← België

Arrest 183351 - Tucht (openbaar ambt) - 26/05/2008

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 26 mei 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.183.351 Rolnummer: A. 75156/IX-57 Zaak: Arrest 183351 - Tucht (openbaar ambt) - 26/05/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-06-11 Raadplegingen: 58 - laatst gezien 2026-06-29 08:05 Fiche Arrest nr 183.351 van 26 mei 2008 Openbaar ambt - Tucht (openbaar ambt) Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 183.351 van 26 mei 2008 in de zaak A. 75.156/IX-

  1. In zake : Yvo PEETERS, die woonplaats kiest bij advocaat V. DE WOLF, kantoor houdende te BRUSSEL, Guldenvlieslaan 68/9 tegen : de Vlaamse Gemeenschap, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Yvo PEETERS op 31 juli 1997 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van de beslissing van het college van secretarissen-generaal van het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap van 29 mei 1997 waarbij hem de tuchtstraf “inhouding van salaris a rato van 10 % van de netto- bezoldiging gedurende één maand” wordt opgelegd; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd W. VAN NOTEN; Gelet op de beschikking van 29 maart 1999 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de regelmatig gewisselde laatste memories; Gelet op de beschikking van 18 april 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 19 mei 2008; Gehoord het verslag van kamervoorzitter P. LEMMENS; IX-57-1/14 Gehoord de opmerkingen van advocaat T. VANTOMME, die loco advocaat V. DE WOLF verschijnt voor de verzoeker; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelings- hoofd W. VAN NOTEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, OVERWEEGT WAT VOLGT : Over de gegevens van de zaak 1.
  2. Op het ogenblik van het bestreden besluit is de verzoeker adjunct van de directeur bij de afdeling Europa Economie van de administratie Economie van het departement Economie, Werkgelegenheid, Binnenlandse Aangelegenheden en Landbouw van het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap. 1.
  3. In de maanden januari en februari 1997 doen zich een aantal feiten voor die voor het afdelingshoofd van de verzoeker de aanleiding vormen om twee voorstellen van tuchtstraf tegen de verzoeker te formuleren. Bij nota van 18 februari 1997 stelt het afdelingshoofd aan de secretaris-generaal van het departement Economie, Werkgelegenheid, Binnenlandse Aangelegenheden en Landbouw voor om aan de verzoeker de tuchtstraf “blaam” op te leggen. Samengevat wordt aan de verzoeker ten laste gelegd: - dat hij een opdracht die hem op 21 januari 1997 werd gegeven niet heeft uitgevoerd en hij zich zonder toelating bezighoudt met activiteiten die niet tot de eigenlijke opdracht van de afdeling behoren; - dat hij op 3 februari 1997 op onbetamelijke en dreigende wijze uiting heeft gegeven aan zijn ongenoegen wanneer het afdelingshoofd hem op zijn plichten wees; IX-57-2/14 - dat hij zich op 4 februari 1997 op beledigende toon telefonisch ziek heeft gemeld bij het secretariaat van het afdelingshoofd; - dat hij de afdeling sindsdien volledig in het ongewisse heeft gelaten over nog af te handelen dossiers, vergaderingen en zendingen, niettegenstaande hij inmiddels toch in staat was persoonlijke zaken uit zijn bureel te komen weghalen; - dat hij bij nota van 11 februari 1997 aan het afdelingshoofd gemeld heeft dat “de onaanvaardbare druk ... en werkverdeling in de afdeling geleid heeft tot deze ernstige aanslag” op zijn gezondheid. Bij nota van 21 februari 1997 stelt het afdelingshoofd opnieuw voor om aan de verzoeker een blaam op te leggen voor de volgende feiten: “- Op 19 februari 1997, om 14 u 03, werd een medische controle-opdracht bij Yvo Peeters uitgevoerd door de door Securex aangestelde dokter, de heer Bart Cornelis. Yvo Peeters was, zoals bij de voorgaande controle, afwezig. - Yvo Peeters werd uitgenodigd zich op 20 februari 1997 om 8 u 30 voor controle aan te bieden bij Dr. Bart Cornelis. Yvo Peeters bood zich niet aan. Via de telefoon meldde hij niet te zullen komen en geen andere afspraak te wensen.” 1.
