← België

Arrest 182997 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 19/05/2008

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 19 mei 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.182.997 Rolnummer: A. 106758/X-10413 Zaak: Arrest 182997 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 19/05/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-05-23 Raadplegingen: 59 - laatst gezien 2026-06-29 08:04 Fiche Arrest nr 182.997 van 19 mei 2008 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : heropening debatten Tussenkomst geweigerd Aanvullend verslag Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 182.997 van 19 mei 2008 in de zaak A. 106.758/X-10.

  1. In zake :
  2. de v.z.w. NATUURRESERVATEN, thans de v.z.w. NATUURPUNT,
  3. de v.z.w. VERENIGING VOOR BOS IN VLAANDEREN,
  4. de v.z.w. BOND BETER LEEFMILIEU VLAANDEREN,
  5. Jan VAN REUSEL, optredend namens de GEMEENTE MAASMECHELEN,
  6. Jan VAN REUSEL,
  7. Marianne KUIPERS,
  8. de v.z.w. DE BELGISCHE NATUUR- EN VOGEL- RESERVATEN, thans de v.z.w. NATUURPUNT BEHEER, die woonplaats kiezen bij advocaat G. VERMEIRE, kantoor houdende te 9000 GENT, Voskenslaan 301 tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat H. SEBREGHTS, kantoor houdende te 2018 ANTWERPEN, Mechelsesteenweg
  9. tussenkomende partijen :
  10. Paul SCHRUERS,
  11. de v.z.w. BISDOM HASSELT, die woonplaats kiezen bij advocaat D. LINDEMANS, kantoor houdende te 1000 BRUSSEL, Keizerslaan
  12. D E R A A D V A N S T A T E, Xe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat de v.z.w. NATUURRESERVATEN, de v.z.w. VERENIGING VOOR BOS IN VLAANDEREN, de v.z.w. BOND BETER LEEFMILIEU VLAANDEREN, Jan VAN REUSEL optredend namens de gemeente MAASMECHELEN met toepassing van artikel 271 van de Nieuwe Gemeentewet, Jan VAN REUSEL, Marianne KUIPERS en de v.z.w. DE BELGISCHE NATUUR- EN VOGELRESERVATEN, op 2 juli 2001 hebben ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 13 april 2001 van de Vlaamse minister van Economie, Ruimtelijke Ordening en Media waarbij het X-10.413-1/21 beroep van de gemachtigde ambtenaar wordt verworpen en aan Paul SCHRUERS voor het bisdom de stedenbouwkundige vergunning wordt verleend voor het bouwen van een abdij met aanhorigheden op een perceel gelegen te Maasmechelen, kadastraal bekend sectie E, nrs. 282 w2/deel en 3/deel; Gelet op het arrest nr. 105.340 van 29 maart 2002 waarbij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing wordt verworpen; Gezien het verzoekschrift tot voortzetting, op 2 mei 2005 ingediend door de eerste vier verzoekende partijen; Gezien het verzoekschrift tot tussenkomst, op 17 juni 2002 ingediend door Paul SCHRUERS en de v.z.w. BISDOM HASSELT; Gelet op de beschikking van 16 september 2002 die de tussen- komst van Paul SCHRUERS en de v.z.w. BISDOM HASSELT toelaat; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien de memorie van de tussenkomende partij; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur T. DE WAELE; Gelet op de beschikking van 1 juli 2005 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memories; Gelet op de beschikking van 11 mei 2007 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 1 juni 2007; Gehoord het verslag van staatsraad D. MOONS; X-10.413-2/21 Gehoord de opmerkingen van advocaat G. VERMEIRE, die verschijnt voor de verzoekende partijen, van advocaat H. SEBREGHTS, die verschijnt voor de verwerende partij, en van advocaat Th. EYSKENS, die loco advocaat D. LINDEMANS verschijnt voor de tussenkomende partijen; Gehoord het advies van auditeur T. DE WAELE; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  13. Rechtspleging Overwegende dat Paul SCHRUERS, toentertijd bisschop van Hasselt, in zijn verzoekschrift vraagt om in het geding te mogen tussenkomen; dat hij in dat verzoekschrift ter adstructie van zijn belang uitsluitend verwijst naar zijn hoedanigheid als “mandataris” van de v.z.w. Bisdom Hasselt; dat de begunstigde van de bestreden vergunning het bisdom Hasselt is; dat de loutere hoedanigheid van “mandataris” van de begunstigde van een vergunning de betrokkene geen eigen belang afgescheiden van dat van de begunstigde van de vergunning, noch de vereiste hoedanigheid, bij de tussenkomst in het annulatieberoep gericht tegen die vergunning verschaft; dat Paul SCHRUERS zich bij brief van 2 maart 2005, nadat hij als bisschop van Hasselt werd opgevolgd door Patrick HOOGMARTENS, voor het eerst beroept op een persoonlijk belang, met name “zijn persoonlijk engagement tegenover de schenker van de eigendom wijlen Koning Boudewijn”; dat hij zich evenwel initieel niet op dat belang heeft beroepen; dat hij geenszins, zoals in de brief van 2 maart 2005 wordt gesteld, “aanvankelijk ... krachtens een tweeledig belang is tussengekomen”, doch alleen in het kader van zijn - hetgeen in de brief van 2 maart 2005 wordt genoemd: “functioneel belang” - als bisschop; dat het verzoek tot tussenkomst in zijnen hoofde initieel niet ontvankelijk was om de hierboven uiteengezette redenen; dat dit verzoek niet in de loop van de procedure ontvankelijk kan worden, en zeker niet op grond van argumenten die niet in het initieel verzoekschrift tot tussenkomst, en zelfs niet in de toelichtende memorie, werden ingeroepen; dat de tussenkomst van Paul SCHRUERS derhalve niet toelaatbaar is; dat om die redenen ook niet kan worden ingegaan op de vraag van Patrick HOOGMARTENS om als huidige bisschop van Hasselt de tussenkomst van Paul SCHRUERS “verder te zetten”; X-10.413-3/21
