← België

Arrest 183003 - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan - 19/05/2008

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 19 mei 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.183.003 Rolnummer: A. 136520/IX-3787 Zaak: Arrest 183003 - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan - 19/05/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-05-30 Raadplegingen: 59 - laatst gezien 2026-06-29 08:04 Fiche Arrest nr 183.003 van 19 mei 2008 Openbaar ambt - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 183.003 van 19 mei 2008 in de zaak A. 136.520/IX-

  1. In zake : Nicole LAUREINS, die woonplaats kiest bij advocaten W. VAN DER GUCHT en F. DIEU, kantoor houdende te GENT, Sint-Denijslaan 201 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken, die woonplaats kiest bij de Federale Politie DGP/DPS, gevestigd te BRUSSEL, Fritz Toussaintstraat
  2. tussenkomende partij : Chantal HOOTELE, wonende te MIDDELKERKE, Fleriskotstraat
  3. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Nicole LAUREINS op 9 mei 2003 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit waarbij Chantal HOOTELE wordt aangesteld als bediende niveau D bij de federale politie DAC- SPN-Brigade Oostende; Gezien het verzoekschrift tot tussenkomst van Chantal HOOTELE; Gelet op de beschikking van 11 juli 2003 die de tussenkomst van Chantal HOOTELE toelaat; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur H. COLIN; IX-3787-1/10 Gelet op de beschikking van 18 september 2006 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de regelmatig gewisselde laatste memories; Gelet op de beschikking van 2 april 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 28 april 2008; Gehoord het verslag van staatsraad A. VANDENDRIESSCHE; Gehoord de opmerkingen van advocaat F. DE MIL die, loco advocaat W. VAN DER GUCHT verschijnt voor verzoekster, en van adviseur K. PEETERS, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur H. COLIN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, OVERWEEGT WAT VOLGT : De feiten 1.
  4. Verzoekster is tewerkgesteld als bediende niveau D bij het administratief en logistiek kader (CALog) van de federale politie, CSD Brugge. 1.
  5. Op 12 september 2002 stelt verzoekster zich in het kader van de mobiliteitsregeling kandidaat voor de betrekking van bediende niveau D in het administratief en logistiek kader van de federale politie, DAC-SPN-Brigade Oostende (scheepvaartpolitie). Op 17 september 2002 stelt ook Chantal HOOTELE, de tussenkomende partij, zich kandidaat voor die betrekking. Zij is op dat ogenblik schoonmaakster niveau D bij SPN Oostende. IX-3787-2/10 1.
  6. In de oproep tot kandidaatstelling voor deze betrekking wordt onder het luik “functiebeschrijving” gesteld : “Medewerker van het plaatselijke hoofd administratie, logistiek en personeelsbeheer; inbrengen van gegevens in databanken; klasseren van allerlei documenten”. Wat het “gewenst profiel” betreft wordt gesteld: “In team kunnen werken; kennis van het gebruik van een PC en de bureauticasoftware “Office” (Word, Excel, Access, Powerpoint)”. 1.
  7. Naar aanleiding van de kandidaatstelling van verzoekster brengt de verantwoordelijke van de dienst waar zij tewerkgesteld is advies uit met eindvermelding “goed”. Zijn samenvattende motivering luidt als volgt: “Mevrouw Laureins kenmerkt zich als een sterke persoonlijkheid met een joviaal karakter. Als verantwoordelijke voor de briefwisseling en de vatting, klassering en opvolging van de afwezigheden, slaagt zij erin de haar opgelegde taken binnen de opgelegde termijnen uit te voeren. Zij is bovendien polyvalent inzetbaar, ook buiten de normale diensturen waardoor zij een meerwaarde betekent binnen de zuil personele en logistieke coördinatie.” Over de tussenkomende partij worden volgende “beschouwingen voor advies” gegeven : “Betrokkene oefent tot ieders tevredenheid de functie uit van schoonmaakster in SPN Oostende. Zij volgt op eigen initiatief reeds het tweede jaar cursus om het ‘Officepakket’ onder de knie te krijgen. Zij bezit dus de elementaire kennis van Word, Exell, Powerpoint en Acces. Het strekt haar tot eer dat zij reeds op initiatief een cursus ‘Office’ volgt in de burgerij.” 1.
