id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 19 mei 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.182.996 Rolnummer: A. 188137/IX-5916 Zaak: Arrest 182996 - Penitentiair recht - 19/05/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-05-23 Raadplegingen: 59 - laatst gezien 2026-06-29 08:04 Fiche Arrest nr 182.996 van 19 mei 2008 Justitie - Penitentiair recht Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 182.996 van 19 mei 2008 in de zaak A. 188.137/IX-
- In zake : Othman TANJAUI, die woonplaats kiest bij advocaat N. LORENZETTI, kantoor houdende te BRUGGE - SINT-MICHIELS, Walakker 28 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Justitie. --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE VOORZITTER VAN DE IXe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Othman TANJAUI op 8 mei 2008 heeft ingediend om bij uiterst dringende noodzakelijkheid de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van “de beslissing van de Directeur van de Strafin- richting Brugge - Mannenafdeling 1, d.d. 5 mei 2008 waarbij verzoeker de volgende tuchtsanctie werd opgelegd : - 5 dagen strafcel van 3 mei 2008 om 18 u. tot en met 8 mei 2008 om 18 u., - 1 maand strikt vanaf 8 mei 2008 tot en met 7 juni 2008, - 2 maanden individuele wandeling vanaf 8 juni 2008 tot en met 7 augustus 2008, - 2 weken strikt met behoud tafelbezoek vanaf 8 augustus 2008 tot en met 21 augustus
- Dit is de voorwaardelijke straf, uitgesproken op 11 april 2008, die tot uitvoering komt”; Gelet op de beschikking van 13 mei 2008 waarbij aan de verzoeker het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op de beschikking van 13 mei 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 16 mei 2008, om 11.00 uur; Gehoord het verslag van kamervoorzitter P. LEMMENS; IX-5916-1/7 Gehoord de opmerkingen van advocaat N. LORENZETTI, die verschijnt voor de verzoeker, en van attaché K. VAN DRIESSCHE, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur E. HAESBROUCK; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, OVERWEEGT WAT VOLGT : Feiten
- De verzoeker verblijft in de strafinrichting te Brugge. Op 3 mei 2008 doen zich incidenten voor tijdens de wandeling. Volgens de verzoeker heeft hij toen, om te lachen, water gegooid naar de toren waarin zich een penitentiair beambte bevond, en heeft hij de dop van de fles naar de toren geworpen. Volgens de verwerende partij, die verwijst naar een rapport aan de directeur dat onmiddellijk na de feiten is opgesteld, heeft de verzoeker een beambte beledigd, heeft hij gedreigd de fles water leeg te spuiten op een andere beambte, en heeft hij een steen naar de toren geworpen en de fles leeggespoten tegen het raam ervan. De verwerende partij verwijst voorts naar hetzelfde rapport, waarin ook nog melding gemaakt wordt van het feit dat de verzoeker later op de namiddag herhaaldelijk met volle kracht aan de draad van de omheining heeft getrokken, dat hij aan het einde van de wandeling ostentatief is blijven wandelen en opgeroepen heeft tot bendevorming, en dat hij ten slotte bleef stilstaan aan de poort die toegang geeft tot de ruimte tussen de vleugels, geprobeerd heeft die poort te openen en geroepen heeft naar de secties 35A en 36A. De verzoeker betwist dat hij opgeroepen heeft tot bendevorming. Na afloop van de wandeling mocht de verzoeker naar de bezoekruimte gaan. Ondertussen werd, op basis van het genoemde rapport aan de directeur, door deze laatste een veiligheidsmaatregel genomen, bestaande uit de plaatsing van de verzoeker op veiligheidscel. IX-5916-2/7 Deze maatregel werd tenuitvoergelegd na afloop van het bezoek. Blijkens een tweede rapport aan de directeur is de verzoeker bij aankomst op de