← België

Arrest 183263 - Milieuvergunningen - 22/05/2008

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 22 mei 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.183.263 Rolnummer: A. 182882/VII-36976 Zaak: Arrest 183263 - Milieuvergunningen - 22/05/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-06-03 Raadplegingen: 60 - laatst gezien 2026-06-29 08:05 Fiche Arrest nr 183.263 van 22 mei 2008 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Milieuvergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 183.263 van 22 mei 2008 in de zaak A. 182.882/VII-36.976. In zake : 1. Bart LAEREMANS, 2. Maria BERGER, 3. Maria GOMEZ, 4. Carine BUYLE, die woonplaats kiezen bij advocaat B. SIFFERT, kantoor houdende te BRUSSEL, Louizalaan 174, bus 8 tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaten F. VINCKE en G. MARTYN, kantoor houdende te AVELGEM, Doorniksesteenweg 82 tussenkomende partij : de BVBA VERHAEREN BETON EN ASFALT, die woonplaats kiest bij advocaat C. GYSEN, kantoor houdende te MECHELEN, Antwerpsesteenweg 18. --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Bart LAEREMANS, Maria BERGER, Maria GOMEZ en Carine BUYLE op 26 april 2007 hebben ingediend om de schorsing te vorderen van de tenuitvoerlegging van het besluit van de Vlaamse minister van Openbare Werken, Energie, Leefmilieu en Natuur van 19 maart 2007 waarbij, enerzijds, het ministerieel besluit nr. AMV/00141220/1001 van 23 februari 2006 wordt ingetrokken en, anderzijds, een aantal beroepen ingesteld tegen de beslissing van de bestendige deputatie van de provincieraad van Vlaams- Brabant van 8 september 2005, houdende het verlenen aan de BVBA VERHAEREN BETON EN ASFALT van de milieuvergunning voor het exploiteren van een asfaltbetoncentrale, gelegen aan de Westvaartdijk te Grimbergen, gedeeltelijk gegrond wordt verklaard en de beroepen beslissing tot verlening van de milieuver- gunning wordt bevestigd, met dien verstande dat het gebruik van aardgas voor de VII-36.976-1/27 werking van de asfaltbetoncentrale verplicht wordt gesteld en de bijzondere vergunningsvoorwaarden worden gewijzigd en aangevuld met bijkomende voorwaarden; Gelet op het arrest nr. 178.891 van 24 januari 2008 waarbij het verzoek tot tussenkomst van de BVBA VERHAEREN BETON EN ASFALT in het administratief kort geding wordt ingewilligd, de debatten worden heropend en het door de auditeur-generaal aangewezen lid van het auditoraat wordt gelast met het aanvullend onderzoek van de vordering tot schorsing; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur P. SOURBRON; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen; Gelet op de beschikking van 12 maart 2008 waarbij de terechtzit- ting bepaald wordt op 24 april 2008; Gehoord het verslag van kamervoorzitter L. HELLIN; Gehoord de opmerkingen van advocaat B. SIFFERT, die verschijnt voor de verzoekende partijen, van advocaat F. VINCKE, die verschijnt voor de verwerende partij, en van advocaten C. GYSEN en T. SWERTS die verschijnen voor de tussenkomende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur P. SOURBRON; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; VII-36.976-2/27 1. De gegevens van de zaak Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.1. Met betrekking tot de gegevens van de zaak wordt vooreerst verwezen naar het arrest van de Raad van State nr. 166.541 van 11 januari 2007 waarbij de schorsing van de tenuitvoerlegging wordt bevolen van het inmiddels ingetrokken ministerieel besluit van 23 februari 2006. 1.2. Na de betekening van voornoemd schorsingsarrest brengt de afdeling Stedenbouwkundig Beleid op 25 januari 2007 een nieuw advies uit over de vergunningsaanvraag. In dat advies wordt het volgende gesteld : "De aanvraag betreft het bekomen van een milieuvergunning voor de exploitatie van een nieuwe inrichting, zijnde een asfaltbetoncentrale. Bij Ministerieel Besluit van 23 februari 2006 werd een milieuvergunning gegeven die na een beroep bij de Raad van State is geschorst op 11 januari 2007, voornamelijk omwille van de motivering inzake de stedenbouwkundige verenigbaarheid van de inrichting. Concreet werd enkel getoetst aan de bestemming industriegebied, terwijl er nog een aanvullend stedenbouwkundig voorschrift 'gebied voor watergebonden bedrijven' van toepassing is. Het arrest stelt tevens dat er geen antwoord werd geformuleerd op het beroepsargument dat 'het betreffende gebied niet werd ingericht'. De grond is volgens het gewestplan Halle-Vilvoorde-Asse, vastgesteld bij koninklijk besluit van 7 maart 1977, gedeeltelijk gewijzigd en definitief vastgesteld bij besluit van de Vlaamse Regering op 17 juli 2000, gelegen in een gebied voor watergebonden bedrijven. Artikel 21 van de aanvullende stedenbouwkundige voorschriften van het gewestplan Halle-Vilvoorde-Asse stelt dat dit gebied bestemd is voor de vestiging van bedrijven waarvan de werking op één of andere wijze verbonden is met de aanwezigheid van waterinfrastructuur. Er kan pas een stedenbouwkundige vergunning voor nieuwe bedrijven worden verleend nadat de overheid het gebied heeft ingericht. Bij de inrichting van het gebied wordt aandacht besteed aan het karakter van het terrein, de aard van de activiteiten, de omvang van de bebouwing, het architecturaal karakter, de breedte en de wijze van aanleg van de omringende bufferzone. De bestaande niet-watergebonden bedrijven kunnen verder ontwikkelen in het gebied. Ze worden echter niet vervangen door andere niet-watergebonden bedrijfsactiviteiten. Het betrokken voorschrift vereist geen ordeningsplan, want dat wordt niet uitdrukkelijk gesteld in het voorschrift, maar legt door de bedoelde 'inrichting' wel de nadruk op een kwalitatieve invulling van het gebied. Volledigheidshalve kan nog gemeld worden dat er geen bijzonder plan van aanleg of verkaveling bestaat. In (

  1. de)bewuste zone voor watergebonden bedrijvigheid zijn reeds verschillende bedrijven aanwezig. De omliggende industrieterreinen zijn bebouwd. De omliggende industrieën naar de kanaalzone toe bestaan uit afvalverwerkende bedrijven met beperkte en lage bebouwinghoogte. De meeste bedrijven werden reeds vóór de gewestplanwijziging van 2000 vergund. Voor VII-36.976-3/27 bepaalde terreinen was er zelfs bedrijvigheid in de jaren '70. De inrichting van betrokken zone is dus voldoende bekend. Het terrein is verbonden met de Westvaartdijk via een 240 m lange inrit. Het projectgebied wordt begrensd langs noordelijke, zuidelijke en oostelijke zijde door een gebied voor watergebonden bedrijven en langs de westelijke zijde, aan de overkant van de Fabriekstraat en de Humbeeksesteenweg, ligt het natuurpark 'Van Borght' met daarachter - op een afstand van ongeveer 200 meter van de geplande inrichting - een woongebied. Het terrein ligt langs de westelijke zijde tevens parallel met het kanaal Brussel-Willebroek. Deze ligging biedt als voordeel dat de grondstoffen (zand en stenen) voor 90% via het kanaal zullen kunnen worden aangevoerd. Er wordt met andere woorden voldaan aan de bestemmingsvoorschriften. De minister bevoegd voor ruimtelijke ordening heeft op 28 april 2006 beslist het bouwberoep van de particulier in te willigen op voorwaarde dat plan 7/7 'plan toegangsweg' wordt nageleefd. Daarmee werd dus de stedenbouwkundige vergunning toegekend. Tegen deze beslissing werd op 31 mei 2006 door omwonenden een verzoekschrift tot vordering van de schorsing ingediend bij de Raad van State. Het arrest van de Raad van State nr.163.155 van 4 oktober 2006 heeft de vordering tot schorsing verworpen. Aangaande de thans wel geschorste milieuvergunning verzocht de uitbater ten aanzien van de door de bestendige deputatie toegestane vergunning een afwijking en vraagt hij om maximum 20 weekenddagen te mogen werken in plaats van de opgelegde 10 weekenddagen met de bedoeling om mobiliteitspro- blemen, die ecologisch en economisch nadelig zijn, te vermijden. (...) Daarnaast werd ook door derden, o.a. omwonenden, het college van burgemeester en schepenen, een milieuvereniging..., beroep aangetekend tegen de beslissing van de bestendige deputatie inzake milieuvergunning. De aangehaalde elementen in deze beroepschriften hebben in hoofdzaak betrekking op : stof- en geurhinder, toenemende verkeerslast, de ligging in de nabijheid van een natuurgebied, gezondheidsrisico's en dergelijke, zaken die vooral van milieutechnisch(
  2. e)aard zijn of met de uitbating te maken hebben en eveneens op zich geen ruimtelijke ordeningsaspecten betreffen, gelet op de geldende gewestplanbestemming ter plaatse. (...) over de aanvraag (wordt) een gunstig advies uitgebracht". 1.3. Op 19 maart 2007 neemt de Vlaamse minister van Openbare Werken, Energie, Leefmilieu en Natuur een besluit waarbij het door de Raad van State geschorste besluit van 23 februari 2006 wordt ingetrokken. Tegelijk neemt hij een nieuwe beslissing die, wat de voorwaarden betreft, identiek is aan de ingetrok- ken beslissing. Dit besluit luidt als volgt : "Gelet op het besluit van de Vlaamse Regering van 27 juli 2004 tot bepaling van de bevoegdheden van de leden van de Vlaamse Regering, zoals laatst gewijzigd bij besluit van de Vlaamse Regering van 1 september 2006; Gelet op de beroepen van: - Verhaeren Beton en Asfalt, Leuvensesteenweg 300, 3190 Boortmeerbeek; - Bond Beter Leefmilieu, Tweekerkenstraat 47, 1000 Brussel; - Ria Turcksin, Daalstraat 178 te 1852 Beigem; - Peter De Smedt en Colin De Beir, LDR Milieuadvocaten voor 251 beroepsindieners, Kasteellaan 141, 9000 Gent; VII-36.976-4/27 - Gemeente Grimbergen, Prinsenstraat 3, 1850 Grimbergen; - Bart Laeremans, Nieuwe Schapenweg 2, 1850 Grimbergen; - Steven Dupont, Humbeeksesteenweg 8, 1850 Grimbergen; - Marie-Claire Wachtelaer, Sint-Annalaan 19, 1853 Strombeek-Bever; - Marc Coenen, Romeinsesteenweg 520, 1853 Strombeek-Bever, aangetekend tegen het besluit met kenmerk D/PMVC/05E10/03775 van 8 september 2005 van de bestendige deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant, houdende het verlenen van de milieuvergunning aan Verhaeren Beton en Asfalt BVBA, Leuvensesteenweg 300, 3190 Boortmeer- beek, om een asfaltbetoncentrale, gelegen te 1850 Grimbergen, Westvaartdijk zn, kadastrale perceel, afdeling 1, sectie I, perceelnummer 4913, uit te baten, met als voorwerp: - een opslag van 10.580 ton bitumen, freesasfalt en asfalt; - het lozen van bedrijfsafvalwater in oppervlaktewater, met een maximumde- biet van 57,6 m³/uur en 14.550 m³/jaar; - één transformator met een nominaal vermogen van 1.000 kVA; - het stallen van 5 voertuigen; - 1 compressor (15 kW) en een koelinstallatie (3,5 kW), met een totaal geïnstalleerde drijfkracht van 18,5 kW; - een opslag van 480 liter gassen (zuurstof, propaan en acetyleen) in verplaatsbare recipiënten; - een opslag van 378 kg schadelijke, corrosieve, irriterende en oxyderende stoffen (antikleef, antivries en