  4. Bij aangetekende brief van de secretaris-generaal van 26 februari 1997 wordt aan de verzoeker kennis gegeven van de hem ten laste gelegde feiten. Hij wordt uitgenodigd voor een verhoor. De verzoeker dient met een nota van 18 maart 1997 een verweerschrift in. Op 19 maart 1997 wordt hij door de secretaris-generaal gehoord. Bij besluit van de secretaris-generaal van 25 maart 1997 wordt aan de verzoeker de tuchtstraf “inhouding van salaris van 10 % van de netto- bezoldiging gedurende 1 maand” opgelegd. Dit besluit wordt gemotiveerd als volgt: “omdat betrokkene een aantal inbreuken heeft gepleegd op de loyaliteit en de integriteit ten aanzien van zijn hiërarchische meerdere, hij zich niet zorgvuldig en plichtbewust heeft gedragen en hij een ziektecontrole heeft geweigerd. Hij heeft meer bepaald de loyauteit ten aanzien van en de persoonlijke waardigheid van zijn afdelingshoofd niet gerespecteerd tijdens een onderhoud met laatstgenoemde op 3 februari 1997 en bij zijn, bovendien laattijdige, telefonische ziektemelding op 4 februari
  5. Hij heeft bovendien zijn afdeling in het ongewisse gelaten over nog af te handelen dossiers, vergaderingen, zendingen ..., dit terwijl hij wel in staat was om een aantal ‘persoonlijke’ zaken uit zijn lokaal te komen weghalen. IX-57-3/14 Bovendien heeft betrokkene op 19 februari 1997 een ziektecontrole geweigerd door telefonisch te melden dat hij geen nieuwe afspraak wenste.” 1.
  6. Bij aangetekende brief van 7 april 1997 stelt de verzoeker beroep in tegen dat besluit. Op 5 mei 1997 adviseert de raad van beroep met drie stemmen tegen twee dat de door de secretaris-generaal aan de verzoeker opgelegde tuchtstraf “inhouding van salaris” niet in verhouding staat tot de ten laste gelegde feiten. De raad van beroep overweegt onder meer het volgende : “Overwegende dat de feiten die André Van Haver, afdelingshoofd, aan Yvo Peeters ten laste legt in zijn twee voorstellen van tuchtstraf van 18 en 21 februari 1997 als geloofwaardig worden aanvaard; Dat echter uit de debatten van 5 mei 1997 duidelijk blijkt dat de beweringen in die voorstellen naar voren gebracht enigszins dienen gerelativeerd te worden in deze zin dat op 3 februari 1997 tussen 11 u en 15.30 u ook dienstactiviteiten plaats hadden; Dat de onbetamelijkheid en dreigende wijze van Yvo Peeters om zijn ongenoegen ten aanzien van zijn afdelingshoofd te uiten, vast staan; Dat eveneens vaststaat dat Yvo Peeters op 4 februari 1997 op beledigende toon de secretaresse van het afdelingshoofd aansprak in verband met zijn ziektemelding; Dat hij op 19 en 20 februari 1997 zich heeft onttrokken aan de medische controleopdracht; Dat uit de debatten en uit de stukken van het dossier blijkt dat Yvo Peeters tijdens zijn ziekteverlof een aantal bilaterale contacten heeft gehad met de betrokkenen van de dossiers maar nagelaten heeft zijn afdelingshoofd te verwittigen; Dat uit bovenvermelde overwegingen blijkt dat de opgelegde tuchtstraf niet in verhouding staat tot de in het dossier vastgestelde feiten. Het beroep wordt derhalve gedeeltelijk gegrond verklaard.” Bij besluit van het College van secretarissen-generaal van 29 mei 1997 wordt tegen de verzoeker de tuchtstraf “inhouding van salaris van 10 % van de netto-bezoldiging gedurende één maand” definitief uitgesproken. De motivering van het besluit luidt als volgt : “Overwegende dat het College van secretarissen-generaal vaststelt dat de secretaris-generaal van het departement Economie, Werkgelegenheid, Binnenlandse Aangelegenheden en Landbouw in voormeld besluit van 25 maart 1997 de twee voorstellen van tuchtstraf van 18 en 21 februari 1997 heeft samengevoegd, omwille van de intrinsieke verbondenheid van de ten laste gelegde feiten; IX-57-4/14 Overwegende