id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 22 mei 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.183.308 Rolnummer: A. 184977/XIV-29793 Zaak: Arrest 183308 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 22/05/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-06-05 Raadplegingen: 63 - laatst gezien 2026-06-29 08:05 Fiche Arrest nr 183.308 van 22 mei 2008 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 183.308 van 22 mei 2008 in de zaak A. 184.977/XIV-29.
- In zake : XXX, die woonplaats kiest bij Advocaat W. VAN LOO, kantoor houdende te 2000 ANTWERPEN, Jan Van Rijswijcklaan 164, 2e verdieping tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Migratie- en asielbeleid. ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- DE VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Joegoslavische nationaliteit, op 28 augustus 2007 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van het arrest nr. 1185 van 13 augustus 2007 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen; Gelet op de beschikking nr. 1343 van 8 oktober 2007 waarbij het cassatieberoep toelaatbaar wordt verklaard; Gelet op artikel 16 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door Auditeur M. STERCK, op grond van artikel 16 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen; Gelet op de beschikking van 28 januari 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 23 april 2008; Gehoord het verslag van Kamervoorzitter A. BEIRLAEN; XIV-29.793-1/9 Gehoord de opmerkingen van Advocaat E. MATTERNE die, loco Advocaat C. DECORDIER verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur E. HAESBROUCK; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Over de gegevens van de zaak. Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
- X, van Joegoslavische nationaliteit, wordt op 23 januari 2007 door de Minister van Binnenlandse Zaken de subsidiaire beschermingsstatus geweigerd. 1.
- Verzoeker dient op 4 juni 2007 een beroep tot nietigverklaring en een verzoek tot schorsing tegen deze beslissing in bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. 1.
- Bij arrest nr. 1185 van 13 augustus 2007 heeft de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen het beroep tot nietigverklaring verworpen en de vordering tot schorsing zonder voorwerp verklaard. Dit is het bestreden arrest.
- Over de gegrondheid van het beroep. 2.
- Overwegende dat verzoeker als enig middel aanvoert: “DOORDAT de afwijzing van het beroep van verzoeker in de bestreden beslissing van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen uitdrukkelijk gemotiveerd wordt "op de aard van de herhaalde veroordelingen", nl. prostitutie-exploitatie in 2002 en 2004, en hij dus sinds het plegen van de eerste feiten, in 2002, geen normaal en legaal bestaan zou geleid hebben zoals een goed huisvader; TERWIJL verzoeker slechts eenmaal (ten onrechte) veroordeeld is tot dergelijke feiten, en dit door de Correctionele Rechtbank te Antwerpen dd. 18/02/2003; Dat verzoeker nadien niet meer voor dergelijke feiten veroordeeld is en dus wel degelijk een normaal en legaal bestaan heeft geleid zoals een goed huisvader; XIV-29.793-2/9 Dat er hoogstwaarschijnlijk een materiële fout geslopen is in het administratief dossier wanneer hieruit een veroordeling zou blijken in 2002 en 2004 voor bovengenoemde feiten; Dat de bestreden beslissing aldus de bewijswaarde miskent van het strafregister; Dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen het eerste middel wel uitdrukkelijk verwerpt op grond van "de aard van herhaalde veroordelingen";”; 2.