reinigingsproducten); - een opslag van 60.000 l gasolie in een bovengrondse dubbelwandige houder; - een opslag van 1.328 l P4-producten (smeerolie) en 1.000 l afvalolie; - een brandstofverdeelinstallatie omvattende 1 slang; - één laboratorium voor kwaliteitscontrole; - een inrichting voor het behandelen van metalen, met een geïnstalleerde totale drijfkracht van 10 kW; - een asfaltbetoncentrale met een totaal vermogen van 973 kW; - een opslag van minerale producten op een terrein met een totale oppervlakte van 2,09 ha; - 2 stookinstallaties (droog- en paralleltrommel), met een thermisch vermogen van respectievelijk 20 MW en 9,7 MW; Gelet op het attest bedoeld in artikel 31, §4 van titel I van het VLAREM waaruit blijkt dat de voormelde beroepen beslissing aan de exploitant en de adviesverlenende overheidsorganen werd verzonden op 12 september 2005; Gelet op het attest bedoeld in artikel 31, §3 van titel I van het VLAREM waaruit blijkt dat de voormelde beroepen beslissing werd bekendgemaakt door aanplakking vanaf 20 september 2005; Gelet op het feit dat voormelde beroepen respectievelijk werden ontvangen op 11 oktober 2005, 18 oktober 2005, 19 oktober 2005, 28 september 2005 en 14 oktober 2005 en oorspronkelijk ontvankelijk werden bevonden respectieve- lijk op 17 oktober 2005, 31 oktober 2005, 27 oktober 2005, 25 oktober 2005; Gelet echter op het feit dat de beroepen in hoofde van Marie-Claire Wachtelaer en Marc Coenen onontvankelijk blijken te zijn bij toepassing van artikel 51, §1 van titel I van het Vlarem, waarin wordt bepaald dat beroep kan ingediend worden door elke natuurlijke en rechtspersoon die tengevolge van de vestiging en de exploitatie van de inrichting rechtstreekse hinder kan ondervin- den; dat gezien de afstand tussen het bedrijfsterrein en de verblijfplaatsen van bovenvermelde personen er in principe geen rechtstreekse hinder kan worden ondervonden; dat dit aan de betrokkenen ook reeds werd meegedeeld bij schrijven van 6 december 2005; Gelet op het feit dat voormelde beroepsindieners de volgende aanspraken en bezwaren doen gelden: • Verhaeren Beton en Asfalt: VII-36.976-5/27 - in de bestreden beslissing werd opgelegd dat het aantal weekenddagen inclusief feestdagen dient beperkt te worden tot maximum 10; de exploitant zou graag 20 weekenddagen vergund hebben; met het oog op het vermijden van mobiliteitsproblemen, dienen wegwerkzaamheden waar nodig buiten de normale werkuren te gebeuren; - in de bestekken van de Vlaamse Gemeenschap wordt veelal geëist om tijdens de weekends te werken; - het college van burgemeester en schepenen was vragende partij om het weekendwerk te beperken tot maximaal 10 weekends (of 20 weekenddagen); • Bond Beter Leefmilieu: - de inrichting is dicht bij een woonwijk gelegen; deze buurt is al gelegen in een zwaar geïndustrialiseerde zone; - het is praktisch onmogelijk om de hinderlijke dampen van de productie van asfalt binnen het gebouw te houden; - de BBT-studie bevestigt dat er geen toereikende techniek is om geurhinder te beperken; - het vigerende milieubeleidsplan stelt dat het aantal gehinderden niet mag toenemen; - er is noch een geur-, noch een emissiestudie uitgevoerd; - bij het productieproces komen kankerverwekkende stoffen vrij; - er is geen economische noodzaak voor nieuwe asfalt(beton)centrales; - deze activiteit zal een nadelig effect hebben op het nabijgelegen natuurge- bied; - in het licht van de milieukwaliteitsnormen opgelegd door de kaderrichtlijn lucht, kan de overheid onmogelijk een bijkomende belasting toelaten voor de regio; • omwonenden: - het terrein is te dicht gelegen bij woonzones (200 m); deze woonzones ondervinden reeds grote overlast van andere hinderlijke bedrijven; - er dient een studie omtrent de bestaande verkeerslast in deze regio gemaakt te worden; de verplichting tot het opstellen van een bedrijfsvervoersplan heeft niet veel zin; de mobiliteitsstudie dient voorafgaandelijk te gebeuren; de afvoer gebeurt voor 100 % met vrachtwagens; er zullen dagelijks minimaal 90 transportbewegingen bijkomen; deze vrachtwagens zullen vanaf vijf uur 's morgens over de Westvaartdijk denderen; zij zullen de hele buurt gedurende vijftig nachten mogen wakker houden; het aantal zware vrachtwagens tussen 5 en 7 uur is klein, maar het is de bedoeling om een groot deel van de vrachtwagens juist op dat moment te concentreren; - de kans blijft reëel dat de goederen niet via schip, maar via vrachtwagens zullen worden aangevoerd; - Verhaeren Beton en Asfalt is geen 'watergebonden' bedrijf; er is geen voldoende uitgeruste verbinding tussen het bedrijf en de laad- en loskade; schending van artikel 2 van het decreet van 22 oktober 1996 betreffende de ruimtelijke ordening; - men dient toestemming te vragen aan de gemeente elke keer als er sprake is van nacht- of weekendwerk; - de bijkomende voorwaarden voorgesteld door de gemeente worden niet overgenomen in het besluit; zo is het opmaken van een rapport over de overschakeling van stookolie naar aardgas vrijblijvend; het werken in een afgesloten laadruimte is noodzakelijk; - de gevolgen voor het nabijgelegen natuurgebied worden niet onderzocht; - een extra belasting met emissies van fijn stof; zowel het transport als de op- en overslag van onder meer zand en stenen zal aanleiding geven tot stofhinder; - de inrichting zal ongeveer 234.000 kg schadelijke stoffen emitteren; er wordt geen controle voorzien inzake het loskomen of scheuren van de filterdoeken; VII-36.976-6/27 in het kader van de EG-richtlijn 1999/30/EG van 22 april 1999 is er in deze regio geen marge meer om bijkomende stofblootstelling toe te laten; er werd geen onderzoek verricht naar de actuele concentratie fijn stof in deze regio, noch naar de gevolgen voor deze concentratie van de ingebruikname van de asfaltcentrale; continue metingen van het stofgehalte na filtering zijn perfect realiseerbaar; - de firma Verhaeren wijst erop dat de hoeveelheid uitgestoten PAK's beperkt is doordat men geen teerhoudend asfalt mag produceren, maar er wordt geen verbod opgelegd om teerhoudend asfalt te recycleren; tijdens de opstartfase worden de meeste polluenten uitgestoten, hiermee wordt geen rekening gehouden; - er dient een geurstudie uitgevoerd te worden; er is geen garantie dat er geen geurhinder zal zijn; dit is in tegenspraak met het milieubeleidsplan 2003-2007; asfaltbetoncentrales die gebruik maken van een paralleltrommel veroorzaken geurhinder; er zal ook 's nachts geurhinder zijn; de geurhinder zal ook in de hand worden gewerkt door de hoogte van de schouw en het specifieke reliëf ter hoogte van de inrichting; een verhoging van de schouw dringt zich op; een milieuvergunning toekennen zonder deze noodzakelijke informatie, druist in tegen het principe van voorzorgbeginsel; - volgens de VITO is er een overcapaciteit; in de omgeving van Brussel zijn er reeds 7 centrales; - de overschakeling naar aardgas dient slechts onderzocht te worden; - het betreffende gebied werd niet ingericht; - de inplanting van de inrichting is onverenigbaar met de eisen van een goede plaatselijke ordening; de inrichting is gelegen naast het natuurgebied 'Ter Tommen', dat een VEN-waardig gebied is en biologisch (zeer) waardevol; er wordt verwezen naar de natuurtoetsregeling van artikel 16 van het Decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu; de bestreden beslissing is strijdig met artikel 19, lid 3 van het Koninklijk Besluit van 28 december 1972; - de bestreden beslissing is in strijd met het gewestplan; er werd in de bestreden beslissing getoetst aan het verkeerde bestemmingsvoorschrift, zijnde industriegebied; - de gegevens omtrent geluid in de milieuvergunningsaanvraag zijn niet bevestigd door een akoestisch onderzoek; er is een woonkern aanwezig op 200 m van de inrichting; op 100 m van de asfalt(beton)centrale zal het specifiek geluid een waarde hebben van 38 à 39 dB(A); deze informatie is louter gebaseerd op verklaringen van de leverancier; - de inrichting zal aanleiding geven tot visuele hinder; - de productie van de fabriek wordt op geen enkele wijze beperkt; - het bestreden besluit maakt een schending uit van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen; - het bestreden besluit maakt een schending uit van artikel 4.1.2.1, §1 van titel II van het Vlarem; de exploitant past de beste beschikbare technieken niet toe; - de vormvereisten van het openbaar onderzoek werden miskend; - het bestreden besluit maakt een schending uit van artikel 30bis van titel I van het Vlarem; de opgelegde bijzondere voorwaarden beperken de (potentiële) hinder niet tot een minimum, in tegendeel; de volgende bijzondere voorwaarden worden voorgesteld: - onmiddellijke werking van de installatie op gas; - controle van de ontstoffingsinstallatie in lijn, waarbij bij defect de onmiddellijke werking van de centrale wordt stopgezet; - verbod op verwerking van gerecycleerd asfalt, minstens verplichting tot verhoging van de schouw tot 60 m; - verplichting tot uitvoering van een geluids-, geur- en emissiestudie; VII-36.976-7/27 - verplichting tot uitvoering van een mobiliteits- en infrastructuurstudie; - verplichting tot aanvoer van de grondstoffen via het kanaal; - de aanleg van een groenscherm; verder wordt nog gevraagd om wat betreft de werkuren geen afwijking toe te staan op de sectorale voorwaarden; • gemeente Grimbergen: - in het voorwaardelijk gunstig advies van de gemeente Grimbergen in eerste aanleg werden voorwaarden voorgesteld; een aantal van deze punten werden niet opgelegd als bijzondere voorwaarde; deze ontbrekende voorwaarden moeten er voor zorgen dat de uitbating van de asfaltbetoncentrale de draagkracht van de omgeving niet overschrijdt; Gelet op het horen op 5 december 2005 door de Gewestelijke Milieuvergun- ningscommissie van de aanvrager, die bij dit horen inzonderheid een toelichten- de nota overhandigt en de argumenten van beroepers poogt te weerleggen: - de productie gebeurt in batch; - de jaarlijkse productie bedraagt 150.000 ton/j - in eerste aanleg werd het aantal weekenddagen beperkt tot 10; de exploitant heeft hiertegen beroep ingediend; hij wil 20 weekenddagen werken; - het terrein is gelegen in watergebonden industriegebied; er is een overeen- komst met de NV Zeekanaal, waarin de watergebondenheid wordt bevestigd; voor de bestaande loskade is reeds een overeenkomst gesloten met de eigenaar ervan; - de afstand tot het dichtstbijgelegen woongebied bedraagt 200 m; - er is wel degelijk een toegankelijke toegangsweg; - de installatie zelf zal zo ver mogelijk van de omwonenden geplaatst worden; - er wordt een groenscherm voorzien; - er is een geurstudie uitgevoerd; deze is toegevoegd aan het dossier; de deskundige adviseert om de zeef in te kapselen; - de exploitant vraagt de voorwaarde voor naverbranding te schrappen omdat de naverbranding volgens de geurstudie