← België

Arrest 183356 - Stedenbouw en ruimtelijke ordening - Reglementen - 26/05/2008

id="page_main" x-ms-format-

tection="none"> Print

ze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 26 mei 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.183.356 Rolnummer: A. 181095/X-13191 Zaak: Arrest 183356 - Stedenbouw en ruimtelijke ordening - Reglementen - 26/05/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-05-30 Raadplegingen: 65 - laatst gezien 2026-06-29 08:05 Fiche Arrest nr 183.356 van 26 mei 2008 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Stedenbouw en ruimtelijke ordening - Reglementen Beslissing : Verwerping Inwilliging tussenkomst Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van

beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 183.356 van 26 mei 2008 in

zaak A. 181.095/X-13.

  1. In zake :
  2. Johanna PEIRS,
  3. An MOORTHAMER,
  4. Luc LAVRYSEN,
  5. Geert ANGENON,
  6. Mark DAVEY,
  7. An SWALENS,
  8. Roger VAN SOOM,
  9. Sonia

BOCK,

  1. Nicole MEGANCK,
  2. Paul PEETERS, die woonplaats kiezen bij advocaten I. LARMUSEAU, P.

SMEDT, B. ROELANDTS en H. SCHOUKENS, kantoor houdende te 9000 GENT, Kasteellaan 141 tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door

Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat P. AERTS, kantoor houdende te 9000 GENT, Coupure 5. tussenkomende partijen : 1.

n.v. NMBS HOLDING, 2.

n.v. EUROSTATION, die woonplaats kiezen bij advocaat P. FLAMEY, kantoor houdende te 2018 ANTWERPEN, Jan van Rijswijcklaan 16, 3.

stad GENT, 4.

Vlaamse Vervoermaatschappij

LIJN, die woonplaats kiest bij advocaat D. LINDEMANS, kantoor houdende te 1000 BRUSSEL, Keizerslaan 3, 5.

n.v. INFRABEL, die woonplaats kiest bij advocaten D. RYCKBOST en E. RYCKBOST, kantoor houdende te 8400 OOSTENDE, E. Beernaertstraat 80. X-13.191-1/53 D E R A A D V A N S T A T E, Xe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Johanna PEIRS, An MOORTHAMER, Luc LAVRYSEN, Geert ANGENON, Mark DAVEY, An SWALENS, Roger VAN SOOM, Sonia

BOCK, Nicole MEGANCK en Paul PEETERS op 16 februari 2007 hebben ingediend om

schorsing van

tenuitvoerlegging te vorderen van het besluit van 15

cember 2006 van

Vlaamse regering houdende

finitieve vaststelling van het gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan “stationsomgeving Gent Sint-Pieters - Koningin Fabiolalaan”, bij uittreksel bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 12 januari 2007; Gezien

nota van

verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur A. EYLENBOSCH; Gelet op

kennisgeving van het verslag aan partijen; Gelet op

beschikking van 28 juni 2007 waarbij

terechtzitting bepaald wordt op 28 september 2007; Gehoord het verslag van staatsraad J. BOVIN; Gehoord

opmerkingen van advocaat P.

SMEDT, die verschijnt voor

verzoekende partijen, van advocaat P. AERTS, die verschijnt voor

verwerende partij, van advocaten P. FLAMEY en K. MAN, die verschijnen voor

eerste en

tweede tussenkomende partij, van advocaat S. KEMPINAIRE, die verschijnt voor

rde tussenkomende partij, van advocaat T. EYSKENS die loco advocaat D. LINDEMANS verschijnt voor

vierde tussenkomende partij, en van advocaat D. RYCKBOST, die verschijnt voor

vijfde tussenkomende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur A. EYLENBOSCH; Gelet op

artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van

wetten op

Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Gelet op artikel 90, § 1, vierde lid van

wetten op

Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; X-13.191-2/53 OVERWEEGT WAT VOLGT :

  1. Rechtspleging 1.
  2. Met verzoeken van 30 maart 2007, respectievelijk 3 april 2007 hebben

n.v. NMBS HOLDING en

n.v. EUROSTATION,

stad GENT,

Vlaamse Vervoermaatschappij

LIJN en

n.v. INFRABEL gevraagd om in het administratief kort geding te mogen tussenkomen. Er is grond om

verzoeken in te willigen. 1.2.

verzoekende partijen hebben op 24 september 2007 een “pleitnota” ingediend.

eerste en

tweede tussenkomende partij hebben ter terechtzitting eveneens een “pleitnota” ingediend. Het indienen van een

rgelijke nota is niet voorzien in het procedurereglement. Zij worden uit

batten geweerd. 2. Over

thans voorliggende gegevens van

zaak 2.1. In het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen (hierna: RSV) is Gent geselecteerd als “grootstedelijk gebied” (

el 2: Gewenste Ruimtelijke Structuur - richtinggevend gedeelte, III.1.

stedelijke gebieden, 3.1. Selectie en afbakening van stedelijke gebieden). In grootstedelijke gebieden moeten luidens het RSV bestaande en toekomstige stedelijke potenties maximaal worden benut.

ze gebieden hebben steeds volgens het RSV

potentie om een groot

el van

groei inzake woongelegenheid, voorzieningen en economische activiteiten op te vangen. Het RSV geeft ook ontwikkelingsperspectieven aan (III.1., 4. Ontwikkelingsperspectieven), waarvan enkele rechtstreeks van toepassing zijn op

omgeving van het Sint-Pietersstation te Gent. In het provinciaal ruimtelijk structuurplan van

provincie Oost-Vlaanderen,

finitief vastgesteld op 10

cember 2003 en door

Vlaamse regering goedgekeurd op 18 februari 2004, wordt een hogere dichtheid van kantoren nagestreefd rond het Sint-Pietersstation te Gent. In het gemeentelijk ruimtelijk structuurplan Gent,

finitief vastgesteld door

gemeenteraad van

stad Gent op 27 januari 2003 en goedgekeurd door

Vlaamse minister bevoegd voor Ruimtelijke Ordening op 9 april 2003, wordt het Sint-Pietersstation genoemd als één van

knooppunten van X-13.191-3/53 het stedelijk openbaar vervoer. Samen met het station Dampoort is het Sint-Pietersstation een ontwikkelingspool voor gemengd wonen en kantoren.

westelijke torenrij vormt

beeldbepalende westelijke rand van

stad. 2.2. In het “Synthesedocument Ontwikkeling Stationsomgeving Gent - Sint-Pieters” van maart 2005 zijn

ruimtelijke inzichten, oppervlaktesimulaties en beelden die het resultaat zijn van

verschillende voorstudies, verzameld in één bundel. 2.3. In overleg met

cel MER -afdeling algemeen milieu- en natuurbeleid van AMINAL- wordt een plan/project-MER opgemaakt. Het kennisgevingsdossier is door

cel MER volledig verklaard op 17 maart 2004. Het werd van 23 maart 2004 tot en met 23 april 2004 ter inzage gelegd op het stadhuis van Gent. Op 29 maart 2004 en 5 april 2004 werden informatieavonden over het project georganiseerd in het Koninklijk Atheneum te Gent. Gelijktijdig werden bij

administraties en openbare besturen

adviezen gevraagd.

richtlijnen voor

opmaak van het MER worden uitgevaardigd op 22 juni 2004. Na aanpassing van een eerste ontwerp keurt

cel MER het plan-MER op 27 oktober 2005 goed. 2.4. Het project voor

ontwikkeling van

stationsomgeving Gent Sint-Pieters bestaat uit vier

elprojecten: 2.4.1.

elproject 1: bouwwerken tot omvorming van het station Gent Sint-Pieters

ze bouwwerken omvatten

herinrichting van het station zelf: het vervangen van

bestaande perronconstructie en

bestaande tunnels door een betonnen draagconstructie met, naast een technische ruimte, plaats voor fietsenstallingen, stationsfuncties en concessies, sporen en perrons en luifels. Gekoppeld hieraan wordt het sporencomplex tussen

Snepkaai en

Kortrijksesteenweg aangepast en gerationaliseerd en wordt voorzien in

oprichting van een Logistiek Centrum Infrastructuur (LCI). X-13.191-4/53 2.4.2.

elproject 2: bouwwerken tot verbetering van het multimodaal knooppunt voor openbaar vervoer Dit

elproject omvat

oprichting van een nieuw tram- en busstation ter vervanging van het bestaande. Tevens wordt voorzien in

verbreding van het profiel van

Koningin Fabiolalaan, en

vervanging van

verbinding tussen

Voskenslaan en het Maria Hendrikaplein door een tunnel onder

sporen. 2.4.3.

elproject 3: projectontwikkeling langs

Fabiolalaan en langs

Sint-

nijslaan (Sint-

nijsplein) Dit

elproject omvat

bouw van een parking, kantoren, woonruimten, handelsruimten en buurtvoorzieningen langs

Fabiolalaan en in beperktere mate langs

Sint-

nijslaan. Hiertoe worden een reeks bestaande NMBS-gebouwen langs

Fabiolalaan en ook het bestaande postgebouw gesloopt. Het

elproject aan

Fabiolalaan omvat in zone A

realisatie van een ondergrondse parking.

hoofdingang is voorzien via een tunnel onder

sporen en sluit aan op

verbindingsweg naar

R4. Voor

dimensionering ervan is rekening gehouden met volgende gebruikersgroepen: pendelparking, bewonersparking, bedrijven en personeel van winkels en publieke parking. In zones B en C zijn kleinere ondergrondse parkings voorzien. Om

projectontwikkeling langs het Sint-

nijsplein te kunnen realiseren worden 7 panden met cafés en appartementen aan

Sint-

nijslaan en 5 panden met woningen aan

Ganzendries gesloopt. 2.4.4.

elproject 4: verbindingsweg R4 Er wordt een verbindingsweg aangelegd tussen het aansluitingscomplex R4/B402 en een tunnel onder

sporen.

verbindingsweg loopt door het natuurgebied Overmeers en verbindt tevens

scholencampus Hogeschool Gent met

R4. 2.4.5.

verschillende

elprojecten zullen worden gerealiseerd in fasen (2005-2015). X-13.191-5/53 2.5.

verzoekende partijen zijn allen eigenaars en bewoners van woningen en/of appartementen die in

onmiddellijke omgeving van het project zijn gelegen. 2.6. Om

ontwikkelingen in

stationsomgeving mogelijk te maken en

ontsluitingsweg in verbinding met

R4 te kunnen realiseren is een herbestemming en herinrichting van verschillende zones binnen het plangebied vereist. Met het oog daarop wordt besloten tot

opmaak van een gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan “Stationsomgeving Gent Sint-Pieters - Koningin Fabiolalaan” genaamd (Bijlage III Toelichtingsnota,

  1. inleiding). 2.
  2. Op 9 maart 2005 wordt naar aanleiding van het voorontwerp gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan “stationsomgeving Gent Sint-Pieters - Koningin Fabiolalaan” een plenaire vergadering gehouden. 2.
  3. Bij besluit van

Vlaamse regering van 27 januari 2006 wordt het ontwerp van gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan (GRUP) “stationsomgeving Gent Sint-Pieters - Koningin Fabiolalaan”, voorlopig vastgesteld. 2.

  1. Tijdens het openbaar onderzoek, dat wordt gehouden van 27 februari 2006 tot 27 april 2006, worden 554 bezwaarschriften ingediend, waarvan 42 individuele bezwaarschriften, 410 identieke bezwaarschriften van het buurtcomité Buitensporig, aangeduid als type 1, en 102 bezwaarschriften aangeduid als type
  2. 2.
  3. Op 19 april 2006 brengt

provincieraad van Oost-Vlaanderen advies uit. 2.11. Op 24 april 2006 brengt

gemeenteraad van

stad Gent advies uit. 2.12. In zitting van 27 juni 2006 brengt

VLACORO een gunstig advies uit over het ontwerp van ruimtelijk uitvoeringsplan mits wordt voldaan aan

erin gestelde voorwaarden en opmerkingen. X-13.191-6/53 2.13. Op 13 oktober 2006 beslist

Vlaamse regering

vervaltermijn voor

finitieve vaststelling van het gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan “stationsomgeving Gent Sint-Pieters - Koningin Fabiolalaan” met 60 dagen te verlengen. 2.14. Op 23 november 2006 brengt

Raad van State, afdeling wetgeving, advies uit met toepassing van artikel 84, § 1, eerste lid, 1/ van

gecoördineerde wetten op

Raad van State. 2.15. Bij het thans bestreden besluit van

Vlaamse regering van 15

cember 2006 wordt het gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan “stationsomgeving Gent Sint-Pieters - Koningin Fabiolalaan”

finitief vastgesteld. Dit besluit wordt bij uittreksel bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 12 januari 2007. 2.16. Bij besluit van 19

cember 2006 verleent

gewestelijk stedenbouwkundig ambtenaar aan

n.v. INFRABEL

stedenbouwkundige vergunning voor het bouwen van “een vernieuwd stationscomplex ‘Gent Sint-Pieters’ met tram- en busstation, tunnel en parking en bijhorende elementen” op gronden gelegen aan het Koningin Maria Hendrikaplein te Gent, kadastraal bekend 9e afdeling, sectie I, nrs. 647/t, 649/59c, 649/58b, 649/59f, 649/52f, 649/52e, 649/53a, 649/52c en 649/59g, omvattende “onder meer: S een vernieuwd stationscomplex met tram- en busstation aan het Koningin Maria Hendrikaplein; S het vernieuwen van

keermuur onder

sporen langsheen

Sint-

nijslaan; S een ontsluitingstunnel vanaf

Sint-

nijslaan naar

parking; S een ondergrondse parking langsheen

Koningin Fabiolalaan; S tijdelijke containers voor NMBS-personeel en een tijdelijke goederenloods voor