  14. Ontvankelijkheid ratione temporis 2.
  15. Overwegende dat de verwerende partij in haar memorie van antwoord volgende exceptie van laattijdigheid opwerpt: “Verplichtingen die aan rechtsonderhorigen worden opgelegd blijken uit rechtsleer en rechtspraak : in bestuurlijke aangelegenheden moeten de burger of een private rechtspersoon een normale zorgvuldigheid aan de dag leggen. Bouwvergunningen moeten noch bekendgemaakt, noch aan derden betekend te worden. Voor derden belanghebbenden gaat de in art. 4 van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling administratie van de Raad van State bepaalde termijn van 60 dagen in met de dag waarop zij kennis hebben van de vergunning, of ervan kennis konden hebben, en de mogelijkheid hadden om er inzage van te nemen. Het mag evenwel niet in de macht van de potentiële verzoeker liggen, wanneer hij in de mogelijkheid is kennis te nemen van de bestuurshandeling die hij eventueel met een annulatievordering wenst te bestrijden, die kennisneming voor onbepaalde tijd uit te stellen en daardoor de aanvangsdatum van de termijn van beroep willekeurig te verschuiven, zodat de rechtsgeldigheid en het voortbestaan van de bedoelde rechtshandeling buiten weten, zowel van de overheid van wie zij uitgaat, als van alle andere belanghebbenden, in het ongewisse wordt gehouden, met alle nadelige gevolgen vandien. Het beginsel volgens hetwelk voorkomen moet worden dat de gelding van administratieve beslissingen te lang onzeker blijft, en dat aan voormeld artikel 4 van de procedureregeling ten grondslag ligt, eensdeels, en de noodzaak van een evenwichtige bescherming van de belangen én van de bouwheer én van de omwonenden en andere belanghebbenden, anderdeels, brengen mee dat diegene die meent te worden benadeeld door een bouwvergunning en die het bestaan van die vergunning moet vermoeden, de verplichting heeft om binnen een redelijke termijn gebruik te maken van het voormelde inzagerecht. Eens die redelijke termijn verstreken, neemt de termijn van 60 dagen om annulatie- vordering in te dienen, een aanvang. Die termijn begint alleszins te lopen de dag dat de belanghebbende kennis krijgt van het grievend karakter van de vergunning. Op derden belanghebbenden rust de verplichting om binnen een redelijke termijn gebruik te maken van het hen wettelijk toegekende inzagerecht. Deze termijn gaat in de dag waarop zij, aan de hand van wat zij kunnen vaststellen op de plaats waar de vergunde bouwwerken worden uitgevoerd, zich ervan rekenschap dienen te geven dat krachtens de steden- bouwwet voor de uitvoering van die werken een bouwvergunning vereist is en dat zij bijgevolg redelijkerwijze moeten of kunnen veronderstellen dat een vergunning is afgegeven. Het is de zaak van de partij die opwerpt dat de verzoeker kennis had van de bestuurshandeling, het bewijs daarvan te leveren. Het voorgaande is een samenvatting van de rechtspraak hierover van Uw Raad. In korte regels samengevat leidt dit tot het volgende:

(1)voor derden belanghebbenden gaat de termijn van 60 dagen om zich te voorzien in een schorsing- en annulatievordering tegen een bouwvergunning in met de dag waarop zij kennis hebben van de vergunning, of ervan kennis konden hebben, en de mogelijkheid hadden om er inzage van te nemen; die termijn begint alleszins te lopen de dag dat de belanghebbende kennis krijgt van het grievend karakter van de vergunning;
(2)de derde belanghebbende, die meent te worden benadeeld, en in de mogelijkheid is kennis te nemen van de bestuurshandeling die hij X-10.413-4/21 eventueel met een vordering wenst te bestrijden, vermag niet die kennisneming voor onbepaalde tijd uit te stellen en daardoor de aanvangs-datum van de termijn van beroep willekeurig te verschuiven;
(3)het voorgaande brengt mee dat diegene die meent te worden benadeeld door een bouwvergunning en die het bestaan van die vergunning kent, de verplichting heeft om binnen een redelijke termijn gebruik te maken van het voormelde inzagerecht;
(4)eens die redelijke termijn verstreken, neemt de termijn van 60 dagen om (schorsing en) annulatievordering in te dienen, een aanvang;
(5)het is de zaak van de partij die opwerpt dat de verzoeker kennis had van de bestuurshandeling, het bewijs daarvan te leveren. Ad
(1). Verzoekende partijen 1, 2 en 3 kunnen niet ontkennen kennis te hebben van de bouwvergunning sedert 13 april 2001. Zij kan niet ontkennen dat het vaststaat dat het haar grieft sedert 17 april 2001, datum waarop zij zulks zelf vaststelde blijkens haar eigen neergelegde stukken. Het feit dat enkel een dergelijk besluit werd neergelegd genomen door derde verzoekende partij belet niet dat door de kruiselingse belangen van deze verzoekende partijen in elkaar, zij ieder voor zich hierdoor gebonden zijn en er kennis van hebben. Uit het verslag, laatste alinea blijkt immers ook dezelfde houding en vergaderingen door eerste en tweede verzoekende partijen. Overigens verklaarde vierde (en vijfde) verzoekende partij reeds in april 2001 voor de media dat hij zich opnieuw tegen de vergunning zou verzetten en in rechte voorzien. Ook wat zesde verzoekende partij betreft dient aangenomen te worden dat deze reeds op 13 april 201 kennis had van de bouwvergunning. Het betrokken besluit werd immers in alle audiovisuele media bekendgemaakt en kreeg veel aandacht in de geschreven pers. Het is dan ook onmogelijk te stellen dat zesde verzoeker niet op de hoogte was van de goedkeuring. In ieder geval wordt niet aangetoond wanneer zesde verzoeker dan wel op de hoogte werd gesteld van de vergunning en er inzage van kreeg. Vermits de rechtspraak van uw Raad bepaalt dat diegene die een beroep instelt ook dient aan te tonen dat de beroepstermijn gerespecteerd werd en dit in casu geenszins gebeurde, kan niet anders dan aangenomen worden dat ook voor vijfde en zesde verzoekende partij deze overschreden is. Overigens, door één gemeenschappelijk verzoekschrift neer te leggen, verbinden verzoekende partijen zich aan elkaar. Wat de ene weet, is bekend aan de andere. Het tijdstip waarop het aan de ene bekend wordt, moet geacht worden hetzelfde te zijn voor alle anderen. Indien dat niet het geval zou zijn, kan slechts het neerleggen van een afzonderlijk verzoekschrift daarvan de ultieme aanduiding zijn. Ad
(2). Verzoekende partij, met haar kennis en specifieke know-how (er mag hiervoor verwezen worden naar het vorige dossier, waar overigens gelijkaardige onzorgvuldigheden werden vastgesteld door verwerende partij,) wist dat zij sedert 17 april 2001 kennis kon nemen van het aan te vechten besluit bij de administratie van het hoofdbestuur van de stedenbouw te Brussel, administratie waarmee zij geregeld contact heeft. Ook vierde, vijfde en zesde verzoeker, die van de vergunning kennis hebben sedert 13 april 2001 en in de media stelden er tegen op te komen, hadden de verplichting onmiddellijk inzage ervan te nemen en niet te wachten tot medio mei of later. Het feit dat hij reeds medeauteur was van een eerste uiterst onzorgvuldige vordering, en hij zodoende alle gebreken daarvan kende, - ze kwamen op de meest uitvoerige wijze aan bod en vormden één der essentiële onderdelen van de behandeling van de zaak die in het arrest werden behandeld tot op bladzijde 16 van 22, - en ook alle gevaren die dat met zich bracht, maakt X-10.413-5/21 van hem meteen een uiterst zorgvuldig geïnformeerde burger die weet wat hem te doen staat en welke stukken bij een dossier horen én waarom. Ad
(3). Elke verzoekende partij kon zulks zonder meer- vanaf 18 april 2001 en moest het vanaf dan ook doen. Een redelijke termijn is 10 dagen. De redelijk- heid van de termijn hangt samen met de aard van de vergunning, de grief en de voorgaanden. Hij moet geacht worden korter te zijn naargelang de situatie, bv. stand van de werken en het belang van een korte termijn evenals het beoordelingsvermogen daarvan in hoofde van de verzoeker. In casu moet aldus geoordeeld worden dat 10 dagen in feite reeds onredelijk lang is, rekening houdend met het voorwerp van de vergunning en de stand van de werkzaam- heden die door iedereen gekend was, zelfs van algemene bekendheid is. Geen enkele verzoekende partij respecteerde de redelijke termijnvereiste. Ad
(4). De redelijke termijn voor kennisname is alleszins verstreken op 18, zoniet op 27 april
  1. Voor de vorderingen verstreek hij 60 dagen later, nl. ten laatste op 18, en ten allerlaatste op 26 juni
  2. De bij aangetekende brieven van 2 en 3 juli 2001 verzonden vorderingen in schorsing en annulatie zijn kennelijk onontvankelijk ratione temporis. Dat is het geval in hoofde van elk der verzoekende partijen. Ad
(5). Verwerende partij toont het voorgaande aan op grond van eigen stukken van verzoeker en rechtspraak van Uw Raad. Ook in het auditoraatsverslag dat naar aanleiding van de schorsings- procedure, ingesteld door de eerste vier verweerders wordt gewezen op het feit dat de vordering ratione temporis onontvankelijk is. (...) In het voorgaande werd reeds gewezen op de rechtspraak van uw Raad die bepaalt dat diegene die een beroep instelt, ook op afdoende wijze dient te bewijzen dat zijn beroep binnen de beroepstermijn ingediend werd. In casu wordt door verzoekers enkel gewezen op de datum van 4 mei 2001, datum op dewelke vierde (en vijfde) verzoeker kennis genomen zou hebben van de bouwvergunning in het gemeentehuis. In het voorgaande werd afdoende aangetoond dat dit niet klopt. Wat de andere verzoekers betreft, wordt nergens in het verzoekschrift aangetoond wanneer deze effectief kennis kregen van de vergunning zodat geenszins voldaan wordt aan voornoemde verplichting van verzoekers aan te tonen wanneer de beroepstermijn begon te lopen en de redenering waarnaar hiervoor werd verwezen de enige logische kan worden geacht”. 2.