zou leiden tot mogelijke geurhinder; - er zal zeker met aardgas worden gestookt; dit is een aanpassing van het voorwerp van de aanvraag; - de exploitant heeft geen probleem om het emissiecontroleprogramma onmiddellijk op te starten (binnen de maand), zoals door de gemeente werd gevraagd; - het aantal transportbewegingen intern is te verwaarlozen; het verkeer passeert geen woonkern; Gelet op het gunstige advies van 21 november 2005 van de Vlaamse Milieumaatschappij; Gelet op het gunstige advies van 28 november 2005 van de afdeling Stedenbouwkundige Vergunningen van de administratie Ruimtelijke Ordening, Huisvesting en Monumenten en Landschappen van het departement Leefmilieu en Infrastructuur; Gelet op het gunstige advies van 25 januari 2007 van de afdeling Steden- bouwkundig Beleid van het departement Ruimtelijke Ordening, Woonbeleid en Onroerend Erfgoed; Gelet op het gunstig advies van 8 november 2005 en het voorwaardelijk gunstig advies van 1 december 2005 van de afdeling Natuur van de administra- tie Milieu-, Natuur-, Land- en Waterbeheer van het departement Leefmilieu en Infrastructuur; Gelet op het voorwaardelijk gunstige advies van 2 december 2005 van de afdeling Milieuvergunningen van de administratie Milieu-, Natuur-, Land- en Waterbeheer van het departement Leefmilieu en Infrastructuur; Gelet op het voorwaardelijk gunstige advies van 5 december 2005 van de Gewestelijke Milieuvergunningscommissie; VII-36.976-8/27 Gelet op de ligging van de inrichting in een gebied voor watergebonden bedrijven, volgens het gewestplan Halle-Vilvoorde-Asse, vastgesteld bij koninklijk besluit van 7 maart 1977, gedeeltelijk gewijzigd en definitief vastgesteld bij besluit van de Vlaamse Regering op 17 juli 2000; Gelet op het feit dat de inrichting gelegen is op een afstand van circa 200 m van een woongebied ander dan een woongebied met landelijk karakter; Gelet op het feit dat de inrichting gelegen is in de onmiddellijke omgeving van een natuurgebied, m.n. het Domein van Borgt; Overwegende dat de afdeling Natuur op 1 december 2005 een gunstig advies heeft geformuleerd, op voorwaarde dat de exploitant de beste beschikbare technieken voor asfaltbetoncentrales zou toepassen; dat er tevens wordt voorgesteld een groenscherm te voorzien; overwegende dat uit de volgende overwegingen van dit besluit zal blijken dat aan deze voorwaarden voldaan wordt; Overwegende dat de Raad van State met het arrest nr. 166.541 van 11 januari 2007 de schorsing heeft bevolen van de tenuitvoerlegging van het ministerieel besluit nr. AMV/141220/l00l van 23 februari 2006 waarbij de beroepen ingesteld tegen het besluit van de deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant van 8 september 2005, houdende het verlenen aan de bvba Verhaeren Beton en Asfalt van de vergunning voor het exploiteren van een asfaltbetoncentrale, gelegen aan de Westvaartdijk te Grimbergen, gedeeltelijk gegrond worden verklaard; dat de Raad van State stelt dat het tweede middel, waarin de schending van het zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel wordt opgeworpen, ernstig is, omdat de inrichting enkel werd getoetst aan de bestemming industriegebied, terwijl er nog een aanvullend stedenbouwkundig voorschrift 'gebied voor watergebonden bedrijven' van toepassing is; dat bij de milieuhygiënische beoordeling van de vergunningsaanvraag wel werd ingegaan op de watergebondenheid van de geplande asfaltbetoncentrale, maar dat dit volgens de Raad van State los staat van de stedenbouwkundige toetsing; dat het bovenvernoemde arrest tevens stelt dat er geen antwoord werd geformuleerd op het beroepsargument dat 'het betreffende gebied niet werd ingericht'; Overwegende dat, mede gelet op hoger vermeld arrest van de Raad van State, het aangewezen is om het ministerieel besluit nr. AMV/l4l220/1001 van 23 februari 2006 in te trekken en opnieuw uitspraak te doen over de beroepen ingesteld tegen het bestreden besluit van de bestendige deputatie; Overwegende dat de afdeling Stedenbouwkundig Beleid een nieuw en eveneens gunstig advies heeft geformuleerd op 25 januari 2007, waarvan de overwegingen kunnen bijgetreden worden; Overwegende dat artikel 21 van de aanvullende stedenbouwkundige voorschriften van het gewestplan Halle-Vilvoorde-Asse stelt dat een gebied voor watergebonden bedrijven bestemd is voor de vestiging van bedrijven waarvan de werking op één of andere wijze verbonden is met de aanwezigheid van waterinfrastructuur; dat er pas een stedenbouwkundige vergunning voor nieuwe bedrijven kan worden verleend nadat de overheid het gebied heeft ingericht; dat bij de inrichting van het gebied aandacht wordt besteed aan het karakter van het terrein, de aard van de activiteiten, de omvang van de bebouwing, het architecturaal karakter, de breedte en de wijze van aanleg van de omringende bufferzone; dat de bestaande niet-watergebonden bedrijven verder kunnen ontwikkelen in het gebied; dat ze echter niet worden vervangen door andere niet-watergebonden bedrijfsactiviteiten; Overwegende dat het betrokken voorschrift geen ordeningsplan vereist, want dat wordt niet uitdrukkelijk gesteld in het voorschrift, maar dat het door de bedoelde 'inrichting' wel de nadruk legt op een kwalitatieve invulling van het gebied; dat er volledigheidshalve nog kan gemeld worden dat er geen bijzonder plan van aanleg of verkaveling bestaat; VII-36.976-9/27 Overwegende dat in bewuste zone voor watergebonden bedrijven reeds verschillende bedrijven aanwezig zijn; dat de omliggende industrieterreinen zijn bebouwd; dat de omliggende industrieën naar de kanaalzone toe bestaan uit afvalverwerkende bedrijven met beperkte en lage bebouwinghoogte; dat de meeste bedrijven reeds vóór de gewestplanwijziging van 2000 werden vergund; dat voor bepaalde terreinen er zelfs bedrijvigheid was in de jaren '70; dat de inrichting van betrokken zone dus voldoende bekend is; Overwegende dat het terrein verbonden is met de Westvaartdijk via een 240 m lange inrit; dat het projectgebied wordt begrensd langs noordelijke, zuidelijke en oostelijke zijde door een gebied voor watergebonden bedrijven en langs de westelijke zijde, aan de overkant van de Fabriekstraat en de Humbeek- sesteenweg, ligt het natuurpark 'Van Borght', met daarachter - op een afstand van ongeveer 200 m van de geplande inrichting - een woongebied; dat het terrein langs de westelijke zijde tevens parallel ligt met het kanaal Brussel- Willebroek; dat deze ligging als voordeel biedt dat de grondstoffen (zand en stenen) voor 90% via het kanaal zullen kunnen worden aangevoerd; dat er met andere woorden, ook volgens de afdeling Stedenbouwkundig Beleid, wordt voldaan aan de bestemmingsvoorschriften; Overwegende dat de minister bevoegd voor ruimtelijke ordening op 28 april 2006 de stedenbouwkundige vergunning heeft verleend voor de bouw van de asfalt(beton)centrale en de toegangsweg, op voorwaarde dat plan 7/7 'plan toegangsweg' wordt nageleefd; dat in deze beslissing wordt bevestigd dat de inrichting verenigbaar is met het bestemmingsvoorschrift 'gebied voor watergebonden bedrijven' en met de onmiddellijke omgeving en goede plaatselijke ordening; Overwegende dat het watergebonden karakter van de inrichting duidelijk kan afgeleid worden uit de gegevens verstrekt in de milieuvergunningsaanvraag, en in het bijzonder het gegeven dat de grondstoffen voor 90 % via het kanaal zullen worden aangevoerd; dat ook in de overeenkomst van de exploitant met de NV Zeekanaal betreffende het gebruik van de waterweg de watergebonden- heid van het bedrijf wordt bevestigd; Overwegende dat bijgevolg kan worden gesteld dat de exploitatie van de inrichting die het voorwerp van de voormelde milieuvergunningsaanvraag uitmaakt, bestaanbaar is met de toepasselijke ruimtelijke en stedenbouwkundige voorschriften, en, mede gelet op de hiernavolgende overwegingen inzake hinderaspecten, verenigbaar is met de onmiddellijke omgeving; Overwegende dat het voorwerp van onderhavige aanvraag het exploiteren van een nieuwe asfalt(beton)centrale betreft; Overwegende dat de jaarlijkse productie van asfalt ingeschat wordt op 150.000 ton/jaar; dat de volgende grondstoffen worden gebruikt : zand, steenslag, recyclage asfalt, bitumen en vulstof; Overwegende dat om een goede hechting te krijgen met de bitumen, stenen, zand en vulstof droog moeten zijn; dat voor de vulstof, die wordt opgeslagen in een silo, geen droging nodig is; dat de droging van de stenen en het zand gebeurt door verwarming in de droogtrommel; Overwegende dat in deze roterende trommel er een rechtstreeks contact is tussen de granulaten en de warmtestroom afkomstig van de vlam van de brander; dat de brander geïntegreerd is in de droogtrommel en er dus geen aparte verbrandingskamer aanwezig is; dat de hete gasstroom in tegenrichting stroomt met de beweging van de stenen en het zand, waardoor deze materialen gedroogd worden; dat de hete gasstroom een deel van de fijnste materialen meeneemt en dat deze via een voorafscheider en een ontstoffingsinstallatie (doekenfilters) uit de afgassen worden verwijderd; Overwegende dat het fijne stof dat in de doekenfilters wordt afgescheiden, wordt opgeslagen in een silo en wordt gerecycleerd als vulstof in het asfalt- mengproces terwijl het grove stof bij het zand wordt gevoegd; VII-36.976-10/27 Overwegende dat de warme, gedroogde mineralen via een warme ladder naar de zeefinstallatie worden gebracht waar ze uitgezeefd worden in 6 fracties; dat onder de zeefinstallatie zich de warme wachtsilo's bevinden van waaruit de materialen in een weeginstallatie gebracht worden om in de juiste verhouding in de menger gemengd te worden met bitumen en vulstof; Overwegende dat in de menger de verschillende grondstoffen worden samengebracht en worden gemengd tot asfalt; dat vanuit de menger het asfalt via een verrijdbare bak naar de wachtsilo's gaat; dat het warme asfalt vanuit de wachtsilo's in de vrachtwagens wordt gestort die het asfalt naar de werven brengen; Overwegende dat asfaltmengsels ook kunnen bereid worden met gerecy- cleerd asfalt dat dan in de plaats komt van de nieuwe steenslag; dat het een asfaltrecyclering met warme toevoeging via een paralleltrommel is; dat in deze paralleltrommel het asfalt wordt gedroogd en voorverwarmd, analoog aan de droging van de primaire granulaten in de primaire trommel; dat er geen teerhoudend asfaltpuin-granulaat wordt gebruikt; Overwegende dat de droogtrommel en de paralleltrommel een thermisch vermogen hebben van respectievelijk 20 en 9,7 MW; dat bijgevolg de rubriek 'verbrandingsinstallaties met een totaal thermisch ingangsvermogen van meer dan 20 MW' van toepassing is; dat de droogtrommels bijgevolg ingedeeld zijn als een BKG-inrichting; dat bijgevolg een energiestudie werd bijgevoegd aan de milieuvergunningsaanvraag; dat de aanbevolen maatregelen in de energiestudie betrekking