NMBS op

vroegere NMBS terreinen langsheen

Koningin Fabiolalaan; S tijdelijke fietsenstallingen aan

Sint-

nijslaan en

Koningin Fabiolalaan; S

herlokalisatie van zendmasten die momenteel op het dak van het bestaande, maar af te breken postgebouw staan; S het slopen van het postgebouw en

goederenloodsen die aan

westelijke zijde van het Koningin Maria Hendrikaplein staan, en verder

voorlopige NMBS-parking die recent in gebruik is genomen; S een voorafgaandelijke tunnel voor tram, bus, fietsers en voetgangersverkeer; S

aanleg van wegenis vanaf

ontsluitingstunnel naar

Koningin Fabiolalaan toe, via een omweg zoals aangeduid op het plan”. X-13.191-7/53

eerste,

tweede en

rde verzoekende partij hebben op 2 maart 2007 een vordering tot schorsing van

tenuitvoerlegging evenals een beroep tot nietigverklaring ingediend van

ze stedenbouwkundige vergunning (zaak A. 181.444/X-13.198). 2.17. Bij besluit van 19

cember 2006 verleent

gewestelijk stedenbouwkundig ambtenaar aan

administratie Wegen en Verkeer Oost-Vlaanderen

stedenbouwkundige vergunning voor “het aanleggen van een verbindingsweg vanaf

Sint-

nijslaan (stationssite) naar

R4 Grote Ring Noord te Gent” op gronden gelegen ten zuiden van

Sint-

nijslaan, kadastraal bekend 9e afdeling, sectie I, nrs. 344/d, 341/d en e, 336/a, 340/c en 339/b en c, omvattende: “- een tweevaksbaan verbindingsweg vanaf

stationssite naar

R4, vanaf

inrit van

toekomstige ondergrondse parking onder

stationssite tot aan

bestaande, vrije nieuwe brug over

Ringvaart, in het verlengde van

Pégoudlaan (site Flanders Expo); - een rond punt ter aansluiting op

bestaande op- en afrit van voormelde brug; - een dubbelrichting fietspad aan

westelijke zijde van

verbindingsweg; - een ‘groene’ geluidswand tussen het fietspad en

weg; - een fietsersonderdoorgang onder

aftakking van voormeld rond punt; - een fietspad dat

scholencampus verbindt; - verplaatsen van het bestaande rioleringstelsel buiten

wegeniswerken; - aanleg van een rioleringstelsel en baangrachten voor hemelwateropvang; - natuurcompensatie in het gebied ‘Overmeers’”.

vierde,

vijfde,

zesde en

zevende verzoekende partij hebben op 2 maart 2007 een vordering tot schorsing van

tenuitvoerlegging evenals een beroep tot nietigverklaring ingediend van

ze stedenbouwkundige vergunning (zaak A. 181.445/X-13.199). 3. Ontvankelijkheid van

vordering

rde en

vijfde tussenkomende partij betwisten

ontvankelijkheid van

vordering. Er bestaat vooralsnog geen noodzaak om over

opgeworpen excepties uitspraak te doen. Een onderzoek van en een uitspraak over

ze excepties dringt zich slechts op indien zou blijken dat

grondvoorwaarden voor schorsing zijn vervuld, hetgeen te

zen, zoals hierna zal blijken, niet het geval is. X-13.191-8/53 4. Over

grondvoorwaarden tot schorsing 4.1. Krachtens 17, § 2 van

gecoördineerde wetten op

Raad van State kan slechts tot

schorsing van

tenuitvoerlegging worden besloten onder

dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die

vernietiging van

aangevochten akte kunnen verantwoorden en dat

onmiddellijke tenuitvoerlegging van

ze akte een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen. 4.2. Over

aangevoerde middelen 4.2.

  1. Eerste middel 4.2.1.
  2. In een eerste middel voeren

verzoekende partijen

schending aan van

algemene beginselen van behoorlijk bestuur, meer specifiek

schending van

materiële motiveringsplicht, het zorgvuldigheidsbeginsel en het redelijkheidsbeginsel juncto

schending van artikel 4.1.

  1. en artikel 4.2.
  2. van het

creet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid (hierna: DABM), “doordat

Vlaamse regering het bestreden gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan

finitief vaststelt op basis van een wettelijk ontoereikend milieueffectenrapport, dat enerzijds géén volwaardig onderzoek van het nulalternatief omvat en dat anderzijds

tijdens

scoping voorgestelde en voor

buurt als meest milieuvriendelijk gekwalificeerde alternatieven zonder legale/redelijke/wetenschappelijk onderbouwde verantwoording verwerpt, terwijl, eerste onderdeel, het

Vlaamse regering toekomt om met betrekking tot het zogenaamde nulalternatief, in het kader van een behoorlijke afweging van alle terzake dienende feitelijke en juridische gegevens: • rekening te houden met artikel 4.2.7, §1, l/, f) DABM, dat stelt dat een plan-MER een beschrijving dient te omvatten van

milieueffecten die gepaard gaan met

uitvoering van het nulalternatief, • rekening te houden met artikel 4.2.7, § 1, l/ DABM en artikel 4.1.4 DABM, die stellen dat het zoeken naar redelijke alternatieven met mogelijk minder milieueffecten

kern vormt van

plan-m.e.r.; • rekening te houden met

‘Richtlijnen milieueffectenrapportage: Station Gent St.-Pieters en omgeving’, die uitdrukkelijk stellen dat redelijke alternatieven, bestaande uit een kleinschalige projectontwikkeling langs

Koningin Fabiolalaan, zonder R4-link en zonder ondergrondse pendelparking, maar met alternatieve P+R aan Flanders Expo, op volwaardige wijze en met

nodige diepgang moeten worden onderzocht (Richtlijnen p.3, p.7, p. 12, ...); • rekening te houden met

‘Richtlijnen milieueffectenrapportage: Station Gent St. -Pieters en omgeving’, waarin geenszins wordt afgeweken van

verplichting tot het onderzoeken van het nulalternatief, maar integendeel X-13.191-9/53 uitdrukkelijk is aangegeven dat

bestaande toestand van het gebied als referentietoestand moet worden beschreven; • geen gehoor te verlenen aan

bewering dat het nulalternatief zou ingaan tegen

beleidsvisie en niet zou beantwoorden aan

beleidsdoelstellingen (zie MER, p.45), nu

ze bewering niet kan dienen als verantwoording voor het niet-uitwerken van het nulalternatief, om

eenvoudige reden dat dit een schending uitmaakt van artikel 4.1.4 DABM, dat stelt dat

doelstelling van

m.e.r. specifiek gelegen is in het toekennen van een evenwaardige plaats aan het milieubelang, naast

sociale, economische en andere maatschappelijke belangen, bij

besluitvorming over acties die aanzienlijke milieueffecten kunnen veroorzaken, terwijl, tweede onderdeel, het

Vlaamse regering toekomt om met betrekking tot

voor

buurt als meest milieuvriendelijk gekwalificeerde alternatieven, in het kader van een behoorlijke afweging van alle terzake dienende feitelijke en juridische gegevens: • rekening te houden met

inhoud van artikel 4.2.7, §1, l/,

  1. c)en
  2. d)DABM, dat stelt dat een plan-MER onder meer bestaat uit een ‘schets van

beschikbare alternatieven voor het voorgenomen plan of programma of onderdelen ervan; onder meer inzake doelstellingen, locaties en wijze van uitvoering of inzake bescherming van het milieu’ en ‘een vergelijking tussen het voorgenomen plan of programma en

beschikbare alternatieven die redelijkerwijze onderzocht kunnen worden, alsmede

motivatie voor

selectie van

te onderzoeken alternatieven’; • rekening te houden met artikel 4.1.4 DABM, dat stelt dat

doelstelling van

m.e.r. specifiek gelegen is in het toekennen van een evenwaardige plaats aan het milieubelang, naast

sociale, economische en andere maatschappelijke belangen, bij

besluitvorming over acties die aanzienlijke milieueffecten kunnen veroorzaken; • rekening te houden met het feit dat het MER ontoelaatbaar vaag is, waar sprake is van

zogenaamde ‘milieuvoordelen van het projectvoorstel’, die in realiteit nooit kunnen opwegen tegen

belangrijke milieuvoordelen die gepaard gaan met

uitvoering van (onder meer) het nulalternatief, • in vraag te stellen of het

elalternatief zonder ondergrondse megaparking en zonder ontsluitingsweg terecht niet is weerhouden, inachtgenomen

aan dit

elalternatief verbonden belangrijke milieuvoordelen, zoals minder grondoverschotten, minder negatieve gevolgen van het oppompen van het grondwater om

ondergrondse parkeergarage te kunnen bouwen, geen extra geluidsoverlast voor

Roosakker, het Vina Bovypark en een

el van

Sint-

nijslaan en

vrijwaring van

natuurwaarde van het natuurgebied Overmeersen; • in vraag te stellen of het

elalternatief zonder ondergrondse megaparking en zonder ontsluitingsweg terecht niet is weerhouden om reden van beweerde ‘nadelen’, die feitelijk en juridisch op niets blijken te zijn gestoeld: /

(ver)onderstelling dat het aantrekken van

keuzereiziger gepaard moet gaan met

aanwezigheid van een ondergrondse parking aan het (...) Sint-Pietersstation is niet wetenschappelijk gestaafd aan

hand van (onder meer) cijfermateriaal, meer zelfs, géén rekening is gehouden met

reeds bestaande saturatie van

autosnelweg naar Brussel,

toename van

variabele kosten van het autogebruik en andere maatregelen die in het mobiliteitsbeleid zullen worden genomen om het gebruik van

wagen in het woon-werkverkeer te ontmoedigen, en, tot slot, het recent invoeren van het betalend parkeren in

buurt van het Sint-Pietersstation, /

(ver)onderstelling dat het gebrek aan grote parking een ondermijning zou inhouden van

aantrekkingskracht van

projectontwikkeling X-13.191-10/53 betreft een argument dat niet past in een milieueffectenrapport en wordt bovendien weerlegd door cijfers uit andere steden (...), waaruit blijkt dat

kantoorgebouwen die zich in

onmiddellijke nabijheid van een station bevinden voornamelijk worden bevolkt door personen die het werk via het openbaar vervoer bereiken, /

weerlegging van

park and ride-parking ter hoogte van Flanders Expo als zijnde geen valabel alternatief, kan moeilijk worden weerhouden, nu

stad Gent

ze P+R zelf promoot omwille van

snelle verbinding met het stadscentrum (slechts 10 minuten), /

weerlegging van een goed uitgebouwd voorstadstreinnet als valabel alternatief omwille van

weigering van

NMBS om over te gaan tot

uitbouw van een voorstadsnet, kan moeilijk worden beschouwd als een milieuargument, /

bewering dat het ontbreken van een verbindingsweg ervoor zorgt dat er geen verschuiving is van het verkeer van

R40 (kleine ring) naar

R4 (grote ring), toont duidelijk aan dat

R4-verbindingsweg wordt aanzien als een extra ontsluitingsweg die veel verkeer aantrekt en waarvan

link met

R40 gemakkelijk is te maken, meer zelfs,

op Flanders Expo in het vooruitzicht (gestelde) ontwikkelingen, o.m.

inplanting van een IKEAvestiging, zullen dit verkeersaanzuigend effect nog (...) versterken, / het kan niet worden hardgemaakt dat

realisatie van een fietsverbinding gekoppeld is aan het aanleggen van een ontsluitingsweg, nu bovendien het leggen van een fietsbrug over

ringvaart en een fietsverbinding langs

rand van

Overmeersen of via

Scholencampus alternatieven zijn die losstaan van

aanleg van

weg, • in vraag te stellen of het

elalternatief zonder ondergrondse megaparking en zonder ontsluitingsweg terecht niet is weerhouden, inachtgenomen dat ook

GECORO in haar advies over het Ruimtelijk Structuurplan Gent stelt dat het voorzien van een nieuwe toegangsweg en een uitgebreide parking als uitvoeringsalternatief negatief moet worden beoordeeld gezien

impact op het milieu,

mobiliteit en

leefbaarheid van

stationsomgeving (...): ‘

GECORO meent dat een nieuwe toegangsweg naar het Sint-Pietersstation niet strookt met het principe van

A-locatie die maximaal gericht moet zijn op

bereikbaarheid via het openbaar vervoer. Het in het RSG aan te geven aantal te voorziene parkeerplaatsen moet dan ook

kantoor- en woonfunctie bedienen en niet gebruikt worden als pendelparking. Een nieuwe toegangsweg in functie van een pendelparking impliceert een aanzuigend effect voor het verkeer en een algemene verhoging van het verkeer naar

stad. Bovendien laten

gevoeligheid van

plek en

ecologische waarden (Schoonmeersen- Sint-Pieters-Aaigem) niet toe om een nieuw wegtracé te voorzien. Het moet duidelijk zijn dat

aanpassing van het RSG rekening moet houden met

timing van het op te maken gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan. Om te vermijden dat het RSG voor voldongen feiten zou staan, moet nu reeds het standpunt over

ze toegangsweg meegedeeld worden aan

hogere overheid. Gezien

keuze van

GECORO om

verbindingsweg niet te realiseren en

suggestie om

parking op Flanders Expo als P&R-parking te laten fungeren, zal het autoverkeer niet door het hart van

wijk worden gehaald. Integendeel, door

aanleg van het nieuwe openbaar vervoersknooppunt aan Flanders Expo, met een vlotte tramverbinding naar het Sint-Pietersstation, wordt verkeer weggehaald uit andere (woon)straten. Ook

Voskenslaan kan dan gaan fungeren als een langzaamaan verkeersas’. X-13.191-11/53 zodat

Vlaamse regering, op basis van het wettelijk ontoereikend milieu-effectenrapport, en met inachtneming van

algemene beginselen van behoorlijk bestuur, samengelezen met

in dit dossier relevante regelgeving, niet tot

finitieve vaststelling van het bestreden gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan kon overgaan”. 4.2.1.2. Onderzoek van

ernst van het middel 4.2.1.2.1. In een eerste middel voeren

verzoekende partijen in essentie aan dat het MER kennelijk ontoereikend is door enerzijds geen volwaardig onderzoek te omvatten van het nulalternatief, en door anderzijds

tijdens

scoping voorgestelde en voor

buurt als meest milieuvriendelijk gekwalificeerde alternatieven zonder legale/redelijke/wetenschappelijk onderbouwde verantwoording te verwerpen. 4.2.1.2.2. Artikel 4.1.4., § 1 DABM bepaalt: “§ 1.

milieueffect- en veiligheidsrapportage beoogt, in

besluitvorming over acties die aanzienlijke milieueffecten kunnen veroorzaken en/of die een zwaar ongeval teweeg kunnen brengen, aan het milieubelang en

veiligheid en

gezondheid van

mens een plaats toe te kennen die evenwaardig is aan

sociale, economische en andere maatschappelijke belangen”. Artikel 4.2.7., § 1, 1/, c),