- Overwegende dat de verwerende partij antwoordt: “In zijn enig 'middel' uit verzoeker enkele vage en summiere beschouwingen dewelke naar het inzicht van de verwerende partij niet afdoende zijn om te kunnen spreken van een ontvankelijk middel. Immers, de Raad van State heeft er reeds herhaaldelijk op gewezen dat het wettelijk of reglementair voorschrift luidens hetwelk het beroep bij een administratief rechtscollege gemotiveerd moet zijn, van substantiële aard is (zie o.m. R.v.St., nr. 3199, 4.3.1954, Belgische Staat/Hos ; R.v.St., nr. 8323, 6.1.1961, Belgische Staat/ Javaux ; H. LENAERTS : Administratieve rechtscolleges, Adm.Lex., nr. 91, p. 48 ; Les Novelles: Le Conseil d‘Etat, nr. 1763, p. 605). De niet-naleving van deze vereiste heeft de onontvankelijkheid van het beroep tot gevolg (R.v.St., nr. 4934, 7.2.56, Kosinsky ; R.v.St., nr. 7521, 6.1.1960, Verboomen). Deze niet-ontvankelijkheid moet het rechtscollege desnoods ambtshalve vaststellen, daar de ontvankelijkheid van een beroep bij een rechtscollege de openbare orde aanbelangt. De rechter zou zijn bevoegdheid te buiten gaan mocht hij een niet regelmatig aangebracht beroep ten gronde behandelen. In casu merkt verweerder op dat betreffende verzoekers 'middel' voor ogen dient gehouden te worden dat onontvankelijk is, het onderdeel (en a fortiori het middel) dat met het oog op een vernietiging van een beslissing, geen duidelijke omschrijving geeft van de rechtsregel die geschonden wordt geacht. (cf R.v.St. nr. 50.142, 9.11.1994, R.A.C.E. 1994, z.p.; R.v.St. nr. 48.643, 20.7.1994, Arr. R.v.St. 1994, z.p.; R.v.St. nr. 43.137, 2.6.1993, R.A.C.E. 1993, z.p.). Verzoeker blijft volkomen in gebreke uiteen te zetten welke rechtsregel er in casu zou worden geschonden door het bestreden arrest en op welke wijze deze rechtsregel dan wel zou geschonden zijn. Verzoeker blijft aldus in gebreke om een voldoende duidelijk en nauwkeurig omschreven middel naar voor te brengen, wat nochtans een voorwaarde is opdat er zou kunnen worden gesproken van een ontvankelijk middel. Op straf van niet-ontvankelijkheid - want anders kan het contradictoir debat niet aanvangen - moet het voorwerp van het beroep immers nauwkeurig worden aangegeven en moeten de feiten en de middelen waarop het beroep berust, worden uiteengezet (A. MAST, J. DUJARDIN, M. VAN DAMME en J. VANDE LANOTTE, Overzicht van het Belgisch administratiefrecht, Mechelen, Kluwer, 2002,1080). De verzoekende partij laat na in zijn inleidend verzoekschrift een (afdoende) uiteenzetting te geven van de feiten en de middelen. Inderdaad blijft de verzoekende partij in gebreke een voldoende duidelijke omschrijving te geven van de overtreden rechtsregel én van de wijze waarop die regel door de in casu bestreden beslissing werd geschonden. De verwerende partij is derhalve de mening toegedaan dat verzoekers cassatieberoep derhalve niet ontvankelijk is. Voor zover de Raad van State hier toch anders over zou denken, en dus louter subsidiair, laat de verwerende partij nog gelden dat de Raad voor Vreemdelingenbe- twistingen, terecht en geheel binnen de haar toebedeelde bevoegdheid, heeft geoordeeld dat "het niet kennelijk onredelijk is dat de Minister van Binnenlandse Zaken de XIV-29.793-3/9 subsidiaire beschermingsstatus heeft geweigerd aan verzoeker en dat derhalve artikel 8 EVRM niet is geschonden". Inderdaad dient te worden vastgesteld dat, zoals in het bestreden arrest vermeld, uit het administratief dossier duidelijk blijkt dat verzoeker in 2002 in de gevangenis was opgesloten uit hoofde van mededaderschap exploitatie prostitutie van een minderjarige met geweld in bende, mensenhandel met geweld in bende, terwijl verzoeker ook in 2004 in de gevangenis is opgesloten geweest uit hoofde van deze feiten. In het arrest wordt weliswaar vermeld dat verzoeker "in 2004 opnieuw werd veroor- deeld”, doch daarbij dient er op te worden gewezen dat de verzoekende partij de rechter in vreemdelingenzaken kennelijk op het verkeerde been zet, door in haar verzoekschrift dd. 04.06.2007 en haar memorie van wederantwoord voor de Raad voor Vreemdeling- enbetwistingen expliciet het volgende te stellen: "Dat verzoeker in 2002 