hebben op: - het verlagen en optimaal regelen van de luchtfactor bij de branders; - het verhogen van de thermische isolatie van de bitumenopslag en van de silo's met hete mineralen; - het plaatsen van energietellers; - de overdekte opslag van de grondstoffen dient verder geëvalueerd te worden; dat in de bestreden beslissing als bijzondere voorwaarde werd opgelegd dat alle preventieve maatregelen opgenomen in de energiestudie onverminderd dienen uitgevoerd te worden; Overwegende dat het drogen van de granulaten in de droogtrommel en het opwarmen van het recyclageasfalt in de paralleltrommel de belangrijkste bron van luchtemissies zijn bij asfalt(beton)centrales; dat de afgassen van de droogtrommel, de paralleltrommel en de afgezogen lucht ter hoogte van de menger via de voorafscheider en de ontstoffingsinstallatie naar de schouw zullen worden geleid; dat de leverancier van de installatie de garantie geeft dat na de stoffilter de concentratie stof slechts 20 mg/Nm³ bedraagt; Overwegende dat met betrekking tot asfaltbetoncentrales voor de parameter CO een emissiegrenswaarde van 500 mg/Nm³ en een richtwaarde van 100 mg/Nm³ geldt; dat voor de overige parameters de algemene emissiegrens- waarden voor lucht gelden; Overwegende dat in afdeling 4.4.4. van titel II van het Vlarem de meetstrate- gie en de toetsing van de meetwaarden van de parameters SO2, NOx en stofdeeltjes worden bepaald; dat naargelang de massastroom de parameters maandelijks of continu dienen gemeten te worden; Overwegende dat in de nota, ingediend op 29 november 2005, de exploitant stelt dat hij bereid is binnen een maand na inwerkingtreding van de installatie een controlemeetprogramma op te starten; dat dit bijgevolg wordt opgelegd als bijzondere voorwaarde; Overwegende dat in de bestreden beslissing als bijzondere voorwaarde werd opgelegd dat de stoffilters jaarlijks dienen onderhouden te worden en zo nodig te vervangen; Overwegende dat de beroepsindieners verwijzen naar het ontbreken van een duidelijk en opvolgbaar onderhoudsprogramma voor de ontstoffingsinstallatie; dat de exploitant in een nota, ingediend op 29 november 2005, stelt dat de VII-36.976-11/27 automatische controle van de druk over de mouwfilters wel degelijk deel uitmaakt van de standaarduitrusting van deze installatie; dat bij wijziging in drukval de controlekamer automatisch wordt verwittigd door middel van signalisatie op het controlepaneel; Overwegende dat in de milieuvergunningsaanvraag wordt vermeld dat het afgas via een schouw van 32 meter in de atmosfeer wordt geloosd; dat in voormelde nota van de exploitant gesteld wordt dat deze hoogte niet correct blijkt te zijn en dat op het doorsnedeplan, bijgevoegd bij de milieuvergunnings- aanvraag is af te leiden dat de schouwhoogte minstens 39 m zal zijn; dat dit overigens ook als bijzondere voorwaarde wordt opgelegd; Overwegende dat in de milieuvergunningsaanvraag wordt vermeld dat wordt voorzien om de trommels te stoken met gasolie, maar dat de installatie ook op aardgas kan werken en dat deze optie nog verder bekeken zal worden; dat vervolgens als bijzondere voorwaarde in de bestreden beslissing werd opgelegd dat binnen een termijn van 1 jaar na datum van de beslissing de exploitant een rapport dient op te stellen waarin de overschakeling op aardgas wordt onderzocht; dat in de nota ingediend op 29 november 2005, de exploitant stelt dat hij bereid is om aardgas te gebruiken in plaats van aardolie en dat het gebruik van aardgas zonder probleem als bijkomende voorwaarde mag opgelegd worden; dat deze techniek de BBT is volgens de BBT-studie voor de asfalt(beton)centrales van de VITO; dat door het gebruik van aardgas in plaats van aardolie de emissies nog zullen verminderen; dat dit bijgevolg wordt opgelegd als bijzondere voorwaarde; Overwegende dat om de diffuse stofemissie te beperken de volgende maatregelen zullen genomen worden: - de aan- en afrit voor de vrachtwagens en het terrein zelf worden volledig verhard; - een snelheidsbeperking van 5 km/u zal worden opgelegd ter voorkoming van stofopstuiving op het terrein door de aan- en afrijdende vrachtwagens; - in droge periodes kunnen terrein en wegen bijkomend door besproeiing vochtig gehouden worden; - de opslag van de vulstof gebeurt in gesloten silo's met overvulbeveiliging met alarmsignaal; op de silo's is ook een stoffilter voorzien; - het transport van de vulstof naar de asfalt(beton)centrale gebeurt via stofdichte transportelementen; - de installatie zal nagenoeg volledig ingekapseld zijn, waardoor ook de diffuse stofemissies zullen beperkt worden; - stofopstuiving bij het lossen van schepen kan voldoende beperkt worden door voorzichtig te handelen (voorzichtige manipulatie van de grijpers); - een groenscherm wordt voorzien; dat in de bestreden beslissing als bijzondere voorwaarde werd opgelegd dat over het ganse terrein sprinklers dienen geïnstalleerd te worden; Overwegende dat de gemeente Grimbergen in zijn beroepschrift stelt dat een bandenwasinstallatie dient voorzien te worden; dat het terrein zelf volledig wordt verhard en dat deze techniek niet als de BBT beschouwd wordt volgens de BBT-studie voor asfalt(beton)centrales van het VITO; dat deze voorwaarde bijgevolg niet wordt weerhouden; dat de gemeente ook stelt dat een veeginstallatie dient voorzien te worden die de verharde oppervlakte regelmatig reinigt; dat deze techniek wel als de BBT beschouwd wordt volgens voormelde BBT-studie; dat het bijgevolg opportuun is dit op te leggen als bijzondere voorwaarde; dat verder door de gemeente wordt voorgesteld om de bulkopslagen aan minerale stoffen te overdekken; dat het opslaan van het fijn materiaal in silo's of in overdekte boxen als BBT wordt beschouwd volgens de voormelde BBT-studie; dat dit bijgevolg ook wordt opgelegd als bijzondere voorwaarde; VII-36.976-12/27 dat de gemeente ook stelt dat een groenscherm dient aangelegd te worden; dat een groenscherm zal worden aangelegd zoals opgelegd in de stedenbouw- kundige vergunning; dat tenslotte de gemeente ook voorstelt om bij het lossen van de schepen de grondstoffen te besproeien; dat volgens de exploitant dit besproeien geen toegevoegde waarde heeft aangezien deze grondstoffen bij het lossen reeds een vochtgehalte hebben van 10 tot 15 % en gezien het feit dat hoe vochtiger de grondstoffen zijn, hoe meer energie er nodig is voor het droogproces; dat dit bijgevolg niet wordt opgelegd als bijzondere voorwaarde; dat artikel 5.30.0.3 van titel II van het Vlarem overigens reeds maatregelen oplegt om stofhinder bij het laden en lossen van stuivende minerale stoffen te beperken; Overwegende dat een geurstudie werd uitgevoerd door een erkend deskundige in de discipline 'lucht' op 18 november 2005, waarin een inschatting werd gemaakt van de geuremissies van de geplande asfalt(beton)centrale; dat de belangrijkste bronnen voor geuremissies voor een asfalt(beton)centrale de volgende zijn : emissies uit de schoorsteen tijdens productie, diffuse emissies uit de centrale tijdens productie, diffuse emissies uit het laadstation tijdens laden van vrachtwagens en ademverliezen uit bitumentanks en piekemissies tijdens vullen van bitumentanks; dat wat de diffuse emissie op de centrale betreft, belangrijke maatregelen werden genomen; dat de procesonderdelen in een gesloten uitvoering zijn en onder lichte onderdruk staan; dat er bijgevolg van het hele proces geen dampen naar buiten kunnen ontsnappen, tenzij via de centrale afzuiging; dat deze afzuiging, samen met de dampen van de beide trommels is aangesloten op een mouwenfilter en op de schoorsteen; dat indien er zich toch nog ergens lekken voordoen, deze worden opgevangen in de inkapseling; dat deze techniek de BBT is volgens de BBT-studie voor de asfalt(beton)centrales van de VITO; dat de emissies bij het laden van de vrachtwagens met warme asfalt bij deze asfalt(beton)centrale vermeden worden door te voorzien in een gesloten laadstation (aan beide zijden worden snelsluitende poorten voorzien, zodat het laden van de vrachtwagens binnen kan gebeuren); dat in de bestreden beslissing als bijzondere voorwaarde werd opgelegd dat de laadplaats voor transportwa- gens van warm asfalt zodanig bouwkundig dient aangepast te worden dat de vrijkomende emissies afgezogen kunnen worden en verspreid via de schoor- steen; dat het evenwel opportuun is dit aan te vullen met het volgende : 'en dat de laadplaats wordt voorzien van snelsluitende poorten aan beide zijden'; dat er tevens voorzien is in een procedure waarbij de vrachtwagens onmiddellijk afgedekt worden met een zeil, zodat ook bij het wegrijden geen diffuse emissies meer optreden van het warme asfalt; dat deze technieken de BBT zijn volgens de BBT-studie voor de asfalt(beton)centrales van de VITO; dat wat de bitumentanks betreft, er ventielen worden voorzien die ademver- liezen moeten beperken; dat enkel bij hoge overdruk in de tanks deze kleppen om veiligheidsredenen opengaan; dat bovendien de verschillende tanks met elkaar in verbinding staan, zodat deze lucht nog kan gebufferd worden en niet onmiddellijk naar buiten ontsnapt; dat verder wordt geopteerd om bij het lossen van de vrachtwagens met bitumen pompen te gebruiken in plaats van perslucht; dat deze techniek BBT is volgens de BBT-studie voor de asfalt(beton)centrales van de VITO; dat op deze manier geen overmaat lucht in de tank wordt ingeblazen en dat enkel de hoeveelheid lucht die ingenomen wordt door nieuw bitumen in de tank ontsnapt; dat dit volume via een dampretoursysteem terug naar de vrachtwagen wordt gestuurd; dat in de studie wordt voorgesteld om de inkapseling volledig te maken; dat namelijk in de huidige plannen de zeef niet ingekapseld zal worden; dat deze bijkomende inkapseling een positief effect zal hebben op het vermijden van eventuele diffuse emissies; dat dit bijgevolg wordt opgelegd als bijzondere voorwaarde; VII-36.976-13/27 dat verder in de studie wordt gesteld dat het bedrijfsterrein relatief gunstig ligt ten opzichte van de dichtstbijzijnde woonwijk, gezien het terrein ten noordoosten ligt van de woonwijk en de woonwijk bijgevolg niet in de overheersende windrichting ligt; dat uit de simulaties blijkt dat, zelfs rekening gehouden met de hoogtever- schillen van het terrein, er noch geurhinder te verwachten valt voor de inwoners van de dichtstbijzijnde woonwijk, noch voor de overige woningen/wijken in de omgeving van het bedrijf (richting Vilvoorde, Verbrande Brug), veroorzaakt door de emissies van de asfalt(beton)centrale; dat ook blijkt dat een verhoging van de schoorsteen naar 60 m niet zinvol is en niet aanbevolen wordt om de dampen uit de paralleltrommel mee te verbranden in de droogtrommel, zoals de gemeente Grimbergen had voorgesteld gezien een schouwhoogte van 39 m waarmee in de simulaties gerekend werd, reeds ervoor zorgt dat de immissie- grenswaarden niet