  1. d)en f), en 2/,
  2. b)en
  3. e)en § 2 DABM bepaalt: “§ 1. Tenzij anders is bepaald in

beslissing, bedoeld in artikel 4.2.5, § 1, bestaat het plan-MER ten minste uit

volgende onderdelen : 1/ een algemeen

el dat

volgende informatie bevat : (...) c) een schets van

beschikbare alternatieven voor het voorgenomen plan of programma of onderdelen ervan; onder meer inzake doelstellingen, locaties en wijze van uitvoering of inzake

bescherming van het milieu; d) een vergelijking tussen het voorgenomen plan of programma en

beschikbare alternatieven die redelijkerwijze onderzocht kunnen worden, alsmede

motivatie voor

selectie van

te onderzoeken alternatieven; (...) f) een beschrijving van

bestaande toestand van het milieu (met inbegrip van

milieukenmerken van gebieden waarvoor

gevolgen aanzienlijk kunnen zijn en van alle bestaande milieuproblemen), voorzover

tenuitvoerlegging van het voorgenomen plan of programma of van één van

onderzochte alternatieven daarvoor gevolgen kan hebben, en een beschrijving van

te verwachten ontwikkeling van dat milieu indien noch het voorgenomen plan of programma, noch één van

alternatieven wordt uitgevoerd; 2/ een

el betreffende

milieueffecten dat

volgende informatie bevat: (...) X-13.191-12/53 b) een beschrijving en onderbouwde beoordeling van

mogelijk aanzienlijke milieueffecten van het voorgenomen plan of programma en van

onderzochte alternatieven op of inzake, in voorkomend geval,

gezondheid en veiligheid van

mens,

ruimtelijke ontwikkeling,

biodiversiteit,

fauna en flora,

energie- en grondstoffenvoorraden,

bodem, het water,

atmosfeer,

klimatologische factoren, het geluid, het licht,

stoffelijke goederen, het cultureel erfgoed met inbegrip van het architectonisch en archeologisch erfgoed, het landschap,

mobiliteit, en

samenhang tussen

genoemde factoren;

ze beschrijving van

milieueffecten omvat

directe, en in voorkomend geval

indirecte, secundaire, cumulatieve en synergetische effecten, permanent en tijdelijk, positief en negatief, op korte, middellange en lange termijn van het voorgenomen plan of programma;

beoordeling van

aanzienlijke milieueffecten gebeurt onder meer in het licht van

overeenkomstig Hoofdstuk II van Titel II van dit

creet vastgestelde milieukwaliteitsnormen; (...) e) een globale evaluatie van het voorgenomen plan en programma en

onderzochte alternatieven; (...) § 2. Het plan-MER moet

in § 1 genoemde informatie slechts bevatten : 1/ voor zover ze relevant is voor het stadium van het planningsproces waarin

milieueffectrapportage wordt uitgevoerd en voor zover ze relevant is in het licht van

inhoud en het

tailleringsniveau van het voorgenomen plan of programma; 2/ voorzover

bestaande kennis en

bestaande effectanalyse- en beoordelingsmethodes redelijkerwijze toelaten om

ze informatie te verzamelen en te verwerken; 3/ voorzover

uitvoerigheid van het voorgenomen plan of programma dit redelijkerwijze toelaat”. Een plan-MER dient

rhalve in beginsel ten minste

informatie te verschaffen over alle rubrieken die in artikel 4.2.7., § 1 DABM worden vermeld, binnen

grenzen van het in

§ 2bepaalde.

4.2.1.2.3.

cel MER dient krachtens artikel 4.2.5., § 1,

rde lid DABM bij haar beslissing over

inhoud van het plan-MER en

inhoudelijke aanpak van

rapportage, en over

bijzondere richtlijnen voor het opstellen van het plan-MER, rekening te houden met

opmerkingen en commentaren die door

betrokken instanties en het publiek zijn ingediend met betrekking tot

inhoudsafbakening van het rapport, en in het bijzonder met

opmerkingen en commentaren die handelen over te onderzoeken effecten, alternatieven of maatregelen. Wat het opstellen van het plan-MER betreft, bepaalt artikel 4.2.6. DABM wat volgt: X-13.191-13/53 “§ 1. Het plan-MER wordt opgesteld onder

verantwoordelijkheid en op kosten van

initiatiefnemer.

initiatiefnemer moet hiervoor een beroep doen op een erkende MER-coördinator. Hij stelt aan

MER-coördinator alle relevante informatie ter beschikking die voorhanden is. Hij verleent alle medewerking opdat

MER-coördinator zijn taak naar behoren kan vervullen. § 2.

erkende MER-coördinator mag geen belang hebben bij het voorgenomen plan of programma of

alternatieven, noch betrokken worden bij

latere uitvoering van het plan of programma. Hij voert zijn opdracht volledig onafhankelijk uit en geeft in voorkomend geval leiding aan een team van medewerkers dat geheel of gedeeltelijk door

initiatiefnemer ter beschikking wordt gesteld.

erkende MER-coördinator waakt erover dat

samenstelling van het team van medewerkers het mogelijk maakt om het plan-MER op te stellen in overeenstemming met het m.e.r.-richtlijnenboek en met

in artikel 4.2.5, § 1, bedoelde inhoudsafbakening en bijzondere richtlijnen. § 3. Tijdens het opstellen van het plan-MER is

erkende MER-coördinator gehouden tot overleg met

administratie.

MER-coördinator moet in voorkomend geval

aanvullende bijzondere schriftelijke richtlijnen van

administratie, als aanvulling op

afgebakende inhoud en

bijzondere richtlijnen, bedoeld in artikel 4.2.5, § 1, in acht nemen”. Artikel 4.2.8. §§ 1 en 2 DABM, bepaalt wat betreft het onderzoek en het gebruik van het plan-MER, wat volgt: “§ 1.

initiatiefnemer bezorgt het voltooide plan-MER door betekening of tegen ontvangstbewijs aan

administratie. § 2.

administratie toetst het plan-MER inhoudelijk aan : 1/

beslissing, bedoeld in artikel 4.2.5, § 1; 2/ in voorkomend geval,

overeenkomstig artikel 4.2.6, § 3, door haar verstrekte aanvullende bijzondere richtlijnen; 3/

overeenkomstig artikel 4.2.7 vereiste gegevens. Het resultaat van

toetsing wordt opgenomen in het plan-MER-verslag en leidt tot

goed- of afkeuring van het plan-MER. Als

administratie het plan-MER afkeurt, vermeldt het verslag alle punten waarop het plan-MER tekortschiet.

administratie keurt het plan-MER onverwijld en uiterlijk binnen een termijn van vijftig dagen na ontvangst ervan, goed of af”. 4.2.1.2.4. Uit het dossier blijkt dat na aanpassing van een eerste ontwerp, het plan-MER door

cel MER is goedgekeurd bij beslissing van 27 oktober 2005: “Aan

hand van

criteria die vooropgesteld werden in

betekende richtlijnen van 22 juni 2004 werd dit goedkeuringsverslag opgesteld. Het milieueffectrapport heeft

nodige invulling gegeven aan

richtlijnen die overeenkomstig artikel 4.3.5. § 1 van het

creet betreffende

milieueffect- en veiligheidsrapportage van 18

cember 2002 (...) werden vastgesteld. Het MER bevat voldoende informatie om het aspect milieu een volwaardige plaats te geven bij

vaststelling van het uitvoeringsplan en

verdere besluitvorming”. X-13.191-14/53 4.2.1.2.5. In het middel betwisten

verzoekende partijen

intrinsieke

gelijkheid van het MER zoals dit door

cel MER is goedgekeurd.

Raad van State, bevoegd voor

toetsing van

wettigheid van een ruimtelijk uitvoeringsplan, kan zijn beoordeling op het punt van

intrinsieke

gelijkheid van een MER niet in

plaats stellen van die van

cel MER. Hij kan enkel nagaan of

cel MER wettig tot haar beslissing is gekomen, m.a.w. op grond van juiste feitelijke gegevens in redelijkheid heeft kunnen beslissen, in casu dat “het MER voldoende informatie bevat om het aspect milieu een volwaardige plaats te geven bij

vaststelling van het uitvoeringsplan en

verdere besluitvorming”. 4.2.1.2.6. Wat het eerste onderdeel van het middel betreft wordt in

“Bijlage III Toelichtingsnota” bij het GRUP onder punt “5.2. mer (milieu-effect- rapportage)” onder meer het volgende gesteld: “In

MER wordt aangegeven, zoals ook hierboven beschreven, dat het onderzochte project een concrete invulling betreft van

ruimtelijke opties zoals vastgelegd in het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen, het Provinciaal Ruimtelijk Structuurplan Oost-Vlaanderen, het gemeentelijk Ruimtelijk Structuurplan Gent en het Mobiliteitsplan Gent.

ze beleidsplannen schetsen een expliciet kader voor

beoogde ontwikkeling van

omgeving van het Gentse Sint-Pietersstation, met inbegrip van

verbindingsweg naar

R4.

beleidskeuzes zoals geformuleerd in

ze beleidsplannen zijn in aanzienlijke mate gebaseerd op milieu-overwegingen.

uitbouw van Gent Sint-Pieters als openbaar vervoersknooppunt ondersteunt

ontwikkeling van een duurzame mobiliteit en heeft een betekenis voor zowel verplaatsingen naar Gent als vanuit of via Gent. Daarnaast worden in

aangehaalde beleidsplannen

potenties van

stationsomgeving, als

uitgelezen locatie voor verdichting, onderkend: op geen enkele andere locatie zijn

mogelijkheden ter vermindering van het wegverkeer zo groot als op locaties gesitueerd aan multimodaal bereikbare knooppunten. alternatieven In

MER worden alternatieven voor het voorgenomen plan of onderdelen ervan onderzocht en ten opzichte van elkaar afgewogen. Een bijzonder alternatief is het nulalternatief. Wat

invulling van het openbaar vervoersknooppunt betreft en

stedelijk(e) ontwikkelingspool met woon- en kantoorfuncties beantwoordt dit nulalternatief echter niet aan

hierboven opgesomde beleidsplannen, op hun beurt gebaseerd op milieu-overwegingen. Bijgevolg wordt dit nulalternatief niet onderzocht. Wel is in

MER nagegaan of

voorziene projectontwikkeling niet in een andere vorm kan worden gerealiseerd, b.v. andere dimensies. Ook is het nulalternatief op een volwaardige wijze onderzocht voor het onderdeel ‘ondergrondse parking’ en ‘verbindingsweg R4’. Met andere woorden, in

MER worden

effecten onderzocht van het niet realiseren en het niet aanwezig zijn van zowel

ondergrondse parking als

verbindingsweg met

R4. Als variante is ook

situatie waarbij wel een ondergrondse parking wordt gerealiseerd, maar geen verbindingsweg, beschouwd. Naast het vermelde nulalternatief en

variante X-13.191-15/53 worden in

MER een aantal inrichtings- en locatiealternatieven besproken, ondermeer: -

aantakking van

verbindingsweg op het aansluitingscomplex R4/B402: met een twee-strooksrotonde of een lichtengeregeld kruispunt; -

inrichting en het tracé van

verbindingsweg: een tracé dichterbij of verder weg van

scholencampus, een fietstracé door heen

scholencampus,

verbindingsweg in sleuf of

els ondergronds of bovengronds, met een minimaal wegprofiel, het fietspad aan oostelijke of westelijke zijde, met of zonder geluidsafscherming; - het aantal bouwlagen in

projectontwikkeling aan het Sint-

nijsplein”.

verantwoording dat

elprojecten, andere dan

ondergrondse parking en

verbindingsweg R4, ook mede zijn ingegeven door milieuoverwegingen wordt als zodanig door

verzoekende partijen niet betwist. In het licht van

doelstelling geformuleerd in artikel 4.1.4. DABM, met name het toekennen van een evenwaardige plaats aan het milieubelang, naast

sociale, economische en andere maatschappelijke belangen, is het daarom niet kennelijk onredelijk

bestaande toestand niet op zijn milieueffecten te beschrijven en als referentietoestand enkel te weerhouden het project zonder het onderdeel ondergrondse parking en verbindingsweg er naar toe. 4.2.1.2.7 In een tweede onderdeel betwisten

verzoekende partijen in wezen

beoordeling van het MER dat het project met parking en verbindingsweg

meeste milieuvoordelen biedt. Daartoe geven zij een opsomming van

volgens het MER aan het nulalternatief -dit is het project zonder parking en verbindingsweg- verbonden milieuvoordelen en betwisten zij

feitelijke en juridische onderbouwing van

motieven ten voordele van het weerhouden project. Vooreerst dient te worden vastgesteld dat, zoals blijkt uit het dossier,

overheid op het eerste gezicht terecht, gelet op het richtinggevend gedeelte van het RSV, waarin verdichting van stationsomgevingen een uitdrukkelijke optie is en waarbij het station Gent Sint-Pieters uitdrukkelijk wordt vermeld als een hoofdstation waarvan

vooropgestelde perimeter van ca. 1.000m van het gebied waar een hogere dichtheid en

lokalisatie van personenvervoergerichte activiteiten wordt nagestreefd, kan worden uitgebreid (RSV,

el 2: Gewenste Ruimtelijke Structuur - richtinggevend gedeelte, III.