veroordeeld is tot 5 jaar voorwaardelijke gevangenisstraf.... Verzoeker is in 2002 inderdaad veroordeeld tot feiten waarvoor hij een gevaar voor de openbare orde en nationale veiligheid zou kunnen betekenen." Terwijl verzoeker klaarblijkelijk veroordeeld werd op 18.02.2003 voor feiten waarvoor hij zowel in 2002 als in 2004 werd opgesloten. Gelet op hetgeen verzoeker in zijn inleidend verzoekschrift dd. 04.06.2007 en andermaal in zijn memorie van antwoord (zelfs bij de uiteenzetting van zijn middel!) heeft gesteld, en gezien verzoeker zowel in 2002 als in 2004 is opgesloten geweest in de gevangenis wegens mededaderschap exploitatie prostitutie van een minderjarige met geweld in bende, mensenhandel met geweld in bende, heeft de rechter in vreemdelin- genzaken hieruit wellicht afgeleid dat verzoeker voor deze feiten twee maal veroordeeld is. Het blijkt duidelijk dat deze vermelding geenszins afbreuk doet aan het oordeel van de rechter in vreemdelingenzaken dat: - de verwerende partij op 31.01.2007 de subsidiaire beschermingsstatus heeft geweigerd aan verzoeker en toegekend aan zijn vrouw en kinderen, - uit het feit dat de verwerende partij op dezelfde dag voornoemde beslissingen heeft genomen, terwijl ze wist dat het hier om een gezin ging, impliciet blijkt dat zij de belangen afgewogen heeft, - het niet kennelijk onredelijk is dat de Minister van Binnenlandse Zaken de subsidiaire beschermingsstatus heeft geweigerd aan verzoeker en dat derhalve artikel 8 EVRM niet is geschonden". Integendeel is verzoeker zelf verantwoordelijk voor hetgeen hij aan de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen heeft meegedeeld, met name dat hij ook in 2002 veroordeeld is geworden voor feiten waarvoor hij een gevaar voor de openbare orde en nationale veiligheid zou kunnen betekenen. Door de gemachtigde van de federale Minister van Binnenlandse Zaken werd in de oorspronkelijk bestreden beslissing dd. 23.01.2007, gelet op de concrete elementen van het dossier en overeenkomstig de relevante wetsbepalingen, geheel terecht gesteld dat de aanvraag tot het bekomen van de subsidiaire beschermingsstatus geweigerd werd om volgende reden: "inbreuk gepleegd op de regels inzake openbare orde en nationale veiligheid: betrokkene is veroordeeld geweest tot 3 jaar gevangenisstraf wegens aanzetting tot ontucht en prostitutie”. De gemachtigde van de federale Minister van Binnenlandse Zaken handelde daarbij na grondig onderzoek van de elementen die verzoekers concrete situatie daadwerkelijk kenmerken, en conform de ter zake toepasselijke rechtsregels, het redelijkheidsbeginsel incluis. Verzoeker kan niet dienstig anders voorhouden. Integendeel heeft verzoeker in zijn inleidend verzoekschrift en in zijn memorie van wederantwoord zelf erkend dat hij "veroordeeld is tot feiten waarvoor hij een gevaar voor de openbare orde en nationale veiligheid zou kunnen betekenen." De verwerende partij ziet, gelet op de veroordeling voor 'ontucht, aanhitsing, met een minderjarige, prostitutie, exploitatie van prostitutie, ...' en de verschillende opsluitingen XIV-29.793-4/9 van verzoeker in de gevangenis, terwijl hij daarenboven sedert 2004 ook reeds verscheidene malen door de Politierechtbank is veroordeeld geworden, dan ook niet in hoe verzoeker 'wel degelijk een normaal en legaal bestaan heeft geleid als goede huisvader', quod certe non. Terwijl verzoeker, in tegenstelling tot wat hij op heden klaarblijkelijk tracht voor te houden, geenszins een uittreksel uit het strafregister heeft toegevoegd aan zijn stukken in de procedure voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Ten overvloede merkt de verwerende partij nog op dat de oorspronkelijk bestreden beslissing dd. 23.01.2007 afdoende gemotiveerd is om te voldoen aan de formele motiveringsplicht zoals voorzien in de wet dd. 29.07.1991; hetgeen door verzoeker op heden ook niet meer betwist wordt. Terwijl ook het oordeel van de rechter in vreemdelingenzaken betreffende de beschouwingen van verzoeker in zijn inleidend verzoekschrift dd. 04.06.2007 "in wat hij een tweede middel noemt”, niet worden aangevochten door verzoeker. Evenmin kan er een schending van art. 8 