dat aldus de aan de heer Yvo PEETERS ten laste gelegde feiten de volgende zijn: niet tijdig en correct uitvoeren van opdrachten, uitoefenen van privé-activiteiten tijdens de diensturen, beledigend en aanmatigend optreden ten aanzien van het secretariaat van het afdelingshoofd en het afdelingshoofd zelf, bij afwezigheid wegens ziekte het afdelingshoofd volledig in het ongewisse laten over nog af te handelen zaken, afwezigheid bij medische controle, zich niet aanbieden ten huize van de controlearts; Overwegende dat het College van secretarissen-generaal vaststelt dat de Eerste Kamer van de Raad van Beroep in het voormelde advies van 5 mei 1997 met drie stemmen tegen twee adviseert dat de tuchtstraf ‘inhouding van salaris’, uitgesproken door de secretaris-generaal van het departement Economie, Werkgelegenheid, Binnenlandse Aangelegenheden en Landbouw van 25 maart 1997, niet in verhouding staat tot de in het dossier ten laste gelegde feiten; Overwegende dat het College van secretarissen-generaal evenwel vaststelt dat de Eerste Kamer van de Raad van Beroep de feiten die door de heer André Van Haver, afdelingshoofd, aan de heer Yvo PEETERS ten laste gelegd worden in zijn twee voorstellen van tuchtstraf van 18 en 21 februari 1997, niet betwist; Overwegende dat de Eerste Kamer van de Raad van Beroep opmerkt dat ‘de onbetamelijkheid en dreigende wijze van de heer Yvo PEETERS om zijn ongenoegen ten aanzien van zijn afdelingshoofd te uiten’ vaststaan; Overwegende dat de Eerste Kamer van de Raad van Beroep tevens oordeelt dat eveneens vaststaat dat ‘de heer Yvo PEETERS op 4 februari 1997 op beledigende toon de secretaresse van het afdelingshoofd aansprak in verband met zijn ziektemelding’; Overwegende dat het College van secretarissen-generaal bovendien opmerkt dat uit het tuchtdossier blijkt dat reeds eerder klachten geuit werden over het onbeleefde en beledigende gedrag van de heer Yvo PEETERS; Overwegende dat het College van secretarissen-generaal verder vaststelt dat de Eerste Kamer van de Raad van Beroep poneert dat de heer Yvo PEETERS ‘op 19 en 20 februari 1997 zich heeft onttrokken aan de medische controle-opdracht’; Overwegende dat vaststaat dat de heer Yvo PEETERS tijdens zijn ziekteverlof weliswaar enkele bilaterale contacten heeft gehad met dossierbehandelaars, maar dat hij heeft nagelaten om zijn afdelingshoofd te verwittigen; dat het College van secretarissen-generaal van oordeel is dat dit getuigt van niet zorgvuldig en plichtbewust gedrag; Overwegende dat het College van secretarissen-generaal van oordeel is dat de heer Yvo PEETERS zwaar inbreuk pleegde op de plichten en de deontologie van een ambtenaar van het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap; dat dit onduldbaar is voor de organisatie, temeer daar dit een nefaste invloed heeft op de werksfeer en op de motivatie van de collega's; Overwegende dat het College van secretarissen-generaal meent dat de gedragingen van de heer Yvo PEETERS, zoals beschreven in het tuchtdossier, getuigen van een deloyale houding ten aanzien van zijn hiërarchische meerdere; dat betrokkene zich niet zorgvuldig en plichtbewust heeft gedragen en te weinig oog heeft gehad voor het ‘belang van de dienst’; IX-57-5/14 Overwegende dat het College van secretarissen-generaal bijgevolg oordeelt dat het opleggen van een tuchtstraf in deze als passend voorkomt; Overwegende dat het College van secretarissen-generaal zich niet kan akkoord verklaren met het oordeel van de Eerste Kamer van de Raad van Beroep, met name dat de opgelegde tuchtstraf niet in verhouding zou staan met de vastgestelde feiten; dat het College van secretarissen-generaal integendeel poneert dat de secretaris-generaal van het departement Economie, Werkgelegenheid, Binnenlandse