overschreden (en zelfs niet benaderd) worden; dat nog dient opgemerkt te worden dat in deze simulatie rekening werd gehouden met een schouwhoogte van minstens 39 m in plaats van 32 m, zoals in de milieuvergunningsaanvraag werd vermeld; dat het bijgevolg opportuun is om als bijzondere voorwaarde op te leggen dat de schouwhoogte minstens 39 m dient te bedragen; dat in de milieuvergunningsaanvraag nog een aantal andere maatregelen ter beperking van de geurhinder worden opgesomd: - het gerecycleerd granulaatasfalt wordt langzaam opgewarmd ter beperking van geurhinder; - de behandelingstemperatuur voor het bitumen wordt beperkt; - de wachtsilo's voor de warme gemengde asfalt zijn voorzien van automatisch sluitende laaddeuren; - er wordt geen gebruik gemaakt van het additief 'Trinidad', dat bekend staat om voor geurhinder te zorgen; - het gebruik van antikleefmiddel wordt beperkt en er wordt een weinig vluchtige en biologische afbreekbare verbinding voor gebruikt; dat de voorgaande maatregelen allen beschouwd worden als de BBT volgens de voormelde BBT-studie; dat veel van deze maatregelen ter beperking van geurhinder ook de beperking van de gasvormige emissies in de hand werken; dat bijgevolg kan gesteld worden dat, mits inkapseling van de zeefinstallatie, de geurhinder voor omwonenden tot een aanvaardbaar niveau kan beperkt worden; Overwegende dat op 25 november 2005 een geluidsstudie werd uitgevoerd door een erkend deskundige in de discipline 'geluid'; dat de inrichting zal ingeplant worden langs de Fabrieksweg, op circa 200 m van een woonkern; dat de centrale zelf wordt voorzien op de noordelijke helft van het bedrijfsterrein, op een afstand van circa 100 m van de Fabrieksweg; dat het terrein aan drie zijden omgeven is door opslagbunkers met een wandhoogte van minstens 3 m; dat de aan- en afvoer van het materiaal aan de noordelijke zijde zal gebeuren, op ruim 150 m van de Fabrieksweg; dat de belangrijkste onderdelen van de inrichting, uit oogpunt van geluid, de volgende zijn : de droogtrommel, de paralleltrommel, de filter met afzuiginrich- ting, de schouw en de zeefinrichting die zich boven in de toren bevindt; dat eventuele andere elementen de volgende zijn : doseer- en transportbandsyste- men, elevatoren, mengers, silo's en laadsystemen; dat de algemene aanvoer van grondstoffen, zand en steenslag langs het kanaal gebeurt; dat deze grondstoffen vanaf de kade met vrachtwagens via de noordelijk gelegen toegangsweg naar de opslagbunkers worden gebracht; dat de voeding van de centrale gebeurt met één bulldozer, die de granulaten uit de verschillende bunkers ophaalt en vervolgens in de doseersilo's stort; dat de geluidsmetingen uitgevoerd werden aan de rand van het woongebied; VII-36.976-14/27 dat zoals reeds werd vermeld de activiteiten zullen aanvangen om 5 uur 's morgens (nachtperiode) en eindigen tijdens de dagperiode; dat in de bestreden beslissing werd opgelegd dat er 50 nachten per jaar gedurende de gehele nacht mag gewerkt worden; dat een oorspronkelijk omgevingsgeluid tijdens de dagperiode en de nachtperio- de gemeten werd van respectievelijk 54,5 dB en 38,9 dB; dat bijgevolg de richtwaarden met 4,5 dB worden overschreden tijdens de dagperiode; dat in de geluidsstudie wordt gesteld dat overdag het specifiek geluid van het bedrijf de richtwaarde van 49,5 dB niet mag overschrijden; dat 's avonds en 's nachts hetzelfde geldt voor een richtwaarde van 40 dB; dat de prognose van het geluid een specifiek geluid geeft van 42,9 dB ter hoogte van de woonkern; dat bijgevolg dit een overschrijding is van de richtwaarde voor de nacht; dat de overschrijding veroorzaakt wordt door de vrijstaande droogtrommel; dat er ook een prognose werd gedaan na inkapseling van de droogtrommel; dat hierbij het specifieke geluid ter hoogte van de woonkern 38,3 dB zal bedragen; dat kan geconcludeerd worden dat met de ingekapselde droogtrom- mel de richtwaarde van 40 dB voor 's nachts kan gerespecteerd worden; dat gezien het voorgaande het opportuun is als bijzondere voorwaarde op te leggen dat de droogtrommel dient ingekapseld te worden, zoals in de geluids- studie wordt aangegeven; dat dient opgemerkt te worden dat in de studie wordt gesteld dat de paralleltrommel ingekapseld staat opgesteld; dat gezien dit niet duidelijk staat omschreven in de milieuvergunningsaanvraag, dit ook wordt opgelegd; dat bij inschakeling van de paralleltrommel, welke ingekapseld zal worden, de productie voor 50 % zal geleverd worden door de droogtrommel en voor 50 % door de paralleltrommel; dat in deze situatie het specifieke geluid ter hoogte van de woonkern ook 38,3 dB zal bedragen, en dat dus de richtwaarde gerespecteerd wordt; dat verder in de geluidsstudie wordt vermeld dat de impact van intern verkeer op het bedrijfsterrein verwaarloosbaar is en dat uit oogpunt van verkeersdruk de gehanteerde drempelwaarde die geldt voor een weg met gemengd verkeer (Westvaartdijk) niet wordt overschreden; dat de verkeersdruk nu op 76 % van de drempelwaarde ligt en dat met de asfalt(beton)centrale erbij dit zou stijgen naar 80 %; dat in de milieuvergunningsaanvraag nog een aantal andere maatregelen ter beperking van geluidshinder worden opgesomd: - de transformator en de compressor worden in een gebouw geplaatst; - de storttrechters voor granulaat worden voorzien van slijtvaste rubberen bekleding en de storthoogte van de granulaten in de storttrechters wordt beperkt; dat de voorgaande maatregelen allen beschouwd worden als de BBT-techniek volgens de voormelde BBT-studie; dat nog dient gesteld te worden dat in de geluidsstudie rekening werd gehouden met opslagbunkers met een hoogte van minstens 3 m; dat het bijgevolg opportuun is deze hoogte op te leggen als bijzondere voorwaarde; dat bijgevolg kan geconcludeerd worden dat de geluidshinder, mits inkapseling van de droogtrommel en de paralleltrommel, voor de omwonenden tot een aanvaardbaar niveau kan beperkt worden; Overwegende dat de grondstoffen voor 90 % via het kanaal zullen worden aangevoerd; dat in de overeenkomst van het bedrijf met de NV Zeekanaal betreffende het gebruik van de waterweg de watergebondenheid van het bedrijf wordt bevestigd; dat het recyclage-asfalt wegens de onmiddellijke nabijheid van 2 breekinstallaties daar aangekocht kan worden; dat het bindmiddel bitumen via de weg wordt aangevoerd in geïsoleerde tankwagens; dat bitumen op temperatuur dient gehouden te worden omdat het bij afkoeling niet VII-36.976-15/27 vloeibaar genoeg meer is om nog verpompt te kunnen worden; dat ook de vulstof wordt aangevoerd via vrachtwagens; dat de afstand, via de gemeenschappelijke toegangsweg, van het bedrijfster- rein tot de aanwezige loskade circa 240 m bedraagt; dat in het kader van de stedenbouwkundige vergunning een plan 7/7 'plan toegangsweg' werd opgesteld en dat de stedenbouwkundige vergunning (ook voor de toegangsweg) werd verleend op voorwaarde dat dit plan wordt nageleefd; dat deze weg zich in industriegebied bevindt en niet langs woningen loopt; dat deze toegangsweg voldoende uitgerust is voor de vooropgestelde activiteiten; dat in de voormelde geluidsstudie werd gesteld dat uit oogpunt van verkeersdruk de gehanteerde drempelwaarde die geldt voor een weg met gemengd verkeer (Westvaartdijk) niet wordt overschreden; dat de verkeersdruk nu op 76 % van de drempelwaarde ligt en dat met de asfalt(beton)centrale erbij dit zou stijgen naar 80 %; dat in de bestreden beslissing de volgende bijzondere voorwaarde werd opgelegd: 'om de verkeersafwikkeling van en naar de inrichting op een voor de omgeving zo gunstig mogelijke wijze te laten verlopen, dient de exploitant een bedrijfsvervoerplan betreffende het te volgen traject van het wegtransport op te stellen waarin rekening gehouden wordt met het advies van het college van burgemeester en schepenen van Grimbergen'; dat volgens de exploitant het aantal transportbewegingen van vrachtwagens 6.800 per jaar zal bedragen en enkel zal gebruik gemaakt worden van de Westvaartdijk; dat in het opgelegde bedrijfsvervoerplan de impact van de transportbewegingen verder zal geëvalueerd worden en dat hierdoor een optimale spreiding van de transportbewegingen zal gebeuren; dat gezien het voorgaande het opportuun is om als bijzondere voorwaarde op te leggen dat de aanvoer van grondstoffen (met uitzondering van bitumen, recyclage-asfalt en vulstof) dient te gebeuren via het kanaal; Overwegende dat in de bestreden beslissing als bijzondere voorwaarde werd opgelegd dat in afwijking van de sectorale bepalingen kan gewerkt worden vanaf 5.00 uur, dat de nachtwerkzaamheden dienen beperkt te worden tot 50 nachten/jaar en dat het aantal weekenddagen, inclusief feestdagen, dient beperkt te worden tot maximaal 10; dat de exploitant tegen deze laatste bepaling in beroep gaat, aangezien hij graag 20 weekenddagen/jaar of 10 weekends/jaar zou willen werken; dat uit voorgaande bepalingen blijkt dat de hinder tot een aanvaardbaar niveau kan beperkt worden, waardoor deze 10 extra weekenddagen per jaar kunnen toegestaan worden; Overwegende dat gelet op het voorgaande kan gesteld worden dat de exploitant de beste beschikbare technieken toepast voor het exploiteren van een asfalt(beton)centrale; Overwegende dat de lozing van 57,6 m³/u en 14.550 m³/jaar bedrijfsafvalwa- ter in oppervlaktewater wordt aangevraagd; dat het bedrijfsafvalwater afkomstig is van het verontreinigd hemelwater van het verharde terreinopper- vlak en van het huishoudelijk afvalwater en geloosd wordt via een koolwater- stofafscheider; dat de totale oppervlakte van het terrein circa 2,09 ha bedraagt waarvan 1,8 ha is verhard; dat het verontreinigd hemelwater wordt gebufferd in een bufferbekken met een inhoud van 400 m³, vanwaar het geloosd wordt in de Tangebeek; dat er zal worden geloosd met een maximumdebiet van 16 l/sec of maximum 57,6 m³/u; Overwegende dat volgens het besluit van de Vlaamse Regering van 20 juli 2006 tot vaststelling van nadere regels voor de toepassing van de watertoets, de inrichting is gelegen in het Dijlebekken; dat de inrichting niet is gelegen in een overstromingsgevoelig gebied; Overwegende dat gelet op de aard van de aangevraagde activiteiten en mits naleving van de opgelegde voorwaarden er geen schadelijke effecten verwacht VII-36.976-16/27 worden op het watersysteem en er bijgevolg voldaan wordt aan artikel 8 van het decreet betreffende het integraal waterbeleid, meer bepaald de watertoets; Overwegende dat gesteld kan worden dat de risico's voor de externe veiligheid, de hinder, de effecten op het leefmilieu, op de wateren, op de natuur en op de mens buiten de inrichting veroorzaakt door de gevraagde exploitatie, mits strikte naleving van de aangepaste milieuvergunningsvoorwaarden, tot een aanvaardbaar niveau kunnen worden beperkt; Overwegende dat er bijgevolg aanleiding toe bestaat de beroepen van