EVRM worden weerhouden. Er werd reeds geoordeeld dat het recht op verblijf ondergeschikt is aan het recht op toegang tot het grondgebied. De minister kan oordelen dat het belang van de staat voorrang heeft op dat van de vreemdeling die hier onwettig verblijft (zie R.v.St. nr. 40.061, 28.07.1992, R.A.CE. 1992, z.p.). Desbetreffend merkt de verwerende partij tevens op dat in art. 77 § 3 van de wet dd. 15.12.1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen uitdrukkelijk wordt gestipuleerd dat de subsidiaire bescherming kan worden toegekend op voorwaarde dat: “... de vreemdeling geen gevaar oplevert voor de openbare orde of openbare veilig- heid”. Daarenboven laat de verwerende partij gelden dat art. 8, 2 van het verdrag voor de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden uitdrukkelijk vermeldt dat een inmenging van het openbaar gezag is toegestaan wanneer deze nodig is ter vrijwaring van de nationale veiligheid en de openbare orde, voor het economische welzijn van het land, voor de vrijwaring van de orde, de preventie van strafrechterlijke inbreuken, de bescherming van de gezondheid en de moraal, of voor de verdediging van de rechten en vrijheden van derden. In de oorspronkelijk bestreden beslissing dd. 23.01.2007 wordt dienaangaande uitdrukkelijk het volgende gesteld: "inbreuk gepleegd op de regels inzake openbare orde en nationale veiligheid: betrokkene is veroordeeld geweest tot 3 jaar gevangenisstraf wegens aanzetting tot ontucht en prostitutie". De verwerende partij is dan ook de mening toegedaan dat de bestreden beslissing art. 8 EVRM niet schendt. Art. 8 EVRM staat een rechtmatige toepassing van de wet dd. 15.12.1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen niet in de weg. Door de gemachtigde van de federale Minister van Binnenlandse Zaken werd dan ook geheel terecht, gelet op de elementen die het dossier van verzoeker daadwerkelijk kenmerken en overeenkomstig de wettelijke bepalingen ter zake, de aanvraag van verzoeker tot het bekomen van de subsidiaire beschermingsstatus geweigerd. Overigens dient te worden vastgesteld dat de argumentatie van verzoeker kennelijk gericht is tegen een feitelijke beoordeling van de Raad voor Vreemdelingenbetwistin- gen. Als administratieve cassatierechter mag de Raad van State zich niet in de plaats stellen van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen, wanneer deze haar eigen beoordelings- bevoegdheid uitoefent (R.v.St. nr. 45.632, 4.1.94, R.A.C.E. 1994, z.p.; R.v.St. nr. 47.325, 6.5.94, R.A.C.E 1994, z.p.; R.v.St. nr. 49.801, 21.10.94, R.A.C.E 1994, z.p.; R.v.St. nr. 50.272, 18.11.94, R.A.C.E 1994, z.p). Aangezien de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen over de bewijskracht en de geloofwaardigheid van de door verzoeker aangebrachte elementen soeverein oordeelt, XIV-29.793-5/9 komt het aan haar toe om in laatste aanleg te beslissen welke de gevolgen zijn die uit deze elementen moeten worden afgeleid. Het is niet aan de Raad van State om zich in de plaats te stellen van de feitenrechter bij de beoordeling van de bewijskracht en waarachtigheid van de aangevoerde gegevens. De Raad van State kan enkel over de rechtmatigheid van de hem voorgelegde uitspraak oordelen, doch het komt de Raad van State niet toe deze beoordeling over te doen en zelf een onderzoek in te stellen naar de juiste toedracht van de zaak. Aangezien verzoekers 'middel' in de huidige zaak er echter wel degelijk toe is beperkt de beoordeling van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen van de feitelijke toedracht van de zaak en van de bewijskracht en waarachtigheid van afgelegde verklaringen en neergelegde stukken te betwisten, dient het middel ook om deze reden als niet-ontvankelijk te worden beschouwd, daar het feiten met recht vermengt. Tot slot merkt de verwerende partij op dat verzoekers kritiek niet van aard is om tot een ander oordeel te kunnen leiden dan het oordeel van de rechter in Vreemdelingenzaken, nu immers noch de artikelen 2 en 3 van de Wet dd. 29.07.1991, noch het art. 8 EVRM zijn geschonden door de beslissing van de gemachtigde van de federale Minister van Binnenlandse Zaken dd. 23.01.