  8. Met een brief van 30 december 2002 worden de beide kandidaten uitgenodigd om op 16 januari 2003 aanwezig te zijn voor een interview met betrekking tot hun kandidaatstelling en hun vaardigheden. 1.
  9. Met een brief van 28 januari 2003 bezorgt de commissaris van politie, die samen met twee bijzitters op 16 januari 2003 het selectiegesprek afnam, het verslag van dat gesprek aan de CALogdienst van de directie van de mobiliteit en het loopbaanbeheer. Dat verslag bestaat uit een proces-verbaal van de afgenomen interviews en uit een advies over de twee kandidaten. De voorkeur wordt gegeven aan de tussenkomende partij. IX-3787-3/10 1.
  10. Op 20 februari 2003 ondertekent de commissaris-generaal van de federale politie het voorstel van de administratie om de tussenkomende partij in de vacante betrekking aan te stellen voor akkoord. 1.
  11. In het personeelsbulletin van 11 maart 2003 wordt de toewijzing van de betrekking van bediende bij SPN Oostende aan de tussenkomende partij bekendgemaakt. De grond van de zaak
  12. In het eerste middel voert verzoekster de schending aan van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen. Zij betoogt dat de bestreden beslissing haar niet ter kennis gebracht werd, dat zij bijgevolg niet weet waarom de tussenkomende partij de voorkeur gekregen heeft en dat zij niet kan uitmaken of de verwerende partij de titels en de verdiensten van de kandidaten vergeleken heeft. Zij kan zelfs niet uitmaken of de tussenkomende partij de wettelijke en reglementaire benoemingsvoorwaarden vervult.
  13. De verwerende partij antwoordt dat het bestreden besluit verwijst naar het proces-verbaal van het selectie-interview en naar het gemotiveerd advies van de selectiecommissie, waarin duidelijk uiteengezet is waarom de tussenkomende partij de voorkeur krijgt. Zij stelt ook dat het bestreden besluit, als voorgeschreven, in het Personeelsbulletin bekendgemaakt is. De tussenkomende partij onderschrijft die redenering. Zij voegt eraan toe dat uit het verzoekschrift blijkt dat verzoekster wel degelijk de motieven van het bestreden besluit kende. Immers, haar vakbondsafgevaardigde heeft om de motivering gevraagd en er is hem geantwoord dat uit het rapport van de selectiecommissie blijkt dat beide kandidaten geschikt waren bevonden maar dat de voorkeur naar de tussenkomende partij gegaan is. De vakbondsafgevaardigde heeft een kopie van dat rapport kunnen inkijken, daardoor kende verzoekster de motivering en heeft zij geen belang bij het inroepen van het middel.
  14. Verzoekster repliceert dat haar vakbondsafgevaardigde het volledige mobiliteitsdossier niet heeft kunnen inkijken, dat zij pas bij de inzage van het administratief dossier bij de Raad van State kennis heeft kunnen nemen van het IX-3787-4/10 proces-verbaal van het selectie-interview en van het advies van de selectiecommissie. Nochtans moeten de motieven uit de beslissing zelf blijken. Overigens blijkt uit dat advies niet dat de titels en de verdiensten van de twee kandidaten effectief vergeleken zijn -er wordt enkel een opsomming gegeven van de titels en de verdiensten van de tussenkomende partij- en wordt er niet aangegeven waarom de tussenkomende partij de voorkeur gekregen heeft.
  15. In haar laatste memorie bevestigt verzoekster dat zij bij het indienen van haar beroep geen kennis had van de bestreden beslissing, noch van het feit dat deze beslissing steunde op het advies van de selectiecommissie, waarvan zij overigens evenmin kennis had. Zij betwist evenwel dat de verwerende partij de verplichting niet zou hebben om haar in kennis te stellen van de motieven, maar dat zij die motieven door de inzage van het administratief dossier zou kunnen vernemen om daartegen dan een nieuw middel te ontwikkelen. Volgens de bestreden beslissing gaat de commissaris-generaal akkoord met het voorstel van de selectiecommissie, maar die motivering is niet deugdelijk omdat zij van dat voorstel geen kennis gekregen heeft. Bovendien kan uit het feit dat zij kritiek uitbrengt op de motieven van het bestreden besluit niet afgeleid worden dat zij afstand doet van het middel. Ingaan op het middel kan haar een voordeel opleveren, bijvoorbeeld omdat de verwerende partij, na een vernietiging, kan besluiten de benoemingsprocedure over te doen.