mevrouw Marie-Claire Wachtelaer en de heer Marc Coenen onontvankelijk te verklaren, de overige ontvankelijke beroepen gedeeltelijk gegrond te verklaren en de bestreden beslissing te wijzigen; BESLUIT: Artikel 1. Het ministerieel besluit nr. AMV/00141220/1001 van 23 februari 2006 houdende uitspraak over de beroepen aangetekend tegen de beslissing nr. D/PMVC/05E10/03775 van 8 september 2005 van de bestendige deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant, houdende het verlenen van de milieuver- gunning aan Verhaeren Beton en Asfalt BVBA, Leuvensesteenweg 300, 3190 Boortmeerbeek, om een asfaltbetoncentrale, gelegen te 1850 Grimbergen, Westvaartdijk zn, uit te baten, wordt ingetrokken. Artikel 2. §1 - De ontvankelijk bevonden beroepen van: - Verhaeren Beton en Asfalt, Leuvensesteenweg 300, 3190 Boortmeerbeek; - Bond Beter Leefmilieu, Tweekerkenstraat 47, 1000 Brussel; - Ria Turcksin, Daalstraat 178 te 1852 Beigem; - Peter De Smedt en Colin De Beir, LDR Milieuadvocaten voor 251 beroepsindieners, Kasteellaan 141, 9000 Gent; - Gemeente Grimbergen, Prinsenstraat 3, 1850 Grimbergen; - Bart Laeremans, Nieuwe Schapenweg 2, 1850 Grimbergen; - Steven Dupont, Humbeeksesteenweg 8, 1850 Grimbergen, aangetekend tegen het besluit met kenmerk D/PMVC/O5El0/03775 van 8 september 2005 van de bestendige deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant, houdende het verlenen van de milieuvergunning aan Verhaeren Beton en Asfalt BVBA, Leuvensesteenweg 300, 3190 Boortmeer- beek, om een asfaltbetoncentrale, gelegen te 1850 Grimbergen, Westvaartdijk zn, kadastrale perceel, afdeling 1, sectie I, perceelnummer 4913, uit te baten, met als voorwerp: - een opslag van 10.580 ton Bitumen, freesasfalt en asfalt; - het lozen van bedrijfsafvalwater in oppervlaktewater, met een maximumde- biet van 57,6 m³/uur en 14.550 m³/jaar; - één transformator met een nominaal vermogen van 1.000 kVA; - het stallen van 5 voertuigen; - 1 compressor (15 kW) en een koelinstallatie (3,5 kW), met een totaal geïnstalleerde drijfkracht van 18,5 kW; - een opslag van 480 liter gassen (zuurstof, propaan en acetyleen) in verplaatsbare recipiënten; - een opslag van 378 kg schadelijke, corrosieve, irriterende en oxyderende stoffen (antikleef, antivries en reinigingsproducten); - een opslag van 60.000 l gasolie in een bovengrondse dubbelwandige houder; - een opslag van 1.328 1 P4-producten (smeerolie) en 1.000 1 afvalolie; - een brandstofverdeelinstallatie omvattende 1 slang; - één laboratorium voor kwaliteitscontrole; - een inrichting voor het behandelen van metalen, met een geïnstalleerde totale drijfkracht van 10 kW; - een asfaltbetoncentrale met een totaal vermogen van 973 kW; - een opslag van minerale producten op een terrein met een totale oppervlakte van 2,09 ha; VII-36.976-17/27 - 2 stookinstallaties (droog- en paralleltrommel), met een thermisch vermogen van respectievelijk 20 MW en 9,7 MW, worden gedeeltelijk gegrond verklaard. §2 - De beroepen van: - Marie-Claire Wachtelaer, Sint-Annalaan 19, 1853 Strombeek-Bever; - Marc Coenen, Romeinsesteenweg 520, 1853 Strombeek-Bever, aangetekend tegen bovenvermelde beslissing, worden onontvankelijk verklaard. Art. 3. De bestreden beslissing nr. D/PMVC/05E10/03775 van 8 september 2005 van de bestendige deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant, houdende het verlenen van bovenvermelde milieuvergunning aan Verhaeren Beton en Asfalt BVBA, Leuvensesteenweg 300, 3190 Boortmeerbeek, om een asfaltbetoncentrale, gelegen te 1850 Grimbergen, Westvaartdijk zn, te exploiteren, wordt gewijzigd als volgt : 1) artikel 1 wordt aangevuld met het volgende: 'Voor de werking van de asfaltbetoncentrale dient aardgas gebruikt te worden'; 2) in artikel 4, §2 Bijzondere vergunningsvoorwaarden wordt in artikel 2 het volgende geschrapt: 'Het aantal weekenddagen, inclusief feestdagen dient beperkt te worden tot maximaal 10', en vervangen door: 'het aantal weekenddagen, inclusief feestdagen dient beperkt te worden tot maximaal 20'; 3) in artikel 4, §2 Bijzondere vergunningsvoorwaarden wordt artikel 5 aangevuld met het volgende: 'mede op basis van de resultaten van de geurstudie van 18 november 2005, wordt de laadplaats voorzien van snelsluitende poorten aan beide zijden'; 4) artikel 4, §2 Bijzondere vergunningsvoorwaarden wordt aangevuld met de volgende artikels: - 'artikel 9: De droogtrommel dient ingekapseld te worden volgens de bepalingen vermeld in de geluidsstudie van 25 november 2005. De zeefinstallatie en de paralleltrommel dienen eveneens ingekapseld te worden'; - 'artikel 10: de aanvoer van grondstoffen (met uitzondering van bitumen, recyclage-asfalt en vulstof) dient te gebeuren via het kanaal'; - 'artikel 11: de opslag van fijn zand, kalksteen en porfier dient overdekt te worden'; - 'artikel 12: er dient een veeginstallatie voorzien te worden die de verharde oppervlakte regelmatig reinigt'; - 'artikel 13: de schouw dient een hoogte te hebben van minstens 39 m'; - 'artikel 14: de opslagbunkers aan de zijkanten van het terrein dienen een hoogte te hebben van minstens 3 m'; - 'artikel 15: binnen de maand na inwerkingtreding van de installatie dient een controlemeetprogramma met betrekking tot de luchtemissies opgestart te worden'. Art. 4. De overige bepalingen van het beroepen besluit worden bevestigd. (...)"; VII-36.976-18/27 2. De ontvankelijkheid van de vordering Overwegende dat de tussenkomende partij een aantal excepties inroept; dat over die ingeroepen excepties slechts uitspraak zou moeten worden gedaan indien aan de beide, cumulatieve voorwaarden om tot de schorsing van de tenuitvoerlegging over te gaan is voldaan, wat te dezen, zoals zal blijken, niet het geval is; 3. De gegrondheid van de vordering Overwegende dat luidens artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging kan worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de bestreden beslissing kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de akte of het reglement een moeilijk te herstellen en ernstig nadeel kan berokkenen; 3.1. Overwegende dat de verzoekende partijen met betrekking tot de tweede voorwaarde van voornoemd artikel 17, § 2, uiteenzetten wat volgt : "Verzoekende partijen zijn woonachtig in de woonwijk Borgt en de woonkorrel Lint-Verbrande Brug, gelegen in de onmiddellijke nabijheid van de exploitatiesite (zie aanduiding op wegenkaart, stuk 2 en attesten van woonst - stuk nr. 9). De vergunde exploitatie is van die aard dat ondanks de opgelegde bijzondere exploitatievoorwaarden de aanvoer van een aanzienlijke hoeveelheid afgewerkte producten (zogenaamd 300.000 ton) nog steeds over de weg en via vrachtverkeer dient te geschieden, en dit mits afwijking van de sectorale exploitatievoorwaarden tevens gedurende 20 weekenddagen of 10 weekends per jaar. Bovendien betreft de exploitatie in casu een asfaltbetoncentrale waarbij de verhoging van fijn stof in de lucht onafwendbaar is, en zodoende een onherstelbaar en ernstig gevolg heeft op de gezondheid van de omwonenden. Tweede verzoekster, mevrouw Berger, is woonachtig te Grimbergen, Leeuwerikenstraat 54 (zie attest van woonst - stuk nr. 9). Haar woning is derhalve ingeplant op zo’n 600 meter van de geplande en door de bestreden vergunning toegelaten exploitatie. Het behoeft geen betoog dat de waarde van haar woning op substantiële wijze wordt aangetast door de voorgenomen exploitatie, en dit onroerend goed in elk geval quasi onverkoopbaar wordt. De levenskwaliteit van derde verzoekster wordt aangetast nu zij als oudere persoon (68 jaar) niet zonder hinder met open raam zal kunnen slapen, noch leven. Vierde verzoekster, mevrouw Buyle, is net als tweede verzoekster woonachtig op amper 600 meter van de installatie; zij heeft er van uit haar slaapkamer rechtstreeks zicht op. Bovendien is zij woonachtig langs de Humbeeksesteenweg, die onvermijdelijk een pak extra overlast zal moeten ondergaan vanwege het toegenomen zware vrachtverkeer. Ook de waarde van haar woning zal drastisch devalueren, gelet op de afgenomen levenskwaliteit. VII-36.976-19/27 Derde verzoekende partij, mevrouw Gomez woont in de Jean Deschampsstraat in de dorpskern van de Borgt, vlakbij de Westvaartdijk, een baan die vandaag reeds ongeschikt is om al het zware vrachtverkeer van en naar het industriegebied te dragen en die dus geen verdere groei van dit vrachtverkeer aankan. Nochtans is het de bedoeling dat diezelfde baan, die niet eens over riolering of afwatering beschikt (en daardoor bij regenweer telkens herleid wordt tot een slijkpoel) en waarvan een gedeelte in 2005 instortte onder druk van de zware belasting, opnieuw de enige ontsluitingsweg zal worden voor de betrokken fabriek. Dit betekent dat in de toekomst gemiddeld dagelijks (en vanaf 5 uur ‘s morgens) meer dan 180 zware vrachtwagens voor de afvoer van een productie van 300.000 ton per jaar, over deze weg zullen denderen. Dit zal drastische gevolgen hebben inzake lawaaihinder en inzake de bijkomende verspreiding van stof en fijn stof. Ook de verkeersveiligheid van de wijk Borgt zal drastisch te lijden hebben van de zware toename van het vrachtverkeer. De leefbaarheid van deze wijk, en meer in het bijzonder van de woonomgeving van verzoekende partijen komt meer dan ooit in het gedrang. De drie kinderen van eerste verzoeker en het jongste kind van derde verzoeker lopen school in de gemeentelijke basisschool van de wijk Borgt, gelegen in de Jean Deschampsstraat in de dorpskern van de Borgt en eveneens vlakbij de Westvaartdijk (zie attest, stuk nr. 3). Zij zullen dus gedurende een groot gedeelte van de dag bloot staan aan de lawaai- en stofhinder die dit extra vrachtverkeer zal teweegbrengen Ook zullen zij in belangrijke mate de negatieve gevolgen ervaren van de geluids- en geurhinder van de fabriek zelf en van de uitstoot van de schadelijke stoffen, die wat betreft hun aanvaardbaar niveau desalniettemin een grotere invloed hebben op kinderen. Zelfs al zou de geurhinder van de asfaltcentrale maar beperkt zijn, wat allerminst bewezen is, de school zal hiermee tijdens de productie wel permanent geconfronteerd worden. Dit dreigt ernstige negatieve gevolgen te zullen hebben voor de reputatie en goede naam van de school, en zodoende op de mogelijkheid voor eerste en derde verzoekende partijen hun kinderen naar een onderwijsinstelling van hun keuze te zenden, gelet op bijkomende gezondheidsrisico’s. Uw Raad oordeelde reeds zeer terecht dat het door een dergelijke exploitatie in het geding zijnde risico zowel weegt op de bescherming van de gezondheid als op het recht op bescherming van een gezond leefmilieu (art. 23, derde lid, 2/ en 4/ Grondwet), zodoende dat het nadeel (...) dat betrekking heeft op grondrechten ernstig is en, uit de aard zelf, moeilijk te herstellen (R.v.St., Baeten, nr. 85.836, 6 maart 2000). Verzoekende partijen verwijzen naar