Aangelegenheden en Landbouw terecht heeft geoordeeld dat de tuchtstraf ‘inhouding van salaris’ wel degelijk in verhouding staat tot de ten laste gelegde feiten, temeer daar in het voormeld besluit van 25 maart 1997 twee consecutieve voorstellen van tuchtstraf werden samengevoegd; Overwegende dat het voormelde besluit van 25 maart 1997 van de secretaris-generaal van het departement Economie, Werkgelegenheid, Binnenlandse Aangelegenheden en Landbouw houdende beslissing tot uitspraak van de tuchtstraf ‘inhouding van salaris’ terdege (gemotiveerd is) met feitelijke gegevens uit het voorgelegde dossier.” Over de gegrondheid van het beroep 2.
  7. De verzoeker voert in een eerste middel aan dat de opgelegde tuchtstraf niet in verhouding staat tot de hem ten laste gelegde feiten. De verzoeker zet uiteen dat het advies van de raad van beroep waarbij zijn beroep gedeeltelijk gegrond wordt verklaard door het bestreden besluit niet wordt weerlegd, maar het besluit daarentegen wel nadrukkelijk de elementen vermeldt die door de raad van beroep als vaststaand worden beschouwd. Bovendien worden bepaalde argumenten uit het besluit van 25 maart 1997 van de secretaris- generaal herhaald, hoewel deze niet in het advies van de raad van beroep worden weerhouden, besproken of aangehaald, allicht omdat de raad van beroep ze niet als terzake dienend heeft beschouwd. Voorts wijst de verzoeker erop dat de voorstellen van tuchtstraf door de secretaris-generaal werden samengevoegd omwille van de intrinsieke verbondenheid van de ten laste gelegde feiten, terwijl het verwijt dat hij zich aan de medische controle onttrokken heeft los staat van de tekortkomingen die hem bij de uitoefening van zijn ambt worden verweten. De verwikkelingen rond de medische controle werden, aldus de verzoeker, door de hiërarchie aangegrepen om deze als een bijkomend argument voor zijn beweerd falen op beroepsvlak te kunnen hanteren en hem een zwaardere tuchtstraf dan een blaam te kunnen opleggen. IX-57-6/14 2.
  8. De verwerende partij antwoordt, samengevat, dat de secretaris- generaal geen verwijt kan worden gemaakt in verband met de samenvoeging van de tuchtvoorstellen. Voorts betwist zij de stelling van de verzoeker dat de tuchtsanctie niet in verhouding zou staan tot de feiten en wijst zij erop dat de Raad van State een tuchtstraf slechts kan vernietigen wanneer deze in een kennelijke wanverhouding tot de feiten staat, wat in deze zaak niet het geval is. 2.
  9. In zijn memorie van wederantwoord betwist de verzoeker het relaas van de feiten zoals dit door de verwerende partij wordt gegeven. Met betrekking tot het door hem ingeroepen middel repliceert hij dat bij de eindbeslissing zonder veel omhaal aan het belangrijkste onderdeel van het advies van de raad van beroep, met name de wanverhouding tussen de aangewreven tekortkomingen en de voorgestelde tuchtsanctie, is voorbijgegaan. In zijn laatste memorie stelt de verzoeker dat de door hem ingeroepen schending van het evenredigheidsbeginsel ook bekeken moet worden in het licht van de materiële motiveringsplicht. Hij stelt dat elke overheidsbeslissing moet berusten op rechtens aanvaardbare en draagkrachtige feitelijke motieven en dat deze motieven naar aanleiding van het wettigheidstoezicht gecontroleerd moeten worden. De verzoeker stelt dat het aan de verwerende partij is om aan te tonen dat de opgelegde tuchtstraf in verhouding staat tot de feiten en wijst erop dat de tuchtoverheid niet willekeurig een sanctie mag treffen voor om het even welke tuchtrechtelijk sanctioneerbare inbreuk. De verzoeker betwist dan ook de stelling dat er slechts een schending van het evenredigheidsbeginsel is wanneer de sanctie in een kennelijke wanverhouding staat tot de feiten. 2.
