id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 26 mei 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.183.348 Rolnummer: A. 79489/IX-1302 Zaak: Arrest 183348 - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan - 26/05/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-06-10 Raadplegingen: 59 - laatst gezien 2026-06-29 08:05 Fiche Arrest nr 183.348 van 26 mei 2008 Openbaar ambt - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 183.348 van 26 mei 2008 in de zaak A. 79.489/IX-
- In zake : Filip LAMORAL, die woonplaats kiest bij advocaat P. DILLEN, kantoor houdende te BRUSSEL, Louizalaan 475, bus 18 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Mobiliteit, die woonplaats kiest bij advocaten E. GILLET en P. SLEGERS, kantoor houdende te BRUSSEL, Terhulpsesteenweg
- --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Filip LAMORAL op 23 juli 1998 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van “de beslissing van het Bestuur van de Luchtvaart, evenals (van) het herexamen van ‘straal- en luchtschroefturbines’ afgelegd op 23 april 1998 in het kader van het examen over de algemene kennis met het oog op het bekomen van een vergunning van lijnbestuurder en (van) de beslissing die op basis van dit examen werd genomen”; Gelet op de memorie van antwoord; Gelet op het verslag, met toepassing van artikel 94 opgemaakt door eerste auditeur E. HAESBROUCK; Gelet op het arrest nr. 78.173 van 18 januari 1999, waarbij de debatten worden heropend en beslist wordt dat de zaak volgens de gewone procedure wordt behandeld; Gelet op de memorie van wederantwoord; IX-1302-1/12 Gelet op het aanvullend verslag, opgemaakt door eerste auditeur E. HAESBROUCK; Gelet op de regelmatig gewisselde (eerste) laatste memories; Gelet op het arrest nr. 88.497 van 29 juni 2000 waarbij de debatten worden heropend en waarbij het door de auditeur-generaal aan te wijzen lid van het auditoraat ermee wordt belast de zaak verder te onderzoeken; Gezien het tweede aanvullend verslag opgemaakt door eerste auditeur E. HAESBROUCK; Gelet op de beschikking van 11 oktober 2006 die de neerlegging ter griffie van het tweede aanvullend verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het tweede aanvullend verslag aan partijen en gezien de regelmatig gewisselde (tweede) laatste memories; Gelet op de beschikking van 4 oktober 2007 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 26 november 2007; Gehoord het verslag van kamervoorzitter P. LEMMENS; Gehoord de opmerkingen van advocaat P. DILLEN, die verschijnt voor de verzoeker; Gehoord het andersluidend advies van eerste auditeur E. HAESBROUCK; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, IX-1302-2/12 OVERWEEGT WAT VOLGT : Feiten
- De verzoeker legt tijdens de zittijd van november 1997 het examen af over de algemene kennis, ingericht met het oog op het verkrijgen van de vergunning van lijnvliegtuigbestuurder. Over het geheel van de vakken behaalt hij de quotering B (van 60 % tot 70 %), maar voor het vak “straal- en luchtschroefturbines” behaalt hij de quotering E (minder dan 40 %). Dienvolgens wordt hij voor het geheel van het examen niet geslaagd verklaard. Om alsnog te slagen, moet hij voor het genoemde vak een herexamen afleggen. De examenuitslag wordt hem met een schrijven van 18 december 1997 meegedeeld. Op 23 april 1998 legt de verzoeker voor twee examinatoren (de heren B. en R.) het herexamen af over het vak “straal- en luchtschroefturbines”. De examenjury komt bijeen op 28 mei 1998, en beslist dat de verzoeker ook na het herexamen niet geslaagd is voor het examen over de algemene kennis van lijnpiloot. Die beslissing wordt hem met een brief van 10 juni 1998 meegedeeld. Ondertussen heeft de verzoeker, met een schrijven van 4 juni 1998, om een afschrift van bepaalde documenten verzocht. Met een schrijven van 16 juni 1998 deelt de Directeur-generaal van het Bestuur van de Luchtvaart aan de verzoeker de gevraagde documenten mee. Met een op 23 juli 1998 ter post aangetekend schrijven dient de verzoeker het voorliggende beroep in. Uit de inhoud van het verzoekschrift blijkt dat het beroep gericht is tegen, achtereenvolgens: - de beslissing van de twee examinatoren over het herexamen over het vak “straal- en luchtschroefturbines”, - de beslissing van de examenjury van 28 mei 1998 over het geheel van het examen over de algemene kennis, ingericht met het oog op het verkrijgen van de vergunning van lijnvliegtuigbestuurder. Ontvankelijkheid van het beroep 2.
