← België

Arrest 183311 - Kind & Gezin - 22/05/2008

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 22 mei 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.183.311 Rolnummer: A. 187072/VII-37141 Zaak: Arrest 183311 - Kind & Gezin - 22/05/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-06-03 Raadplegingen: 60 - laatst gezien 2026-06-29 08:05 Fiche Arrest nr 183.311 van 22 mei 2008 Sociale zaken en volksgezondheid - Kind & Gezin Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 183.311 van 22 mei 2008 in de zaak A. 187.072/VII-37.

  1. In zake :
  2. Hans CROON,
  3. Hans VERPLANCKE, die woonplaats kiezen bij advocaat T. SWERTS, kantoor houdende te MECHELEN, Antwerpsesteenweg 16-18 tegen : KIND & GEZIN, dat woonplaats kiest bij advocaat S. VERBOUWE, kantoor houdende te BRUSSEL, Tervurenlaan
  4. --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Hans CROON en Hans VERPLANCKE op 15 februari 2008 hebben ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van de weigeringsbeslissing van de Vlaamse Centrale Autoriteit van 14 december 2007 betreffende de aanvraag tot goedkeuring van een adoptiekanaal in de Verenigde Staten in het kader van een interlandelijke adoptie; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door adjunct-auditeur I. VOS; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen; Gelet op de beschikking van 2 april 2008 waarbij de terechtzitting wordt bepaald op 8 mei 2008; Gehoord het verslag van staatsraad E. BREWAEYS; VII-37.141-1/7 Gehoord de opmerkingen van advocaat M. WENDRICKX die, loco advocaten T. SWERTS en S. VERMEYLEN verschijnt voor verzoekers, en van advocaat S. VERBOUWE, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van adjunct-auditeur I. VOS; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; OVERWEEGT WAT VOLGT:
  5. De feiten 1.
  6. Verzoekers wensen een kind te adopteren via de procedure van de zelfstandige adoptie. 1.
  7. Daartoe hebben zij vooreerst een procedure opgestart overeenkomstig artikel 361-1 van het burgerlijk wetboek ter beoordeling van hun geschiktheid tot het adopteren van een kind dat in een andere staat zijn gewone verblijfplaats heeft. Bij vonnis van de jeugdrechtbank van Leuven van 20 november 2007 werden zij geschikt verklaard om tot interlandelijke adoptie over te gaan van één kind. 1.
  8. Op 11 februari 2007 hadden verzoekers, in afwachting van voormeld vonnis, reeds een aanvraagformulier ingediend bij de Vlaamse Centrale Autoriteit (hierna: VCA) met het oog op het bekomen van de goedkeuring van een buitenlands kanaal voor adoptie in de Verenigde Staten. 1.
  9. Op 14 december 2007 heeft de VCA de thans bestreden beslissing genomen. Deze is als volgt gemotiveerd : "(...) Na een globaal en weloverwogen onderzoek van alle informatie, komt de VCA tot de eindconclusie dat een interlandelijke adoptie via het adoptiebureau FFTA Inc. in de staat New York, wel legaal kan verlopen, maar momenteel onvoldoende garanties biedt dat de adoptie tot stand kan komen in het hoger belang van het kind en met eerbied voor de fundamentele rechten van het kind op grond van het internationale recht. In het bijzonder oordeelt de VCA dat er onvoldoende garanties zijn dat voldaan kan worden aan de vereisten voor een interlandelijke adoptie, zoals voorzien in artikel 4 van het Verdrag van Den VII-37.141-2/7 Haag inzake de bescherming van kinderen en de samenwerking op het gebied van interlandelijke adoptie van 1993 (Haags Verdrag). De volgende elementen liggen ten grondslag aan deze beslissing:
  10. Gebrek aan professionele matching van de adopties geregeld via FFTA Inc. Onder matching verstaan wij het voorstel om te komen tot een adoptierelatie tussen een bepaald kind en een bepaald gezin. (...) Om deze basisregel in praktijk te kunnen omzetten, is het algemeen aanvaard (zie 'Ethische gids: de rechten van het kind bij nationale en internationale adoptie, ethische gronden en richtlijnen voor de praktijk', ISS, 2000 terug te vinden op www.iss-ssi.org) dat de matching: - pas gebeurt nadat de psycho-medische-sociale en juridische adopteerbaarheid van het kind is vastgesteld door beroepsmensen op het vlak van kinderbescherming - moet worden toevertrouwd aan een team dat is samengesteld uit beroepsmensen en bij voorkeur multidisciplinair is samengesteld - nooit alleen mag worden overgelaten aan de oorspronkelijke familie en de kandidaat-adoptanten. De ambassade en de aanvragers geven aan dat de matching gebeurt door FFTA Inc. (eventueel in samenspraak met een gynaecoloog of andere contacten). Uit de informatie van Kind en Toekomst, de Nederlandse zelfdoenersorganisatie en Michael Goldstein zelf blijkt dat in praktijk de keuze van de geboortemoeder doorslaggevend is. (...)