  10. De tuchtoverheid beschikt bij het bepalen van de aard en de zwaarte van de tuchtsanctie over een ruime appreciatiebevoegdheid, die de redelijkheid als grens heeft. De Raad van State heeft bij de toetsing van de redelijkheid van de opgelegde tuchtstraf slechts een marginale bevoegdheid, hetgeen betekent dat de Raad van State zich niet in de plaats van de tuchtoverheid kan stellen, maar enkel een volkomen in wanverhouding tot de fout staande straf als onwettig kan kwalificeren. In tegenstelling tot wat de verzoeker voorhoudt kan aldus enkel een straf waarvan het in redelijkheid ondenkbaar is dat de overheid ze voor die fout zou opleggen, tot de onwettigheid van de bestreden beslissing leiden. IX-57-7/14 Te dezen voert de verzoeker alleen aan dat de straf niet in verhouding staat tot de feiten. Hij beweert niet dat de straf in een kennelijke wanverhouding staat tot de feiten. De raad van beroep heeft met drie stemmen tegen twee geadviseerd dat de tuchtstraf “inhouding van salaris” niet in verhouding staat tot de in het dossier ten laste gelegde feiten. De raad van beroep hield daarbij rekening met het gegeven dat “uit de debatten van 5 mei 1997 duidelijk blijkt dat de beweringen in (de voorstellen van tuchtstraf) naar voren gebracht enigszins dienen gerelativeerd te worden in deze zin dat op 3 februari 1997 tussen 11 u en 15.30 u ook dienstactiviteiten plaats hadden”. Het College van secretarissen-generaal van zijn kant stelt vast dat de raad van beroep de feiten zelf niet betwist. Binnen de grenzen van zijn discretionaire bevoegdheid oordeelt het college, kennelijk in afwijking van de raad van beroep, dat uit het geheel van de feiten blijkt dat de verzoeker “zwaar inbreuk pleegde op de plichten en de deontologie van een ambtenaar van het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap”. Uitgaande van die beoordeling van de feiten heeft het college wettig kunnen oordelen dat de tuchtstraf “inhouding van salaris” wel degelijk in verhouding staat tot de feiten. De omstandigheid dat de twee tuchtvoorstellen die door verzoekers afdelingshoofd werden geformuleerd door de tuchtoverheid werden samengevoegd, wijst evenmin op een schending van het evenredigheidsbeginsel. Artikel IX 21, eerste lid, van het te dezen toepasselijke Vlaams personeelsstatuut (besluit van de Vlaamse regering van 24 november 1993 houdende organisatie van het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap en de regeling van de rechtspositie van het personeel) bepaalt in dat verband overigens dat “wanneer meer dan één feit ten laste van de ambtenaar gelegd wordt, (...) dit niettemin slechts aanleiding (kan) geven tot één procedure en tot het uitspreken van één tuchtstraf”. De tuchtoverheid heeft dienvolgens terecht beslist dat het geheel van de feiten die aan de verzoeker werden ten laste gelegd het voorwerp moesten uitmaken van één tuchtprocedure. Het middel kan niet aangenomen worden. IX-57-8/14 3.