het verslag opgesteld door Ir. Benny Cresens betiteld 'Verslag van en bezwaren tegen de milieuvergunningsaanvraag van Verhaeren Asfalt en Beton voor een asfaltcentrale te Grimbergen' (stuk 4). In voormeld verslag wordt uitgebreid verwezen naar de ernstige toename van het gezondheidsrisico ten gevolge van de toename van fijn stof in de lucht, en de aanwezigheid van CO, PAK’s en dioxines in de lucht ten gevolge van de vergunde exploitatie. Zwevend stof wordt in Vlaanderen nog steeds als één van de belangrijkste luchtverontreinigende stoffen beschouwd, die leiden tot nadelige gezondheidsrisico’s (o.a. longkanker). De kleinere deeltjes van het fijn stof dringen door tot het diepst van de longen. De PM-10 stof kan door mechanische en toxische inwerking de slijmafvoer in de luchtwegen verstoren, ademhalingsklachten uitlokken en de gevoeligheid voor luchtwegeninfecties verhogen. In het bijzonder kan worden verwezen naar blz. 5 van hoger vermeld verslag. De exploitant voorziet zelf in een emissie van 20 mg/Nm3 voor stof (dit is de emissie die door toepassing van alle BBT technieken kan worden gehaald). Omgerekend naar een potentiële jaarproductie van 150.000 ton asfalt veroorzaakt dit een toename van 1920 tot 4160 kg fijn stof in de lucht, en dit in VII-36.976-20/27 de onmiddellijke nabijheid van een dicht bevolkte woonkorrel. Meetrapporten tonen aan dat ten opzichte van de Richtlijn 1999/30/EG in en rondom Vilvoorde de concentraties aan fijn stof reeds meer dan 35 maal de grenswaarden overschreden (blz. 4 Verslag). Het ernstig nadeel van verzoekende partijen kan dan ook rechtsreeks gerelateerd worden aan de Richtlijn 1999/30/EG van 22 april 1999. Zelf indien alle BBT-technieken zouden worden toegepast, hetgeen hier niet het geval is, dan nog is de minimale uitstoot van fijn stof deze zoals in het verslag toegepast, te weten 20 mg/Nm3, en blijft het gezondheidsrisico bestaan. Verwerende partij zal zich derhalve niet kunnen beroepen op de opgelegde bijzondere exploitatievoorwaarden teneinde het MTHEN van verzoekende partijen te minimaliseren. Ter zake kan worden verwezen naar de VITO studie betreffende de BBT inzake asfaltcentrales die bij elk onderdeel van het productieproces verwijst naar de stofhinder, die apert aanwezig is. De regio van de rand rond Brussel, waartoe ook de Gemeente Grimbergen behoort is bovendien te situeren in een bijzondere beschermingszone in de zin van de voormelde richtlijn waarbinnen de te verwachten toename van verontreiniging ten gevolge van stedelijke en industriële ontwikkelingen moeten worden beperkt of voorkomen (blz. 10 verslag). Ook de invloed van koolstofmonoxide, PAK’s en dioxines op de gezondheid van de omwonenden wordt behandeld in het verslag van Ir. Benny Cresens. Enorme hoeveelheden CO uitstoot zijn kenmerkend voor asfaltbetoncentrales en kunnen dan ook zelf niet mits aanwending van de BBT worden weggewerkt door het opleggen van bijzondere exploitatievoorwaarden. De conclusie van het VITO na analyse van de BBT is dan ook de volgende: '6.5 Conclusie De belangrijkste milieu-effecten die asfaltcentrales veroorzaken zijn luchtemissies van VOS, PAK, S02, NOx en stof. Soms treedt ook geurhinder op. PAK emissies, maar ook de VOS-emissies en geurproblemen zijn vooral verbonden aan het recycleren van asfaltpuingranulaten en het lossen en gebruiken van warm bitumen. De emissies die bij deze activiteiten optreden, dienen dan ook zoveel mogelijk gecontroleerd te worden. De S02 en NOx-emissies hangen samen met het gebruik van een stookinstallatie. Het gebruik van aardgas en een optimale afstelling van de branders zijn de belangrijkste maatregelen die genomen kunnen worden. Om de stofemissies te beperken is vooral het regelmatig onderhoud van de filterinstallatie aangewezen. Verder kunnen zich ook diffuse stofemissies voordoen van de op- en overslag van de grondstoffen. Meestal gaat het om niet-stuifgevoelig stof en zijn enkel maatregelen nodig in geval van lokale hinder. De diffuse emissie van VOS is aanzienlijk, daarom moet het gebruik van een niet vluchtig antikleefmiddel en het behandelen van bitumendam- pen ten stelligste aangeraden worden. Andere maatregelen om VOS- emissie te reduceren hebben vooral betrekking op de geleide emissies en grijpen in op het stookproces. De geurhinder kan gereduceerd worden door specifieke maatregelen die enkel genomen hoeven te worden wanneer de lokale situatie dit vereist. De luchtemissies dienen echter in alle gevallen gecontroleerd te worden.' (...) Hierbij dient dan nog in rekening te worden gebracht dat niet alle BBT als bijzondere exploitatievoorwaarden werden opgelegd. De geluids- en geurhinder zal onvermijdelijk en ondanks de bijzondere exploitatievoorwaarden een aantasting veroorzaken van de leefkwaliteit van verzoekende partijen. Zij kan immers nooit volledig worden gereduceerd gelet op de danig korte afstand VII-36.976-21/27 tussen exploitatieplaats en woonkorrel. Voornamelijk de mogelijkheid volgens de bestreden beslissing ook 20 weekenddagen te produceren levert ook in de vrije tijd van verzoekers een kwaliteitsvermindering van de woon- en leefomstandigheden op. Er is zonder meer sprake van zware industriële risico’s die conform de rechtspraak van Uw Raad in de regel voor de omwonenden worden geacht een moeilijk te herstellen ernstig nadeel te berokkenen (Zie T. DEWAELE, 'Het moeilijk te herstellen ernstig nadeel' in het administratief kortgeding inzake leefmilieu en onroerend goed”, C.D.P.K., 1997, 278). Verzoekende partij(
  3. en)tonen derhalve aan de hand van concrete gegevens aan dat de voorgenomen en door de vergunde exploitatie toegelaten betonasfaltcentrale voor hen zonder meer een ernstig en moeilijk te herstellen ernstig nadeel meebrengt, nadeel dat reeds aanzienlijke effecten zal hebben op de gezondheid van verzoekende partijen in de looptijd van het ingediende annulatieberoep tegen de milieuvergunning. Teneinde dit moeilijk te herstellen ernstig nadeel te voorkomen dringt de schorsing van de tenuitvoerlegging zich op"; 3.2. Overwegende dat de verwerende partij in haar nota daarop als volgt antwoordt : "Verzoekende partijen roepen als moeilijk te herstellen ernstig nadeel het verkeer, de stofhinder en de gezondheid, vermindering van de waarde van de woning, Het moeilijk te herstellen ernstig nadeel is een aparte wettelijke voorwaarde om tot schorsing te kunnen besluiten, m.a.w. een grondvoorwaarde. Verzoekende partijen mogen zich niet beperken tot het weergeven van vaagheden en algemeenheden, maar moet concrete gegevens aanbrengen die erop wijzen welk persoonlijk moeilijk te herstellen ernstig nadeel zij precies ondergaat of dreigt te ondergaan. Verzoekende partijen dienen precieze en concrete aanduidingen te verschaffen omtrent de aard en omvang van het nadeel. Wanneer de verzoekende partijen er zich toe beperken de gevolgen op te sommen die de bestreden beslissing voor hen heeft, maar verzuimen aan te tonen dat, in de veronderstelling dat het door haar aangevoerde nadeel 'ernstig' is, het nadeel tevens 'moeilijk te herstellen' is, wordt geen omschrijving gegeven van het rechtens vereist moeilijk te herstellen nadeel. • De eerste bedenking die zich opdringt is dat de nadelen die ingeroepen worden, in se nauwelijks iets te maken hebben met de asfaltcentrale, maar met de bestaande toestand op zich. Verzoekende partijen beklagen zich voortdurend over de actuele toestand en de overlast die het bedrijvencentrum te Grimbergen veroorzaakt. Op geen enkele manier wordt aangetoond dat, ingeval het Ministerieel Besluit zou geschorst worden, de situatie opeens veel beter zou zijn dan ingeval de centrale er wel zou komen. • Verder, nog onafgezien van de vraag of deze nadelen zich effectief zullen voordoen, wat ten zeerste betwist wordt nu het tegengesproken wordt door de deskundige verslagen, moet worden vastgesteld dat dit nadelen betreft die in het geheel niet moeilijk te herstellen zijn. Op het ogenblik dat de exploita- tie gestaakt wordt houden onmiddellijk - en vanzelf - de stofhinder, de ge- luidshinder, de verkeershinder en de geurhinder op. De voorwaarde van het moeilijk te herstellen ernstig nadeel is een cumulatieve voorwaarde : Het nadeel moet zowel ernstig zijn als moeilijk te herstellen. Vooral dit laatste element dient in huidige zaak kritisch te worden beschouwd : Uit niets blijkt dat de - eventuele ! - hinder ook maar VII-36.976-22/27 een paar uren langer zou duren dan het ogenblik van het stopzetten van de exploitatie. • Ook de ernst van de nadelen die men inroept is ten zeerste voor betwisting vatbaar. Zoals blijkt uit de verslagen van de deskundigen, betreft het een installatie die in se op veel punten zelfs beter is dan de best beschikbare technieken, en is het zo dat het veeleer de reeds bestaande oudere industriële infrastructuur in het gebied is die de hinder veroorzaakt. Het is helemaal niet zo dat de geplande asfaltcentrale nu meteen voor een drastische verslechte- ring van de situatie ter plaatse zal zorgen, wellicht integendeel zal deze asfaltcentrale minder hinder veroorzaken dan heel wat andere bedrijven in het gebied. De verkeershinder wordt ingeroepen. Evenwel zullen verzoekende partijen in het geheel geen last hebben van de verkeershinder, nu zij een eindje daar vandaan wonen en het verkeer over de Westvaartdijk rijdt. Verzoekende partijen hebben daar geen last van. Zij beklagen zich over de slechte staat van de Westvaartdijk, maar dit is een gemeentelijke bevoegdheid. De gemeente Grimbergen heeft overigens aangekondigd dat zij de weg zou herstellen (stuk 14, pagina 7, in fine). De geurhinder tenslotte kan onmogelijk als 'ernstig' weerhouden worden. Er zijn tal van bijzondere voorwaarden (afdekking van vrachtwagens, evacuatie van dampen, bitumen wordt in geïsoleerde tanks aangeleverd en wordt verpompt in plaats van met perslucht, er wordt niet gewerkt met het additief 'Trinidad', ...) en de maatregelen worden beschouwd als de Best Beschikbare Technieken. De geluidshinder blijkt al evenmin 'ernstig' in de zin van art. 17, §2 van de wet op de Raad van State. Er ligt een uitgebreide studie voor, waar besloten wordt dat het niet de asfaltcentrale is die voor de geluidsoverlast zorgt. De bijzondere voorwaarden van inkapseling van de installatie zijn stevige garanties. Verzoekende partijen wonen trouwens al te veraf om enig geluid waar te nemen. Overigens waren verzoekende partijen op het ogenblik van het neerleggen van het verzoekschrift wellicht nog onwetend van het feit dat de bouwvergunning van 28 april 2006 als voorwaarde oplegt dat er uitgang dient genomen worden rechtstreeks naar de Westvaartdijk. Er zullen dus geen extra vrachtwagens door de straten van verzoekende partijen passeren. De stofhinder waarop men zich beroept kan onmogelijk als ernstig worden aanzien. Het is inderdaad niet zo dat er enige