- In haar (eerste) laatste memorie, op 31 maart 2000 ingediend na het eerste aanvullend auditoraatsverslag, werpt de verwerende partij een exceptie IX-1302-3/12 van onontvankelijkheid van het beroep op, afgeleid uit het ontbreken van enig actueel belang. Volgens de verwerende partij heeft de eventuele vernietiging van de bestreden beslissing in verband met het examen voor het verkrijgen van de vergunning van lijnbestuurder van een vliegtuig niet voor gevolg dat de verzoeker als geslaagd moet worden beschouwd. Gelet op de termijn die op dat ogenblik is verstreken sinds het afleggen van de hoofdbrok van de examens, kan de verzoeker immers nog onmogelijk op basis van zijn uitslagen voor die examens als geslaagd beschouwd worden. Hij zal zich integendeel opnieuw moeten inschrijven voor het hele examen en voor alle vakken een examen moeten afleggen. In die omstandigheden heeft de verzoeker niet langer een belang bij de vernietiging van de beslissing om hem niet geslaagd te verklaren. 2.
- Zoals blijkt uit bijlage IV, A, bij het ministerieel besluit van 23 juni 1969 houdende regeling van de burgerlijke vergunningen van bestuurder van vliegtuigen, bestaat het examen over de algemene kennis, vereist voor het verkrijgen van de vergunning van lijnbestuurder, uit een theoretisch examen over een reeks vakken. Een eventuele vernietiging van de beslissing waarbij de verzoeker niet geslaagd verklaard wordt, gelet op zijn resultaat op het herexamen voor één van die vakken, heeft tot gevolg dat de verzoeker een nieuwe kans moet krijgen om over dat vak een herexamen af te leggen en om vervolgens over het geheel van de vakken beoordeeld te worden. Het feit dat ondertussen een hele tijd is verstreken sinds over de andere vakken examen is afgelegd, doet aan dat gevolg geen afbreuk. Bovendien behoudt de verzoeker in elk geval een moreel belang bij het bestrijden van een beslissing die hem niet geslaagd verklaart. De exceptie kan niet aangenomen worden. Onderzoek van de middelen 3.
- De verzoeker roept een eerste middel in, afgeleid uit de schending van artikel 41 van het ministerieel besluit van 23 juni 1969 houdende regeling van de burgerlijke vergunningen van bestuurder van vliegtuigen. IX-1302-4/12 Volgens de verzoeker volgt uit artikel 41 van het ministerieel besluit van 23 juni 1969 dat het examen wordt afgenomen door een commissie voorgezeten door de directeur-generaal van het Bestuur van de Luchtvaart of zijn vertegenwoordiger, en samengesteld uit leden door de directeur-generaal aangewezen. Te dezen heeft het herexamen over het vak “straal- en luchtschroefturbines” plaatsgevonden voor de examinatoren B. en R., niet voor een commissie als bedoeld in artikel
- 3.