  11. De verzoeker roept een tweede middel in, afgeleid uit de schending van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen en van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, waaronder het redelijkheidsbeginsel. De verzoeker stelt dat de verwerende partij niet behoorlijk is ingegaan op zijn verweer. Zo is de verwerende partij niet ingegaan op verzoekers nota van 18 maart 1997 waarin hij uitgebreid en van uur tot uur de bewering heeft weerlegd dat hij op 3 februari 1997 niets zou hebben uitgericht, een verwijt dat aan de basis lag van en de directe aanleiding was voor de sanctie. Voorts stelt de verzoeker dat de verwerende partij hem ten onrechte verwijt dat hij zich op 19 en 20 februari 1997 aan de medische controle heeft onttrokken terwijl hij bij herhaling gesteld heeft dat hij telefonisch en schriftelijk om een nieuwe afspraak met een controlegeneesheer gevraagd had. Ook verwijt de verwerende partij hem dat hij zich tijdens de diensturen met privé-activiteiten bezighield, hoewel de verzoeker dit steeds heeft ontkend en hij door de administratie nooit met één enkel concreet feit van die aard werd geconfronteerd. 3.
  12. In haar memorie van antwoord stelt de verwerende partij vooreerst dat uit de formele motiveringsplicht voor de tuchtoverheid niet de verplichting volgt om alle middelen van verdediging van de tuchtrechtelijk vervolgde ambtenaar te beantwoorden. Om aan de formele motiveringsplicht te voldoen moet de motivering van de beslissing de feiten vermelden, de juridische regels aangeven die werden toegepast, en aantonen hoe de feiten op basis van de juridische regels tot de beslissing hebben geleid. De verwerende partij meent dat in het bestreden besluit aan deze vereisten is voldaan. Voorts is de verwerende partij van oordeel dat zij voldoende heeft aangetoond waarom de feiten die aan de verzoeker ten laste werden gelegd als bewezen moeten worden beschouwd en de aan de verzoeker opgelegde sanctie verantwoorden. Overigens heeft ook de raad van beroep de aan de verzoeker ten laste gelegde feiten als bewezen beschouwd en enkel geoordeeld dat één van die feiten moest worden gerelativeerd. 3.
  13. In zijn memorie van wederantwoord stelt de verzoeker, samengevat, dat het bestreden besluit zich beperkt tot het summier overnemen van het relaas van zijn onmiddellijke hiërarchische meerdere, en dat het kritiekloos de bewering overneemt dat hij op 3 februari 1997 niets heeft uitgericht en zich twee IX-57-9/14 opeenvolgende dagen bewust aan de medische controle onttrokken heeft, zonder dat hiervan enige schriftelijke bevestiging van de controlegeneesheer voorhanden is. 3.
  14. De artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen bepalen dat eenzijdige rechtshandelingen met individuele strekking die uitgaan van een bestuur en die beogen rechtsgevolgen te hebben voor één of meer bestuurden of voor een ander bestuur, uitdrukkelijk moeten worden gemotiveerd, dat in de akte de juridische en feitelijke overwegingen moeten worden vermeld die aan de beslissing ten grondslag liggen en dat deze afdoende moeten zijn. De formele motiveringsplicht moet het de betrokkene mogelijk maken de concrete redenen te achterhalen die het bestuur tot de beslissing hebben gebracht. In tuchtzaken betekent zulks dat de motivering de betrokkene moet duidelijk maken welke feiten de overheid in aanmerking heeft genomen, waarom die feiten, wanneer zulks niet duidelijk is, een inbreuk op de tucht uitmaken en waarom zij de uiteindelijk opgelegde straf verantwoorden. De formele motiveringsplicht