  1. Lijninfrastructuur, 4.2.
  2. Verdichting in stationsomgevingen),

omgeving van het Sint-Pietersstation niet op schaalniveau van het gebied zelf heeft geëvalueerd, maar op schaalniveau Vlaanderen. X-13.191-16/53 Onder punt “ 8. Afweging alternatieven” van

“Niet technische samenvatting” van het MER worden

milieueffecten van het nulalternatief “geen verbindingsweg met

R4 en geen ondergrondse parking” toegelicht en een afweging gemaakt met het voorgestelde concept: “8.1.1. Voordelen nul-alternatief Het nul-alternatief biedt volgende voordelen ten opzichte van het voorliggende projectvoorstel: . voornamelijk doordat

ondergrondse parking niet wordt gerealiseerd ontstaan beduidend minder grondoverschotten, en daardoor ook beduidend minder werfverkeer; .

impact van bemaling is aanzienlijk minder (invloedszone beperkter) maar toch blijven belangrijke effecten op het grondwaterpeil bestaan (bemaling ten behoeve van andere

elingrepen); .

bewoners ter hoogte van Roosakker en

zuidelijke zijstraten van

Sint-

nijslaan die uitlopen tot in het gebied Overmeers worden niet blootgesteld aan hogere geluidsniveau’s; .

huidige ecologische waarde van het natuurgebied Overmeers wordt niet aangetast door het project (geen inname ecotopen, geen toename van

verstoring, geen verdere versnippering); .

landschappelijke en belevingswaarde van het gebied Overmeers blijft behouden. (volgt een nadere toelichting van

ze voordelen, punt per punt) 8.1.2. Nadelen nul-alternatief Het nulalternatief biedt volgende nadelen ten opzichte van het voorliggende projectvoorstel: . Keuzereizigers worden niet aangetrokken .Geen parking ondermijnt aantrekkingskracht projectontwikkeling voor investeerders . Een P + R parking ter hoogte van Flanders Expo is geen alternatief . Een verder uitgebouwd voorstadstreinnet is vooralsnog evenmin een alternatief . Geen verbindingsweg legt hoge verkeersdruk op omliggende wegen . Geen verbindingsweg leidt niet tot verschuiving verkeer van R40 naar R4 . Geen verbindingsweg betekent geen oplossing voor

suboptimale ontsluiting van

campus BME/CTL . Geen verbindingsweg leidt tot langdurige belasting Sint-

nijslaan door werfverkeer . Geen verbindingsweg betekent geen directe fietsverbinding naar Flanders Expo (volgt een nadere toelichting van

ze nadelen, punt per punt)” om dan te besluiten: “Ondanks het feit dat het nul-alternatief ontegensprekelijk belangrijke milieuvoordelen biedt wegen

ze niet op tegen

milieuvoordelen van het projectvoorstel. Men moet hierbij steeds het uitgangspunt en

basisdoelstelling van het project duidelijk voor ogen houden, met name het concentreren van grootschalige woon- en kantooractiviteiten in stedelijke X-13.191-17/53 gebieden (via verdichting) op knooppunten van openbaar vervoer. Hierdoor spaart men grote oppervlakten open ruimte en bevordert men

modal split, meer bepaald het aandeel van het openbaar vervoer in het woon-werkverkeer, wat zeer gunstige effecten heeft op vlak van uitstoot van emissies, geluidshinder, verkeersveiligheid, verkeersdoorstroming, etc.. Om meer keuzereizigers te kunnen aantrekken zijn

bereikbaarheid en

mogelijkheid om er te parkeren essentiële randvoorwaarden. Een parking is trouwens ook een absolute noodzaak wil men investeerders overhalen om te participeren in het project. Het achterwege laten van

verbindingsweg leidt tot overbelasting van

Sint-

nijslaan en

Voskenslaan en hypothekeert er

doorstroming van het openbaar vervoer (snelle tramverbinding).

parking én

verbindingsweg zijn in dit geval dan ook essentiële voorwaarden om

hogere milieudoelstelling te kunnen verwezenlijken”.

argumenten die door

verzoekende partijen in

uiteenzetting van het middel worden aangevoerd zijn op het eerste gezicht niet van aard om te besluiten dat

ze beoordeling -gezien op schaalniveau Vlaanderen- kennelijk niet afdoende is ter verwezenlijking van

doelstelling gesteld in artikel 4.1.4. DABM.

omstandigheid dat

GECORO in haar advies over het ruimtelijk structuurplan Gent heeft gesteld dat het voorzien van een nieuwe toegangsweg en een uitgebreide parking als negatief moet worden beoordeeld, lijkt aan het voorgaande geen afbreuk te doen. Geen enkele

cretale bepaling, noch beginsel van behoorlijk bestuur lijkt

Vlaamse regering op te leggen in haar beoordeling en besluitvorming rekening te houden met adviezen die zijn uitgebracht door een adviesorgaan naar aanleiding van een procedure tot opmaak van een structuurplan op een lager niveau. 4.2.1.2.8. Het eerste middel is niet ernstig. 4.2.2. Tweede middel 4.2.2.1. In een tweede middel voeren

verzoekende partijen

schending aan van

algemene beginselen van behoorlijk bestuur, meer specifiek van

materiële motiveringsplicht, het zorgvuldigheidsbeginsel en het redelijkheidsbeginsel juncto

schending van artikel 4.1.7. DABM, “doordat

Vlaamse regering het bestreden gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan

finitief vaststelt, zonder enige specifieke motivering inzake

keuze voor één of meerdere

elalternatieven en/of

aanvaardbaarheid van

te verwachten of mogelijke gevolgen voor mens en milieu en/of

in het X-13.191-18/53 MER voorgestelde maatregelen, maar op basis van louter en alleen

hiernavolgende ‘algemene standaardmotivering’: ‘overwegende dat

MER conform is verklaard op 27 oktober 2005, zodat er moet worden van uitgegaan dat alle alternatieven die op planniveau moesten onderzocht worden, daadwerkelijk en voldoende onderzocht werden; dat heel wat milderende maatregelen uit

MER en aanbevelingen in het MER-verslag niet kunnen worden opgenomen in

stedenbouwkundige voorschriften of

grafische aanduiding van het ruimtelijk uitvoeringsplan maar doorwerking moeten krijgen op project-niveau, dit wil zeggen bij het uitwerken of beoordelen van stedenbouwkundige vergunningsaanvragen of milieuvergunnings- aanvragen’ terwijl artikel 4.1.7 DABM

overheid expliciet oplegt om bij haar beslissing over

voorgenomen actie (en in voorkomend geval ook bij

uitwerking ervan) rekening te houden met het goedgekeurde MER en met

opmerkingen en commentaren die daarover werden uitgebracht, en, meer specifiek,

overheid oplegt om elke beslissing over

voorgenomen actie in het bijzonder op volgende punten te motiveren: l/

keuze voor

voorgenomen actie, een bepaald alternatief of bepaalde

elalternatieven; 2/

aanvaardbaarheid van te verwachten of mogelijke gevolgen voor mens of milieu van het gekozen alternatief-, 3/

in het rapport of

rapporten voorgestelde maatregelen, en terwijl

goedkeuring van het MER

Vlaamse minister niet ontslaat van

ze specifieke motiveringsplicht ex artikel 4.1.7 DABM, die immers nét tot doel heeft na te gaan in hoeverre

bevoegde overheid

conclusies uit het MER meeneemt in haar besluitvorming omtrent het betrokken plan en/of project, en terwijl ook

in het bestreden besluit opgenomen vaststelling dat ‘heel wat milderende maatregelen niet kunnen worden vertaald in stedenbouwkundige voorschriften’ en dat ‘bepaalde maatregelen maar doorwerking moeten krijgen op projectniveau’

Vlaamse minister niet ontslaat van

specifieke motiveringsplicht ex 4.1.7 DABM, al was het maar omdat

ze in het bestreden besluit opgenomen motivering haaks staat op

doelstelling van

plan-m.e.r.-plicht, die nét beoogt in een zo vroeg mogelijk stadium (dus vóór het projectniveau)

milieueffecten van een mogelijk schadelijk project te analyseren en mee te nemen in

besluitvorming, en terwijl in dit verband evenmin kan worden verwezen naar

toelichtingsnota bij het bestreden ruimtelijke uitvoeringsplan, waarin overigens slechts volgende summiere motivering inzake

doorwerking van het MER is opgenomen: ‘In overleg met

cel MER -afdeling algemeen milieu- en natuurbeleid van AMINAL- wordt een plan/project-MER opgemaakt. In voorliggend ruimtelijk uitvoeringsplan ‘stationsomgeving Gent Sint-Pieters- Koningin Fabiolalaan’ is rekening gehouden met

hoofdlijnen van

aanbevelingen voortkomend uit

ze MER-procedure. Bij verdere realisatie/uitwerking dient eveneens rekening te worden gehouden met

ze aanbevelingen.

MER is op 27 oktober 2005 goedgekeurd door

bevoegde administratie. Naar aanleiding van

MER-procedure is bepaald dat als compensatie voor

natuurwaarden en

oppervlakte aan natuurgebied die zullen verdwijnen door

aanleg van

verbindingsweg R4-station, sommige percelen gelegen binnen het bestaande natuurgebied van Overmeersen X-13.191-19/53 zullen worden hersteld in hun oorspronkelijke staat van Meersen.

ze natuurcompensatie wordt gekoppeld aan

stedenbouwkundige vergunning voor

aanleg van

verbindingsweg R4-station. Een herbestemming van

gronden in het gebied Overmeersen is niet nodig aangezien

ze reeds volgens het gewestplan

bestemming natuurgebied hebben.

eventuele aankoop of onteigening van

ze gronden zal gebeuren in overleg met

bevoegde administratie voor

aanleg van

verbindingsweg,

Administratie Wegen en Verkeer’, zonder dat daarbij in

toelichtingsnota wordt ingegaan op

keuze voor één of meerdere bepaalde

elalternatieven (enkel

aanvaardbaarheid van

te verwachten schadelijke gevolgen voor het natuurgebied ‘Overmeersen’ komt aan bod, alsook

in het MER voorgestelde maatregelen om

schade aan het natuurgebied ‘Overmeersen’ tegen te gaan) en zonder dat daarbij wordt stilgestaan bij

aanvaardbaarheid van en

te nemen maatregelen inzake

te verwachten schadelijke effecten op het vlak van luchtkwaliteit, geluidshinder, grondwater, landschapswaarde en mobiliteit, waarvan uit het MER zélf blijkt dat óók het plan op

ze punten schadelijke gevolgen met zich mee zal brengen, zodat het bestreden vaststellingsbesluit een schending vormt van

uitdrukkelijke en specifieke motiveringsplicht opgenomen in artikel 4.1.7 DABM”. 4.2.2.2. Onderzoek van

ernst van het middel 4.2.2.2.1. In een tweede middel voeren

verzoekende partijen in essentie aan dat

Vlaamse regering het bestreden gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan

finitief heeft vastgesteld zonder enige specifieke motivering noch in het besluit zelf, noch in

toelichtingsnota met betrekking tot

keuze voor één of meerdere

elalternatieven en/of

aanvaardbaarheid van

te verwachten of mogelijke gevolgen voor mens en milieu en/of

in het MER voorgestelde maatregelen, maar op grond van louter en alleen een algemene standaardmotivering, terwijl

goedkeuring van het MER

Vlaamse regering niet ontslaat van

specifieke motiveringsplicht ex artikel 4.1.7. DABM, die tot doel heeft na te gaan in hoeverre

bevoegde overheid

conclusies uit het MER meeneemt in haar besluitvorming. 4.2.2.2.2. Artikel 4.1.7. DABM luidt als volgt: “

overheid houdt bij haar beslissing over

voorgenomen actie, en in voorkomend geval ook bij

uitwerking ervan, rekening met het goedgekeurde rapport of

goedgekeurde rapporten en met

opmerkingen en commentaren die daarover werden uitgebracht. Zij motiveert elke beslissing over

voorgenomen actie in het bijzonder op volgende punten: 1/

keuze voor

voorgenomen actie, een bepaald alternatief of bepaalde

elalternatieven, behalve dan voor wat het omgevingsveiligheidsrapport betreft; X-13.191-20/53 2/

aanvaardbaarheid van te verwachten of mogelijke gevolgen voor mens of milieu van het gekozen alternatief; 3/

in het rapport of

rapporten voorgestelde maatregelen”. 4.2.2.2.

  1. Artikel 4.1.
  2. DABM vereist op het eerste gezicht niet dat

opgelegde motivering in het besluit houdende

finitieve vaststelling van het gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan zelf, met uitsluiting van

bijlagen die bij dat ruimtelijk uitvoeringsplan zijn gevoegd, dient te zijn opgenomen. 4.2.2.2.4. In casu wordt in

Bijlage III Toelichtingsnota, gevoegd als één van

niet-normatieve

len bij het GRUP, onder

hoofding “

  1. acties ter realisatie van het uitvoeringsplan”, “5.
  2. mer (milieu-effect-rapportage), onder meer gesteld wat volgt: “In

MER wordt aangegeven, zoals ook hierboven beschreven, dat het onderzochte project een concrete invulling betreft van

ruimtelijke opties zoals vastgelegd in het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen, het Provinciaal Ruimtelijk Structuurplan Oost-Vlaanderen, het gemeentelijk Ruimtelijk Structuurplan Gent en het Mobiliteitsplan Gent.

ze beleidsplannen schetsen een expliciet kader voor

beoogde ontwikkeling van

omgeving van het Gentse Sint-Pietersstation, met inbegrip van

verbindingsweg naar

R4.

beleidskeuzes zoals geformuleerd in

ze beleidsplannen zijn in aanzienlijke mate gebaseerd op milieu-overwegingen.

uitbouw van Gent Sint-Pieters als openbaar vervoersknooppunt ondersteunt

ontwikkeling van een duurzame mobiliteit en heeft een betekenis voor zowel verplaatsingen naar Gent als vanuit of via Gent. Daarnaast worden in

aangehaalde beleidsplannen

potenties van

stationsomgeving, als

uitgelezen locatie voor verdichting, onderkend: op geen enkele andere locatie zijn

mogelijkheden ter vermindering van het wegverkeer zo groot als op locaties gesitueerd als multimodaal bereikbare knooppunten”. Vervolgens wordt, na een beknopte weergave van

inhoud van het MER (alternatieven, milieueffectbeoordeling wat betreft mobiliteitseffecten, trillingshinder, effect op

luchtkwaliteit, grondwaterpeil, oppervlaktewater, fauna en flora en mens-ruimtelijke aspecten), met betrekking tot

“milderende maatregelen” het volgende gesteld: “In

MER worden een aantal maatregelen naar voor geschoven die bij

realisatie van

projecten

te verwachten negatieve effecten kunnen milderen.

