← België

Arrest 182973 - Financiële tegemoetkomingen - 16/05/2008

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 16 mei 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.182.973 Rolnummer: A. 130921/IX-3652 Zaak: Arrest 182973 - Financiële tegemoetkomingen - 16/05/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-05-30 Raadplegingen: 57 - laatst gezien 2026-06-29 08:03 Fiche Arrest nr 182.973 van 16 mei 2008 Sociale zaken en volksgezondheid - Financiële tegemoetkomingen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 182.973 van 16 mei 2008 in de zaak A. 130.921/IX-

  1. In zake : de NV VLEES DE CLERCQ EN ZOON, die woonplaats kiest bij advocaat M. DE BOEL, kantoor houdende te GENT, Coupure 5 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Volksgezondheid, die woonplaats kiest bij advocaat R. DEPLA, kantoor houdende te SINT-KRUIS-BRUGGE, Karel van Manderstraat
  2. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat de NV VLEES DE CLERCQ EN ZOON op 20 december 2002 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van de beslissing van 23 oktober 2002 van de minister van Volksgezondheid waarbij haar een vergoeding wordt geweigerd naar aanleiding van de dioxinecrisis; Gezien de toelichtende memorie; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur W. WEYMEERSCH; Gelet op de beschikking van 18 september 2006 die de neerleg- ging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memorie van verzoekster; Gelet op de beschikking van 19 maart 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 28 april 2008; Gehoord het verslag van staatsraad A. VANDENDRIESSCHE; IX-3652-1/5 Gehoord de opmerkingen van advocaat I. BOCKSTAELE die, loco advocaat M. DE BOEL verschijnt voor de verzoekende partij, en van advocaat P. EECKLOO die, loco advocaat R. DEPLA verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur W. WEYMEERSCH; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, OVERWEEGT WAT VOLGT : De procedure
  3. De verwerende partij heeft geen administratief dossier en ook geen memorie van antwoord ingediend. Dienaangaande ondervraagd, heeft haar raadsman aan de Raad van State medegedeeld “dat zij niet beschikt over een administratief dossier”. Zij deelt daarbij niet mee dat enige andere overheid over het desbetreffend dossier zou beschikken. Krachtens artikel 21, derde lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State wordt uit de ontstentenis van toezending van het administratief dossier afgeleid dat de door de verzoekende partij aangehaalde feiten bewezen zijn, tenzij zij kennelijk onjuist zijn.
  4. De verzoekende partij geeft een overzicht van de feiten. Zij legt een aantal bewijsstukken voor waaruit blijkt dat haar uiteenzetting niet kennelijk onjuist is. De feiten
  5. De verzoekende partij is groothandelaar in vlees en is actief in de aankoop, het versnijden en de verkoop van partijen onbewerkt vlees, vers en/of ingevroren. IX-3652-2/5 Op 7 en 16 juli 1999 levert zij twee partijen “verse varkens- schouders”, ter waarde van 340 000 BEF en 327 360 BEF aan de srl F.lli MANZANI te Sarramazzoni in Italië. Beide partijen vlees worden op 6 augustus 1999 door de Italiaanse autoriteiten onder bewarend beslag geplaatst. In november 1999 blijkt dat het resultaat van de uitgevoerde analyses negatief is en wordt het bewarend beslag opgeheven. Door het langdurig beslag zag de klant zich evenwel verplicht het vlees te drogen om nog een deel te kunnen recupereren en werd een deel van het vlees doorverkocht om er beendermeel van te maken.
  6. Een en ander bracht voor de verzoekende partij een verlies mee van 698 904 BEF. Zij diende bij het Enig Loket Dioxine een vraag in om vergoeding van haar schade te verkrijgen. Met een aangetekend schrijven van 23 oktober 2002 heeft de minister van Volksgezondheid haar medegedeeld dat haar in het kader van het koninklijk besluit van 25 januari 2000 tot instelling van een vergoedingsregeling naar aanleiding van de dioxinecrisis voor sommige voedingsmiddelen van dierlijke oorsprong geen vergoeding toegekend werd. Van die beslissing wordt de nietigverklaring gevorderd. Het is in volgende termen gesteld : “Onze referentie voor het dossier : 3797 Uw referentie voor het dossier : Ik heb de eer u mee te delen dat ik, in het kader van het KB van 25 januari 2000 tot instelling van een vergoedingsregeling naar aanleiding van de dioxinecrisis voor sommige voedingsmiddelen van dierlijke oorsprong, beslist heb om u geen vergoeding toe te kennen voor uw dossier