houdt daarentegen geen verplichting in om te antwoorden op alle argumenten die de betrokkene te zijner verdediging aanvoert. Te dezen voert de verzoeker de schending aan, niet zozeer van de bij de wet van 29 juli 1991 opgelegde formele motiveringsplicht, als wel van de materiële motiveringsplicht, in die zin dat hij betwist dat de feiten, gelet op de door hem aangevoerde verweermiddelen, door de tuchtoverheid als bewezen mochten worden beschouwd. Dienaangaande moet worden opgemerkt dat, wanneer de feiten betwist worden, de Raad van State niet als rechter in hoger beroep heeft uit te maken wat naar zijn oordeel als de juiste toedracht van de aan de tuchtsanctie ten grondslag liggende feiten moet worden beschouwd. Hij dient echter wel na te gaan of de tuchtoverheid naar recht en redelijkheid tot haar voorstelling van de feiten is gekomen. Een tuchtstraf die op onbestaande of niet voldoende bewezen feiten is gegrond, is immers in rechte niet verantwoord. Uit de motivering van het bestreden besluit blijkt dat het College van secretarissen-generaal, in overeenstemming met het advies van de raad van beroep, als bewezen heeft beschouwd: IX-57-10/14 - “de onbetamelijkheid en dreigende wijze van de heer Yvo Peeters om zijn ongenoegen ten aanzien van zijn afdelingshoofd te uiten”; - dat “de heer Yvo Peeters op 4 februari 1997 op beledigende toon de secretaresse van het afdelingshoofd aansprak in verband met zijn ziektemelding”; - dat de verzoeker “op 19 en 20 februari 1997 zich heeft onttrokken aan de medische controle-opdracht”; - “dat de heer Yvo Peeters tijdens zijn ziekteverlof weliswaar enkele bilaterale contacten heeft gehad met dossierbehandelaars, maar dat hij heeft nagelaten om zijn afdelingshoofd te verwittigen”. In zoverre de verzoeker in het middel aanvoert dat zijn onmiddellijke hiërarchische meerdere hem ten onrechte ervan beschuldigd heeft dat hij op 3 februari 1997 niets zou hebben uitgericht en dat hij zich tijdens de diensturen met privé-activiteiten bezighoudt, dient te worden opgemerkt dat die verwijten noch in de beslissing van de secretaris-generaal van 25 maart 1997 noch in het besluit van het College van secretarissen-generaal van 29 mei 1997 als tuchtvergrijp aan de verzoeker ten laste worden gelegd. De vraag of die verwijten afdoende bewezen zijn, is derhalve niet relevant. Wat het feit betreft dat de verzoeker zich op 19 en 20 februari 1997 aan de medische controle onttrokken heeft, dient te worden opgemerkt dat, zo de verzoeker op 19 februari de toelating had om zijn woning te verlaten zodat hij op die dag niet door de controlegeneesheer onderzocht kon worden, hij alleszins gevolg had moeten geven aan de uitnodiging van de controlegeneesheer om zich op 20 februari bij hem aan te melden. De verzoeker toont niet aan dat hij door overmacht niet in de mogelijkheid was om aan de uitnodiging van de controlegeneesheer gevolg te geven. Het betoog van de verzoeker dat hij niet in staat zou zijn geweest zich naar de controlegeneesheer te Vilvoorde te begeven, mist alle geloofwaardigheid indien men in aanmerking neemt dat de verzoeker volgens zijn eigen verklaringen tijdens zijn ziekteverlof wel in de mogelijkheid was om op zijn dienst zijn persoonlijk dossier te gaan ophalen, familieleden te bezoeken en deel te nemen aan een boottocht te Oostende. De verwerende partij heeft dan ook naar recht en redelijkheid kunnen oordelen dat de verzoeker zich op 19 en 20 februari 1997 aan de medische controle onttrokken heeft. Het middel kan niet aangenomen worden. IX-57-11/14 4.