- Artikel 41 van het ministerieel besluit van 23 juni 1969 houdende regeling van de burgerlijke vergunningen van bestuurder van vliegtuigen bepaalde, op het ogenblik dat de bestreden beslissingen zijn genomen, het volgende: “Het examen over de algemene kennis, ingericht met het oog op de uitreiking van de vergunning van lijnbestuurder wordt afgenomen door een commissie voorgezeten door de Directeur-Generaal van het bestuur der luchtvaart of door zijn vertegenwoordiger en samengesteld uit door hem in de in artikel 40 bedoelde lijst aangeduide personen.” Die bepaling moet gelezen worden in samenhang met de artikelen 16, 5/, en 40 van het genoemde besluit en bijlage IV bij dat besluit. Volgens artikel 16, 5/, moet een aanvrager, om de vergunning van lijnbestuurder te verkrijgen, onder meer slagen voor de in bijlage IV bedoelde examens. Bijlage IV, A, heeft betrekking op de examens voor het verkrijgen van de vergunning van lijnbestuurder. Punt I heeft meer in het bijzonder betrekking op het examen over de algemene kennis. De desbetreffende bepalingen voorzien in afzonderlijke examens over een reeks vakken, behorend tot uiteenlopende disciplines, en in een globale beoordeling van de kandidaat op basis van het geheel van de examens over die afzonderlijke vakken. Artikel 40 bepaalt dat de minister die met het bestuur der luchtvaart is belast, op de voordracht van de directeur-generaal van het Bestuur van de Luchtvaart een lijst opstelt van personen die aangewezen worden om de examens voor o.m. de vergunningen af te nemen. Uit het geheel van die bepalingen blijkt dat de examens over de afzonderlijke vakken worden afgenomen door personen die “op grond van hun wetenschappelijke of technische kennis, te persoonlijke titel”, voorkomen op de lijst bedoeld in artikel 40 en die door de directeur-generaal van het Bestuur van de Luchtvaart zijn aangewezen om deel uit te maken van de examencommissie bedoeld in artikel
- De examencommissie, bestaande uit alle examinatoren, beslist vervolgens over het globale resultaat over het examen, op basis van de quoteringen IX-1302-5/12 gegeven door de individuele examinatoren over de onderscheiden vakken. De commissie dient daarentegen niet als college de examens over de onderscheiden vakken af te nemen. Te dezen blijkt dat de examinatoren B. en R. voorkomen op de lijst van de personen aangewezen om de examens voor de vergunningen af te nemen, meer in het bijzonder als personen die aangewezen kunnen worden “om deel uit te maken van de jury voor de proeven algemene kennis lijnbestuurder (bijlage IV § A1)”. Die vaststelling volstaat voor de rechtsgeldigheid van hun aanwijzing als examinatoren over het vak “straal- en luchtschroefturbines”. Het middel faalt naar recht. 4.
- De verzoeker roept een tweede middel in, afgeleid uit de schending van artikel 42 van het ministerieel besluit van 23 juni 1969 houdende regeling van de burgerlijke vergunningen van bestuurder van vliegtuigen. Volgens de verzoeker is de bestreden beslissing “van het Bestuur van de Luchtvaart” genomen zonder dat een examencommissie rechtmatig werd samengesteld en zonder dat deze examencommissie bij meerderheid van haar leden heeft gestemd en beraadslaagd en de notulen door de commissieleden werden ondertekend. Op grond van artikel 42 diende de examencommissie te delibereren en diende de beslissing door een meerderheid van haar leden genomen te worden. 4.
- In zijn memorie ingediend op 2 mei 1999, na het tussenarrest nr. 78.173 van 18 januari 1999, preciseert de verzoeker, na kennisneming van het administratief dossier, dat de examencommissie zich ertoe beperkt heeft vast te stellen dat de verzoeker niet geslaagd was voor het examen, en dat zij die beslissing genomen heeft “zonder dat over de examenresultaten beraadslaagd werd en zelfs zonder dat de punten van het examen bekend waren”. Dat er over de punten van het herexamen van de verzoeker niet beraadslaagd is, blijkt uit het feit dat die punten zich niet in het administratief dossier bevinden. De verzoeker legt bovendien een schrijven voor van een lid van de examencommissie, F.C., van 26 maart 1999, waarin dat lid aan de verzoeker verklaart dat de examencommissie zich inderdaad ertoe beperkt heeft “vast te stellen” dat de kandidaten al dan niet geslaagd zijn. Mocht er over het verloop van de deliberatie, en meer bepaald over de afwezigheid IX-1302-6/12 van een beraadslaging, twijfel bestaan, dan vraagt de verzoeker om de personen die aan de deliberatie hebben deelgenomen, o.m. F.C. en L.Z., te horen. 4.3.
