief was, al zijn negatieve scores met betrekking tot zijn persoonlijkheidskenmerken vervangen moeten worden door neutrale scores, dat de motivering van bepaalde scores niet afdoende of onjuist is en dat hij in zijn verweerschrift van 1 september 2002 toch ook een aantal positieve elementen aanhaalde.
- In zijn laatste memorie beklemtoont verzoeker nog dat zijn beoordeling van 7 augustus 2002 een beter resultaat oplevert dan deze van 30 augustus 2002 en dat dit verschil terug te voeren is tot de discussie die hij op 12 juni 2002 gehad heeft met evaluator VERSCHUEREN. Hij voegt daaraan toe zich niet te kunnen vinden in de beoordeling van de examenjury dat hij zich aan extremisme zou bezondigen, aangezien hij reeds vier jaar werkt als bewakingsagent bij het Brusselse Gewest, dat hij ook vragen heeft bij de onpartijdigheid van inspecteur VERSCHUEREN en dat de redenen van zijn ontslag hem niet duidelijk zijn.
- De directeur-generaal van de Algemene Directie Personeel heeft met het bestreden besluit vastgesteld enerzijds dat verzoeker niet geslaagd is voor het eindexamen en anderzijds dat het geen zin heeft hem de opleiding te laten herbeginnen. De eerste beslissing steunt op de vaststelling dat hij niet het vereiste puntencijfer voor zijn professioneel functioneren behaald heeft; de tweede op een redenering die teruggaat naar het unaniem advies van de examenjury, dat zelf verwijst naar de verslagen over het professioneel functioneren van verzoeker en inzonderheid naar de beoordeling van de persoonlijkheidscriteria die daarin opgenomen is.
- De beoordeling van persoonlijkheidskenmerken, een onderdeel van het professioneel functioneren, gebeurt overeenkomstig artikel 12 van het ministerieel besluit van 24 oktober 2002 houdende het algemeen studiereglement IX-3628-10/15 betreffende de basisopleidingen van de personeelsleden van het operationeel kader van de politiediensten, aan de hand van functionerings- en evaluatiegesprekken. Het resultaat ervan wordt weergegeven op gestandaardiseerde formulieren -een functioneringsfiche en een evaluatiefiche- waarop de kandidaat voor 12 criteria - evaluatie-indicatoren genaamd- beoordeeld wordt “ten opzichte van de collega’s met dezelfde graad” op een schaal van “- -” (“duidelijk onvoldoende”) en “- ” (“onvoldoende”) over neutraal (“niveau gelijk”) tot “+” (“hoger niveau”) en “++” (“uitzonderlijk hoog niveau”). Bij de evaluatie op het einde van de opleiding wordt ook een puntenscore vermeld voor het geheel van de rubriek “persoonlijkheidskenmerken”. Ingeval de kandidaat zich niet kan verzoenen met de beoordeling en score gegeven door de eerste evaluator, wordt het dossier overeenkomstig artikel 15 van het ministerieel besluit van 24 oktober 2002 voorgelegd aan een tweede evaluator die dan zelf de eindevaluatie vaststelt.
- Het administratief dossier bevat een functioneringsfiche -opgemaakt op 17 juni 2002 door eerste evaluator VERSCHUEREN- en twee evaluatiefiches, een van 7 augustus 2002 met betrekking tot het onderdeel “stage” van de opleiding, opgemaakt door mentor SCHEPENS en een opgemaakt op 30 augustus 2002 -het einde van de opleiding- door eerste evaluator VERSCHUEREN. Verzoeker behaalt bij de evaluaties van 7 en 30 augustus 2002 respectievelijk 65 en 5 punten op
- De functioneringsfiche van 17 juni 2002 bevat de hiervoor sub 1.