overschrijding van een norm dreigt. Met de huidige overschrijdingen van de daggrens heeft de vergunde partij uiteraard niets te maken. Er bestaat op heden een controlesysteem voor stof en de vergunde partij heeft van de fabrikant van de stoffilters de garantie dat de emissie niet meer dan 20 mg/Nm³ zal bedragen. Overigens zou de betreffende asfaltcentrale slechts voor 0,04% (vier tienduizendsten) van de stofuitstoot in het gebied verantwoordelijk zijn. Dit is te verwaarlozen. De waardevermindering van de woning kan niet als een moeilijk te herstellen ernstig nadeel worden weerhouden. Conform de rechtspraak van de Raad van State wordt geen financieel verlies als moeilijk te herstellen ernstig nadeel aanvaard, nu het steeds kan worden hersteld. De uitstoot van schadelijke stoffen. Verzoekende partijen halen cijfers aan, maar motiveert niet in het minst hoe zij daar in concreto last van zou kunnen hebben. Overigens is het ook zo dat de werkelijke cijfers pas bekend zullen zijn na inwerkingstelling, want huidige centrale zal de meest milieuvriende-lijke van het land zijn. Dat er ook tijdens een aantal weekends gewerkt wordt, kan voor verzoekende partijen niet als een moeilijk te herstellen ernstig nadeel worden ingeroepen. Geluids- of verkeershinder kunnen zij op een dergelijke afstand niet onder-vinden, terwijl de andere vormen hetzij onbestaand zullen VII-36.976-23/27 zijn, hetzij geen verschil zullen uitmaken of het nu in de week dan wel tijdens het weekend is"; 3.3. Overwegende dat de tussenkomende partij, samengevat, argumenteert dat de inrichting geen hinder veroorzaakt, althans niet in de mate zoals beschreven in de vordering tot schorsing, dat zulks inzonderheid blijkt uit verschillende "onderzoeken/studies/vaststellingen" die gedaan of uitgevoerd werden nadat de asfaltbetoncentrale effectief in werking werd gesteld, dat die vaststellingen van die aard zijn dat ze de motieven volledig ontkrachten die hebben geleid tot het schorsingsarrest nr. 166.541 van 11 januari 2007, dat door de wijziging van artikel 24, § 3, van het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning door artikel 14 van het decreet van 19 mei 2006 een eventuele schorsing van de bestreden milieuvergunning geen nuttig effect kan hebben, aangezien zij alsdan haar inrichting verder kan exploiteren op grond van de in eerste aanleg verleende vergunning, dat tweede verzoekster geen nadeel ondergaat aangezien zij tijdens de administratieve beroepsprocedure enkel heeft aangedrongen op bijzondere exploitatievoorwaarden en dat met het bestreden besluit precies op die vraag wordt ingegaan, dat het nadeel dat derde en vierde verzoekster aanvoeren wordt tegengesproken door de vaststelling dat die partijen geen beroep hebben ingesteld tegen de stedenbouwkundige vergunning noch tegen de milieuvergunning van 23 februari 2006, dat het nadeel niet persoonlijk is en niet voldoende duidelijk en concreet wordt omschreven en toegelicht op maat van elke verzoekende partij individueel beschouwd, dat in het verzoekschrift niet voor elk van de verzoekende partijen afzonderlijk de exacte afstand tot de inrichting wordt aangegeven, dat de verzoekende partijen niet wonen in de onmiddellijke nabijheid van de geplande installatie, dat de verkeershinder hypothetisch is aangezien de aanvoer van de grondstoffen voor 90 % over het kanaal zal gebeuren en de aan- en afvoerroute over de weg een traject over de Westvaartdijk zal volgen en dus niet door het woongebied zal lopen; dat, wat betreft de beweerde overlast door het vrachtverkeer, de tussenkomende partij er op wijst dat slechts 3.400 extra vrachtbewegingen per jaar te verwachten zijn ofwel 23 extra transporten per dag, dat uit metingen van de lokale politie daarenboven blijkt dat er van enige verkeershinder geen sprake is, dat de stofhinder door de manipulatie van de grondstoffen beperkt blijft tot de site zelf, dat de inrichting niet zorgt voor een significante bijdrage aan de verspreiding van fijn stof aangezien de emissie van fijn stof en gevaarlijke stoffen bijna volledig wordt opgevangen en gerecupereerd door een systeem met doekenfilters, dat de inrichting de "meest milieuvriendelijke asfaltcentrale van Vlaanderen en omstreken" is, dat uit onafhankelijk uitgevoerde simulaties blijkt dat er door de productie van VII-36.976-24/27 het asfalt geen geluidshinder te verwachten is in het nabijgelegen woongebied, dat geluidshinder ten gevolge van het vrachtverkeer evenmin te verwachten is, dat uit controlemetingen die uitgevoerd werden tijdens het proefdraaien van de installatie geen geluidshinder blijkt, dat hetzelfde geldt wat betreft de vrees voor geurhinder die eveneens wordt tegengesproken door vaststellingen na opstart van de exploitatie, dat er slechts 150 dagen per jaar gewerkt zal worden, dat de beweerde aantasting van de reputatie en de goede naam van de gemeenteschool louter hypothetisch is en bovendien geen persoonlijk nadeel is, dat de beweerde waardevermindering van de woning van derde en vierde verzoekster een herstelbaar financieel nadeel is dat bovendien louter hypothetisch is, dat de aangevoerde visuele hinder verband houdt met de stedenbouwkundige vergunning en niet met de tenuitvoerlegging van de thans bestreden milieuvergunning, dat er geen rechtstreeks causaal verband bestaat tussen de aangevoerde nadelen en de bestreden milieuvergunning omdat de nadelen "in wezen" voortspruiten uit de gewestplanbestemming industriegebied, dat de afwezigheid van een causaal verband ook geldt voor de milieuhinder aangezien die voortspruit uit de reeds bestaande toestand, dat bovendien van de verzoekende partijen, die hun woonplaats bewust gekozen hebben in de nabijheid van een industriegebied, een grotere tolerantie verwacht mag worden voor de hinder die veroorzaakt wordt door de activiteiten in het industriegebied, dat de bestreden milieuvergunning afhankelijk is gesteld van de naleving van "aanzienlijke hinderbeperkende maatregelen en voorwaarden", in het bijzonder om stofemissies, verkeershinder en geurhinder tegen te gaan, zodat de opgelegde exploitatievoorwaarden voldoende waarborgen bieden opdat de hinder beperkt zou blijven tot een aanvaardbaar niveau; 3.4. Overwegende dat in zijn arrest nr. 178.890 van 24 januari 2008 de Raad van State zich reeds heeft uitgesproken over een vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van dezelfde beslissing dewelke in onderhavige vordering wordt aangevochten; dat hij in dat arrest heeft geoordeeld dat niet op afdoende wijze werd aangetoond dat de in de betrokken zaak ingeroepen nadelen, als gevolg van de onmiddellijke uitvoering van de beslissing, een ernstig karakter vertoonden na een jaar effectieve exploitatie onder welbepaalde exploitatievoorwaarden; dat gelijkaardige nadelen thans ook worden aangevoerd; dat, om naar een andere zienswijze te overhellen en bijgevolg tegen de zienswijze van het voornoemd arrest in te kunnen gaan, de verzoekende partijen voornamelijk doorslaggevende vaststellingen dienen aan te voeren om de ernst en de moeilijke herstelbaarheid van de door hen aangevoerde nadelen aan te tonen; dat, met betrekking tot de VII-36.976-25/27 aangevoerde verkeershinder, de verzoekende partijen zich nog steeds steunen op prognoses terwijl zij over het hoofd zien dat de exploitatie reeds gedurende meer dan één jaar heeft plaatsgehad en er geen elementen worden aangebracht die wijzen op een effectieve verhoging van de bestaande verkeershinder als rechtstreeks gevolg van de aangevangen exploitatie en derhalve van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing; dat, wat de geluids- en geurhinder betreft, zij evenmin elementen aanbrengen die van aard zouden kunnen zijn om de bevindingen van het meergenoemd arrest nr. 178.890 van 24 januari 2008 tegen te spreken; dat, daartegenover, de verwerende partij een brief van 18 april 2008 citeert uitgaande van de afdeling Milieu-inspectie, ondertekend door Dr. Sc. Robert BAERT, afdelingshoofd, waaruit blijkt dat de "Milieu-inspectie (...) tot op heden geen onaanvaardbare milieuhinder (heeft) kunnen vaststellen voor de omgeving veroorzaakt door Verhaeren Beton en Asfalt" en zij "tot op heden (...) geen klachten (heeft) ontvangen over onaanvaardbare hinder"; dat die brief ook vermeldt dat om die reden "dan ook maar een beperkt aantal inspecties (werden) uitgevoerd"; dat de afwezigheid van onaanvaardbare milieuhinder des te meer geldt voor de verzoekende partijen die allen op een ruime afstand van de inrichting wonen; dat, met betrekking tot de visuele hinder die vierde verzoekster beweert te lijden doordat zij vanuit haar slaapkamer rechtstreeks uitzicht heeft op de vergunde installaties, dit nadeel rechtstreeks te wijten is aan de tenuitvoerlegging van de overeenstemmende stedenbouwkundige vergunning en niet het gevolg is van de thans bestreden beslissing; dat, overigens, vierde verzoekster niet aannemelijk maakt dat, gelet op de toch niet geringe afstand van haar woning tot de inrichting, de visuele impact van de inrichting dermate ernstig is dat de schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing er door verantwoord kan worden; dat de Raad van State geen geloof kan hechten aan de bewering van de eerste en de derde verzoekende partij dat de vergunde exploitatie een negatieve weerslag zal hebben op de "reputatie en goede naam" van de betrokken gemeenteschool en aldus van invloed is op de "mogelijkheid voor eerste en derde verzoekende partijen hun kinderen naar een onderwijsinstelling van hun keuze te zenden", omdat de school reeds gelegen is in een ruimere omgeving die reeds een industrieel karakter vertoont en omdat na meer dan één jaar exploitatie geen enkel bewijs wordt aangebracht dat als gevolg van die exploitatie de reputatie en de goede naam van de school effectief zijn aangetast; dat, ten slotte, de aangevoerde waardevermindering van de woningen in de omgeving van de vergunde inrichting een financieel nadeel is dat niet moeilijk te herstellen is; VII-36.976-26/27 3.5. Overwegende dat uit wat voorafgaat blijkt dat aan een van de voorwaarden van artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State niet is voldaan; dat die vaststelling volstaat om de vordering van de verzoekende partijen af te wijzen, BESLUIT: Artikel 1. De vordering tot schorsing wordt verworpen. Artikel 2. De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op tweeëntwintig mei tweeduizend en acht, door : de H. L. HELLIN, kamervoorzitter, Mevr. E. IMPENS, griffier. De griffier, De voorzitter, E. IMPENS. L. HELLIN. VII-36.976-27/27 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.183.263 Gerelateerde publicatie(
  4. s)voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.178.891 gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.197.138 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.