- In haar (tweede) laatste memorie, op 20 december 2006 ingediend na het tweede aanvullend auditoraatsverslag, werpt de verwerende partij een exceptie van onontvankelijkheid van het oorspronkelijke middel op, afgeleid uit de vaagheid ervan. 4.3.
- In zoverre de verzoeker in zijn memorie van 2 mei 1999 een nieuwe grief aanvoert, is deze volgens de verwerende partij onontvankelijk, omdat het gaat om een nieuw middel dat de openbare orde niet raakt. Ten gronde wijst de verwerende partij erop dat artikel 42 van het ministerieel besluit van 23 juni 1969 bepaalt dat de beraadslagingen van de examencommissie geheim zijn. Bovendien blijkt uit bijlage IV bij dat besluit dat voor een herexamen, anders dan bij een eerste examen, alleen maar wordt vastgesteld of de kandidaat al dan niet geslaagd is, en dat het feit dat hij niet geslaagd is voor het herexamen automatisch met zich brengt dat hij niet geslaagd is voor het geheel van het examen over de algemene kennis. Uit een en ander volgt dat de examencommissie, die het geheim van de beraadslagingen moet eerbiedigen, in het proces-verbaal van de deliberatie enkel mag vaststellen of de kandidaat al dan niet geslaagd is. Dat is precies wat de commissie te dezen gedaan heeft. Subsidiair vraagt de verwerende partij dat, als de Raad van State van oordeel zou zijn dat de notulen van de beraadslagingen moeten worden neergelegd, die dan niet zouden worden meegedeeld aan de verzoeker. De verwerende partij beroept zich hiervoor op het recht op eerbiediging van het privé- leven, gewaarborgd bij artikel 22 van de Grondwet, al dan niet gelezen in samenhang met artikel 8 van het Europees Verdrag over de rechten van de mens en artikel 17 van het Internationaal Verdrag inzake de burgerlijke en politieke rechten. Indien het verzoek van de verwerende partij zou stuiten op de artikelen 21 en 23 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, verzoekt de verwerende partij om over de verenigbaarheid van die wetsbepalingen met de genoemde grondwets- en verdragsartikelen een prejudiciële vraag te stellen aan het Grondwettelijk Hof. 4.
- Artikel 42 van het ministerieel besluit van 23 juni 1969 luidt als volgt : IX-1302-7/12 “De beslissingen van de examencommissie worden genomen bij meerderheid van haar leden. Bij staking van stemmen is deze van de voorzitter beslissend. De beraadslagingen van de commissie zijn geheim. Haar resultaten worden in de notulen van de zitting opgetekend. De notulen worden door de commissieleden ondertekend.” Uit het proces-verbaal van de deliberatie van de examencommissie over de algemene kennis lijnpiloot van 28 mei 1998 blijkt dat de commissie op de genoemde dag bijeengekomen is, dat zij voor elk van de kandidaten die één of meer herexamens dienden af te leggen, heeft vastgesteld of zij “geslaagd” dan wel “niet geslaagd” zijn, en dat elk van de leden dat proces-verbaal heeft ondertekend. Aldus blijkt dat de commissie gedaan heeft wat zij volgens artikel 42 moest doen: beslissen, in het licht van de resultaten behaald op de herexamens, of de betrokken kandidaten al dan niet geslaagd zijn. Nu de beraadslagingen van de commissie volgens artikel 42 geheim zijn, kan van de verwerende partij niet verwacht worden dat zij nadere uitleg geeft over het verloop van de deliberatie. Te dezen blijkt uit het feit zelf dat de verzoeker globaal niet geslaagd verklaard is, terwijl hij een herexamen over één vak moest afleggen, dat hij voor het herexamen voor dat vak niet geslaagd is. De verzoeker betwist die laatste vaststelling overigens niet. Zelfs indien zou moeten worden aangenomen dat de deliberatie over het herexamen van de verzoeker geen aanleiding heeft gegeven tot een inhoudelijke beraadslaging door de leden van de commissie, zou dit gegeven de onregelmatigheid van de deliberatie niet tot gevolg hebben. Het staat immers aan de commissie om zelf uit te maken in hoeverre een bepaald resultaat op een herexamen aanleiding moet geven tot een nadere bespreking, en niets belet de commissie om zonder verdere discussie het eindresultaat vast te stellen. Gelet op het voorgaande, is er geen aanleiding om in te gaan op de verzoeken van de partijen in verband met het horen van getuigen of in verband met het overleggen van stukken. Het middel, ook in zoverre het in de loop van het geding uitgebreid is, kan niet aangenomen worden. IX-1302-8/12 5.