ze milderende maatregelen zijn weergegeven per discipline. In wat volgt worden

milderende maatregelen opgesomd. Hierbij gaat

aandacht naar

aanbevelingen naar voorliggend ruimtelijk uitvoeringsplan en hoe

doorvertaling in het RUP gebeurde. Immers, bij lezing van

milderende maatregelen blijkt duidelijk dat

aard en

graad van

taillering voor sommige van

maatregelen van die aard zijn, dat zij niet thuishoren binnen

context van het ruimtelijk uitvoeringsplan en

bijhorende verordenende stedenbouwkundige voorschriften. Zij kunnen bijvoorbeeld beter worden X-13.191-21/53 vertaald en geconcretiseerd in een inrichtingsstudie en/of worden opgelegd als bijzondere voorwaarde in

stedenbouwkundige vergunning”, waarna een tabel volgt met een opsomming van enerzijds

“milderende maatregelen per discipline volgens

MER” en anderzijds

“aspecten uit

milderende maatregel die doorwerken op plan en/of voorschriften”. Ten slotte wordt nog gesteld dat

natuurcompensatie ingevolge

inname van natuurgebied bij

aanleg van

verbindingsweg R4-station, gekoppeld wordt aan

stedenbouwkundige vergunning voor

aanleg van

ze verbindingsweg, en worden

redenen vermeld waarom niet wordt ingegaan op het MER-verslag met betrekking tot

afwijking van

45/-regel voor

toren C1.

stelling van

verzoekende partijen dat het bestreden vaststellingsbesluit, door te overwegen dat “

MER conform is verklaard op 27 oktober 2005, zodat er moet worden van uitgegaan dat alle alternatieven die op planniveau moesten onderzocht worden, daadwerkelijk en voldoende onderzocht werden; dat heel wat milderende maatregelen uit

MER en aanbevelingen in het MER-verslag niet kunnen worden opgenomen in

stedenbouwkundige voorschriften of

grafische aanduiding van het ruimtelijk uitvoeringsplan maar doorwerking moeten krijgen op projectniveau, dit wil zeggen bij het uitwerken of beoordelen van stedenbouwkundige vergunningsaanvragen of milieuvergunningsaanvragen”

ingeroepen algemene beginselen van behoorlijk bestuur en artikel 4.1.7. DABM schendt, kan in het licht van het voorgaande, dat door

verzoekende partijen in het verzoekschrift niet wordt betwist nu

uiteenzetting van het middel beperkt is tot een kritiek op

summiere motivering in het vaststellingsbesluit zelf, op het eerste gezicht niet worden aangenomen. 4.2.2.2.5. Het tweede middel is niet ernstig. 4.2.3.

rde middel 4.2.3.1. In een

rde middel voeren

verzoekende partijen

schending aan van artikel 2.2.4. DABM, van

artikelen 2.1.2., 2.5.3.6., 2.5.3.7., 2.5.4.2. en 2.5.4.3. en

Bijlagen 2.5.5.

  1. en 2.5.5.
  2. van het besluit van

Vlaamse regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne (hierna: VLAREM II), van artikel 249 van het EG-Verdrag, van

artikelen 7.1., 7.

  1. en 8.
  2. van Richtlijn 96/62/EG van

Raad van 27 september 1996 inzake

X-13.191-22/53 beoordeling en het beheer van

luchtkwaliteit,

artikelen 4.

  1. en 5.
  2. en

Bijlagen II en III van

Richtlijn 1999/30/EG van

Raad van 22 april 1999 betreffende grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, zwevende

eltjes en lood in

lucht, van artikel 1.2.1., § 3 DABM, van artikel 4 van het

creet van 18 mei 1999 houdende

organisatie van

ruimtelijke ordening (hierna : DRO), van

artikelen 22 en 23,

rde lid, 2/ en 4/ van

Grondwet en van artikel 8 EVRM, “doordat

Vlaamse regering via

finitieve vaststelling van het bestreden gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan zijn goedkeuring verleent aan een ruimtelijke ontwikkeling die tot gevolg heeft dat

grenswaarden inzake PM10, NOx en NO2 in

onmiddellijke omgeving van het station blijvend zullen worden overschreden, wat éénduidig blijkt uit het volgende: • uit het MER blijkt dat tengevolge van

verkeersstromen die zullen worden aangetrokken door

grote ondergrondse parking en het doorgaande verkeer via

R4-verbindingsweg en ten behoeve van

projectontwikkeling langs

Koningin Fabiolalaan

reeds slechte situatie op het vlak van

luchtkwaliteit nog zal verslechteren, waarbij

grenswaarden niet zullen worden gerespecteerd; • uit het MER blijkt dat zowel voor PM10 (fijn stof) als voor NOx

toepasselijke jaargrenswaarden worden overschreden; • uit het MER blijkt dat het voorgestelde project zal leiden tot 3% meer blootgestelde inwoners aan PM10 en er sprake zal zijn van een opmerkelijke stijging van het aantal overschrijdingen tussen 2004 en 2015 (...); • uit

straatmodellering in het MER volgt dat

overschrijdingen in het plangebied van

grenswaarden inzake PM10 hoger liggen dan in 2004 (...): ‘Voor

overschrijdingen van

daggrenswaarde van PM 10 worden voor alle straten

grenswaarden overschreden, zowel in

referentiesituatie als na

realisatie van het project en dit voor beide scenario's. (...) Uit

vergelijking tussen beide scenario's en

referentiesituatie 2015 blijkt dat het scenario met R4-verbindingsweg en parking er globaal een toename optreedt van

overschrijdingen behalve in het westelijk gedeelte van

Sint-

nijslaan en in

Voskenslaan. In

ze zou

frequentie van overschrijdingen afnemen. In geval van het scenario zonder R4-verbindingsweg en zonder parking blijkt er globaal een afname van

overschrijdingen op te treden behalve in

Rijsenbergstraat. Globaal is

ze situatie (stijging van het aantal overschrijdingen) dus negatiever voor het scenario met R4-verbindingsweg en ondergrondse parking. Voor

overschrijdingen van het jaargemiddelde valt dit eveneens negatiever uit voor het scenario met R4 en parking’. terwijl, eerste onderdeel, het

Vlaamse regering geenszins is toegestaan een ruimtelijk uitvoeringsplan vast te stellen dat aanleiding geeft tot een verdere overschrijding van

grenswaarden inzake fijn stof en NOx (en waarbij niet is geopteerd voor het milieuvriendelijker alternatief, zoals in casu het alternatief zonder het scenario met

R4-verbindingsweg en zonder

ondergrondse parking), inachtgenomen dat: •

artikelen 2.5.4.2, § 1 en 2.5.4.3, § 1 VLAREM II grenswaarden vooropstellen inzake stikstofdioxide en stikstofoxiden (NO2 en NOx) en inzake fijn stof (PM10), die in beginsel over het ganse Vlaamse grondgebied moeten worden gehaald, X-13.191-23/53 •

ze grenswaarden

omzetting vormen van

grenswaarden inzake stikstofdioxide en stikstofoxiden (NO2 en NOx) en inzake fijn stof (PM10) uit Richtlijn 1999/30/EG betreffende grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, zwevende

eltjes en lood in

lucht (zie infra, tweede onderdeel), • in Bijlage 2.5.5.2 van VLAREM II

grenswaarden inzake stikstofoxide en stikstofdioxide zijn vastgesteld op een jaargrenswaarde van 30 :g/m³ NOx per 19 juli 2001 en een jaargrenswaarde voor

bescherming van

gezondheid van

mens die bepaald is op 40 :g/m³ met ingang van 1 januari 2010 (en gradueel te bereiken in

periode 1 januari 2001-31

cember 2005 overeenkomstig wat bepaald is ten aanzien van

overschrijdingsmarges), • in Bijlage 2.5.5.3 van VLAREM II

grenswaarden inzake fijn stof zijn vastgesteld op een daggemiddelde van 50 g/m³ die maximaal 35 keer mag worden overschreden per jaar en een jaargemiddelde grenswaarde 40 :g/m³ met ingang van 1 januari 2005, en op een daggemiddelde van 50 :g/m³ die maximaal 7 keer mag worden overschreden en een jaargemiddelde grenswaarde 20 :g/m³ met ingang van 1 januari 2010, •

omschrijving van het begrip ‘grenswaarde’ in artikel 2.2.4 DABM aangeeft dat grenswaarden, behoudens in gevallen van overmacht, niet mogen worden overschreden, • artikel 2.1.2 VLAREM II bepaalt dat

vastgestelde milieukwaliteitsnormen door

overheid moeten worden gehanteerd bij zowel het plannen als het realiseren van het beleid, • artikel 4

creet Ruimtelijke Ordening duidelijk aangeeft dat

ordening die in plannen wordt vastgelegd, moet gericht zijn op een‘duurzame ruimtelijke ontwikkeling’, wat impliceert dat milieukwaliteitsnormen ook bindend zijn bij

vaststelling van ruimtelijke uitvoeringsplannen, • het integratiebeginsel opgenomen in artikel 1.2.2, § 3 DABM, impliceert dat eisen inzake milieubescherming ook bij

uitwerking en

uitvoering van het beleid in andere sectoren (in casu

ruimtelijke ordening) een plaats moet krijgen, terwijl, tweede onderdeel

Europese kaderrichtlijn 1996/62/EG inzake

beoordeling en het beheer van

luchtkwaliteit (hierna: kaderrichtlijn Luchtkwaliteit),

Europese richtlijn 1999/30/EG betreffende grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, zwevende

eltjes en lood in

lucht (hierna: eerste Dochterrichtlijn) en

rechtspraak van het Europese Hof van Justitie noodzaken dat

in

Vlaamse regelgeving opgenomen (Europese) grenswaarden als een dwingend toetsingskader in acht worden genomen bij

opmaak van ruimtelijke uitvoeringsplannen voor projecten die een verslechtering van

luchtkwaliteit impliceren, nu: • op basis van artikel 249 EG-Verdrag

in

Vlaamse regelgeving opgenomen grenswaarden, die

omzetting vormen van Europese richtlijnen, op die manier dienen te worden geïnterpreteerd dat

ze in overeenstemming zijn met

betrokken richtlijnen (

zgn. ‘richtlijnconforme interpretatie’), (...) • zulks ondubbelzinnig wordt bevestigd door artikel 7.1. ‘

Lid-Staten nemen

nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat

grenswaarden worden nageleefd’ en artikel 7.3. ‘

Lid-Staten stellen actieplannen op, waarin wordt vermeld welke maatregelen bij een dreigende overschrijding van

grenswaarden en/of alarmdrempels op korte termijn moeten worden genomen om het risico van overschrijding te verkleinen en

duur ervan te beperken. Al naar gelang van het geval behelzen

ze plannen controle- maatregelen en, zo nodig, schorsing van

activiteiten die bijdragen tot overschrijding van

grenswaarden, met inbegrip van het gemotoriseerde verkeer’ van

Kaderrichtlijn, X-13.191-24/53 • zulks nogmaals wordt bevestigd door artikel 8.3 van diezelfde Kaderrichtlijn, dat betrekking heeft op zones - zoals in casu - waar

niveaus van luchtverontreiniging hoger liggen dan

grenswaarde, nu dit bepaalt dat er een plan of programma moet worden opgesteld dat ertoe leidt dat binnen

daarvoor gestelde termijn aan

grenswaarde wordt voldaan, • uit

bewoordingen van artikel 2, sub 5 Kaderrichtlijn en artikel 2, sub 5 eerste Dochterrichtlijn duidelijk blijkt dat

grenswaarden inzake fijn stof en NOx niet mogen worden overschreden en gelden als resultaats- verplichtingen, • uit het feit dat

grenswaarden inzake fijn stof ruimte geven voor bepaalde afwijkingen/overschrijdingen en uit het feit

ze afwijkingsruimte exact wordt bepaald (bv. overschrijdingen van 35 dagen per jaar) duidelijk blijkt dat het om harde grenzen gaat die niet mogen worden overschreden en die niet kunnen worden afgewogen tegen andere belangen, •

Kaderrichtlijn Lucht en

eerste Dochterrichtlijn in het geheel geen aanknopingspunten bieden voor mogelijkheden tot een afwegingsruimte in gevallen waarin

grenswaarden zouden mogen worden overschreden, (...) • het Europese Hof van Justitie inzake milieukwaliteitsnormen steevast oordeelt dat

ze normen een dwingende resultaatsverplichting opleggen aan

lidstaten, behoudens

afwijkingsmogelijkheden die in voorkomend geval zijn voorzien in

betrokken richtlijn, (...) • het Europese Hof van Justitie in een arrest van 30 mei 1991 betreffende

voorloper van

huidige Europese luchtkwaliteitsregelgeving heeft geoordeeld dat grenswaarden die

gezondheid van

mensen beogen te beschermen in het nationale recht in bindende wetgeving dienen te worden omgezet, teneinde

burger in staat te stellen om tegenover ieder bestuursorgaan een beroep te kunnen doen op

ze grenswaarden en het in acht nemen van

ze grenswaarden met behulp van

rechter af te dwingen, (...) • het Europese Hof van Justitie inzake

bindende kracht van grenswaarden voor luchtkwaliteit het volgende stelde: ‘Overigens is opneming van grenswaarden in een bepaling waarvan

bindende kracht buiten twijfel staat, ook hierom noodzakelijk, opdat een ieder wiens activiteiten vervuiling zouden kunnen veroorzaken, precies weet welke verplichtingen hij heeft’, (...) • het Europese Hof van Justitie nergens in haar rechtspraak aangeeft dat ruimtelijke plannen die het kader vormen voor vervuilende activiteiten,

dwingende milieukwaliteitsnormen niet zouden moeten respecteren, • in

rechtsleer wordt aanvaard dat alle beslissingen met een mogelijke impact op

luchtkwaliteit moeten worden getoetst aan

grenswaarden uit Richtlijn 1999/30/EG, (...) • uit

Nederlandse rechtspraak inzake

toepassing van

grenswaarden uit Richtlijn 1999/30/EG blijkt dat

ze grenswaarden als toetsingskader dienen bij

opmaak van ruimtelijke bestemmingsplannen, (...) • ruimtelijke uitvoeringsplannen uitdrukkelijk onder het toepassingsgebied vallen van Richtlijn 2001/42/EG van het Europees Parlement en