  16. De verwerende partij herhaalt in haar laatste memorie dat verzoekster geen belang meer heeft bij het middel omdat zij inmiddels de motieven kent en het middel heeft kunnen uitbreiden tot de inhoud van de motieven.
  17. De ontvankelijkheid van het middel wordt betwist omdat verzoekster bij het indienen van het beroep daadwerkelijk kennis gehad zou hebben van de motieven die aan het bestreden besluit ten grondslag lagen. De verwerende en de tussenkomende partij leveren evenwel geen enkel bewijs van hun stelling. Ook uit het administratief dossier kan niet opgemaakt worden dat verzoekster zelf of de vakbondsafgevaardigde die haar zaak behartigde, ooit in kennis gesteld is van de beslissing van de commissaris-generaal om de motieven van de selectiecommissie tot de zijne te maken of van het advies van de selectiecommissie. De exceptie is niet gegrond. IX-3787-5/10
  18. Overeenkomstig artikel 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen moeten individuele beslissingen van het bestuur op afdoende wijze de juridische en feitelijke overwegingen vermelden die eraan ten grondslag liggen.
  19. Te dezen heeft de commissaris-generaal van de federale politie op 20 februari 2003 het voorstel van de selectiecommissie, waarbij vastgesteld is dat de tussenkomende partij “geschikt wordt bevonden” en dat zij “de eerste plaats bekleedt” voor de mobiliteit naar de betrekking van bediende niveau D te Oostende, terwijl verzoekster voor die betrekking “geschikt wordt bevonden” maar “niet batig gerangschikt”, zonder nadere commentaar voor akkoord ondertekend. Hij heeft zich dus aangesloten bij de uiteenzetting van de selectiecommissie en de motieven van de selectiecommissie tot de zijne gemaakt.
  20. Dergelijke motivering bij verwijzing voldoet aan de voorschriften van de wet van 29 juli 1991 wanneer het stuk waarnaar verwezen wordt zelf een afdoende motivering bevat. Dit is te dezen het geval: de selectiecommissie heeft, voortgaande op de resultaten van het interview -waarvan zij een proces-verbaal opgesteld heeft- aangenomen dat de tussenkomende partij ambitieus, leergierig en taalvaardig is, dat zij “het volledige officepakket” op eigen initiatief gevolgd heeft, dat zij lessen Nederlands gevolgd heeft, dat zij zo nodig full-time wil werken en dat zij volledig geïntegreerd is in de eenheid, terwijl verzoekster wel veel ervaring heeft met administratief werk maar dat haar talenkennis en kennis van de computer beperkter is terwijl zij niet echt blijk geeft van ambitie. Uit het advies van de selectiecommissie over de twee kandidaten blijkt aldus duidelijk dat de aanspraken van de twee kandidaten vergeleken zijn, dat de selectiecommissie meer gedaan heeft dan een opsomming geven van de kwaliteiten van de tussenkomende partij en dat het advies wel degelijk toelaat te begrijpen waarom de tussenkomende partij benoemd is. Het middel is niet gegrond.
  21. In het tweede middel voert verzoekster de schending aan van het redelijkheids- en het zorgvuldigheidsbeginsel. Zij stelt dat zij 28 jaar ervaring heeft in administratieve en logistieke functies die gelijkaardig zijn aan de hier begevene terwijl de tussenkomende partij die ervaring niet heeft. Aangezien zij aldus direct zichtbaar grotere aanspraken op de benoeming kan doen gelden, heeft de verwerende partij met de benoeming van de tussenkomende partij het redelijkheidsbeginsel geschonden. Bovendien is de vergelijking van de titels en IX-3787-6/10 verdiensten niet met de vereiste grondigheid gebeurd, want haar interview is kort gehouden en er is daarbij enkel gepeild naar haar antecedenten en haar motivatie, terwijl er slechts een zeer beperkt onderzoek gebeurd is naar haar kennis van de bureauticasoftware en andere vaardigheden die een meerwaarde konden vormen, zoals haar talenkennis, nauwelijks aangeraakt werden.