- De verzoeker roept een vierde middel in, afgeleid uit de schending van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, in het bijzonder de beginselen van onpartijdigheid, objectiviteit en gelijkheid. De verzoeker stelt dat hij het mondeling herexamen heeft afgelegd voor de examinatoren B. en R. Volgens de verzoeker heeft R. hem een negatieve beoordeling gegeven. De verzoeker voert aan dat R. privé-bijles geeft tegen zeer hoge prijzen, al dan niet in het kader van een privé-school, aan personen die hij later moet examineren. Aldus heeft R. een persoonlijk belang bij het resultaat van de kandidaten, in die zin dat hij onder druk staat om degenen die bij hem bijles gevolgd hebben te laten slagen en dat hij in de verleiding komt om degenen die geen bijles gevolgd hebben niet te laten slagen. Volgens de verzoeker volgt uit het feit dat R. bijlessen geeft minstens dat er getwijfeld kan worden aan diens objectiviteit en onpartijdigheid. De verzoeker voert aan dat R. vóór het examen bovendien gezegd heeft dat hij de verzoeker “zo lang zou krabben tot de vernis er volledig af was en hij door de mand zou vallen”. Gezien die uitlating, kan ook aan het gebrek aan vooringenomenheid getwijfeld worden. Ten slotte volgt uit het voorgaande dat ook inbreuk gepleegd is op de gelijkheid tussen de kandidaten, meer bepaald tussen de kandidaten die bijlessen bij R. gevolgd hebben en de kandidaten die geen bijles gevolgd hebben. 5.
- In haar memorie van antwoord betwist de verwerende partij ten stelligste dat R. een negatieve houding ten opzichte van de verzoeker gehad zou hebben. Zij legt een verklaring voor van R. van 6 september 1998, waarin deze uiteenzet dat de verzoeker, zoals de andere kandidaten, een theoretische en een praktische vraag kreeg. Zij legt ook een verklaring voor van B. van 17 september 1998, waarin deze uiteenzet dat de verzoeker op de twee examengedeelten dermate ontoereikend geantwoord heeft dat de twee examinatoren zonder enige twijfel tot de conclusie zijn gekomen dat hij niet geslaagd was. De verwerende partij verwijst voorts naar de genoemde verklaring van R., waarin deze uitlegt dat hij weliswaar les geeft aan personen die een herexamen moeten afleggen, maar niet in een vak waarin hij de kandidaat later moet ondervragen, en dat kandidaten die bij hem een herexamen moeten afleggen kosteloos bij hem uitleg kunnen krijgen. Ten slotte verwijst de verwerende partij naar de genoemde verklaring van B., waaruit blijkt dat IX-1302-9/12 de twee examinatoren unaniem waren in hun oordeel dat de verzoeker voor het herexamen niet geslaagd was. 5.