Raad van 27juni 2001 betreffende

beoordeling van

gevolgen voor het milieu van bepaalde plannen en programma's (

zogenaamde plan-m.e.r.-richtlijn), waardoor a fortiori niet kan worden voorgehouden dat ruimtelijke uitvoeringsplannen, die het kader vormen voor luchtvervuilende activiteiten,

specifieke Europese bindende grenswaarden inzake luchtkwaliteit niet zouden moeten respecteren, • het aanhouden van een andere interpretatie

ur open zet voor lidstaten om

bindende grenswaarden inzake fijn stof te omzeilen door allerhande vervuilende activiteiten vast te leggen in stedenbouwkundige voorschriften X-13.191-25/53 van ruimtelijke plannen, wat ontegensprekelijk in strijd zou zijn met

doelstelling van Richtlijn 1999/30, • ook artikel 10 EG-Verdrag zich ertegen verzet dat lidstaten geen rekening houden met grenswaarden inzake fijn stof en NOx bij

opmaak van ruimtelijke plannen die bijdragen tot een grotere luchtvervuiling, terwijl,

rde onderdeel,

in Richtlijn 1999/30/EG opgenomen grenswaarden sowieso rechtstreekse werking hebben in

Belgische rechtsorde, nu • het duidelijke en onvoorwaardelijke bepalingen zijn (met name resultaatsverplichtingen), die geen verdere substantiële interne uitvoerings- maatregelen door communautaire of nationale overheden behoeven om het gewild effect op nuttige wijze te bereiken, • van rechtstreekse werking sprake is zodra

rechter in staat is om, zonder verdere (discretionaire) uitvoeringsmaatregelen, een voor het concrete geval dienstige uitlegging aan te reiken, waardoor particulieren hun aan

norm ontleende rechten kunnen afdwingen, (...) • het Europese Hof van Justitie in een arrest van 30 mei 1991 heeft geoordeeld dat grenswaarden, die

gezondheid van mensen beogen te beschermen in het nationale recht, in bindende wetgeving dienen te worden omgezet, teneinde

burger in staat te stellen tegenover ieder bestuursorgaan een beroep te kunnen doen op

ze grenswaarden en het in acht nemen van

ze grenswaarden met behulp van

rechter af te dwingen (zie supra), • het Europese Hof van Justitie inzake

bindende kracht van grenswaarden voor luchtkwaliteit het volgende stelde: ‘Overigens is opneming van grenswaarden in een bepaling waarvan

bindende kracht buiten twijfel staat, ook hierom noodzakelijk, opdat een ieder wiens activiteiten vervuiling zouden kunnen veroorzaken, precies weet welke verplichtingen hij heeft’ (zie supra), • het begrip ‘grenswaarde’ in artikel 2.5 Richtlijn 1999/30 als volgt is omschreven: ‘een niveau dat op basis van wetenschappelijke kennis is vastgesteld teneinde schadelijke gevolgen voor

gezondheid van

mens en/of voor het milieu in zijn geheel te voorkomen, te verhinderen of te verminderen en dat binnen een bepaalde termijn moet worden bereikt en, als het eenmaal is bereikt, niet meer mag worden (overschreden)’, en artikel 7.1 Kaderrichtlijn Lucht, en

artikelen 4.1 en 5.1 van Richtlijn 1999/30 duidelijk aangeven dat

concentraties van

in

grenswaarde gereguleerde stof in

lucht

betrokken grenswaarden niet mag overschrijden na het verstrijken van

in

bijlagen gespecifieerde data, en

ze datum zich voor fijn stof (PM10) situeert op 1 januari 2005 en voor NOx op 19 juli 2001, en beide data inmiddels zijn verstreken, • in

ze niet kan worden verwezen naar

mogelijkheid tot het nemen van

nodige maatregelen en actieplannen, nu overweging 7 van Richtlijn 1999/30/EG het volgende stelt: ‘Overwegende dat in Richtlijn 96/62/EG is bepaald dat voor zones waar

concentraties van verontreinigde stoffen in

lucht hoger liggen dan

grenswaarden plus

eventueel tijdelijke overschrijdingsmarges, actieplannen dienen te worden uitgewerkt, teneinde ervoor te zorgen dat op

gespecificeerde datum (data) aan

grenswaarden wordt voldaan; dat in

rgelijke actieplannen en andere op beperking gerichte strategieën, voorzover

ze betrekking hebben op zwevende

eltjes, naast een beperking van

totale concentraties van zwevende

eltjes ook naar een beperking van

concentraties van fijne

eltjes dient te worden gestreefd’ en actieplannen volgens

systematiek van

Kaderrichtlijn Lucht nr. 1996/62/EG en

eerste Dochterrichtlijn 1999/30/EG moeten dienen om ervoor te zorgen dat op

gespecificeerde datum aan

grenswaarden X-13.191-26/53 wordt voldaan, zodat niet kan worden aanvaard dat

overheid zich ná het verstrijken van

ze datum, nog steeds zou beroepen op in opmaak zijnde actieplannen, ter ontwijking van

op haar rustende verplichtingen ex Richtlijn 1999/30/EG, • artikel 10 EG-Verdrag zich ertegen verzet dat lidstaten met een verwijzing naar in opmaak zijnde actieplannen,

van kracht zijnde bindende grenswaarden inzake fijn stof en NOx miskennen door

opmaak van ruimtelijke (uitvoerings-)plannen die leiden tot een verdere overschrijding van

bindende grenswaarden inzake fijn stof en NOx, • artikel 7.3 Kaderrichtlijn Lucht inzake

inhoud van

actieplannen aangeeft dat

ze ook maatregelen kunnen omvatten zoals

schorsing van activiteiten die bijdragen tot overschrijding van

grenswaarden, met inbegrip van het gemotoriseerde verkeer, terwijl, vierde onderdeel, het bestreden ruimtelijk uitvoeringsplan hoedanook een schending uitmaakt van het grondrecht/mensenrecht van

buurtbewoners op

bescherming van

gezondheid en van een gezond leefmilieu,(...) nu

grenswaarden inzake fijn stof en NOx, zoals bepaald in Richtlijn 1999/30 en omgezet in VLAREM II, gericht zijn op

bescherming van

volksgezondheid en een gezond leefmilieu, wat onder meer blijkt uit overweging 2 en overweging 6 van Richtlijn 1999/30/EG: ‘

(2)Overwegende dat in artikel 129 van het Verdrag is bepaald dat

eisen inzake

bescherming van

gezondheid een bestanddeel van het Gemeenschapsbeleid op andere gebieden vormen; dat in artikel 3, onder o), van het Verdrag tevens is bepaald dat het optreden van

Gemeenschap een bijdrage tot het verwezenlijken van een hoog niveau van bescherming van

volksgezondheid dient te leveren;

(6)Overwegende dat verschillende soorten

eltjes verschillende schadelijke effecten op

gezondheid van

mens kunnen hebben; dat er aanwijzingen zijn dat

risico’s die voor

gezondheid van

mens verbonden zijn aan

blootstelling aan door menselijk handelen in

lucht gebrachte zwevende

eltjes groter zijn dan die welke verbonden zijn aan blootstelling aan

eltjes die van nature in

lucht voorkomen’ en er geen dwingende redenen van algemeen belang voorhanden zijn om het bestreden ruimtelijk uitvoeringsplan in zijn huidige vorm doorgang te laten vinden, daar waar een alternatief voorhanden is met een beperktere impact op

luchtkwaliteit, met name het alternatief zonder R4verbindingsweg en zonder ondergrondse parking (...), en terwijl

overheid verplicht is om op gelijke wijze

ze grondrechten/mensenrechten te verzekeren (...), en terwijl

standstill-werking van artikel 23,

rde lid, 4/ van

Grondwet reeds bij herhaling door Uw Raad werd aanvaard. (...)”. 4.2.3.2. Ontvankelijkheid van het middel

rde en

vierde tussenkomende partij werpen op dat

verzoekende partijen geen belang hebben bij het middel. Vooralsnog bestaat er geen noodzaak om over

ze excepties uitspraak te doen. Een onderzoek van en een uitspraak over

ze excepties zou zich slechts opdringen indien zou komen vast te staan dat het middel ernstig wordt bevonden, hetgeen, zoals hierna zal blijken, niet het geval is. X-13.191-27/53 4.2.3.3. Onderzoek van

ernst van het middel 4.2.3.3.1. In een eerste onderdeel van het middel voeren

verzoekende partijen in essentie aan dat het

Vlaamse regering geenszins is toegestaan een ruimtelijk uitvoeringsplan vast te stellen dat aanleiding geeft tot een verdere overschrijding van

grenswaarden inzake fijn stof en NOX, en waarbij niet is geopteerd voor het milieuvriendelijker alternatief, zoals in casu het alternatief zonder het scenario met

R4-verbindingsweg en zonder

ondergrondse parking. In een tweede onderdeel stellen

verzoekende partijen dat

Europese kaderrichtlijn 96/62/EG van

Raad van 27 september 1996 inzake

beoordeling en het beheer van

luchtkwaliteit,

Europese richtlijn 1999/30/EG van

Raad van 22 april 1999 betreffende grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, zwevende

eltjes en lood in

lucht en

rechtspraak van het Europese Hof van Justitie noodzaken dat

in

Vlaamse regelgeving opgenomen (Europese) grenswaarden als een dwingend toetsingskader in acht worden genomen bij

opmaak van ruimtelijke uitvoeringsplannen voor projecten die een verslechtering van

luchtkwaliteit impliceren. In een

rde onderdeel voeren

verzoekende partijen aan dat

in

Richtlijn 1999/30/EG opgenomen grenswaarden sowieso rechtstreekse werking hebben in

Belgische rechtsorde. 4.2.3.3.2.

juridische grondslag voor het kwaliteitsbeleid inzake lucht in

Europese Unie is

Richtlijn 96/62/EG van

Raad van 27 september 1996 inzake

beoordeling en het beheer van

luchtkwaliteit (

zgn. Kaderrichtlijn), samen met vier dochterrichtlijnen. Voor stikstofdioxide en stikstofoxiden (NO2 en NOx) en fijn stof (PM10) werden normen bepaald in

Richtlijn 1999/30/EG van

Raad van 22 april 1999 betreffende grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, zwevende

eltjes en lood in

lucht. In voormelde dochterrichtlijn 1999/30/EG wordt niet enkel een grenswaarde, maar worden ook

overschrijdingsmarges bepaald.

overschrijdingsmarge is het percentage waarmee

grenswaarde onder

in

Richtlijn 96/62/EG vastgelegde voorwaarden kan worden overschreden.

overschrijdingsmarge neemt lineair af vanaf

startdatum tot 0% op

datum X-13.191-28/53 waarop aan

grenswaarde moet worden voldaan, zijnde 1 januari 2005 voor PM10 en 1 januari 2010 voor NO2. Artikel 7.1. van

Richtlijn 96/62/EG inzake

beoordeling en het beheer van

luchtkwaliteit bepaalt: “

Lid-Staten nemen

nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat

grenswaarden worden nageleefd”. Artikel 7.3. bepaalt: “

Lid-Staten stellen actieplannen op, waarin wordt vermeld welke maatregelen bij een dreigende overschrijding van

grenswaarden en/of

alarmdrempels op korte termijn moeten worden genomen om het risico van overschrijding te verkleinen en

duur ervan te beperken. Al naar gelang van het geval behelzen

ze plannen controlemaatregelen en, zo nodig, schorsing van

activiteiten die bijdragen tot overschrijding van

grenswaarden, met inbegrip van het gemotoriseerde verkeer”. Artikel 8 van

zelfde richtlijn bepaalt

maatregelen die van toepassing zijn in zones waar

niveaus hoger liggen dan

grenswaarde, met name: “1.

Lid-Staten stellen

lijst op van zones en agglomeraties waar

niveaus van een of meer verontreinigende stoffen

grenswaarde, verhoogd met

overschrijdingsmarge, overschrijden. Wanneer voor een bepaalde verontreinigende stof geen overschrijdingsmarge is vastgesteld, worden

zones en agglomeraties waar het niveau van

ze verontreinigende stof

grenswaarde overschrijdt, gelijkgesteld met

in

vorige alinea bedoelde zones en agglomeraties en zijn

leden 3 tot en met 5 erop van toepassing. 2.

Lid-Staten stellen

lijst op van

zones en agglomeraties waar

niveaus van een of meer verontreinigende stoffen tussen

grenswaarde en

met

overschrijdingsmarge verhoogde grenswaarde liggen. 3. In

in lid 1 bedoelde zones en agglomeraties treffen

Lid-Staten maatregelen om ervoor te zorgen dat er een plan of programma wordt opgesteld en uitgevoerd dat ertoe leidt dat binnen

daarvoor gestelde termijn aan

grenswaarde wordt voldaan. Dit plan of programma, waartoe het publiek toegang dient te krijgen, bevat ten minste

in bijlage IV vermelde informatie. 4. In

in lid 1 bedoelde zones en agglomeraties waar het niveau van meer dan één verontreinigende stof hoger ligt dan

grenswaarden, zorgen

Lid-Staten voor een geïntegreerd plan voor alle betrokken verontreinigende stoffen. 5.

Commissie controleert regelmatig

uitvoering van

krachtens lid 3 ingediende plannen of programma’s door na te gaan hoe

ze vorderen en hoe

luchtverontreiniging zich ontwikkelt. 6. Wanneer het niveau van een verontreinigende stof ten gevolge van een significante verontreiniging vanuit een andere Lid-Staat boven

met

overschrijdingsmarge verhoogde grenswaarde of, in voorkomend geval,

alarmdrempel ligt of dreigt te komen, plegen

betrokken Lid-Staten X-13.191-29/53 overleg met elkaar om een oplossing te vinden.

Commissie kan dat overleg bijwonen”. 4.2.3.3.3. Het besluit van

Vlaamse regering van 18 januari 2002 tot wijziging van VLAREM II, waarbij aan hoofdstuk 2.

  1. een afdeling 2.5.
  2. werd toegevoegd, zet voormelde richtlijnen om in het interne Belgische recht.

betrokken bepalingen van VLAREM II luiden als volgt: “AFDELING 2.5.4. - Beoordeling en beheer van zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, zwevende

eltjes en lood. Onderafdeling 2.5.4.