  11. De wijze waarop de biologische ouder, wiens kinderen via FFTA Inc. geadopteerd worden, AFSTAND doen van hun kind, biedt geen garanties op respect voor de principes van adopteerbaarheid en subsidiariteit (...) De begeleiding van de geboortemoeders wordt in principe opgenomen door FFTA Inc. en zij kunnen hun toestemming pas geven na de geboorte. In praktijk blijkt de beslissing van de geboortemoeder vaak reeds voor de geboorte genomen te zijn (zie hoger: verklaring Michael Goldstein) en wordt de toestemming 2 tot 3 dagen na de geboorte gegeven. Reeds enkele weken later kunnen buitenlandse kandidaat-adoptanten met het kind het land uitreizen op basis van een voogdijbeslissing. (...) Verschillende bronnen (Nederlandse zelfdoenersorganisatie, Michael Goldstein) geven aan dat het Amerikaanse jeugdbeschermingssysteem een kwalijke reputatie heeft: de biologische ouders hebben weinig inspraak en de kinderen gaan vaak van het ene pleeggezin naar het andere. Dit heeft tot gevolg dat geboortemoeders die niet zelf voor hun kind kunnen zorgen en willen vermijden dat hun kind uit het officiële pleegzorgsysteem blijft, bijna geen andere keuze hebben dan het kind snel na de geboorte afstaan. (...) Uiteraard is het belangrijk te luisteren naar de eventuele wensen van de biologische ouders in verband met het vervangingsgezin en moeten deze wensen, in de mate van het mogelijke en voor zover ze in het belang van het kind zijn, gerespecteerd zijn. Maar in het licht van de hierboven beschreven praktijk, moet de keuze van de moeder voor interlandelijke adoptie toch sterk gerelativeerd worden. Het lijkt ons dat het jeugdbeschermingssysteem hier ernstig tekort schiet op het vlak van voorkoming van verlating en ondersteuning van biologische ouders. Het lijkt ons dat het systeem momenteel niet toelaat dat de biologische ouders echt de tijd en de ondersteuning krijgen om een weloverwogen keuze te maken. Wat de subsidiariteit betreft, neemt de Nederlandse Centrale Autoriteit vrede met het feit dat in elk rapport van een specifiek kind dat voorgesteld wordt aan Nederlandse kandidaat-adoptanten een verklaring wordt opgenomen met de redenen waarom dit kind niet kan worden geadopteerd in de Verenigde Staten en welke inspanningen daarvoor gebeurd zijn. Meestal wordt dit gestaafd via drie brieven van binnenlandse adoptiediensten die bevestigen dat er geen VII-37.141-3/7 beschikbare Amerikaanse adoptie-ouders zijn. Het klopt dat in het belang van het kind de bevoegde overheden erop moeten toezien dat deze zoektocht zonder ongerechtvaardigde wachttijden verloopt. Maar als kinderen na de geboorte en de daaropvolgende toestemming van de geboorteouders onmiddellijk geplaatst worden bij buitenlandse kandidaat-adoptanten, kan men zich afvragen of hier werkelijk 'redelijke inspanningen' op een oplossing in het land van herkomst geleverd werden. Bovendien meldt Kind en Toekomst dat uit de praktijk blijkt dat sommige brieven reeds opgesteld werden vooraleer het kind geboren is en dat de tekst steeds dezelfde is. Uit dit alles blijkt dat een grondig en voorafgaandelijk onderzoek van de adopteerbaarheid en de subsidiariteit niet structureel voorzien is en dat té snel besloten wordt dat voldaan is aan de voorwaarden voor een interlandelijke adoptie.
  12. Het verloop van de adoptieprocedure via FFTA Inc. houdt een ernstig risico in op winstbejag (...) Het staat de aanvragers uiteraard vrij om voor een land te kiezen waar de kosten hoog zijn. In de gegeven context is het echter duidelijk dat het aanrekenen van kosten door de overheid op geen enkele manier aan banden is gelegd of gecontroleerd wordt, waardoor de kans op misbruik op de kap van de kandidaat-adoptanten, zeer reëel is.
  13. Ongunstig advies van de andere centrale autoriteiten (...) In de huidige stand van de wetgeving en de praktijk in de staat New York, kan de VCA een interlandelijke adoptie via het adoptiebureau FFTA Inc. dus niet goedkeuren";
  14. De beoordeling 2.
  15. Krachtens artikel 17, § 2, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, kan de schorsing van de tenuitvoerlegging alleen worden bevolen als ernstige middelen worden aangevoerd die tot de vernietiging van de aangevochten akte kunnen leiden, en op voorwaarde dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van die akte verzoeker een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen. 2.2.
