id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 20 mei 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.183.020 Rolnummer: A. 181608/XIV-28770 Zaak: Arrest 183020 - Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen - 20/05/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-06-03 Raadplegingen: 57 - laatst gezien 2026-06-29 08:04 Fiche Arrest nr 183.020 van 20 mei 2008 Vreemdelingen - Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 183.020 van 20 mei 2008 in de zaak A. 181.608/XIV-28.
- In zake : XXX, die woonplaats kiest bij advocaat O. GRAVY, kantoor houdende te 5000 NAMEN, Rue Pépin 14 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken. ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- -- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Russische nationaliteit, op 9 maart 2007 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van 1 februari 2007 van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen; Gelet op de beschikking nr. 364 van 27 maart 2007 waarbij het cassatieberoep toelaatbaar wordt verklaard; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en wederantwoord; Gelet op artikel 16 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur R. VERCRUYSSEN, op grond van artikel 16 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van dat verslag aan de partijen; Gelet op de beschikking van 19 juli 2007 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 7 november 2007; Gehoord het verslag van staatsraad C. ADAMS; XIV-28.770-1/6 Gehoord de opmerkingen van advocaat S. VAN EETVELDT, die loco advocaat O. GRAVY verschijnt voor de verzoekende partij en van advocaat S. FIERENS, die loco advocaat C. DECORDIER verschijnt voor de minister van Binnenlandse Zaken; Gehoord het eensluidend advies van adjunct-auditeur R. VAN DEN EECKHOUT; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Overwegende dat de verzoekende partij in een enig middel de schending van artikel 149 van de Grondwet, van de artikelen 51/4 en 57/22 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet), van artikel 3 van het koninklijk besluit van 19 mei 1993 tot regeling van de werking van en de rechtspleging voor de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen en van “het beginsel van rechtmatig vertrouwen en juridische veiligheid” opwerpt en dit als volgt toelicht: “(...) Voor zover: De tegenpartij heeft overgewogen dat het verzoekschrift neergelegd op 13 september 2006 voor haar onontvankelijk was aangezien het in het Frans was opgesteld, terwijl het in de taal van de rechtspleging moest worden opgesteld, bepaald in overeenstemming met artikel 51/4 van de wet van 15 december 1980, namelijk, het Nederlands; Hoewel: Artikel 51/4, §3 van de wet van 15 december 1980 is niet van toepassing op de vreemdeling of zijn advocaat; Dat zodoende uw Hoog Rechtscollege in zijn arrest van 22 april 2003 nr 118.509 heeft overgewogen dat: ‘artikel 51/4, §3, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen heeft enkel betrekking op het gebruik van de talen door de overheden bepaald bij bovengenoemd artikel en betreft de taal niet waarin de beroepen door de vreemdeling of zijn advocaat ingediend worden’; Dat bovendien, de wet van 15 december 1980, zoals ze van kracht was bij het indienen van het verzoekschrift, namelijk in september 2006, geen strafmaatregel voorziet als de taal gebruikt bij de rechtspleging voor de Vaste Beroepscommissie voor Vluchtelingen niet overeenstemt met de taal van het behandelen van de asielaanvraag; Dat het Koninklijk Besluit van 19 mei 1993 tot regeling van de werking van en de rechtspleging voor de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen, gewijzigd bij het Koninklijk Besluit van 10 november 2005, geen mogelijke strafmaatregel bepaalt als het verzoekschrift neergelegd voor de Vaste Beroepscommissie voor Vluchtelingen niet overeenstemt met de taal van de rechtspleging, zoals bepaald in overeenstemming met artikel 51/4 van de wet van 15 december 1980; Dat bijgevolg, de tegenpartij het verzoekschrift van de verzoeker niet onontvankelijk kon verklaren ; Dat bovendien, door een dergelijke beslissing te nemen, de tegenpartij het