  15. De verzoeker roept een derde middel in, steunend op “het belang van de administratie en het toezicht op de hervorming ervan”. De verzoeker redigeert dit middel als volgt: “De desbetreffende rechtsleer laat er weinig twijfel over bestaan dat uw hoog, administratief rechtscollege niet alleen belast is met het waken over de particuliere belangen maar ook oog moet hebben voor -en rekening houden met- het belang van de administratie en zelfs moet toezien op de hervorming ervan (...). Nu is het vrij duidelijk dat dit streven geenszins wordt gediend door de slordige en onachtzame manier waarop de klachten in verband met de werkomstandigheden van verzoeker door zijn hiërarchische meerderen werden weggewuifd of compleet genegeerd. Hoewel verzoeker zijn afdelingshoofd de heer André Van Haver bij herhaling - zoals uit het dossier blijkt - wees op de quasi-onmogelijkheid voor hem om afdoend en constructief met zijn collega mevrouw S. samen te werken wegens o.m. hun bijzonder slechte relaties op persoonlijk vlak werd hierop nooit ingegaan. Erger, in een nota van 25 februari 1997 (...) aan de heer Delanghe, secretaris-generaal, stelt de heer Van Haver zelfs dat ‘dergelijke zware aantijgingen tegenover collega's die op geen enkele grond berusten, een bijkomend bezwarend element vormen voor het tuchtdossier van betrokkene’. Dit terwijl hij alvast de door verzoeker bij herhaling en bij tal van gelegenheden geformuleerde grond van zijn aantijgingen of beter beweringen nooit heeft onderzocht of zelfs maar de minste aandacht geschonken. Dit staat wel in erg schril contrast met zowat het voornaamste opzet van het nieuwe personeelsstatuut, met name het voorhanden zijnde menselijk potentieel beter tot zijn recht te laten komen, te laten renderen door bij iedere ambtenaar aanwezige capaciteiten maximaal te benutten via een geregeld overleg tussen de hiërarchie en haar ondergeschikten wanneer collega's niet kunnen samenwerken en zelfs als beweert slechts een van beiden dit dan lijkt zulks wel een grondig onderzoek door de verantwoordelijke hiërarchische meerdere meer dan waard en compleet in overeenstemming met de geest en doelstellingen van dit nieuwe personeelsstatuut. Dergelijke doelstelling kan alvast niet gerealiseerd worden door het negeren van dit soort van opmerkingen en/of klachten.” 4.
  16. De verwerende partij is van oordeel dat het middel niet ter zake dienend is, aangezien er geen verband bestaat tussen de beweerde onmogelijkheid voor de verzoeker om met een collega samen te werken en de hem ten laste gelegde tekortkomingen. 4.
  17. In zijn memorie van wederantwoord herhaalt de verzoeker zijn stelling dat het negeren van zijn klachten over zijn moeilijkheden om met mevrouw S. samen te werken, haaks staat op het opzet van het Vlaams personeelsstatuut, dat in eerste orde beoogt het voorhanden zijnde menselijk potentieel beter tot zijn recht IX-57-12/14 te laten komen en te laten renderen door de bij iedere ambtenaar aanwezige capaciteiten maximaal te benutten via een geregeld overleg tussen de hiërarchie en haar ondergeschikten. 4.
  18. Luidens artikel 2, § 1, 2), van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling administratie van de Raad van State, zoals die bepaling van toepassing was op het ogenblik van het indienen van het voorliggende beroep, dient het verzoekschrift onder meer “een uiteenzetting van de feiten en middelen” te bevatten. Onder “middel” in de zin van deze bepaling moet worden verstaan de voldoende duidelijke omschrijving van de overtreden rechtsregel en van de wijze waarop die rechtsregel door de bestreden beslissing werd geschonden. In zijn verzoekschrift beperkt de verzoeker zich ertoe te wijzen op het feit dat geen gevolg werd gegeven aan zijn klachten omtrent het samenwerken met een collega, iets wat volgens hem haaks staat op de geest en de doelstellingen van het nieuw personeelsstatuut. De verzoeker roept echter geen rechtsregel in die door het bestreden besluit zou zijn geschonden, en verduidelijkt a fortiori niet op welke wijze het bestreden besluit een zodanige rechtsregel zou hebben geschonden. Het middel is dan ook niet ontvankelijk. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
  19. Het beroep wordt verworpen. Artikel
  20. De kosten van het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. IX-57-13/14 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op 26 mei 2008, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : de HH. P. LEMMENS, kamervoorzitter, A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, D. MOONS, staatsraad, Mevr. V. WAUTERS, griffier. De griffier, De voorzitter, V. WAUTERS. P. LEMMENS. IX-57-14/14 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.183.351 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.