  16. Een eerste middel wordt genomen uit de schending van het subsidiariteitsbeginsel, van het Verdrag van Den Haag, van artikel 361-4, eerste lid, 3/, b), van het burgerlijk wetboek, van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, in het bijzonder het zorgvuldigheidsbeginsel en het redelijkheidsbeginsel, en uit machtsoverschrijding "DOORDAT in de bestreden beslissing wordt gesteld dat 'een grondig en voorafgaandelijk onderzoek van de adopteerbaarheid en de subsidiariteit niet structureel voorzien is en dat té snel besloten wordt dat voldaan is aan de voorwaarden voor een Interlandelijke adoptie.' TERWIJL het VERDRAG VAN DEN HAAG in artikel 4 bepaalt dat een adoptie als bedoeld in dit Verdrag kan plaatsvinden indien de bevoegde VII-37.141-4/7 autoriteiten van de Staat van herkomst hebben vastgesteld dat het kind in aanmerking komt voor adoptie en na de mogelijkheden tot plaatsing van het kind in zijn Staat van herkomst naar behoren te hebben onderzocht, hebben vastgesteld dat een interlandelijke adoptie het hoogste belang van het kind dient; ZODAT, aangezien de VCA zich ten onrechte in de plaats stelt van de staat van herkomst en zich de controle van het principe van de subsidiariteit toeëigent, alle bovenvermelde beginselen werden geschonden"; 2.2.
  17. De verwerende partij merkt terecht op dat het middel niet ontvankelijk is wat de beweerde schending van artikel 361-4, eerste lid, 3/, b), van het burgerlijk wetboek, en van het zorgvuldigheidsbeginsel en het redelijkheidsbeginsel betreft aangezien verzoekers niet aangeven waarin de schending zou bestaan. 2.2.
  18. De verwerende partij wijst er voorts terecht op dat de beoordeling van de subsidiariteit slechts één van de motieven is die tot de weigeringsbeslissing hebben geleid. Er zijn immers andere draagkrachtige motieven zoals het gebrek aan professionele "matching" , de principes van adopteerbaarheid, het risico op winstbejag en de vaststelling dat de Federale Centrale Autoriteit aangeeft niet te kunnen verzekeren dat zij een adoptie, die via dit kanaal tot stand komt, zal kunnen erkennen. Verzoekers oefenen geen kritiek uit op deze motieven. Aangezien er verschillende motieven zijn die elk de bestreden beslissing dragen, kan de kritiek op één ervan niet tot schorsing of vernietiging leiden. Om die reden is het eerste middel niet ernstig. 2.3.
  19. Het tweede middel wordt genomen uit de schending van de materiële motiveringsplicht, van het Verdrag van Den Haag, van artikel 361-4, eerste lid, 3/, b) van het burgerlijk wetboek en van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, in het bijzonder van het zorgvuldigheidsbeginsel en het redelijkheidsbeginsel. Het middel wordt door verzoekers als volgt samengevat : "DOORDAT, de bestreden beslissing stelt: 'kan men zich afvragen of hier werkelijk 'redelijke inspanningen' op een oplossing in het land van herkomst geleverd werden. (...) en vervolgens de goedkeuring van het gekozen adoptiekanaal weigert'. TERWIJL de materiële motiveringsverplichting vereist dat de overheid haar besluit moet steunen op deugdelijke motieven die uit het dossier moeten blijken maar die noodzakelijk in de beslissing zelf moeten opgenomen worden. Iedere beslissing van het bestuur moet op motieven berusten die niet enkel in feite (maar ook) in rechte aanwezig moeten zijn; VII-37.141-5/7 ZODAT de bestreden beslissing in strijd is met alle ingeroepen bepalingen en beginselen". 2.3.
  20. Uit de uiteenzetting van dit middel door verzoekers blijkt dat het uitsluitend betrekking heeft op een beweerde schending van de materiële motiveringsverplichting en het redelijkheidsbeginsel. Het middel is dan ook slechts ontvankelijk wat de beweerde schending van deze beginselen betreft. Verzoekers richten hun kritiek uitsluitend op het motief inzake het gebrek aan voldoende garanties op de naleving van het subsidiariteitsbeginsel, terwijl zij als dusdanig geen kritiek uiten op de overige motieven, met name het gebrek aan professionele "matching", het gebrek aan garanties inzake adopteerbaarheid, het ernstig risico op winstbejag en het ongunstig advies van andere centrale autoriteiten. Zoals hierboven werd uiteengezet, lijken deze overige motieven voldoende om de bestreden beslissing te kunnen schragen. Verzoekers tonen in ieder geval het tegendeel niet aan. Ook het tweede middel is niet ernstig. 2.
  21. Er is bijgevolg niet voldaan aan een van de voorwaarden van artikel 17, § 2, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  22. Dit volstaat om de vordering tot schorsing te verwerpen zonder dat het nodig is de opgeworpen ontvankelijkheidsexceptie te onderzoeken, OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
  23. De vordering tot schorsing wordt verworpen. Artikel
  24. De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld. VII-37.141-6/7 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op tweeëntwintig mei tweeduizend en acht, door : de HH. E. BREWAEYS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, D. DECOCK, griffier. De griffier, De voorzitter, D. DECOCK. E. BREWAEYS. VII-37.141-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.183.311 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.187.767 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.