  1. Overwegende dat de tussenkomende partij in haar toelichtende memorie ook een exceptie van laattijdigheid opwerpt: “De verzoekende partijen stellen dat zij ‘vroegstens op 4 mei 2001’ de vergunning konden gaan inkijken op het gemeentehuis van Maasmechelen, maar dat zij in werkelijkheid zelfs veel later hebben kennis genomen van de tekst van de vergunning. Dit valt zéér ernstig te betwijfelen. Vooreerst bewaren zij angstvallig het stilzwijgen over de omstandigheden waarin zij dan wel kennis hebben kunnen nemen van de vergunning. Bovendien leggen zij niet uit waarom zij pas ‘vroegstens op 4 mei 2000’ de vergunning konden gaan inzien op het gemeentehuis. Het is weinig geloof- waardig dat het bestuur zou nagelaten hebben om niet tezelfdertijd de X-10.413-6/21 aanvrager, de gemachtigde ambtenaar en het College van Burgemeester en Schepenen van Maasmechelen in kennis te stellen van de beslissing. Overigens moesten de verzoekers helemaal niet wachten totdat de bestreden beslissing ter inzage lag op het gemeentehuis : zij was óók te consulteren op het Hoofdbestuur van Stedenbouw, en wel vanaf haar datum, en ook op het kabinet van de bevoegde minister. De verzoekers kénnen trouwens zeer goed de weg naar het Hoofdbestuur en het kabinet, want zij hebben aldaar de mosterd gehaald voor hun verzoekschrift tot nietigverklaring en de vordering tot schorsing. Zij hebben helemáál niet moeten wachten tot 4 mei 2001, want op het gemeentebestuur van Maasmechelen hebben zij nooit inzage - laat staan kopie - gevraagd van de vergunning en van het desbetreffend dossier. Heel hun dossier is samengesteld uit stukken die zij vanwege het centraal bestuur of het kabinet hebben bekomen, tot en met het p.v. van vaststelling dd. 12 februari 1999 dat zij wettig zelfs niet mogen in hun bezit hebben. Het strafonderzoek is immers geheim, en gegevens daarvan mogen niet aan derden worden meegedeeld (Cass. 2 maart 1988, A.C.1 1987-88, 8611). Vermits de verzoekende partijen overduidelijk zéér goede kontakten onderhouden met het bestuur van ruimtelijke ordening en/of het kabinet van de bevoegde minister, is het verhaal dat zij ophangen over kennisname ná 4 mei 2001 volstrekt ongeloofwaardig. Uw Raad heeft een dergelijk zwaar vermoeden van kennis in hoofde van (een lid van) een vennootschap of vereniging reeds meermaals aanvaard als bewijs van kennis voor een bestreden akte vóór de door de verzoeker vooropgestelde datum van kennisname. (...) Bovendien moet ten aanzien van de verschillende milieuverenigingen nog bedacht worden wat volgt. Uw Raad heeft in zijn arrest (...) van 11 juni 1998 inzake v.z.w. NATUURRESERVATEN het volgende overwogen : ‘Dat van een v.z.w. die tot maatschappelijk doel heeft te streven naar de ontwikkeling en de uitstraling van de natuurbehoudsgedachte in de breedste zin en die in het bijzonder beoogt de aankoop, het in huur nemen en het beheer van natuurreservaten en die ‘haar medewerking kan verlenen aan alle groeperingen die een gelijkaardig of complementair doel nastreven ‘, een bijzondere interesse en betrokkenheid kan worden verwacht voor de materies die de v.z.w. rechtstreeks raken en voor hetgeen zich binnen haar activiteitensfeer afspeelt; dat daartoe moet worden gerekend de actie van de v.z.w. GREENPEACE tegen het toekennen van de omstreden lozingsvergunning aan de rand van het door de verzoekende partij beheerd natuurreservaat; dat in acht genomen de collectieve dynamiek en de sensibilisering die een v.z.w. natuurvereniging kenmerkt, de maatschappelijke weerklank die de actie van de v.z.w. GREENPEACE tegen de nieuwe lozingsvergunning heeft gehad, het concreet gegeven dat minstens de voorzitter van de raad van bestuur van de verzoekende partij op de hoogte was van de actie van de v.z.w. GREENPEACE, naar recht en redelijkheid moet worden aangenomen dat eveneens de beweegreden om tot die actie over te gaan de verzoekende partij niet kan zijn ontgaan en zij dus kennis had van de nieuwe lozingsvergunning ...’ Te dezen zijn de feitelijke gegevens vergelijkbaar, en geldt dezelfde conclusie : een laattijdig beroep. En er is meer. Dat de v.z.w. Natuurreservaten, en derhalve wellicht ook de v.z.w. De Belgische Natuur- en Vogelreservaten waarvan de v.z.w. Natuurreservaten de ‘Vlaamse vleugel’ is, reeds op 18 april 2001 kennis had van de inhoud van de bouwvergunning wordt onmiskenbaar bewezen door de verklaringen van haar X-10.413-7/21 directeur, de heer Willy Ibens, na de vergadering van de Raad van Bestuur op 17 april
  2. (...) De Bond Beter Leefmilieu heeft reeds op 17 april 2001 beslist om een beroep bij uw Raad in te stellen, en toch gewacht tot 2 juli 2001 om dit te doen. Dat de heer Van Reusel reeds op 17 april 2001 kennis had van de inhoud van de vergunning, blijkt uit diens verklaringen aan de media. (...)”. 2.
  3. Overwegende dat de verzoekende partijen in hun verzoekschrift met betrekking tot de tijdigheid van hun beroep aanvoeren: “In werkelijkheid hebben zij geruime tijd later pas de bouwvergunning kunnen doornemen. Bovendien is er geen individuele betekening of kennisgeving geweest. Het feit dat de verwerende partij kort na de aflevering van een bouw- vergunning voor het klooster van Opgrimbie dit wereldkundig heeft gemaakt, via de media, kon de termijn van 60 dagen niet doen ingaan, ook al zou dit de bedoeling geweest zijn. En ook kenden de verzoekers de bouwvergunning pas door ze te kunnen lezen. Ten aanzien van de heer Van Reusel of nog de gemeente Maasmechelen, is dit ten vroegste mogelijk geweest vanaf 4 mei
  4. Bijgevolg is het verzoekschrift zelfs zeer stri(k)t gerekend vanaf 4 mei 2001, tijdig en binnen de redelijke termijn vanaf de kennisneming van de (geschreven) bouwvergunning ingediend”; 2.
  5. Overwegende dat verzoekende partijen in hun memorie van wederantwoord op de excepties van laattijdigheid repliceren als volgt: “A. De verwerende partij werpt op dat het verzoekschrift te laat zou zijn ingediend. A.
  6. Zij gaat er op voort dat het bestreden besluit op de dag van de aflevering in de media zou zijn bekendgemaakt. Dat door de ‘kruiselingse belangen’ van de verzoekende partijen, moet aangenomen worden dat de drie eerste milieuverenigingen van meet af aan op de hoogte waren van de bouwvergunning. Dat de Bond Beter Leefmilieu reeds op 17 april 2001 een vergadering had waarbij deze bouwvergunning reeds een agendapunt vormde. Dat op deze vergadering ook Hans Scheirlinck aanwezig was, lid van de Vereniging voor Bos in Vlaanderen. Dat ze toch een ‘gezamenlijk verzoekschrift’ hebben neergelegd en dus ‘verzoekende partijen verbinden zich aan elkaar’ ... Verzoekers hadden ‘onmiddellijk’ inzage moeten nemen van het bedoeld besluit en hadden niet mogen wachten tot medio mei of later. Dat 10 dagen volgens het Vlaams Gewest een redelijke termijn is, (...), of neen, 10 dagen is ‘in feite reeds onredelijk lang’ . De redelijke termijn is alleszins verstreken op 18 april (dus nu reeds vijf dagen later) en ‘ten allerlaatste op 26 juni 2001’ ( dus dan toch 73 dagen). **** Repliek. In bijzonder ten aanzien van de termijn berekend vanaf de betekening dan wel de bekendmaking van de bouwvergunning in de zin van art. 4 Procedurereglement. X-10.413-8/21 A.