- Terwijl verzoekers vage beschouwingen als zou het eerste middel uitdrukkelijk verworpen zijn op grond van de aard van herhaalde veroordelingen, geenszins correct is. Integendeel blijkt uit het geheel van het arrest dat verzoekers kritiek desbetreffend niet dienend is, gelet op het voorhanden zijn van andere motieven die het gewezen arrest zelfstandig kunnen onderbouwen (cf. R.v.St. nr. 45.538, 29.12.1993, R.A.C.E. 1993, z.p.). Verzoekers kritiek is dan ook niet dienend, want is, zelfs indien gegrond - quod non in casu -, geenszins van aard om tot de nietigverklaring te kunnen leiden. De uiteenzetting van verzoeker kan niet leiden tot de nietigverklaring van de in casu bestreden beslissing, die slechts kan worden uitgesproken voor zover zou zijn aangetoond als zou de bestreden beslissing een hetzij substantiële, hetzij op straffe van nietigheid voorgeschreven vorm overtreden, hetzij een overschrijding of afwending van de macht inhouden. De verwerende partij is derhalve de mening toegedaan dat verzoekers middel - in zoverre daar al sprake kan van zijn - onontvankelijk, minstens ongegrond is.”; 2.
- Overwegende dat verzoeker repliceert: “DOORDAT het enige middel dat verzoeker wenst uit te werken gebaseerd is op het feit dat de afwijzing van het omstreden beroep gebaseerd werd op de motivering dat verzoeker wegens "herhaalde veroordeling nl. prostitutie-exploitatie in 2002 én in 2004, geen normaal en legaal bestaan zou geleid hebben zoals een goede huisvader"; TERWIJL verzoeker blijkens de aangehaalde bewijzen (zie stuk 3 zoals hoger omschreven) slechts eenmalig (ten onrechte?) veroordeeld werd tot dergelijke feiten; DOORDAT verwerende partij in haar memorie van antwoord spreekt van "enkele vage en summiere beschouwingen dewelke naar haar inzicht niet afdoende zijn om te kunnen spreken van een ontvankelijk middel”; TERWIJL bij Beschikking van 8 oktober 2007 van de Raad van State duidelijk gesteld werd dat niet alleen het beroep ontvankelijk was, doch dat de aangevoerde middelen ernstig waren ; EN daarenboven het aangehaalde middel duidelijk weergeeft welke rechtsregel geschonden werd! EN indien er volgens verwerende partij onvoldoende zou verwezen zijn naar wetteksten, dan repliceert verzoeker dat de complexe wetgeving vaak contradictorisch is, door het niet consequent beleid van de overheidsinstanties, zodat het voor de rechtszoekende vaak onbegonnen werk is om alles toe te lichten; XIV-29.793-6/9 EN gezien deze overheid de tegenpartij is van verzoeker is zij het meest geplaatst om te weten waarop huidig verzoek gebaseerd is; EN dat zodoende haar argumentatie geponeerd vanaf haar pagina 3 tot en met pagina 6 niets meer en minder zijn dan bladvulling en zandstrooiing in de ogen van de normale rechtsburger; EN verzoeker bij herhaling nogmaals stelt dat hij aan de hand van het neergelegde uittreksel uit zijn strafregister gewoonweg en duidelijk wil aantonen dat hij niet herhaaldelijk, doch slechts eenmalig werd veroordeeld en zodoende de omstreden Beslissing de bewijswaarde miskende van het strafregister en zodoende deze omstreden beslissing de toepassing van art. 2 en 3 van de Wet van 29 juli 1991 en art. 8 EVRM miskend heeft; DAT verzoeker derhalve de mening is toegedaan dat zijn middel ontvankelijk en gegrond is;”; 2.4.