  7. Immers, na een eerste onderzoek van uw dossier, werd beslist u geen vergoeding toe te kennen en de nieuwe gegevens die u mij bezorgd heeft laten mij nog altijd niet toe u een vergoeding toe te kennen. Opmerkingen inzake de beslissing : - De goederen die als grondstof dienden voor verdere verwerking, werden in juli 1999 uitgevoerd naar Italië waar ze werden verwerkt. De verwerkte producten, waarvoor de verwerker de houdbaarheidsdatum bepaalde, werden op 2 en 3 november 1999 geanalyseerd op PCB’s en negatief bevonden. Blijkens het dossier werd een deel van de goederen alsnog gecommerciali- seerd. Het dossier bevat geen vernietigingsbewijs. De goederen voldoen bijgevolg op geen enkele wijze aan de voorwaarden van het KB van 25 januari 2000 dat betrekking heeft op de vergoedings- regeling voor uitgevoerde goederen, om voor een vergoeding in aanmerking te komen. Indien u niet akkoord gaat met de beslissing, kunt u een beroep tot nietigverklaring van deze beslissing indienen, bij wijze van aangetekend schrijven, voor de Raad van State, afdeling Administratie, IX-3652-3/5 Wetenschapsstraat 33 te 1040 Brussel, binnen de termijn van zestig kalenderdagen na ontvangst van deze aangetekende brief.” De bevoegdheid van de Raad van State
  8. De Raad van State onderzoekt ambtshalve zijn bevoegdheid. Hij wijst zijn bevoegdheid af wanneer de verzoekende partij de erkenning nastreeft van een subjectief recht, waarover krachtens artikel 144 van de Grondwet enkel de gewone rechtbanken uitspraak kunnen doen.
  9. Met de bestreden beslissing wordt uitspraak gedaan over de aanvraag van de verzoekende partij om de vergoeding te verkrijgen bedoeld in het koninklijk besluit van 25 januari 2000 tot instelling van een vergoedingsregeling naar aanleiding van de dioxinecrisis voor sommige voedingsmiddelen van dierlijke oorsprong (hierna: het koninklijk besluit van 25 januari 2000). Dat besluit, dat zijn rechtsgrond vindt in artikel 16 van de wet van 3 december 1999 betreffende steunmaatregelen ten gunste van landbouwbedrijven getroffen door de dioxinecrisis, bepaalt -artikel 2, § 1- dat de laatste Belgische verkoper van de voedingsmiddelen bedoeld in artikel 1 “onder de in dit besluit vermelde voorwaarden in aanmerking (komt) voor het bekomen van een vergoeding voor zover de bewijsstukken ter staving waarnaar wordt verwezen in het dossier uiterlijk op 1 december 1999 werden ingediend (...)” (Franse tekst: “...peut prétendre à une indemnité...”). Met het besluit wordt aldus ten voordele van de bedoelde verkoper een recht op vergoeding ingesteld, wanneer alle reglementair vastgestelde voorwaarden, bepaald in het besluit, vervuld zijn.
  10. De beoordeling van de voorwaarden die de aanvrager volgens het koninklijk besluit van 25 januari 2000 moet vervullen vereisen geen discretionair optreden van het bestuur. Dat is ook niet het geval voor de vaststelling van het bedrag van de toe te kennen vergoeding. Zulks betekent dan ook dat de justitiële rechter, bij wie de betaling van de vergoeding waarop een aanvrager recht meent te hebben wordt afgedwongen, kan uitmaken of de betrokkene de gestelde voorwaarden vervult -inzonderheid nagaan of de aanvraag en de bewijsstukken tijdig ingediend zijn en of die bewijsstukken volstaan om het recht te doen ontstaan- , zonder dat hij daarbij het beoordelingsdomein van het bestuur betreedt. IX-3652-4/5
  11. Verzoekster wijst geen bepaling aan die de Raad van State bevoegd maakt om kennis te nemen van geschillen die voortvloeien uit de toepassing van het koninklijk besluit van 25 januari
  12. Bijgevolg is enkel de justitiële rechter bevoegd om de geschillen over de toekenning van de vergoeding te behandelen, hetgeen de bevoegdheid van de Raad van State uitsluit.
  13. De verwerende partij heeft in haar mededeling van 23 oktober 2002 aan verzoekster zelf aangestipt dat zij tegen het bestreden besluit een annulatieberoep kon indienen. Met dat gegeven voor ogen past het de kosten van het geding ten laste van de verwerende partij te leggen. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
  14. Het beroep wordt verworpen. Artikel
  15. De kosten van het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verwerende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op 16 mei 2008, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : de HH. P. LEMMENS, kamervoorzitter, A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, D. MOONS, staatsraad, W. GEURTS, griffier. De griffier, De voorzitter, W. GEURTS. P. LEMMENS. IX-3652-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.182.973 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.