  7. Voorafgaandelijk mag men zich toch afvragen of de termijn bedoeld in art. 19 van de gecoördineerde wetten inging vanaf de mogelijkheid tot kennis- neming (op het gemeentehuis dan wel bij de administratie van de minister) dan wel vanaf het ogenblik van betekening of bekendmaking. Dit gelet op de volgorde bepaald in art. 4 van het Regentsbesluit 23 augustus
  8. Verwerende partij weet immers ook dat de berekening van de termijn van 60 dagen vanaf het ogenblik van de kennisneming of mogelijkheid daartoe, slechts geldt in het geval dat er geen bekendmaking of betekening moet gebeuren. Art. 4 derde lid van het Regentsbesluit 23 augustus 1948: ‘De beroepen bedoeld bij artikel 9 van de wet verjaren zestig dagen nadat de bestreden akten, reglementen of beslissingen werden bekendgemaakt of betekend. Indien ze noch bekendgemaakt noch betekend dienen te worden, gaat de termijn in met de dag waarop de verzoeker er kennis van gehad heeft.’ Dit was trouwens ook het standpunt van de bestendige deputatie van Limburg wiens besluit werd bevestigd door de verwerende partij. Zie immers art. 1 van het ministerieel besluit: ‘Het beroep van de gemachtigde ambtenaar wordt verworpen. Bijgevolg herneemt de beslissing van 22 november 2000 van de bestendige deputatie van de provincieraad van Limburg, houdende toekenning van de vergunning aan Bisschop Schruers voor heb Bisdom haar rechtskracht, ......’ Nu staat in de beslissing van de bestendige deputatie laatste blz. onder meer ook te lezen : ‘Beroepen tot nietigverklaring moeten op straffe van niet- ontvankelijkheid worden ingesteld binnen zestig dagen nadat de beslissingen, reglementen of besluiten werden bekendgemaakt of betekend (artikel 4 Procedurereglement van de rechtspleging voor de afdeling administratie van de Raad van State).’ De deputatie verwees dus niet naar het moment van kennisname of mogelijkheid tot kennisneming. Een zelfde verklaring was trouwens ook gevoegd aan de formele kennisgeving van de bouwvergunning door de administratie, bij brief van 3 mei 2001, gericht aan het CBS van de gemeente Maasmechelen. In die zin mag men het arrest Raad van State (...) indachtig zijn: ‘Indien de rechtshandeling moest worden bekendgemaakt, moet niet worden onderzocht of de verzoeker reeds voor de bekendmaking ervan al dan niet kennis kreeg.’! Ook in de rechtsleer wordt duidelijk de verschillende wijze van berekening benadrukt, al naargelang het gaat om een besluit dat diende betekend of bekendgemaakt te worden, dan in het geval dit niet zo is. A.
  9. Betekening vereist aan één van de partijen ? Het is het standpunt van de vierde verzoekende partij dat hij kan terugvallen op een parallel termijn van 60 dagen vanaf de betekening aan het CBS van zijn gemeente. Als inwoner die namens de gemeente Maasmechelen optreedt kan hij niet minder rechten hebben dan de gemeente zelf. I.c. diende er nl. in elk geval een betekening te gebeuren aan onder meer het college van de burgemeester en schepenen van de gemeente Maasmechelen, gelet op 1/) het feit dat de gemeente Maasmechelen als eerste bevoegde overheid evident kennis moest krijgen van het ministerieel besluit en 2/) de minister daartoe gehouden was gelet op het door hem bevestigde besluit van de Bestendige Deputatie van Limburg dd. 22 november 2000 : ‘Een afschrift van dit besluit wordt toegezonden aan:
  10. advocaat Dirk Lindemans
  11. het college van burgemeester en schepenen van Maasmechelen
  12. ...
  13. ... X-10.413-9/21 En 3/) gelet ook op de terugwijzing van het dossier naar de gemeente Maasmechelen als eerst bevoegde overheid volgens het annulatiearrest (...) van 1 februari
  14. Aan de bouwheer en haar raadsman is de beslissing blijkbaar ter kennis gebracht op 17 april 2001 (...). Doch aan de gemeente Maasmechelen en aan de AROHM, is deze kennisgeving 17 dagen later gebeurd, nl. met brief gedagtekend 3 mei 2001 (...). Deze brief is op 4 mei 2001 toegekomen op het gemeentehuis: zie stempel op brief in aanvullend bundel van verzoekers. Dus ten aanzien van de heer Jan Van Reusel voor zover hij namens de gemeente Maasmechelen optreedt, kan er in geen geval sprake zijn van een laattijdige vordering. Het verzoekschrift tot vernietiging werd immers verstuurd op 2 juli
  15. Vermits de dag van de betekening zelf niet meetelt om de termijn van 60 dagen te berekenen (zie art. 88 van het Regentsbesluit) werd het verzoekschrift door de verzoekende partij dus ingediend op de 59ste dag van de termijn. Ten aanzien van de vierde verzoekende partij is de exceptie dan ook in elk geval ongegrond. A.
  16. Volledigheidshalve dient ook, zelfs ambtshalve, nog rekening gehouden te worden met art. 19 van de gecoördineerde wetten, waardoor de annulatie- termijn enkel ingaat ‘op voorwaarde dat de betekening door de administratieve overheid van de akte of van de beslissing met individuele strekking het bestaan, van die beroepen alsmede de in acht te nemen vormvoorschriften en termijnen vermeldt.’ Dus dit aspect nog in het midden gelaten. A.
  17. Ten aanzien van de andere verzoekers kan men inderdaad stellen dat er geen (individuele) betekening hoefde te gebeuren. A.
  18. Maar art. 4 van het Procedurereglement heeft het ook nog over de ‘bekendmaking’. Diende de bedoelde bouwvergunning officieel te worden ‘bekendgemaakt’? De bouwvergunning diende m.i. immers officieel bekendgemaakt nl. aangeplakt te worden. Met bekendmaking wordt immers niet enkel het geval bedoeld dat het gaat om een reglementair besluit dat bv. in het Belgisch Staatsblad of via gemeente- lijke publicatiemiddelen. Ook een bekendmaking in de zin van de wetgeving ruimtelijke ordening of het milieuvergunningsdecreet is een bekendmaking. Bv. een aanplakking van een milieuvergunning op het terrein, of van de bouwvergunning op het terrein. Een bekendmaking is immers een aankondiging waardoor men iets openbaar maakt. Voor deze thesis zijn er i.c. ook minstens vier aanknopingspunten 1/) het besluit van de bestendige deputatie van 22 november 2000 waar in de laatste paragraaf van art. 4 van het beschikkend gedeelte wordt gezegd: ‘... Een mededeling die te kennen geeft dat de vergunning afgegeven is, moet op het terrein worden aangeplakt door de aanvrager, hetzij, wanneer het een werk betreft, voor de aanvang van het werk en tijdens de gehele duur ervan, hetzij in de overige gevallen, ...’. Het bestreden besluit bevestigt het deputatiebesluit. 2/) het feit dat volgens art. 52 par. 4 van het decreet ruimtelijke ordening 22 oktober 1996: ‘Een mededeling die te kennen geeft dat de vergunning afgegeven is, moet op het terrein worden aangeplakt door de aanvrager, hetzij, wanneer het een werk betreft, voor de aanvang van het werk en tijdens de gehele duur ervan,...’ X-10.413-10/21 3/) Het feit dat voor zover verzoekers dit in de buurt van dit terrein hebben kunnen nagaan, de bouwheer zich nooit van deze publiciteitsverplichting heeft gekweten. Evenmin trouwens heeft de bouwheer aan de gemeente laten weten dat de werken zouden worden aangevangen. Dit is zo medegedeeld geweest door de gemeente Maasmechelen aan verzoekers raadsman. 4/) Het feit dat er een openbaar onderzoek nodig was geweest over de bouwaanvraag, wat dan logischerwijze ook met zich meebracht dat de beslissing over deze bouwaanvraag had moeten worden bekendgemaakt aan het publiek. Het is niet enkel de bouwaanvraag die in dit geval moet openbaargemaakt worden. Het openbaar onderzoek was vereist, zoals trouwens ook is aangevoerd in het derde middel tot vernietiging, omdat onder meer: // het hier gaat om een bouwaanvraag die de waterhuishouding beïnvloedt van een speciale beschermingszone in de zin van de vogelrichtlijn (zie art. 2, 15/ van het BVLR 23 maart 1989). Hier gaat dus om de SBZ vastgesteld bij BVLR 17 oktober 1988 Mechelse Heide en Vallei van de Ziepbeek // het feit dat het ook ten dele gaat om de bouw van een werkplaats van meer dan 300 m2 groot bedoeld in art. 3, 5/ van het K.B. 6 februari 1971 betreffende de behandeling en de openbaarmaking van de bouw- aanvragen. Zie ook het derde middel tot vernietiging. // het hier gaat om een bouwaanvraag die een significant effect heeft op deze SBZ-VRL, in de zin van art. 6.2 en 6.3 van de habitatrichtlijn, waarbij onder ‘passende beoordeling’ blijkbaar een MER in de zin van de MER-richtlijn dient te worden verstaan; MER-plichtige bouwaan- vragen moeten steeds openbaar gemaakt worden; // het feit dat de bouwaanvraag zoals deze werd ingediend medio juli 1994 betrekking had op onder meer een ontbossing van minstens 3 ha, wat MER-plichtig is (art. 3, 11/ van het K.B. 6 februari 1971 en art. 2, 16/ BVLR 23 maart 1989 samengevat het besluit betreffende MER-plichtige bouwaanvragen, B.S. 17 mei 1989, 8451). A.