- overgeschreven commentaar van de evaluator. Die commentaar verantwoordt de beoordelingen “onvoldoende” voor vijf evaluatie-indicatoren en de beoordeling “duidelijk onvoldoende” voor één indicator. De evaluatiefiche van 7 augustus 2002, opgemaakt door de mentor ter afronding van de stage van verzoeker, bevat de beoordeling “neutraal” voor de twaalf evaluatiecriteria van de persoonlijkheidskenmerken en bevat te dien aanzien geen commentaar. Voor het geheel van de persoonlijkheidskenmerken behaalt verzoeker 65 punten op
- Blijkens de evaluatiefiche van 30 augustus 2002 beoordeelt de evaluator verzoeker op de indicator “objectiviteit-onpartijdigheid-oordeel-open geest” niet meer “duidelijk onvoldoende” maar slechts “onvoldoende”. Voor de drie indicatoren “bekwaamheid tot het bevorderen van een positieve werksfeer”, “zelfbeheersing-koelbloedigheid-stressbeheer” en “opvoeding-beleefdheid- IX-3628-11/15 handigheid om met mensen om te gaan-tact” behaalt hij nu geen “onvoldoende” maar een “duidelijk onvoldoende”. Voor het geheel van de persoonlijkheidskenmerken behaalt verzoeker 5 punten op
- De evaluator schrijft bij deze beoordeling de hiervoor sub 1.
- overgeschreven commentaar. De tweede evaluator van verzoeker heeft de punten van de eerste evaluator behouden. Hij heeft ze wel voorzien van een eigen commentaar, hiervoor sub 1.9 overgeschreven.
- De evaluaties van 7 en van 30 augustus 2002 zijn opgemaakt door verschillende personen die verzoeker in andere feitelijke omstandigheden hebben leren kennen: eerstgenoemde heeft betrekking op de stage van verzoeker en is opgemaakt door zijn mentor; de tweede is opgemaakt door de eerste evaluator en heeft betrekking op de schoolopleiding van verzoeker. Die objectieve verschillen kunnen op zich een verklaring vormen voor de afwijkende beoordeling. Minstens laten zij niet toe te stellen dat de twee beoordelingen elkaar tegenspreken en daarom aan waarde moeten inboeten. Om dezelfde reden diende de evaluator op 30 augustus 2002 ook niet aan te geven waarom hij bepaalde evaluatie-indicatoren anders beoordeelde dan mentor SCHEPENS.
- De vraag rijst of de eerste evaluator redenen had om verzoeker een score “onvoldoende” en “duidelijk onvoldoende” toe te kennen en of hij die redenen ook formeel heeft neergeschreven, zoals artikel 13, tweede lid, van het ministerieel besluit van 24 oktober 2002 hem oplegt. Nagegaan dient aldus te worden of de sub 1.
- geciteerde commentaar op de evaluatiefiche van 30 augustus 2002 de “onvoldoende” en “duidelijk onvoldoende” scores van verzoeker terdege verantwoorden. In wezen komt de kritiek van verzoeker hierop neer dat de commentaar algemeen gesteld is en eigenlijk niets meer is dan een parafrasering van de “beschrijving van de evaluatie-indicatoren” die de verwerende partij ter ondersteuning van de beoordeling heeft uitgewerkt en die in de “versie 07-05-02” in het administratief dossier neergelegd is.