  22. De verwerende partij antwoordt dat het bestuur autonoom de verschillende beoordelingscriteria en het onderling belang ervan vaststelt. Het bestuur handelt redelijk wanneer het de voorkeur geeft aan een kandidaat die weliswaar een geringere anciënniteit heeft, maar die reeds werkzaam is op de betrokken dienst. In dit geval is de voorkeur aan de tussenkomende partij gegeven op grond van verschillende overwegingen, zoals haar vertrouwdheid met de werking van de dienst, haar initiatief om het pakket “Office” te volgen en haar grote ambitie. Verzoekster daarentegen is niet vertrouwd met de werking van de dienst en volgde niet het volledige pakket “Office”, maar enkel Word en Excel. Waar verzoekster opmerkt dat het selectie-interview niet kon volstaan om de voorkeur voor de tussenkomende partij te verantwoorden, stelt de verwerende partij dat rekening gehouden is met wat de kandidaten in hun mobiliteitsdossier vermeld hebben, dat zij er mocht van uit gaan dat die gegevens correct waren en dat het uiteindelijk het bestuur is dat uitmaakt aan welke criteria het belang hecht om de benoeming te verrichten.
  23. Verzoekster benadrukt in haar memorie van wederantwoord dat zij 28 jaar ervaring heeft in een administratieve en logistieke functie terwijl de tussenkomende partij als onderhoudswerkvrouw gewerkt heeft, wat bezwaarlijk toelaat te spreken van een bijzondere vertrouwdheid met de dienst. De verwerende partij heeft onzorgvuldig gehandeld door haar 28-jarige ervaring te herleiden tot eenvoudigweg een grotere anciënniteit en de tewerkstelling van de tussenkomende partij op te waarderen tot een bijzondere vertrouwdheid met de dienst. Daarmee worden haar titels en verdiensten geminimaliseerd en deze van de tussenkomende partij gemaximaliseerd zonder dat daarvoor een objectieve verantwoording bestaat. In ieder geval duidt de verwerende partij niet aan welke criteria haar beoordeling decisief bepaald hebben en heeft zij het redelijkheids- en zorgvuldigheidsbeginsel miskend.
  24. In haar laatste memorie stelt verzoekster nog dat, zo aangenomen kan worden dat haar in redelijkheid grotere aanspraken terzijde geschoven konden IX-3787-7/10 worden wegens de kwaliteiten van de tussenkomende partij op het vlak van haar talen- en informaticakennis en haar ambitie, zulks maar wettig kon gebeuren na een grondige vergelijking van de kandidaten op die criteria en na de vaststelling dat de tussenkomende partij de beste score behaalde. Het valt niet in te zien hoe de selectiecommissie op grond van het korte gesprek met de kandidaten heeft kunnen besluiten dat de tussenkomende partij over een betere talen- en informaticakennis beschikte dan verzoekster. Zij heeft zich dus gesteund op wat de kandidaten dienaangaande zelf hebben verklaard en zij heeft alleen maar oog gehad voor de wijze waarop de kandidaten zichzelf aan de man konden brengen.
  25. Bekeken vanuit het oogpunt van de opgedane ervaring kan met verzoekster worden aangenomen dat zij in vergelijking met de tussenkomende partij direct grotere aanspraken kan doen gelden op de toewijzing van de betrekking te Oostende, die betrekking heeft op administratief werk. Immers, verzoekster is in de openbare dienst tewerkgesteld sinds 1 oktober 1974 en zij heeft ervaring in een administratieve functie bij de politie. De tussenkomende partij daarentegen blijkt sinds 1989 tewerkgesteld te zijn in een functie van hulpkracht, werkzaam in het stelsel van de vrijwillige vierdagenweek als schoonmaakster. De selectiecommissie heeft deze grotere aanspraken van verzoekster onderkend waar zij in haar advies over verzoekster aangegeven heeft dat zij “zeer veel ervaring met administratief werk” heeft.
  26. Het bezit van dergelijke op het eerste gezicht grotere aanspraken op benoeming houdt voor de verwerende partij de verplichting niet in om verzoekster te benoemen. Zij mag immers oog hebben voor andere beoordelingscriteria en de betere beoordeling van de tussenkomende partij op dat vlak laten primeren. Het redelijkheidsbeginsel kan slechts miskend zijn wanneer de verwerende partij de grotere aanspraken van verzoekster terzijde geschoven heeft op grond van criteria die kennelijk geen verband houden met de te begeven functie of die kennelijk geen groter belang vertonen dan het criterium van de ervaring. De Raad van State beschikt ter zake slechts over een marginaal toezicht.