  19. De bekendmaking hoeft verder ook niet een bekendmaking te zijn in het Belgisch Staatsblad. Zie ook in die zin A. Van Mensel, I. Cloeckaert e.a. ‘De administratieve rechtshandeling. Een proeve’, 1197, nr.
  20. Niettemin , zelfs in de veronderstelling dat er toch een bekendmaking van de bouwvergunning op de geëigende plaats zou hebben plaatsgevonden, quod non, moet nog voorbehoud gemaakt worden in die zin dat de bekendmaking van het feit zelf dat er een bouwvergunning is afgeleverd, nog niet betekent dat derden daarmee de inhoud van de bouwvergunning kenden, wat ook nog vereist is. De bekendmaking van de vergunning is in de pra(k)tijk immers zeer summier. In feite gaat het slechts om de bekendmaking van het feit zelf van de bouwvergunning, dus hooguit een uittreksel ervan. **** In ondergeschikte orde: berekening vanaf de kennisname of na het verstrijken van een redelijke termijn vanaf de mogelijkheid tot kennisname (art. 4 procedurereglement laatste lid). A.
  21. Ingeval dus U zou aannemen dat ten aanzien van de verzoekers, althans de eerste tot derde verzoeker en de vijfde tot zevende verzoeker, er geen bekendmaking of betekening ‘diende’ te gebeuren, menen verzoekers dat hun vordering dd. 2 juli 2001 niet te laat werd ingediend. Dus ingeval dus het ogenblik van de feitelijke kennisneming of mogelijkheid tot kennisneming dient te worden nagegaan. X-10.413-11/21 Er is het gegeven dat derden belanghebbenden zich in principe mogen verlaten op de mogelijkheid tot kennisneming van de bouwvergunning, op het gemeentehuis. Dit volgt uit het K.B. 22 oktober 1971 ter uitvoering van art. 63 Stede(n)bouwwet (B.S. 14 december 1971), art. 2: ‘Gedurende ten minste twee dagen per week, door de gemeentebesturen te bepalen, kunnen derden belanghebbenden op het gemeentehuis -inzage nemen van de inhoud van de afgegeven bouw- en verkavelings- vergunningen.’ Deze bepaling slaat zeker niet enkel op het geval van een bouwvergunning die werd afgeleverd door de gemeente zelf. De rechtspraak die het Vlaams Gewest aanhaalt, (...), verwijzen trouwens ook naar het belang van dit K.B. 22 oktober
  22. A.9 Het is dus simplistisch te beweren dat vanaf de dag dat de Minister in de media verkondigde dat er opnieuw een bouwvergunning was afgeleverd voor het klooster van Opgrimbie, verzoekers hun dagen reeds moesten beginnen tellen. Dit is niet zo. De derde belanghebbende moet immers kennis hebben van de inhoud van de bouwvergunning. Volgens uw rechtspraak is het immers zo dat ‘Een kennisgeving de termijn voor het indienen van een annulatieberoep slechts doet ingaan, indien zij de belanghebbende inlicht over de volledige inhoud van de beslissing, m.a.w. alle wezenlijke bestanddelen van de beslissing bevat.’ Een bouwvergunning slaat immers op een ‘aanvraag’ en in het geval van een bouwaanvraag omvat dit uiteraard onder meer de bouwplannen. Vglk. in die zin Cass. 7 december 1989 met betrekking tot de elementen waarop het inzagerecht van de ‘bouwvergunning’ in de zin van art. 2 K.B. 22 oktober 1971, betrekking heeft. Nu is het zeker niet zo dat in de mediaberichten de substantiële bijzonder- heden van de bouwvergunning werden medegedeeld of overgemaakt. Zo bv. zeker niet de bouwplannen. Er was zelfs onjuiste berichtgeving, want de vergelijking werd gemaakt met militaire domeinen, terwijl naderhand is gebleken dat daarover niets vermeld stond in de bouwvergunning. N.B. Of moeten verzoekers het zich inbeelden dat naderhand de motivatie van de bouwvergunning nog werd gewijzigd ? Zoals ontegensprekelijk vaststaat: de bouwvergunning is ten vroegste op 4 mei 2001 toegekomen op het gemeentehuis van Mechelen, zodat ten vroegste vanaf dan, dus in de strengste opvatting, de termijn voor de verzoekers kon ingaan. A.
  23. Verwerende partij tilt dan ook aan het feit dat de Bond Beter Leefmilieu op 17 april 2001 reeds actie aankondigde tegen de bouwvergunning, bij de Raad van State. Doch dit is op zich absoluut niet voldoende, om dan maar te aan te nemen dat men beschikte over de ‘inhoud’ van de bouwvergunning. In ieder geval beschikte geen één van de partijen daarover op de 17 de april. Het is verder, louter formeel gesproken, niet aan verzoekers om een bewijs te leveren van de ‘niet’ eerdere kennisname. A.
  24. Onrealistisch is het verder toch ook te beweren dat doordat bv. de heer Scheirlinck aanwezig was op de vergadering van de BBL op 17 april 2001, dan meteen ook de Vereniging voor Bos in Vlaanderen op de hoogte was. Nu immers een VZW vertegenwoordigd wordt door haar organen, dus in dit geval hier de Raad van Bestuur, waarvan de heer Scheirlinck slechts één van de leden is. Het is niet omdat één lid kennis heeft, dat meteen ook de andere bestuurs- leden die kennis delen. X-10.413-12/21 A.
  25. De Bond Beter Leefmilieu komt ook niet in de problemen door haar beslissing van 17 april
  26. Want deze beslissing was louter preventief, bedoeld om kort op de bal te spelen en bij de overheid geen twijfel te laten dat deze milieunefaste beslissing ongemoeid zou worden gelaten. A.
  27. Ook gaat het uiteraard niet op om de fictieve -- want slechts zeer beknopte -- kennisneming door één van de verzoekers (in het bijzonder BBL) meteen ook door te rekenen naar de andere verzoekers - verenigingen, nu zij één verzoekschrift hebben ingediend. Kennisneming is een individueel en concreet gegeven. Veralgemeningen passen niet in een materie waar individuele en concrete gegevens van belang zijn, en waar strenge sancties gelden. A.