- Het is juist dat de commentaar algemeen gesteld is en dat hij aansluit bij de voornoemde beschrijving van de evaluatie-indicatoren. Daaruit afleiden dat de commentaar niet zou steunen op een concrete beoordeling van de situatie van verzoekers geval is evenwel niet correct: elke alinea van de commentaar heeft betrekking op een andere evaluatie-indicator en maakt concrete vaststellingen. Met name wordt verwezen naar “verschillende voorvallen gedurende de sessie”, IX-3628-12/15 naar “bepaalde ideeën die voor betrokkene ‘de’ waarheid zijn”, naar de vaststelling dat hij “overduidelijk buiten de groep gehouden wordt” en zich wegens zijn “houding en manier van ‘zijn’ niet heeft kunnen integreren”, naar zijn “impulsieve reacties in woord en daad”, naar zijn “verlies van koelbloedigheid als hij geconfronteerd wordt met delicate situaties die hemzelf aanbelangen” en naar klachten bij medeleerlingen over zijn “gebrek aan takt en beleefdheid en zijn onhandigheid om met mensen om te gaan”. Gewis wordt die uiteenzetting niet gestaafd met een verwijzing naar concrete feiten, zelfs niet bij wijze van voorbeeld, maar zij toont wel aan dat de negatieve beoordeling veeleer verband houdt met en verwijst naar een houding die verzoeker gedurende de opleiding tentoongespreid heeft, en niet zozeer naar precieze feiten die hem ten aanzien van bepaalde evaluatie-indicatoren kwalijk worden genomen. Overigens heeft de evaluator in zijn repliek op het bezwaarschrift van verzoeker waarin verwezen wordt naar “een emotioneel gesprek met zijn mentor”, naar het feit dat slechts twee medeleerlingen “moeite” met hem hadden en “één ervan niet tot een gesprek met hem is kunnen komen”, terwijl hij toch ook “gezellige momenten beleefd heeft en vlotte gesprekken over de inhoud van en tijdens de cursussen heeft gehad”, toch wel enkele concrete feiten vermeld. Verzoeker heeft op die punctuele verwijten in een tweede bezwaarschrift geantwoord, maar dit maakt de oorspronkelijke beoordeling waarmee een bepaalde houding wordt afgekeurd zeker niet waardeloos.
- Verzoeker put een stellig argument uit de vaststelling dat de aanvaring die hij op 12 juli 2002 met de eerste evaluator gehad heeft -en waarover het dossier geen echte duidelijkheid verschaft- zijn eindbeoordeling in negatieve zin beïnvloed heeft. Hij maakt evenwel niet duidelijk waarom de evaluator dit voorval buiten zijn beoordeling had moeten houden. In ieder geval was verzoeker ook reeds vóór die gebeurtenis, met name op 17 juni 2002, negatief beoordeeld en heeft de evaluator in zijn verslag van 30 augustus 2002 weliswaar twee beoordelingen “onvoldoende” omgezet in “duidelijk onvoldoende”, maar heeft hij toch ook voor één indicator de beoordeling “duidelijk onvoldoende” gewijzigd in “onvoldoende”. Een en ander laat niet toe te besluiten dat evaluator VERSCHUEREN verzoeker zo negatief beoordeeld heeft omdat hij vooringenomen was. Voor het overige brengt verzoeker geen argumenten aan die erop wijzen dat alle feiten die een negatieve beoordeling konden rechtvaardigen ook reeds gekend waren op 17 juni 2002, zodat er eigenlijk geen reden was om hem op 30 augustus IX-3628-13/15 2002 nog slechter te beoordelen; de verwijzing naar het voorval van 12 juli 2002 bewijst het tegendeel.
- Bij dat alles verliest verzoeker uit het oog dat, wegens zijn bezwaren tegen het verslag van de eerste evaluator, de aangelegenheid ook beoordeeld is door een tweede evaluator, wiens verslag sub 1.9 overgeschreven is. Daaruit blijkt dat deze tweede evaluator op grond van eigen ervaringen -waar verzoeker niets tegen inbrengt- de punten van verzoeker voor de persoonlijkheidskenmerken behouden heeft. Die vaststelling is inzonderheid van belang ten aanzien van de bemerking van verzoeker dat de eerste evaluator bij de redactie van zijn verslag van 30 augustus 2002 niet meer objectief was, dat hij bepaalde feiten niet correct weergegeven heeft of ze uit hun verband gerukt heeft.
- Verzoeker ontkracht de bewijswaarde van de evaluatieverslagen die in het dossier aanwezig zijn, niet. Zij verlenen een deugdelijke grondslag aan de beslissing om hem 5 punten op 100 toe te kennen voor de beoordeling van zijn persoonlijkheidskenmerken én aan de beslissing om hem geen nieuwe kans meer te geven. De middelen zijn niet gegrond. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
- Het beroep wordt verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoeker. IX-3628-14/15 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op 16 mei 2008, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : de HH. P. LEMMENS, kamervoorzitter, A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, D. MOONS, staatsraad, W. GEURTS, griffier. De griffier, De voorzitter, W. GEURTS. P. LEMMENS. IX-3628-15/15 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.182.972 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.