← België

Arrest 182975 - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan - 16/05/2008

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 16 mei 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.182.975 Rolnummer: A. 132894/IX-3700 Zaak: Arrest 182975 - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan - 16/05/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-05-30 Raadplegingen: 57 - laatst gezien 2026-06-29 08:03 Fiche Arrest nr 182.975 van 16 mei 2008 Openbaar ambt - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 182.975 van 16 mei 2008 in de zaak A. 132.894/IX-3700. In zake : Guido ULENS, wonende te MECHELEN, Veluwestraat 18 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken, die woonplaats kiest bij de Federale Politie DGP/DPS, gevestigd te BRUSSEL, Fritz Toussaintstraat 47. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Guido ULENS op 3 februari 2003 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van de hem op 20 oktober 2002 medegedeelde beslissing dat zijn kandidatuur voor het vergelijkend examen voor aspirant-inspecteur van politie niet weerhouden wordt; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur H. COLIN; Gelet op de beschikking van 11 oktober 2006 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de regelmatig gewisselde laatste memories; Gelet op de beschikking van 2 april 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 28 april 2008; Gehoord het verslag van staatsraad A. VANDENDRIESSCHE; IX-3700-1/5 Gehoord de opmerkingen van adviseur K. PEETERS, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur H. COLIN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, OVERWEEGT WAT VOLGT : De feiten 1.1. Verzoeker, sedert 1994 werkzaam als hulpagent van politie bij de stad Mechelen en nadien, ingevolge de politiehervorming, als agent in de politiezone Mechelen, neemt in de loop van het jaar 2002 deel aan de selectieproe- ven voor overgang van het hulpkader naar het basiskader. 1.2. Artikel IV.I.15, eerste lid, van het koninklijk besluit van 30 maart 2001 tot regeling van de rechtspositie van het personeel van de politiediensten (RPPol), dat krachtens artikel VII.II.17 RPPol ook van toepassing is op de overgang naar het basiskader, bepaalt : “De selectieprocedure bedoeld in deze afdeling omvat: 1/ een proef die toelaat de noodzakelijke cognitieve vaardigheden te beoordelen; 2/ een persoonlijkheidsproef met aan het ambt aangepaste selectietechnie- ken; 3/ een fysiek-medische geschiktheidsproef met onderzoek van beide componenten in relatie tot het ambt; 4/ een selectiegesprek met de betrokken selectiecommissie waarna een eindevaluatie wordt uitgebracht.” 1.3. Artikel IV.5 van het ministerieel besluit van 28 december 2001 tot uitvoering van sommige bepalingen van het RPPol (UBPol), bepaalt : “De proef bedoeld in artikel IV.I.15, eerste lid, 1/, RPPol, omvat de volgende sub-proeven: 1/ de bepaling van het potentieel van de kandidaat tot het volgen van de basisopleiding. Zij meet de hierna volgende meest relevante factoren voor de voorspelling van de prestaties op de werkvloer en de resultaten tijdens en na afloop van de basisopleiding:

  1. a)het abstract redeneervermogen;
  2. b)het vermogen om informatie te verwerken;
  3. c)het vermogen om te redeneren met cijfers; IX-3700-2/5 2/ de evaluatie van de kennis van de taal waarin de selectieproeven, waarvoor de kandidaat zich heeft ingeschreven, worden georganiseerd; 3/ het opstellen van een verslag dat de essentiële elementen herneemt van een voorheen aan de kandidaat vertoonde video.” 1.4. Met een op 20 oktober 2002 gedateerde brief wordt aan verzoeker meegedeeld dat zijn kandidatuur voor het vergelijkend examen aspirant-inspecteur niet weerhouden werd, vermits hij op de cognitieve vaardigheidstesten waaraan hij deelnam op 16 oktober 2002, voor de videotest een T-score behaald heeft van 38, terwijl het vereiste minimum vastgelegd is op 40. De beslissing om verzoekers kandidatuur niet te weerhouden maakt het voorwerp uit van het onderhavig beroep tot nietigverklaring. De ontvankelijkheid 2. Het verzoekschrift bevat een aantal bemerkingen waarin verzoeker kritiek uitbrengt op de videotest als zodanig. Hij vindt dat deze test irreëel is, dat hij een discriminatie bevat voor visueel gehandicapten en dat het om een achterhaald selectiemiddel gaat. Hij vindt het niet billijk dat hij op die wijze uitgeschakeld wordt voor “een logisch verder verloop van zijn loopbaan”. 3. De verwerende partij wijst erop dat verzoeker te gelegener tijd geen annulatieberoep ingediend heeft tegen artikel IV.5 UBPol en dat hij, in geval van vernietiging, dezelfde proef zal moeten afleggen. 4. In zijn repliek stelt verzoeker dat, naar analogie met de proef voor de overgang naar niveau C, de verslaggeving omtrent een getoonde video vervangen had kunnen worden door een beroepstest die in de plaats zou kunnen komen van alle cognitieve testen waarvan de videotest een onderdeel is. In zijn laatste memorie stelt verzoeker dat de videotest nog steeds gebruikt wordt “in externe examenprocedures” en dat hij zijn belang behoudt voor zover hij in de toekomst zal deelnemen aan selecties voor gelijkaardige of andere politiefuncties. 5. Verzoeker streeft met zijn beroep de nietigverklaring na van zijn uitslag in de selectieprocedure voor aspirant-inspecteur. In het verzoekschrift zet hij niet uiteen of het bestreden besluit kadert in een externe wervingsprocedure dan wel in een interne procedure georganiseerd voor de overgang van in dienst zijnde personeelsleden van het kader van de hulpagenten naar het basiskader van het IX-3700-3/5 operationeel personeel. In zijn memorie van wederantwoord stelt hij wel dat hij een juiste en eerlijke toepassing wil van het mammoetbesluit inzake de selectie en de evaluatie van de deelresultaten in het kader van het vergelijkend examen “voor overgang naar het basiskader”. Hij zet daarin ook uiteen dat hij “kiest voor een beroepsproef in de interne selectieprocedure voor de overgang van het hulpkader naar het basiskader.” Met die gegevens voor ogen heeft de auditeur-verslaggever vastgesteld dat verzoeker zich verzet tegen zijn mislukken in een interne selectiepro- cedure. In zijn laatste memorie stipt verzoeker aan dat hij belang heeft bij het voortzetten van de externe procedure voor toelating tot het operationeel kader van de politie. Hij legt niet uit waarom hij nu een externe procedure ter sprake brengt en kan met dergelijke loutere bewering niet terugkomen op het standpunt dat hij voordien zelf heeft ingenomen. Verzoeker was niet aanwezig op de openbare terechtzitting, alwaar de verwerende partij bevestigd heeft dat de bestreden beslissing kadert in een interne selectieprocedure. Dienvolgens gebeurt de beoordeling van het verzoek- schrift met inachtneming van dat gegeven. 6. Bij artikel 2 van het koninklijk besluit van 2 april 2004 tot wijziging van het RPPol is artikel VII.II.17 van het RPPol zodanig gewijzigd dat in de selectieprocedure voor de overgang van het hulpkader naar het basiskader, de proef die toelaat de cognitieve vaardigheden te beoordelen, vervangen is door een beroepsproef. Door die wijziging in de reglementering is het door verzoeker nagestreefde doel bereikt. 7. Het beroep is bij gebrek aan actueel belang niet langer ontvan- kelijk. In de gegeven omstandigheden is er wel reden om de kosten van het geding ten laste van de verwerende partij te leggen. IX-3700-4/5 OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel 1. Het beroep wordt verworpen. Artikel 2. De kosten van het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verwerende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op 16 mei 2008, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : de HH. P. LEMMENS, kamervoorzitter, A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, D. MOONS, staatsraad, W. GEURTS, griffier. De griffier, De voorzitter, W. GEURTS. P. LEMMENS. IX-3700-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.182.975 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.