  28. Is er dan nog de argumentatie over de eerdere mogelijkheid tot kennisneming. Verwerende en tussenkomende partij beweren in feite dat verzoekers eerder de moeite hadden moeten doen om aan de bouwvergunning te geraken. // In hoofdorde blijven verzoekers erbij dat het loket naar waar zij zich dienden te begeven, specifiek was: het gemeentehuis, gelet op het reeds voormelde K.B. 22 oktober
  29. Als specifieke bepaling inzake openbaarheid van bestuur is het m.i. logisch om deze bepaling te laten primeren. Maar de bouwvergunning is op het gemeentehuis van Maasmechelen slechts toegekomen op 4 mei
  30. // Men kan natuurlijk ook nog verwijzen naar het decreet openbaarheid van bestuur van 18 mei
  31. Theoretisch konden verzoekers conform de afdeling 4 van dit decreet, dus de artikelen 11 e.v. een schriftelijke aanvraag indienen bij het Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap. Het is dus zeker niet zoals de verwerende partijen laten suggereren, dat men als derde zomaar aan de deur van de minister of zijn administratie kan gaan aankloppen, om direct bediend te worden. Volgens art. 11 par. 3 wordt op de aanvraag zo ‘zo spoedig mogelijk en uiterlijk vijftien dagen na de ontvangst ervan beantwoord.’ Van aanzienlijk belang is ook art. 11 par. 4 : ‘De uitvoering van de beslissing tot inwilliging gebeurt zo spoedig mogelijk en uiterlijk veertig dagen na ontvangst van de aanvraag.’ Nu kan men uiteraard veronderstellingen maken: * misschien zou de Minister wel heel snel de toelating tot inzage en (k)opie verleend hebben, bv. binnen de 8 dagen * misschien zou de Minister geweigerd hebben om een reden vermeld in art. 8/ van dit decreet. Tenslotte gaat het hier toch om een bouw- vergunning in een ‘koninklijk domein’ waar per definitie reeds een zeer discrete en omzichtige sfeer mee samengaat; * mogelijks zou de toelating 30 of 40 dagen na de aanvraag zijn gegeven. Verzoekers zijn echter de laatste om vanuit de verschillende hypotheses een prognose te maken over binnen welke tijd er in dat geval zou tegemoetgekomen zijn aan hun vraag om openbaarheid. Onredelijk is het zeker niet om aan te nemen dat de Minister bv. binnen de maand positief zou geantwoord hebben, bv. tegen de 13 de mei 2001, gelet op de buitensporige drukte op dit kabinet. Dan is er even(w)el nog geen rekening gehouden met het feit dat: * verzoekers niet verplicht waren om dan onmiddellijk de dag nadien naar Brussel te gaan om het dossier in te zien, ingeval er hen nog geen (k)opie van de vergunning, en de plannen e.d. waren toegezonden; * er ook nog een actieve openbaarheid van bestuur bestaat in de zin van art. 21 van hetzelfde decreet. X-10.413-13/21 Volgens verzoekers kan het decreet openbaarheid van bestuur dus geen formeel bewijs leveren dat verzoekers eerder dan vanaf 4 mei 2001 kennis zouden gehad hebben van de inhoud van de bouwvergunning met daarbij horende plannen. A.
  32. Verder, en louter volledigheidshalve moet nog gezegd worden dat de redelijke termijn die tegenpartijen voorstellen, absoluut niet redelijk is, want veel te kort. Zij hebben het over amper 10 dagen om zich te gaan informeren. Zij verwijst naar het arrest (...) van 16 september
  33. In dit arrest is echter helemaal niet gezegd dat tien dagen de maximum termijn is. Er is enkel gezegd (blz. 4/14): ‘dat een termijn van tien dagen om gebruik te maken van de door artikel 2 van het K.B. 22 oktober 1971 geboden mogelijkheid .... een redelijke termijn is.’ Als men bedenkt dat in de regel een termijn van openbaar onderzoek, hoger beroep, enz. minstens 30 dagen of zelfs 60 dagen bedraagt, dat de minister zelf 20 dagen gewacht heeft om de beslissing zelfs maar ter kennis te brengen van de gemeente, dan mag men zich toch afvragen vanwaar die ultra korte onredelijke termijnopvatting van het Vlaams Gewest vandaan komt. Het gaat hier trouwens over een feitelijk iets: wat is redelijk, wat is onredelijk ? Nergens in de wetgeving over de procedure bij de Raad van State, of de stede(n)bouwwetgeving is er een normatieve aanduiding van wat de redelijke termijn inzake kennisneming concreet betekent. Meer specifiek echter als het gaat over een bouwvergunning, wordt in de rechtsleer inderdaad wel een veel kortere termijn vooropgesteld om zich te gaan informeren. Zo bv. wordt gesteld door J. Baert, ‘Enkele aspecten van de termijn om een annulatie- of schorsingsberoep in te stellen bij de Raad van State’, T.Gem., 1996, nr. 3 gesteld: ‘Inzonderheid inzake bouwvergunningen heeft de Raad van State van die regel veelvuldig toepassing gemaakt. Van zodra een derde op de hoogte is van het bestaan van een bouwvergunning of kan vermoeden dat er één is afgeleverd, dient hij het nodige te doen om ervan kennis te nemen. De termijn voor het indienen van een beroep neemt dus een aanvang de dag dat een omwonende of een andere belanghebbende kennis heeft van de inhoud van de bouwvergunning. Indien hij er geen kennis van heeft, moet hij vanaf het moment dat hij, aan de hand van wat hij ter plaatse van de bouwwerken heeft kunnen waarnemen, onder meer gelet op de aard van het bouwwerk en op de omstandigheden waarin het werd uitgevoerd, redelijkerwijze moest weten dat voor de uitvoering van zodanig werk een vergunning vereist is, binnen een redelijke termijn gebruik maken van het recht om op het gemeentehuis van de bestreden bouwvergunning inzage te nemen. Die redelijkheid staat in functie van de feitelijke omstandigheden en kan dus variëren, maar in de rechtspraak wordt meestal uitgegaan van een termijn van 15 kalenderdagen.’ (...). Verzoekers citeren J. Baert, en zijn het wel eens dat zij met een zekere redelijke spoed het nodige dienden te doen om op het gemeentehuis de vergunning te gaan inzien. De termijn van 15 dagen is wel te kort. Dertig dagen is volgens verzoekers, een veel redelijker termijn. Zoals gezegd was de vergunning evenwel pas op 4 mei 2001 op het gemeentehuis van Maasmechelen ter inzage. Binnen de 15 dagen vanaf het mediabericht konden verzoekers door het eigen toedoen van de verwerende partij, dan ook onmogelijk van de vergunning kennis gaan nemen op het gemeentehuis. Het onbehoorlijk bestuur van de verwerende partij zou dus voor verzoekers uitdraaien op laattijdigheid ? A.
  34. Tenslotte wensen verzoekers nog te benadrukken dat zij de schending van het gelijkheidsbeginsel art. 10 en 11 Grondwet en art. 14 van het B.U.P.O. verdrag inroepen, mocht men aannemen dat ten aanzien van de gemeente X-10.413-14/21 Maasmechelen de termijn voor een beroep tot vernietiging slechts inging vanaf 4 mei 2001, maar voor de derde belanghebbenden op een eerdere datum. Voor die verschillende berekening van termijn is er geen objectief en redelijk verantwoord criterium. Besluit: de exceptie van laattijdigheid is ongegrond. III.B. De argumenten opgeworpen door de vrijwillig tussenkomende partijen.
  35. Voorafgaandelijk. Verzoekers zijn van oordeel dat de tussenkomende partij geen wettig belang heeft bij de tussenkomst, omdat zij niet bewijst eigenaar te zijn van het gebied. Er zou wel een schenkingsa(k)te bestaan, maar deze bevindt zich niet in het dossier van de bouwaanvraag of het administratief dossier. Bovendien is niet aangetoond dat het bouwen van een klooster in een zeer beschermd groengebied past in het kader van de statutaire doelstellingen van de VZW Bisdom Hasselt, die toch de bouwheer is. Ook is het quasi niet toelaatbaar dat de tussenkomst er juist toe dient om de bouwvergunning in één van de meest beschermde en bijzondere gebieden van België te kunnen uitvoeren: natuurgebied speciale beschermingszone volgens de vogelrichtlijn gelegen in het landschapspark van de Hoge Kempen gelegen in het belangrijkste broed- gebied van de nachtzwaluw, een bedreigde vogelsoort temidden een uniek aaneengesloten geheel van natuur-en bosgebieden gelegen in een ontwerp van beschermd gebied volgens de regelgeving monumenten en landschappen Een bouwvergunning in strijd met een plan van aanleg verleent immers geen ‘rechten’ en dus ook geen rechtmatig belang. Ten vierde heeft de bouwheer geen openbaar onderzoek ingericht, zodat het streven naar behoud van deze bouwvergunning in aanvaring komt met een fundamenteel recht van inspraak van verzoekende partijen bij de besluit- vorming. U zal oordelen.
  36. De VTP (afkorting voor de vrijwillig tussenkomende partijen) schrijven (...) dat het weinig geloofwaardig is dat het bestuur zou nagelaten hebben om niet terzelfdertijd de aanvrager, gemachtigde ambtenaar en het CBS Maasmechelen in kennis te stellen. Repliek. (...).
  37. Het PV van vaststelling van 12 februari 1999 dat de geheimheid van het strafonderzoek zou schenden. Repliek. Dit stuk werd geenszins bekomen via het ‘kabinet’ of de minister. Het werd wel degelijk op rechtmatige wijze bekomen nl. via de gemeente. Bovendien hebben verzoekers geen weet van een strafonderzoek dat dan toch onder leiding zou moeten staan van het parket van Hasselt.