betrokken sectie beginnen roepen naar een derde en weigerde hij mee te werken met het afgeven van zijn uurwerk en armband. Korte tijd later werd een derde rapport aan de directeur opgesteld, waarin werd vastgesteld dat de verzoeker, ondanks waarschuwingen, is blijven roepen naar een medegedetineerde. Deze feiten worden door de verzoeker niet betwist. Op 4 mei 2008 beslist de directeur om tegen de verzoeker een tuchtprocedure te starten. Op 5 mei 2008 vindt een hoorzitting plaats. De verzoeker herhaalt dat hij op de wandeling met water gespoten heeft, enkel om te lachen; voorts ontkent hij een chef beledigd te hebben, of medegedetineerden te hebben opgestookt. De feiten van na het bezoek betwist hij niet. Bij beslissing van 5 mei 2008 legt de directeur een tuchtstraf op. Zij verwijst naar de feiten zoals die in de drie rapporten aan de directeur zijn beschreven. Zij stelt vast dat de verzoeker in verband met het eerste rapport toegeeft met water te hebben gespoten en de andere feiten ontkent, en dat hij de feiten vermeld in het tweede en het derde rapport toegeeft. Voorts overweegt de directeur dat de verzoeker “een ernstige aantasting (vormt) van de fysieke integriteit van derden”, dat “hij ... de wandeling (verstoort)”, “dat zijn gedrag naar het gevangenis- personeel toe ... ontoelaatbaar (is)”, en dat “hij ... de orders van het personeel (negeert)”. De opgelegde tuchtstraf bestaat in vijf dagen strafcel, van 3 tot 8 mei 2008, één maand strikt, van 8 mei tot 7 juni 2008, en twee maanden individuele wandeling, van 8 juni tot 7 augustus
- Bovendien wordt een op 11 april 2008 voorwaardelijk opgelegde tuchtstraf, bestaande in twee weken strikt met behoud van het tafelbezoek, omgezet in een effectieve straf, van 8 tot 21 augustus
- Deze beslissing vormt het voorwerp van de voorliggende vordering. Over de ontvankelijkheid van de vordering 2.
- De verwerende partij voert aan dat het eerste deel van de straf, namelijk de vijf dagen strafcel, reeds is ondergaan. Volgens de verwerende partij heeft de verzoeker geen belang bij dit onderdeel van zijn vordering, en is de vordering op dit punt onontvankelijk. IX-5916-3/7 2.
- Het spreekt vanzelf dat de schorsing van een reeds uitgevoerde maatregel niet meer kan bevolen worden. Dit neemt niet weg dat de tuchtstraf als een geheel moet worden beschouwd, en dat de verzoeker nog belang kan hebben bij het schorsen van de tenuitvoerlegging van de straf als zodanig, ook al is een deel daarvan reeds ondergaan. Te dezen kan de exceptie niet aangenomen worden. Onderzoek van de vordering
- Overeenkomstig artikel 17, §§ 1 en 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan slechts tot de schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid worden besloten onder de drievoudige voorwaarde dat een uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is, dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden, en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen.
- In verband met de uiterst dringende noodzakelijkheid stelt de Raad van State vast dat de bestreden beslissing dateert van 5 mei 2008, dat ze dezelfde dag aan de verzoeker ter kennis is gebracht, en dat de opgelegde sanctie uitwerking heeft met ingang van 3 mei 2008, dag waarop een veiligheidsmaatregel is opgelegd. De verzoeker heeft met een op 8 mei 2008 ter post aangetekend verzoekschrift de voorliggende vordering ingesteld. Uit deze chronologie kan worden afgeleid dat de verzoeker zich terecht beroept op de uiterst dringende noodzakelijkheid om de voorliggende vordering in te stellen, en dat hij de vordering ook met de vereiste spoed heeft ingesteld. De verwerende partij betwist de uiterst dringende noodzakelijkheid trouwens niet. 5.