  1. Zwaveldioxide. Art. 2.5.4.
  2. § 1.

minister neemt

nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat

concentraties van zwaveldioxide in

lucht, zoals beoordeeld overeenkomstig artikel 2.5.4.5, met ingang van

in bijlage 2.5.5.1,

el I, vermelde data

daarin bepaalde grenswaarden niet overschrijden.

in bijlage 2.5.5.1,

el I, bepaalde overschrijdingsmarges zijn van toepassing overeenkomstig artikel 2.5.3.7. § 2.

alarmdrempel voor

concentraties van zwaveldioxide in

lucht is bepaald in bijlage 2.5.5.1,

el II. § 3. Om

Commissie bij te staan bij

opstelling van haar verslaggeving registreert

Vlaamse Milieumaatschappij, indien mogelijk, tot en met 31

cember 2003 gegevens over zwaveldioxideconcentraties, waarop een tienminutenmiddeling is toegepast, die ze ontvangt van een aantal meetstations die geselecteerd zijn als representatief voor

luchtkwaliteit in woongebieden in

nabijheid van

bronnen en die uurconcentraties meten. Gelijktijdig met

gegevens over

uurconcentraties rapporteert

Vlaamse Milieu- maatschappij, via

geëigende kanalen, aan

Europese Commissie voor

ze geselecteerde meetstations het aantal tienminutenconcentraties van meer dan 500 mug/m3, het aantal dagen waarop die grens in het kalenderjaar werd overschreden, het aantal dagen waarop tegelijkertijd

uurconcentraties zwaveldioxide 350 mug/m3 werden overschreden, en

hoogste geregistreerde tienminutenconcentratie. § 4.

minister mag zones of agglomeraties aanwijzen waar

in bijlage 2.5.5.1,

el I, bedoelde grenswaarden voor zwaveldioxide als gevolg van

aanwezigheid van concentraties van zwaveldioxide van natuurlijke oorsprong in

lucht worden overschreden.

minister verstrekt

Europese Commissie overeenkomstig artikel 2.5.3.10 een lijst van al

ze zones of agglomeraties en geeft haar informatie over

daar aanwezige concentraties en bronnen van zwaveldioxide, samen met

nodige bewijzen dat

ze overschrijdingen aan natuurlijke bronnen te wijten zijn. In

ze zones of agglomeraties is

minister alleen verplicht actieplannen op te stellen als

grenswaarden voor zwaveldioxide (SO2) vanwege antropogene emissies worden overschreden. Onderafdeling 2.5.4.2. - Stikstofdioxide en stikstofoxiden. Art. 2.5.4.2. § 1.

minister neemt

nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat

concentraties in

lucht van stikstofdioxide en, waar van toepassing, van stikstofoxiden, zoals beoordeeld overeenkomstig artikel 2.5.4.5, met ingang van

in bijlage 2.5.5.2,

el I, vermelde data

daarin bepaalde grenswaarden niet overschrijden.

in bijlage 2.5.5.2,

el I, bepaalde overschrijdingsmarges zijn van toepassing overeenkomstig artikel 2.5.3.7. X-13.191-30/53 § 2.

alarmdrempel voor

concentraties van stikstofdioxide in

lucht is bepaald in bijlage 2.5.5.2,

el II. Onderafdeling 2.5.4.3. - Zwevende

eltjes. Art. 2.5.4.3. § 1.

minister neemt

nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat

concentraties van PM10 in

lucht, zoals beoordeeld overeenkomstig artikel 2.5.4.5, met ingang van

in bijlage 2.5.5.3 vermelde data

daarin bepaalde grenswaarden niet overschrijden.

in bijlage 2.5.5.3 bepaalde overschrijdingsmarges zijn van toepassing overeenkomstig artikel 2.5.3.7. § 2.

Vlaamse Milieumaatschappij zorgt voor

installatie en werking van meetstations die gegevens over PM2,5-concentraties verstrekken. Het aantal stations waar PM2,5 wordt gemeten en

ligging ervan, worden zo gekozen dat die stations representatief zijn voor

PM2,5-concentraties in Vlaanderen. Als het mogelijk is, moeten

monsternemingspunten samenvallen met

stations waar PM10 wordt gemeten.

Vlaamse Milieumaatschappij

elt

Europese Commissie via

geëigende kanalen jaarlijks, uiterlijk negen maanden na afloop van elk jaar, het rekenkundig gemiddelde,

mediaan, het 98-percentiel en

maximale concentratie mee, berekend op basis van

PM2,5-metingen over 24 uur gedurende dat jaar. Het 98-percentiel wordt berekend volgens

procedure die is beschreven in bijlage I, punt 4, van beschikking 97/101/EG van

Raad van 27 januari 1997 tot invoering van een regeling voor

onderlinge uitwisseling van informatie over en gegevens van meetnetten en meetstations voor luchtverontreiniging in

lidstaten. § 3. In

krachtens artikel 2.5.3.7 opgestelde actieplannen voor PM10 en

algemene strategieën om

PM10-concentraties terug te dringen, wordt ook naar een vermindering van

PM2,5-concentraties gestreefd. § 4. Als

in bijlage 2.5.5.3 bedoelde grenswaarden voor PM10 worden overschreden doordat er concentraties van PM10 in

lucht aanwezig zijn ingevolge natuurverschijnselen waardoor er concentraties voorkomen die significante overschrijdingen van

normale achtergrondniveaus van natuurlijke oorsprong inhouden, stelt

minister

Europese Commissie via

geëigende kanalen daarvan overeenkomstig artikel 2.5.3.10 in kennis met

nodige bewijzen dat

rgelijke overschrijdingen aan natuurverschijnselen te wijten zijn. In

rgelijke gevallen is

minister alleen verplicht om overeenkomstig artikel 2.5.3.7, § 2, actieplannen uit te voeren wanneer

in

bijlage 2.5.5.3, FASE 1, bedoelde grenswaarden om andere redenen worden overschreden dan door natuurverschijnselen. § 5.

minister kan zones of agglomeraties aanwijzen waar

in

bijlage 2.5.5.3, FASE 1, bedoelde grenswaarden voor PM10 worden overschreden als gevolg van PM10-concentraties in

lucht die ontstaan als, bij het strooien van zand op wegen, in

winter opwerveling van

eltjes optreedt.

minister verstrekt

Europese Commissie een lijst van al

ze zones of agglomeraties en tevens informatie over

daar aanwezige PM10-concentraties en -bronnen. Wanneer

minister

Europese Commissie daarvan overeenkomstig artikel 2.5.3.10 in kennis stelt, levert hij

nodige bewijzen dat

ze overschrijdingen aan

rgelijke opwervelende

eltjes te wijten zijn, en dat in redelijke mate is getracht om die overschrijdingen te verlagen. In

ze zones of agglomeraties is

minister alleen verplicht actieplannen overeenkomstig artikel 2.5.3.7, § 2, uit te voeren, als

in bijlage 2.5.5.3, FASE 1, bedoelde grenswaarden worden overschreden vanwege andere PM10-niveaus dan die welke te wijten zijn aan het strooien van zand op wegen in

winter”. X-13.191-31/53 Artikel 2.1.2. VLAREM II bepaalt dat

vastgestelde milieukwaliteitsnormen door

overheid moeten worden gehanteerd bij zowel het plannen als het realiseren van het beleid. 4.2.3.3.4. Het middel gaat ervan uit dat het bestreden gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan er

oorzaak van is dat

grenswaarden inzake PM10, NOx en NO2 in

onmiddellijke omgeving van het station blijvend zullen worden overschreden. Dit uitgangspunt kan op het eerste gezicht niet worden bijgetreden. Een ruimtelijk uitvoeringsplan bepaalt enkel op een passieve wijze

bestemming van een welomschreven gebied. Op zich is het niet

oorzaak van

uitstoot van PM10, NOx of NO2. Luidens voormeld artikel 2.5.4.1., § 1 van VLAREM II neemt

minister -d.i. te

zen

met

uitvoering van dit besluit belaste Vlaamse minister bevoegd voor Leefmilieu (hierna:

minister)-

nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat

concentraties van zwaveldioxide in

lucht, zoals beoordeeld overeenkomstig artikel 2.5.4.5., met ingang van

in bijlage 2.5.5.1.,

el I vermelde data,

daarin bepaalde grenswaarden niet overschrijden, en zijn

in bijlage 2.5.5.1.,

el I, bepaalde overschrijdingsmarges van toepassing overeenkomstig artikel 2.5.3.7. Luidens voormeld artikel 2.5.4.2., § 1, van VLAREM II neemt

minister

nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat

concentraties in

lucht van stikstofdioxide en, waar van toepassing, van stikstofoxiden, zoals beoordeeld overeenkomstig artikel 2.5.4.5., met ingang van

in bijlage 2.5.5.2.,

el I vermelde data,

daarin bepaalde grenswaarden niet overschrijden, en zijn

in bijlage 2.5.5.2.,

el I bepaalde overschrijdingsmarges van toepassing overeenkomstig artikel 2.5.3.7. Luidens voormeld artikel 2.5.4.3., § 1 van VLAREM II neemt

minister

nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat

concentraties van PM10 in

lucht, zoals beoordeeld overeenkomstig artikel 2.5.4.5., met ingang van

in bijlage 2.5.5.3. vermelde data

daarin bepaalde grenswaarden niet overschrijden, X-13.191-32/53 en zijn

in bijlage 2.5.5.

  1. bepaalde overschrijdingsmarges van toepassing overeenkomstig artikel 2.5.3.
  2. Artikel 2.5.3.6., § 1 van VLAREM II bepaalt dat

nodige maatregelen worden getroffen om ervoor te zorgen dat

grenswaarden worden nageleefd.

§ 3

van hetzelfde artikel bepaalt dat

maatregelen die bij een dreigende overschrijding van

grenswaarden en/of

alarmdrempels op korte termijn moeten worden genomen om het risico van overschrijding te verkleinen en

duur ervan te beperken, vermeld zijn in

respectieve actieplannen vastgesteld door dit besluit, inzonderheid in

afdelingen 2.5.6. en 4.4.5., en dat al naar gelang van het geval voormelde actieplannen controlemaatregelen behelzen en, zo nodig, schorsing van

activiteiten die bijdragen tot overschrijding van

grenswaarden, met inbegrip van het gemotoriseerde verkeer. Luidens artikel 2.5.3.7., § 1 van VLAREM II stelt

Vlaamse Milieumaatschappij op basis van

resultaten van haar meetnet van

verontreiniging van

omgevingslucht

lijst op 1/ van zones en agglomeraties waar

niveaus van één of meer verontreinigende stoffen

grenswaarde, verhoogd met

overschrijdingsmarge, overschrijden, en 2/ van

zones en agglomeraties waar

niveaus van één of meer verontreinigende stoffen tussen

grenswaarde en met

overschrijdingsmarge verhoogde grenswaarde liggen. Wanneer voor een bepaalde verontreinigende stof geen overschrijdingsmarge is vastgesteld, worden

zones en agglomeraties waar het niveau van

ze verontreinigende stof

grenswaarde overschrijdt, gelijkgesteld met

sub 1/ bedoelde zones en agglomeraties en zijn

§§ 2

tot en met 4 van dit artikel hierop van toepassing.

§§ 2

en 3 van hetzelfde artikel bepalen dat in

bedoelde zones en agglomeraties

minister maatregelen treft om ervoor te zorgen dat er een plan of programma wordt opgesteld en uitgevoerd dat ertoe leidt dat binnen

daarvoor gestelde termijn aan

grenswaarde wordt voldaan, en in geval het niveau van meer dan één verontreinigende stof hoger ligt dan

grenswaarden,

minister zorgt voor een geïntegreerd plan voor alle betrokken verontreinigende stoffen.

§ 4

bepaalt dat wanneer het niveau van een verontreinigende stof ten gevolge van een significante verontreiniging vanuit een andere Lid-Staat of Gewest boven

met

overschrijdingsmarge verhoogde grenswaarde of, in voorkomend geval,

alarmdrempel ligt of dreigt te komen,

minister met

betrokken Lid-Staat of het betrokken Gewest overleg pleegt om een oplossing te vinden, en dat

Europese X-13.191-33/53 Commissie via

geëigende kanalen hiervan op

hoogte wordt gesteld en dit overleg kan bijwonen. In uitvoering van voormelde bepalingen werd het “Saneringsplan fijn stof voor

zones met overschrijding in 2003 en aanpak fijn stofproblematiek in Vlaanderen - Plan in uitvoering van

richtlijnen 96/62/EG en 1999/30/EG” van 23

cember 2005 opgesteld door

cel Lucht van het

partement Leefmilieu en Infrastructuur van het Ministerie van

Vlaamse Gemeenschap. Onder punt “7. Maatregelen” wordt ter inleiding gesteld wat volgt: “Uit voorgaande hoofdstukken blijken er in Vlaanderen overschrijdingen vastgesteld te worden van

vanaf 1 januari 2005 geldende PM10 grenswaarde; in 2003 zelfs op alle meetpunten voor

daggemiddelde grenswaarde. In 2005 doen zich eveneens nog overschrijdingen van

luchtkwaliteitsnormen voor. Modellering in Vlaanderen geeft aan dat in 2010

problemen vermoedelijk niet opgelost zullen zijn. Overschrijdingen worden niet enkel in verkeersdrukke zones, maar ook in industrie-, woon- en zelfs landelijkere regio’s waargenomen en verwacht. Internationale modellering toont aan dat Vlaanderen voor wat

antropogene emissies betreft tot

‘hot spot’-gebieden van Europa behoort, ook in

toekomst

(2020).

ze hoge fijn stof concentraties en overschrijdingen in Vlaanderen zijn te wijten aan eigen, lokale emissies, maar evenzeer doordat

luchtkwaliteit in Vlaanderen in hoge mate bepaald wordt door emissies van buitenaf.

buitenlandse bijdrage door menselijk handelen bedraagt, zoals aangegeven in 6.2, 70 - 80% aan

fijn stofconcentraties. Maatregelen die alleen in Vlaanderen worden getroffen, zijn over het algemeen niet voldoende om

luchtvervuiling gemiddeld over Vlaanderen terug te dringen. Een gecoördineerde Europese aanpak is onontbeerlijk;

problemen voor fijn stof zijn grootschalig en vrijwel onoplosbaar voor Vlaanderen alleen”. Vervolgens worden in het plan

maatregelen opgesomd die reeds genomen zijn, gepland zijn of worden en/of extra wenselijk zijn.

ze maatregelen worden onderverdeeld in 3 categorieën, met name “7.1. Generieke maatregelen”, zijnde generieke maatregelen die over het ganse Vlaamse grondgebied genomen kunnen worden ter algemene reductie van

hoge stofconcentraties, “7.