rechtmatige vertrouwen van de verzoeker helemaal gebroken heeft, vermits ze jarenlang uitspraak heeft gedaan over verzoekschriften in het Frans ingediend, terwijl de beslissingen genomen door het XIV-28.770-2/6 Commissariaat Generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen in het Nederlands opgesteld waren; Dat men als voorbeeld een beslissing kan vermelden die in een zaak betreffende de Heer Refik IBRAHIMI genomen werd, met als kenmerk bij de Vaste Beroepscommissie voor Vluchtelingen: VB/04-0825 ; Dat in die zaak, de Heer IBRAHIMI de beslissing genomen door het Commissari- aat-Generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen op 12 maart 2004 wilde betwisten; Dat die beslissing in het Nederlands, taal van het onderzoek van de asielaanvraag, gemotiveerd was; Dat de verzoeker op 31 maart 2004 een beroep in het Frans indiende bij de Vaste Beroepscommissie voor Vluchtelingen; Dat de Vaste Beroepscommissie voor Vluchtelingen uitspraak over dat beroep deed, dat ontvankelijk verklaard werd door beslissing genomen op 8 december 2004; Dat het voldoend aantoont dat een zaak bij de Vaste Beroepscommissie voor Vluchtelingen aanhangig kan worden gemaakt door middel van een verzoekschrift opgesteld zowel in het Frans als in het Nederlands; Dat het nog aangetoond is door de rekruteringsvoorwaarden van de Magistraten die bij de Vaste Beroepscommissie voor Vluchtelingen zetelen, die moeten bewijzen dat ze het Frans en het Nederlands perfect beheersen, juist om in staat te zijn om uitspraak te doen over de beroepen die hen zullen worden voorgelegd, zowel in het Frans als in het Nederlands. Dat er tenslotte dient opgemerkt te worden dat naar aanleiding van de hervorming van de asielprocedure en namelijk het aannemen van de wet van 15 september 2006 tot hervorming van de Raad van State en tot oprichting van een Raad voor Vreemdelingenbetwistingen, er nu uitdrukkelijk vermeld wordt dat het verzoekschrift ingediend voor de Raad voor Vreemdeling- enbetwistingen in het Nederlands of in het Frans moet opgesteld worden volgens de taal gekozen als taal van het onderzoek van de asielaanvraag; Dat die vormregel thans op straffe van nietigheid is voorgeschreven (nieuw artikel 39/69 §1 van de wet van 15 december 1980); Dat die bepaling een nieuwe bepaling is en nog niet van kracht was bij het indienen van het verzoekschrift door de tegenpartij in casu; Dat er immers dient herinnerd te worden dat de verzoeker op 13 september 2006 zijn beroep voor de Vaste Beroepscommissie voor Vluchtelingen neerlegde; Dat de nieuwe vormregels op 1 ste december 2006 in werking zijn getreden, in ieder geval tegenover de lopende beroepen waarvan geen datum voor de terechtzitting bepaald was; Dat in casu, de verzoeker door de tegenpartij per aangetekende brief dd. 28 november 2006 opgeroepen werd om ter terechtzitting van l st' februari 2007 te verschijnen; Dat de nieuwe bepalingen dus niet van toepassing op de verzoeker waren; Dat die elementen de cassatie van de bestreden akte rechtvaardigen.”;
- Overwegende dat de verwerende partij in de memorie van antwoord het volgende stelt: “De verzoekende partij beroept zich op de vermeende schending van: - art. 149 van de Grondwet, - art. 51/4 en 57/22 van de Vreemdelingenwet dd. 15.12.1980, - art. 3 van het KB dd. 19.05.1993, - het ‘beginsel van rechtmatig vertrouwen en juridische veiligheid’. Ter ondersteuning uit de verzoekende partij kritiek op de in casu bestreden beslissing, en poneert hij dat het verzoekschrift dat werd ingediend bij de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen ook in het Frans mocht worden opgesteld, en dat het beroep derhalve ten onrechte onontvankelijk werd verklaard. De verwerende partij laat vooreerst gelden dat de verzoekende partij in gebreke blijft om uiteen te zetten waarom zij bepaalde van de door haar aangevoerde rechtsregels nu juist geschonden acht hetgeen volstaat om tot de onontvankelijkheid te besluiten. XIV-28.770-3/6 Inderdaad laat de verzoekende partij na aan te geven waarom de in casu bestreden beslissing volgende rechtsregels zou miskennen: - art. 149 van de Grondwet, - art. 57/22 van de Vreemdelingenwet dd. 15.12.