- De verzoeker roept een enig middel in, afgeleid uit de schending van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen. Hij voert vooreerst aan dat de bestreden beslissing steunt op feiten, vermeld in het eerste rapport aan de directeur, die niet bewezen zijn. Volgens IX-5916-4/7 de verzoeker wordt niet gemotiveerd waarom het relaas van de verzoeker niet als geloofwaardig kan worden beschouwd en waarom meer geloof gehecht wordt aan hetgeen de penitentiaire beambte heeft neergeschreven. Er wordt evenmin gemotiveerd waarom niet wordt ingegaan op de vraag van de verzoeker om andere gedetineerden of minstens de kwartieroverste, die op een betere plaats stond om het gebeurde vast te stellen dan de beambte die het rapport aan de directeur heeft opgesteld, te horen als getuige. Ten slotte wordt niet geantwoord op het argument van de verzoeker dat uit het feit dat hij na de wandeling nog naar de bezoekersruimte mocht gaan, blijkt dat hij geen gevaar betekende voor derden of voor de veiligheid. Uit een en ander volgt dat de bestreden beslissing niet correct en niet voldoende is gemotiveerd. Zulks brengt de juistheid, de nauwkeurigheid en de objectiviteit van het rapport en van de beslissing in het gedrang. 5.
- Met betrekking tot de feiten die aan de bestreden beslissing ten grondslag liggen, moet opgemerkt worden dat het aan de betrokken overheid, te dezen de directeur van de gevangenis, staat om de feiten vast te stellen. De Raad van State is enkel bevoegd om na te gaan of die overheid de haar ter zake toegekende appreciatiebevoegdheid naar behoren heeft uitgeoefend, met name of zij naar recht en redelijkheid is kunnen uitgaan van de door haar vastgestelde feitelijke gegevens. Uit de motieven van de bestreden beslissing blijkt dat de directeur ervan uitgaat dat alle feiten, beschreven in de drie rapporten aan de directeur, bewezen zijn. Uit het verslag van de hoorzitting en uit de motieven van de bestreden beslissing blijkt voorts dat de verzoeker een deel van de ten laste gelegde feiten niet heeft betwist. Wat betreft de feiten die door de verzoeker wel betwist zijn, stelt de Raad van State vast dat de verzoeker zich ertoe beperkt heeft de feiten te ontkennen en de geloofwaardigheid van de verklaring van de betrokken beambte te betwisten, zij het dat hij de directeur verzocht heeft om bepaalde getuigen te horen. De verzoeker heeft daarentegen geen omstandigheden aangevoerd die tot gevolg hadden dat de directeur te dezen geen bewijswaarde kon toekennen aan de verklaringen opgenomen in het eerste rapport aan de directeur. In die omstandigheden was de directeur ook niet verplicht om nadere redenen op te geven waarom zij de feiten als beschreven in het genoemde rapport aan de directeur bewezen achtte. Gelet op haar beoordeling van de feiten, was zij evenmin verplicht om nog op het door de verzoeker gedane bewijsaanbod in te gaan. IX-5916-5/7 In zoverre de verzoeker aanvoert dat de directeur van de gevangenis niet antwoordt op het argument dat de verzoeker geen gevaar betekende voor derden of voor de veiligheid, moet vastgesteld worden dat de directeur overweegt dat het gedrag van de verzoeker een ernstige aantasting van de fysieke integriteit van derden inhoudt, dat hij de wandeling verstoort, dat zijn gedrag naar het gevangenispersoneel ontoelaatbaar is, en dat hij de orders van het personeel negeert. Aldus verwerpt de directeur de zienswijze van de verzoeker, met name door tegenover het door hem ingeroepen argument andere argumenten te plaatsen. Het middel is niet ernstig.
- Er is bijgevolg niet voldaan aan één van de bij artikel 17, §§ 1 en 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State opgelegde voorwaarden om bij uiterst dringende noodzakelijkheid de schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing te bevelen. Die vaststelling volstaat om de vordering af te wijzen. OM DIE REDENEN BESLIST DE VOORZITTER : Artikel
- De vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid wordt verworpen. Artikel
- De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid wordt uitgesteld. IX-5916-6/7 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op 19 mei 2008, door : de H. P. LEMMENS, kamervoorzitter, Mevr. V. WAUTERS, griffier. De griffier, De voorzitter, V. WAUTERS. P. LEMMENS. IX-5916-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.182.996 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.185.642 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.