  38. De bewering dat er ‘zeer goede kontakten’ onderhouden worden met het bestuur van ruimtelijke ordening en/ of het kabinet. Repliek. Sommige verzoekers hebben met sommige administraties (bv administratie Aminal, afdeling natuur (...) goede contacten. Dit is niet ongewoon. Zo is iemand van VZW Natuurpunt de door hun raadsman aangevraagde stukken gaan ophalen bij de administratie: zie de verklaring van Steven Vanholme dd. 25 juni 2001, in het bundel aanvullende stukken. De heer Van Reusel kent alvast niemand van het bestuur ruimtelijke ordening of van het kabinet van de minister. Het zou trouwens wat bizar zijn X-10.413-15/21 dat de heer Van Reusel die de degens kruist over deze bouwproblematiek, goede contacten zou hebben met de auteur van de bouwvergunning. In deze heeft één en ander in ieder geval geen enkele impact gehad op de kennisneming van het bestreden besluit. De briefwisseling met de administratie bevindt zich trouwens in het bundel van mtr. Sebreghts: (...).
  39. De VTP verwijst dan ook naar allerlei krante(n)berichten, waarin verklaringen zouden zijn opgenomen van bv. de directeur van VZW Natuurreservaten, van Nicole Note, van Jan Van Reusel, ... Op blz. 10 wordt bv. verwezen naar een opinie-artikel van Jan Van Reusel in De Morgen. Het is juist dat er zo een artikel werd geschreven, maar dan meer bepaald als reactie op het ‘opinie-artikel’ van de wetstraatjournalist en commentator van het Belang van Limburg op Paaszaterdag ( het Belang had toen de ‘primeur’ van de afwijzing van de gemachtigde ambtenaar). De heer Van Reusel heeft via een fax aan de gemeente Maasmechelen (k)opie gevraagd van de bouwvergunning. Op 15 of 16 mei werd hij nl. gebeld door de heer Gust Feyen van de BBL met de vraag of hij de bouwvergunning al had. Jan Van Reusel is dan op 17 mei 2001 in de voormiddag bij de technische dienst van de gemeente Maasmechelen de bouwvergunning gaan inkijken. De leidend ambtenaar zei toen dat hij omwille van het ‘politiek geladen’ dossier niet zomaar stante pede het dossier kon laten inzien. Deze vroeg toen om een brief of een fax te sturen. Hij zou dan de vraag aan het schepe(n)college voorleggen. Bij thuiskomst heeft de heer Van Reusel onmiddellijk die fax gestuurd en daarna telefonisch geïnformeerd bij het hoofd van de technische dienst of die goed en leesbaar was aangekomen. De man vertelde toen dat de agenda van het schepe(n)college voor die week reeds volzet was, maar dat er waarschijnlijk plaats zou zijn in die van de volgende week. Hr. Van Reusel vermoedde dat één en ander op de lange baan zou geschoven worden, en heeft de schepen van wie hij vermoedde dat hij zou willen ‘helpen’ telefonisch gecontacteerd. Diezelfde dag of mogelijks de volgende dag (...) heeft de schepen aan de kopies geholpen en die (k)opies werden dan meteen doorgestuurd naar de voorzitter van de BBL, de heer Gust Feyen.
  40. Zoals hiervoor sub punt III.A reeds is gezegd: de berekeningswijze van de termijn om het annulatieberoep in te dienen, berust op onjuiste uitgangspunten. Besluit: de vordering is tijdig ingediend”; 2.
  41. Overwegende dat de verzoekende partijen in hun laatste memorie inzake de opgeworpen excepties van laattijdigheid nog stellen: “(...). De eerste en belangrijke zin (...) is (...): ‘Verzoekers hebben vroegstens op 4 mei 2001 gebruik kunnen maken van de mogelijkheid om op het gemeentehuis van Maasmechelen kennis te nemen van de bouwvergunning die was afgeleverd.’ Het is immers die datum die volgens verzoekende partijen het vroegste uitgangspunt kan zijn voor de termijn van 60 dagen. Zie ook nog verder de impact van art. 63 Stedenbouwwet en het K.B. 22 oktober 1971 en de rechtspraak van Uw Raad hierover. X-10.413-16/21 (...) 2.
  42. Een betekening is vereist, zij het enkel aan de ‘partijen’ (art. 53 par. 2 vierde lid van het decreet ruimtelijke ordening 22 oktober 1996) . Als partijen i.c. zijn er naast de bouwheer uiteraard ook de gemeente Maasmechelen, de provincie Limburg en de gemachtigde ambtenaar die het hoger beroep instelde. Zie ook de vermelding van de partijen die werden gehoord. (...) De betekening aan de bouwheer gebeurde op 17 april
  43. De betekening aan de overheden op 3 mei
  44. Dat er een verschil zat op de datum van betekening mag een verrassing genoemd (al dan niet moedwillig en teneinde derden belanghebbenden te misleiden) . Immers mochten verzoekers als derden vermoeden dat er een gelijktijdige betekening had plaatsgevonden. Immers de brief van G. Steyvers (AROHM) van 3 mei 2001 vermeldde: ‘Mijn afdeling notificeert het besluit aan de verzoeker en stuurt een afschrift aan de bestendige deputatie en de gemachtigde ambtenaar.’ Wie dit leest, denkt dat de notificatie gelijktijdig gebeurde. Anders zou er staan. ‘notificeerde’ of ‘notificeerde op 17 april 2001’ het besluit aan de verzoeker. De betekening aan de gemeente Maasmechelen van 3 mei 2001 was bovendien conform art. 19 lid 2 van de gecoördineerde wetten, want vermeldde de beroepsmogelijkheden. Dit is belangrijk voor de vierde verzoekende partij optredend ‘namens en in de plaats van de gemeente Maasmechelen’. Deze vordering is in elk geval tijdig alleen reeds om die reden, ook al zouden er andere redenen zijn tot niet(-)ontvankelijkheid, quod non. (...)
  45. Concreet! Vierde verzoekster Gemeente Maasmechelen, i.c. vertegen- woordigd door Jan Van Reusel, had kennis op 4 mei
  46. (...). De heer Jan Van Reusel in eigen naam, vanaf 17 mei
  47. (...). De andere verzoekers korte dagen nadien. Zie bv. stuk IV/9, zijnde het verslag van de Raad van Bestuur van de BBL, dd. 30 mei 2001, punt 6: ‘De voorzitter meldt dat BBL inmiddels beschikt over de bouwvergunning; we beschikken nu nog over minder dan 60 dagen de tijd om een juridische actie effectief op te starten.’
  48. Volgens vaste rechtspraak is het aan de verwerende partijen om het tegendeel te bewijzen. Bovendien moet het bewijs geleverd worden van de kennis van de vergunning zelf, de bouwplannen, en de draagwijdte van de vergunning hetgeen in de pra(k)tijk neerkomt op kennis van de vergunning zelf. 3.
  49. Door te verwijzen naar de krantenberichten van medio april-einde april 2001 is niet bewezen dat verzoekers kennis hadden van de bouwvergunning, t.t.z. van de inhoud en de draagwijdte ervan, i.c. middels een besluit van 4 blz. overwegingen. Daarin is bv. niets gezegd over het discussiepunt of de bouwaanvraag wel volledig was (zie het M.B. blz. 2); evenmin over de beoordeling van de verenigbaarheid van de aanvraag met de bestemming als groenzone en met art. 20 van het K.B. 28 december 1972 (blz. 3 van het M.B). 3.
  50. Vertegenwoordiging van de rechtspersoon...? Het is een open deur intrappen dat een milieuvereniging vertegenwoordigd door haar wettelijk orgaan (de Raad van Bestuur ). Wanneer sommige zegslieden van de vereniging spreken, in feite en ‘in rechte’, spreekt daarmee nog niet het volgens de VZW-wet bevoegde orgaan van die vereniging. (...) Het is aldus bv. geenszins bewezen dat bv. Hans Scheirlinck heeft gesproken namens de Raad van bestuur van de VZW Vereniging voor Bos in Vlaanderen. X-10.413-17/21 Evenmin dat Gust Feyen en /of Danny Jacobs hebben gesproken namens de Raad van Bestuur van de VZW Bond Beter Leefmilieu. De heer Jacobs is trouwens geen bestuurslid van de BBL. (...) 3.