  27. De selectiecommissie -en met haar de commissaris-generaal- heeft de voorkeur gegeven aan de tussenkomende partij omdat zij ambitieus, leergierig en taalvaardig is, omdat zij het “volledige officepakket” gevolgd heeft en ook nog lessen Nederlands volgt “omdat zij van oorsprong Franstalig is”. Aangestipt wordt ook dat zij “zelfs bereid is terug full-time te gaan werken” en dat zij bovendien IX-3787-8/10 “reeds volledig geïntegreerd is in de eenheid”. Verzoekster daarentegen heeft volgens de commissie een meer beperkte talenkennis, een geringere kennis van het werken met de computer en zij vertoont een gebrek aan ambitie.
  28. De selectiecommissie verantwoordt de voorkeur voor de tussenkomende partij met verwijzing naar verschillende criteria waarop zij beter scoort dan verzoekster. Het wordt niet betwist dat deze criteria relevant zijn om de kandidaten voor de bestreden benoeming te waarderen en te onderscheiden. Vraag is dan of de verwerende partij haar beoordelingsbevoegdheid op flagrante wijze overschreden heeft door deze criteria te laten primeren op dat van de ervaring in een administratieve functie.
  29. In het profiel van de kandidaten dat met de mededeling van de vacature verspreid werd, is expliciet vermeld dat de kandidaten “kennis (moeten hebben) van het gebruik van een PC en de bureauticasoftware ‘Office (Word, Excel, Access, Powerpoint)’”. Het bestaan van dergelijk formeel voorschrift is evident een belangrijk beoordelingscriterium voor de toewijzing van de betrekking. Daartegenover staat dat dezelfde profielvereisten geen melding maken van enige ervaring in een administratieve functie. Aan het bestuur kan dan ook niet verweten worden dat het onredelijk gehandeld heeft door de voorkeur te geven aan het criterium van de softwarekennis boven het criterium van de ervaring. Aangezien de selectiecommissie vastgesteld heeft dat de tussenkomende partij voldeed aan de profielvereiste -zij heeft het volledige pakket ‘Office 97’ gevolgd-, terwijl verzoekster enkel Word ‘97 en Excel gevolgd heeft, heeft de verwerende partij niet kennelijk onredelijk gehandeld wanneer zij, ondanks de langere ervaring van verzoekster, de benoeming aan de tussenkomende partij toegekend heeft. Het eerste onderdeel van het middel is niet gegrond.
  30. Volgens verzoekster is de vergelijking van de titels en verdiensten van de kandidaten niet grondig gebeurd. Met name heeft zij tijdens het selectiegesprek enkel kunnen spreken over haar professioneel verleden en over haar motivatie, maar haar kennis van de bureauticasoftware is onvoldoende onderzocht en er is ook niet gesproken over haar andere vaardigheden.
  31. Uit het proces-verbaal van het selectie-interview, dat in het administratief dossier neergelegd is, blijkt dat de selectiecommissie aan de kandidaten vier vragen gesteld heeft, waarvan de eerste was: “Stel u zelf voor en IX-3787-9/10 geef 3 zwakke en 3 sterke punten van u”. Verzoekster heeft aldus de gelegenheid gekregen de commissie van haar mogelijkheden te overtuigen. Haar uiteenzetting was duidelijk en liet de commissie toe zonder verder onderzoek een beslissing te nemen. Verzoekster zet overigens niet uiteen op welk vlak zij niet alle gewenste gegevens ter kennis van de selectiecommissie heeft kunnen brengen. Er kan aan de verwerende partij geen onzorgvuldigheid in de besluitvorming verweten worden. Het tweede onderdeel van het middel is niet gegrond. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
  32. Het beroep wordt verworpen. Artikel
  33. De kosten van het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 175 euro, komen ten laste van verzoekster. De kosten van de tussenkomst, bepaald op 125 euro, komen ten laste van de tussenkomende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op 19 mei 2008, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : de HH. P. LEMMENS, kamervoorzitter, A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, D. MOONS, staatsraad, W. GEURTS, griffier. De griffier, De voorzitter, W. GEURTS. P. LEMMENS. IX-3787-10/10 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.183.003 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.