- Vervolgens, en in zoverre de verzoekende partij een schending aanvoert van het vertrouwensbeginsel, herinnert de verwerende partij er aan dat de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen een administratief rechtscollege is, belast met, weze het administratieve, rechtspraak en niet met actief bestuur, zodat laatst vermeld beginsel te haren opzichte geen toepassing kan vinden. Tot slot laat de verwerende partij gelden dat de Vaste Beroepscommissie voor Vluchteling- en geheel terecht besliste om het bij haar ingestelde beroep tegen de beslissing dd. 28.08.2006 van de Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen onontvankelijk te verklaren, nu het verzoekschrift was opgesteld in de Franse taal. Immers, het art. 3 van KB dd. 19.05.1993 tot regeling van de werking van en de rechtspleging voor de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen - zoals gewijzigd bij KB dd. 10.11.2005 tot wijziging van het Koninklijk Besluit van 19.05.1993 - voorziet uitdrukkelijk: ‘De beroepen bedoeld in artikel 57/11, paragraaf l, eerste lid, van de wet, worden bij de Commissie ingesteld door middel van een verzoekschrift dat is opgesteld in de taal van de procedure die werd bepaald overeenkomstig artikel 51/4 van de wet, ofwel door de vreemdeling of zijn advocaat, ofwel door de Minister of zijn gemachtigde ondertekend.’ Terwijl in casu het Nederlands werd bepaald als taal van de procedure. Mede gelet op het gegeven dat de artt. 860 en 867 Ger. W. niet van toepassing zijn op de rechtspleging voor de Vaste Beroepscommissie voor Vluchtelingen - en deze bepalingen evenmin beginselen zijn die aan alle rechtshandelingen gemeen zijn - kan de verzoekende partij niet ernstig betwisten dat het gebruik van de voorgeschreven taal een substantiële ontvankelijk- heidsvoorwaarde is van de aan het administratief rechtscollege gerichte beroepsakte. Terwijl geen enkele wettelijke bepaling voorziet dat de vreemdeling voor het indienen van het verzoekschrift de vrije keuze van taal heeft. Het gebruik van één der voorgeschreven talen is een voorwaarde voor de onontvankelijkheid van de aan een administratief rechtscollege gerichte beroepsakte. Verzoekers beschouwingen kunnen aan het voorgaande geen afbreuk doen. Het middel kan niet worden aangenomen.”;
- Overwegende dat de verzoekende partij in de memorie van wederant- woord niets wezenlijks toevoegt;
- Overwegende dat naar luid van artikel 51/4, § 3, van de Vreemdelingenwet in de eventuele navolgende procedure voor de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen gebruik wordt gemaakt van de taal van het onderzoek, die bij het begin van de asielprocedure is bepaald; dat dit de taal van de behandeling van de zaak door de overheid betreft en niet de taal die de vreemdeling dient te gebruiken; dat de vreemdeling derhalve een verzoekschrift tot beroep bij de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen in een andere landstaal dan de voor de behandeling van de zaak bepaalde taal kan indienen; Overwegende dat artikel 3 van het koninklijk besluit van 19 mei 1993 tot regeling van de werking van en de rechtspleging voor de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen, zoals gewijzigd door het koninklijk besluit van 10 november 2005, voorziet dat de in artikel 57/11, § 1, eerste lid, van de Vreemdelingenwet bedoelde beroepen bij de XIV-28.770-4/6 Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen worden ingesteld door middel van een verzoekschrift dat is opgesteld in de taal van de procedure die werd bepaald overeenkomstig artikel 51/4 van die wet; dat die bepaling in strijd is met artikel 51/4, § 3, van de Vreemdelingenwet, dat de vreemdeling de vrije taalkeuze laat; dat de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen in de bestreden beslissing derhalve met toepassing van artikel 159 van de Grondwet artikel 3 van het voornoemd koninklijk besluit van 19 mei 1993 buiten toepassing had moeten laten; dat aldus artikel 51/4, § 3, van de Vreemdelingenwet is geschonden en dat het middel in die mate gegrond is, BESLUIT: Artikel
- Vernietigd wordt de beslissing van 1 februari 2007 van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen, tweede Nederlandse Kamer, waarbij het beroep van de verzoekende partij niet-ontvankelijk wordt verklaard. Artikel
- Dit arrest zal in de registers van voormelde Commissie worden overschreven, en melding ervan zal worden gemaakt op de kant van de vernietigde beslissing. Artikel
- De zaak wordt verwezen naar een anders samengestelde kamer van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verwerende partij. XIV-28.770-5/6 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op twintig mei tweeduizend en acht, door : de HH. C. ADAMS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, J. CASNEUF, griffier. De griffier, De voorzitter, J. CASNEUF. C. ADAMS. XIV-28.770-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.183.020 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.