- Overwegende dat de verwerende partij betoogt dat verzoeker geen ontvankelijk middel aanvoert; dat het middel is gesteund op de miskenning van de bewijswaarde van het strafregister; dat meer bepaald de verzoekende partij aanvoert dat uit het uittreksel uit haar strafregister blijkt dat zij slechts éénmaal is veroordeeld geworden voor prostitutie-exploitatie terwijl in het bestreden arrest wordt overwogen dat er sprake is van “herhaalde” veroordelingen; 2.4.
- Overwegende dat het enig middel van verzoeker gericht is tegen het eerste middel van het arrest nr. 1185 van 13 augustus 2007; dat uit het bestreden arrest blijkt dat dit eerste middel, onder meer, genomen uit de schending van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, ongegrond is bevonden omdat het niet kennelijk onredelijk is van de Minister van Binnenlandse Zaken om verzoeker de subsidiaire beschermingsstatus te weigeren “gelet op de aard van de herhaalde veroordelingen”; dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen overweegt dat “uit het administratief dossier blijkt dat verzoeker van 31 mei 2002 tot 13 september 2002 in de gevangenis heeft gezeten na een veroordeling wegens ‘mededader- schap exploitatie prostitutie van een minderjarige met geweld in bende, mensenhandel met geweld in bende’ en dat hij in 2004 opnieuw werd veroordeeld voor ‘ontucht-aanhitsing- minderjarige-staat, prostitutie-exploitatie van andermans prostitutie’ en ‘hieruit niet (blijkt) dat verzoeker sinds 2002 een normaal en legaal bestaan heeft geleid zoals een goed huisvader’”; dat verzoeker terecht aanvoert dat uit het strafregister blijkt dat hij slechts éénmaal is veroordeeld geworden voor prostitutie-exploitatie, namelijk bij vonnis van de correctionele rechtbank van Antwerpen van 18 februari 2003; dat er geen sprake is van een bijkomende veroordeling; dat ook uit het administratief dossier blijkt dat verzoeker wel tweemaal in de gevangenis heeft verbleven, maar slechts éénmaal is veroordeeld voor de aangehaalde feiten; dat in het bestreden arrest bijgevolg ten onrechte gewag wordt gemaakt van de “herhaalde” veroordelingen; dat de overweging van het arrest “gelet op de aard van XIV-29.793-7/9 de herhaalde veroordelingen” niet toelaat te achterhalen of deze vergissing, (het al dan niet herhaald karakter van de veroordelingen) invloed heeft gehad bij de beoordeling van het middel; dat de verwerende partij op geen enkele wijze aantoont dat de vergissing geen enkele invloed heeft gehad; dat het enig middel in die mate gegrond is; 2.4.
- Overwegende dat in zoverre verzoeker in zijn memorie van wederant- woord tevens de schending van artikel 8 van het E.V.R.M. aanvoert, dient vastgesteld dat dit een nieuw middel betreft dat niet meer kan worden aangevoerd in de memorie van wederantwoord, BESLUIT: Artikel
- Vernietigd wordt het arrest nr. 1185 van 13 augustus 2007 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Artikel
- Dit arrest zal in de registers van voormelde Commissie worden overgeschreven, en melding ervan zal worden gemaakt op de kant van de vernietigde beslissing. Artikel
- De zaak wordt verwezen naar een anders samengestelde kamer van deze Commissie. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verwerende partij. XIV-29.793-8/9 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op tweeëntwin- tig mei tweeduizend en acht, door : de HH. A. BEIRLAEN, kamervoorzitter, C. VERHAERT, griffier. De griffier, De voorzitter, C. VERHAERT. A. BEIRLAEN. XIV-29.793-9/9 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.183.308 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.