  51. En of de krante(n)artikelen de juiste en volledige verklaringen hebben weergegeven: wie steekt daarvoor zijn hand in het vuur ? (...) 3.
  52. Welke ‘kennis’ blijkt uit die krante(n)artikelen ? Uit de citaten (...) blijkt overigens geenszins dat verzoekers kennis hadden van de inhoud, de plannen en de draagwijdte van de vergunning. Zo ook zeer duidelijk Jan Van Reusel: ‘Ik ga in ieder geval onderzoeken welke mogelijkheden ik heb om eventuee(l) opnieuw naar de Raad van State te stappen. ( ... ) . ‘Het is momenteel echter nog niet duidelijk of we nog iets kunnen doen.( ... ).’ Deze oprispingen, eerste reacties nadat in de weekendkrant van het Belang dd. 14-15-16 april 2001 de eerste berichtgeving was verschenen, bewijzen hooguit dat sommige verzoekers verbolgen waren en het daarbij niet zouden laten. Een normale reactie. Voor de milieuverenigingen en Jan Van Reusel was de zaak niet voldongen, de krante(n)koppen zoals ‘Het klooster van Opgrimbie mag blijven’ ten spijt. Hooguit is het dan (...) dat ‘de verzoekende partijen reeds enkele dagen nadat de ministeriële beslissing genomen werd, van het bestaan daarvan afwisten, ...’ 3.
  53. Een bewijs van kennisneming volgt wel ingevolge de brief van 3 mei 2001 aan het CBS Maasmechelen: (...). Specifiek ten aanzien van de gemeente Maasmechelen, voor wie Jan Van Reusel optreedt: hier is er wel degelijk een onomstotelijk bewijs dat de termijn van 60 dagen reeds inging op 4 mei
  54. 3.
  55. Ten aanzien van BBL is er ook een formeel bewijs van kennisneming, nl. stuk IV/9: zeker op 30 mei 2001 had zij kennis (in feite vroeger, nl. enkele dagen na de 17 de mei 2001). Ten aanzien van Jan Van Reusel: 17 mei 2001 (...). Besluit: vermits niet bewezen is dat het verzoekschrift werd ingediend meer dan 60 dagen nadat verzoekers kennis hadden van het M.B. is de vordering ontvankelijk. (...) Repliek. 3.
  56. Verzoekers betwisten niet dat, in het algemeen gesproken, partijen en burgers ‘waakzaam’ moeten zijn, maar ook hier geldt redelijkheid en moet men naar de omstandigheden kijken. Burgers of verenigingen moeten trachten kennis en informatie te verwerven. (...) -- Maar wat is onredelijk en onwaakzaam aan een partij die gebruik maakt van de wettelijk ingebouwde informatie naar het gemeentebestuur toe ? Daar moest in elk geval de vergunning betekend worden. Dit wisten alle verzoekers en daar hebben zij op gewacht. Cfr. Het K.B. van 22 oktober 1971 ter uitvoering van art. 63 stedenbouwwet. Is het onwaakzaam om daarop gewacht te hebben ? De milieuverenigingen hielden nl. ook Uw inmiddels bekende rechtspraak in gedachten over de mogelijkheid die men moet te baat nemen om de vergunning op het gemeentehuis te gaan inzien. (...). Maar welke zin heeft het een vergunning te gaan inzien die er eerst op 4 mei 2001 is toegekomen, dus ong. 3.weken later, en dit trouwens binnen een redelijke termijn vanaf datum beslissing dd. 13.04.2001 ? (...)
  57. Volledigheidshalve. X-10.413-18/21 De zesde verzoekende partij heeft geen enkele verklaring aan de pers afgelegd. Zij wachtte logischerwijze op wat er zou toekomen op het gemeentehuis van Maasmechelen. (...) F. Verzoekers beschouwen de 4de mei 2001 als de vroegste uitgangsdatum voor de berekening van de vervaltermijn van 60 dagen. (...)
  58. De 4de mei 2001 is evenwel de dag waarop de bouwvergunning aan het gemeentebestuur van Maasmechelen werd betekend. Zie datumstempel van ontvangst op bijlage. Voor verzoekers kan ten vroegste deze datum in aanmerking komen omdat de mogelijkheid tot kennisneming van de bouwvergunningen op het gemeentehuis nog steeds het aanknopingspunt vormt om de tijdige indiening te beoordelen. Dit blijkt duidelijk nog uit recente rechtspraak van Uw Raad, bv. (...) Besluit: de vordering is tijdig ingesteld”; 2.
  59. Overwegende dat de verwerende partij in haar laatste memorie met betrekking tot de tijdigheid van het beroep niets wezenlijks meer toevoegt aan haar argumentatie; 2.7.
  60. Overwegende dat op het ogenblik dat het bestreden besluit werd genomen nog de oorspronkelijke tekst van artikel 4, derde lid van het algemeen procedurereglement gold; dat daarin was bepaald: “De beroepen bedoeld bij artikel 9 (lees: 14) van de wet verjaren zestig dagen nadat de bestreden akten, reglementen of beslissingen werden bekendgemaakt of betekend. Indien ze noch bekendgemaakt noch betekend dienen te worden, gaat de termijn in met de dag waarop de verzoeker er kennis heeft van gehad”; 2.7.
  61. Overwegende dat aan derden-belanghebbenden geen kennisgeving van het bestreden besluit moet worden gegeven; dat het Coördinatiedecreet niet voorschrijft dat stedenbouwkundige vergunningen aan derden moeten worden betekend; dat ten aanzien van hen, overeenkomstig artikel 4, derde lid, tweede zin van het algemeen procedurereglement, de annulatietermijn dan ook pas ingaat met de dag waarop ze van de vergunning kennis hebben of ervan kennis kunnen hebben; Overwegende dat het zaak is van de partij die beweert dat de verzoekende partij sedert meer dan zestig dagen vóór het instellen van het beroep kennis had of kon hebben van de bestreden vergunning, het bewijs daarvan te leveren; X-10.413-19/21 2.7.
  62. Overwegende dat het toentertijd geldende artikel 2 van het koninklijk besluit van 22 oktober 1971 tot uitvoering van artikel 63 van de wet van 29 maart 1962 houdende organisatie van de ruimtelijke ordening en van de stedenbouw, gewijzigd bij de wetten van 22 april 1970 en 22 december 1970 bepaalde dat gedurende ten minste twee dagen per week, door de gemeentebesturen te bepalen, derden belanghebbenden op het gemeentehuis inzage kunnen nemen van de inhoud van de afgegeven bouw- en verkavelingsvergunningen; dat de beroeps- termijn voor derden belanghebbenden derhalve in beginsel pas een aanvang kan nemen vanaf het ogenblik van de mogelijkheid tot inzage van de vergunning op het gemeentehuis; dat uit een brief van 3 mei 2001, ingekomen ten gemeentehuize op 4 mei 2001, blijkt dat het bestreden besluit pas op 4 mei 2001 op het gemeentehuis is aangekomen; dat de beroepstermijn derhalve in principe niet vóór die datum begon te lopen; Overwegende dat de exceptie zoals uiteengezet door de verwerende en de tussenkomende partij geen afdoende argumenten bevat die toelaten om af te wijken van voormeld beginsel; dat de excepties ongegrond zijn, BESLUIT: Artikel
  63. Het verzoek tot tussenkomst van Paul SCHRUERS wordt afgewezen. Het verzoek tot “voortzetting” van de tussenkomst van Patrick HOOGMARTENS wordt afgewezen. Artikel
  64. De debatten worden heropend. Artikel
  65. Het door de auditeur-generaal aangewezen lid van het auditoraat wordt gelast met het aanvullend onderzoek. X-10.413-20/21 Artikel
  66. De kosten van het verzoek tot tussenkomst vanwege Paul SCHRUERS, bepaald op 125 euro, komen ten laste van hemzelf. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op negentien mei 2008, door de Xe kamer, die was samengesteld uit : de HH. R. STEVENS, kamervoorzitter, J. BOVIN, staatsraad, D. MOONS, staatsraad, Mevr. A. TRUYENS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. TRUYENS. R. STEVENS. X-10.413-21/21 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.182.997 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2002:ARR.105.340 gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.192.085 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.