- In zijn memorie ingediend op 2 mei 1999, na het tussenarrest nr. 78.173 van 18 januari 1999, stelt de verzoeker vast dat R. ontkent dat hij vóór het examen bepaalde negatieve uitlatingen over hem gedaan heeft. De verzoeker merkt op dat drie personen getuigen waren van die uitlatingen, en hij vraagt de Raad van State om die personen als getuigen te horen. De verzoeker vraagt ook om twee andere personen te horen, die van R. betaalde bijlessen hebben gekregen in een vak waarvoor hij later als examinator is opgetreden. 5.
- In haar (tweede) laatste memorie, op 20 december 2006 ingediend na het tweede aanvullend auditoraatsverslag, merkt de verwerende partij op dat het middel in het bijzonder steunt op het feit dat R. tegen betaling bijlessen zou hebben gegeven. In zoverre de auditeur in zijn verslag van oordeel is dat een gebrek aan onpartijdigheid voortvloeit uit het enkele feit dat R. sommige kandidaten kende voordat zij examen bij hem zouden afleggen, gaat het om een uitbreiding van het middel met een nieuwe grief, die niet van openbare orde is. Ten gronde wijst de verwerende partij er onder meer op dat R. schriftelijk bevestigd heeft dat hij geen bijlessen geeft aan personen die bij hem een herexamen moeten afleggen, en dat aan die verklaring een bewijswaarde toekomt waartegen niet gelijk welk bewijs kan worden tegengeworpen. De verwerende partij legt er voorts de nadruk op dat er een groot verschil is tussen het geven van uitleg tegen betaling en het gratis geven van uitleg. 5.
- In zoverre de verzoeker aanvoert dat de objectiviteit en de onpartijdigheid van R. in het gedrang zijn doordat deze tegen betaling bijlessen zou geven aan kandidaten die voor hem een herexamen moeten afleggen, kan de Raad van State niet anders dan vaststellen dat R. in een verklaring van 6 september 1998 formeel ontkent dat dit het geval zou zijn. R. erkent dat hij bijles geeft, maar voegt er meteen aan toe dat hij dat niet doet in een vak waarin hij later de betrokkene moet ondervragen. Die uitleg komt de Raad van State als plausibel voor. De verzoeker beticht die verklaring niet van valsheid, maar vraagt enkel om twee personen te horen, die mondeling het tegendeel verklaard zouden hebben. De Raad van State meent te dezen niet op dat bewijsaanbod te moeten ingaan, en acht de verklaring van R. geloofwaardig. IX-1302-10/12 Voor het overige stelt de Raad van State vast dat de verzoeker niet aanvoert dat de objectiviteit en de onpartijdigheid van R. in het gedrang zijn door het enkele feit dat deze aan sommige kandidaten voor een herexamen uitleg geeft over het vak waarover hij examen moet afnemen. 5.
- In zoverre de verzoeker aanvoert dat R. zich vóór het herexamen ongunstig zou hebben uitgelaten over de verzoeker, kan de Raad van State andermaal niet anders dan vaststellen dat R. in zijn verklaring van 6 september 1998 formeel ontkent dat hij de door de verzoeker genoemde woorden zou hebben uitgesproken. R. schrijft in dit verband dat het niet tot zijn gedachtegoed behoort om “iemand door de mand (te) laten vallen”, met het inzicht hem vrijwillig en intentioneel te laten mislukken. Die uitleg komt de Raad van State als plausibel voor. De verzoeker beticht die verklaring niet van valsheid, maar vraagt enkel om drie personen te horen, die getuige geweest zouden zijn van de uitlating van R. Om dezelfde redenen als hiervóór gegeven, meent de Raad van State niet op dat bewijsaanbod te moeten ingaan. 5.
- Het middel kan niet aangenomen worden. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
- Het beroep wordt verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van de verzoeker. IX-1302-11/12 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op 26 mei 2008, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : de HH. P. LEMMENS, kamervoorzitter, A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, D. MOONS, staatsraad, Mevr. V. WAUTERS, griffier. De griffier, De voorzitter, V. WAUTERS. P. LEMMENS. IX-1302-12/12 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.183.348 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:1999:ARR.78.173 ECLI:BE:RVSCE:2000:ARR.88.497 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.