  1. Generieke maatregelen naar verontreinigde zones” en “7.
  2. Zonespecifieke maatregelen” met een specifieke aanpak van verschillende verontreinigde zones. 4.2.3.3.
  3. Volgens

regelgeving vervat in VLAREM II is het

Vlaamse minister bevoegd voor Leefmilieu die

nodige maatregelen moet nemen om ervoor te zorgen dat

in

richtlijnen bepaalde, en in VLAREM II overgenomen, X-13.191-34/53 grenswaarden en/of overschrijdingsmarges niet worden overschreden, en dit middels saneringsmaatregelen op internationaal, Vlaams of lokaal niveau. Uit

bepaling van artikel 2.1.2. VLAREM II dat

vastgestelde milieukwaliteitsnormen door

overheid moeten worden gehanteerd bij zowel het plannen als het realiseren van het “beleid” kan op het eerste gezicht niet worden afgeleid dat het vaststellen van een ruimtelijk uitvoeringsplan niet mogelijk is indien zou blijken dat bij

realisatie van

in dit plan voorziene bestemmingen op zichzelf genomen

overschrijding van één of meer grenswaarden mogelijk is. Het “beleid” in

zin van voormelde bepaling dient op het eerste gezicht immers zo te worden opgevat dat alle maatregelen die bij het plannen en het realiseren van het beleid worden getroffen als één geheel dienen te worden beschouwd, inbegrepen ook

maatregelen die

minister verplicht is te nemen in toepassing van

voormelde artikelen 2.5.4.1., § 1, 2.5.4.2., § 1 en 2.5.4.3., § 1 van VLAREM II. 4.2.3.3.6. Artikel 4 DRO, dat

el uitmaakt van “Hoofdstuk I. Doelstellingen en begrippen” van “Titel I. Inleidende bepalingen”, luidt als volgt: “

ruimtelijke ordening is gericht op een duurzame ruimtelijke ontwikkeling waarbij

ruimte beheerd wordt ten behoeve van

huidige generatie, zonder dat

behoeften van

toekomstige generaties in het gedrang gebracht worden. Daarbij worden

ruimtelijke behoeften van

verschillende maatschappelijke activiteiten gelijktijdig tegen elkaar afgewogen. Er wordt rekening gehouden met

ruimtelijke draagkracht,

gevolgen voor het leefmilieu en

culturele, economische, esthetische en sociale gevolgen. Op

ze manier wordt gestreefd naar ruimtelijke kwaliteit”. Artikel 4 DRO bevat op het eerste gezicht enkel een intentieverklaring met betrekking tot

“doelstellingen” van

ruimtelijke ordening. Uit

ze bepaling lijkt aldus niet te kunnen worden afgeleid dat “milieukwaliteitsnormen ook bindend zijn bij

vaststelling van ruimtelijke uitvoeringsplannen”. 4.2.3.3.7. Artikel 1.2.1, § 3 DABM, dat

el uitmaakt van “Hoofdstuk II. Doelstellingen en beginselen” van “Titel I. Algemene bepalingen”, luidt als volgt: “§ 3.

in § 1 en § 2 bepaalde doelstellingen en beginselen moeten in het bepalen en uitvoeren van het beleid van het Vlaamse Gewest op andere gebieden worden geïntegreerd. Bij

uitvoering van het beleid wordt rekening X-13.191-35/53 gehouden met

sociaal-economische aspecten,

internationale dimensie en

beschikbare wetenschappelijke en technische gegevens”. Ook

ze bepaling, die eveneens een algemene doelstelling verwoordt, lijkt geen wettelijke verplichting in te houden voor

overheid om een ruimtelijk uitvoeringsplan niet vast te stellen en/of goed te keuren indien zou blijken dat

realisatie van

in dit plan voorziene bestemmingen op zich een overschrijding van

in VLAREM II vastgestelde grenswaarden en/of overschrijdingsmarges tot gevolg zou kunnen hebben. 4.2.3.3.8. Er bestaat

rhalve op het eerste gezicht op grond van VLAREM II voor

betrokken overheid geen wettelijke verplichting om in een

rgelijk geval een ruimtelijk uitvoeringsplan niet vast te stellen en/of goed te keuren. Zodanige verplichting lijkt ook niet vervat in

Europese regelgeving. 4.2.3.3.9.

Nederlandse rechtspraak waarnaar

verzoekende partijen verwijzen is gesteund op

terzake geldende Nederlandse wetgeving. Er kunnen op het eerste gezicht geen wettelijke verplichtingen uit worden geput voor

Vlaamse overheid. 4.2.3.3.10. Ook uit

omstandigheid dat ruimtelijke uitvoeringsplannen uitdrukkelijk vallen onder het toepassingsgebied van

Richtlijn 2001/42/EG van het Europees Parlement en

Raad van 27 juni 2001 betreffende

beoordeling van

gevolgen voor het milieu van bepaalde plannen en programma’s (

zgn. “plan- m.e.r. richtlijn”) kan op het eerste gezicht niet worden afgeleid dat op

overheid een wettelijke verplichting rust niet over te gaan tot het vaststellen en/of goedkeuren van een ruimtelijk uitvoeringsplan indien uit dit plan-m.e.r. zou blijken dat

vastgestelde grenswaarden en/of overschrijdingsmarges zouden worden overschreden.

verzoekende partijen blijven overigens in gebreke

bepaling(en) van

ze richtlijn aan te geven waaruit een

rgelijke verplichting zou voortvloeien. 4.2.3.3.11. In een vierde onderdeel voeren

verzoekende partijen aan dat het bestreden ruimtelijk uitvoeringsplan hoe dan ook een schending uitmaakt van het grondrecht/mensenrecht van

buurtbewoners op

bescherming van

X-13.191-36/53 gezondheid en van een gezond leefmilieu, nu

grenswaarden inzake fijn stof en NOx, zoals bepaald in

Richtlijn 1999/30/EG en omgezet in VLAREM II, gericht zijn op

bescherming van

volksgezondheid en een gezond leefmilieu, en er geen dwingende redenen van algemeen belang voorhanden zijn om het bestreden ruimtelijk uitvoeringsplan in zijn huidige vorm doorgang te laten vinden daar waar een alternatief met een beperktere impact op

luchtkwaliteit voorhanden is, en

standstill-werking van artikel 23,

rde lid, 4/ van

Grondwet wordt aanvaard. 4.2.3.3.12. Artikel 23 van

Grondwet bepaalt: “Art. 23. Ieder heeft het recht een menswaardig leven te leiden. Daartoe waarborgen

wet, het

creet of

in artikel 134 bedoelde regel, rekening houdend met

overeenkomstige plichten,

economische, sociale en culturele rechten, waarvan ze

voorwaarden voor

uitoefening bepalen. Die rechten omvatten inzonderheid: (...) 4/ het recht op

bescherming van een gezond leefmilieu (...)”. Zonder dat

Raad van State zich dient uit te spreken over

vraag of

genoemde bepaling te

zen op zichzelf als toetsingsgrond kan worden ingeroepen, moet in elk geval worden vastgesteld dat

overheid over een ruime vrijheid beschikt in

keuze van

middelen om het genot van het genoemde recht te verzekeren. Uit hetgeen voorafgaat blijkt op het eerste gezicht dat te

zen het genot van het genoemde recht door

toepasselijke regelgeving afdoende wordt verzekerd. 4.2.3.3.13. Het

rde middel is niet ernstig. 4.2.

  1. Vierde middel 4.2.4.
  2. In een vierde middel voeren

verzoekende partijen

schending aan van

algemene beginselen van behoorlijk bestuur, meer specifiek

schending van

materiële motiveringsplicht, het zorgvuldigheidsbeginsel en het redelijkheidsbeginsel juncto

schending van artikel 42, § 5 DRO, artikel 7 van het Verdrag van Aarhus en

artikelen 6, 8 en 9 van Richtlijn 2001/42/EG, “doordat het bestreden vaststellingsbesluit niet verduidelijkt op welke manier rekening werd gehouden met

tijdens het openbaar onderzoek door

X-13.191-37/53 verzoekende partijen ingediende bezwaren en opmerkingen, maar zich in hoofdzaak beperkt tot het doorverwijzen naar het onderzoek van

bezwaren, opmerkingen en adviezen in het advies van VLACORO, terwijl Uw Raad in het arrest nr. 54.302 van 5 juli 1995 reeds oordeelde dat één van

meest essentiële onderdelen van

procedure tot vaststelling of herziening van een plan van aanleg het openbaar onderzoek betreft over

geplande vaststelling of herziening ‘en bijgevolg meer concreet (...) het recht van

belanghebbende om hiertegen bezwaar in te dienen en (...)

verplichting van

overheid om

ze bezwaren op afdoende wijze te beantwoorden’, en in casu geen recht is gedaan aan dit ‘essentieel onderdeel van

procedure’, nu

VLACORO (die overeenkomstig artikel 42, § 5 DRO alle adviezen, opmerkingen en bezwaren moet coördineren en binnen

90 dagen na het einde van het openbaar onderzoek gemotiveerd advies moet uitbrengen bij

Vlaamse regering, en aldus verplicht is

tijdens het openbaar onderzoek ingediende bezwaren te onderzoeken en te motiveren waarom

ze al dan niet worden bijgetreden)

door verzoekende partijen ingediende bezwaren in haar advies op gebrekkige wijze en soms in het geheel niet beantwoordt, meer specifiek: • het bezwaar betreffende

onwettigheid van

procedure wegens een gebrek in het MER(...), wordt verworpen door een in rechte niet aanvaardbare motivering, aangezien het feit dat het MER op 27 oktober 2005 conform werd verklaard (wellicht wordt bedoeld “goedgekeurd”) niet betekent dat “er moet van uit worden gegaan dat alle alternatieven die op planniveau moesten onderzocht worden, daadwerkelijk en voldoende onderzocht werden”; • het bezwaar betreffende

overschrijding van

Europeesrechtelijke normen inzake luchtverontreiniging en het verzuim rekening te houden met

belangen van

toekomstige generaties en het recht op een gezonde leefomgeving(...) in zijn geheel niet beantwoordt; • het bezwaar betreffende

strijdigheid van

aanleg van een grote pendelparking met het principe van

A-locatie(...) in zijn geheel niet beantwoordt; • het bezwaar betreffende het onaangepast karakter van

hoogbouw op

sbetreffende locatie(...) wordt beantwoord met

stelling dat ‘het voorzien van een beperkt aantal torens (...) op

ze strategische site een verdedigbare optie (is) zeker omdat ze ook is gesteund op

visie van

stand in het gemeentelijk ruimtelijk structuurplan, een stand van torens (...)’, maar zulke motivering niet aangeeft waarom zulke optie geen of een aanvaardbare negatieve invloed zou hebben op

omgeving; • het bezwaar betreffende

aantasting van het natuurlijke milieu(...) (wordt verworpen met

summiere vermelding dat ‘het natuurgebied (...) geen habitatrichtlijngebied, noch een vogelrichtlijngebied (is)’, alsof een aantasting van het natuurlijke milieu buiten vogel- en habitatrichtlijngebieden zomaar doorgang zou kunnen vinden. VLACORO stelt vast dat in

toelichtingsnota eerder summier wordt ingegaan op

problematiek. VLACORO stelt voor om

toelichtingsnota hier verder ‘uit te werken’. Nochtans kan VLACORO zich moeilijk verschuilen achter een verdere uitwerking door

Vlaamse regering. Zij kan immers op die manier

verplichting om

bezwaren zelf zorgvuldig te onderzoeken en ze zelf afdoende te beantwoorden, niet ontlopen; • het bezwaar betreffende

omstandigheid dat onvoldoende rekening is gehouden met het MER en het MER-verslag(...) wordt verworpen door een redengeving die intern contradictorisch is, nu VLACORO aan

ene kant van oordeel is dat wel voldoende rekening is gehouden met het MER en het MER-verslag, maar er anderzijds op aandringt dat bij

finitieve X-13.191-38/53 vaststelling van het RUP wordt aangegeven op welke wijze tegemoet zal worden gekomen aan

ze opmerkingen; • het bezwaar betreffende

problematiek van

ruimtelijke vertaling van

fijn stofgrenswaarden wordt verworpen omdat VLACORO meent dat

problematiek van het fijn stof niet direct aan

orde is bij

opmaak van een RUP. Anders dan in Nederland bestaat er in Vlaanderen geen verplichting om

in kaart gebrachte luchtkwaliteit te koppelen aan bestemmingsplannen. Het probleem van luchtverontreiniging, en fijn stof in het bijzonder, is een probleem dat moet worden aangepakt op een universelere manier, via onder meer sectorale maatregelen en federale productnormen.

commissie verwijst in dat verband naar het “Saneringsplan fijn stof voor zones met overschrijding in 2003 en aanpak fijn stofproblematiek in Vlaanderen” van

Vlaamse regering van 23

cember 2005, waarin acties voorgesteld worden voor

stad Gent, terwijl in het

rde middel duidelijk is aangegeven dat

grenswaarden inzake fijn stof wel

gelijk doorwerken bij

ruimtelijke planning; • het bezwaar betreffende

nsiteit van

gebouwde ruimte (...) in zijn geheel niet wordt onderzocht en wordt beantwoord met een passe-partout formulering (...) die elke draagkracht mist; • het bezwaar betreffende

onvoldoende garanties die

45/-regel biedt op

bezonning van

bestaande woningen langs

Koningin Fabiolalaan, inzonderheid buiten

zomerperiode (...) o.m. wordt verworpen met

stelling dat

45/-regel een algemeen aanvaarde en gehanteerde regel van goede ruimtelijke ordening is”, terwijl nergens wordt aangegeven in welk beleidsdocument

ze regel zou zijn neergelegd; •

bezwaren betreffende

mobiliteitsaspecten die verbonden zijn aan

ondergrondse parking en

R4-verbindingsweg (...) worden beantwoord via verwijzingen naar

beoordeling van andere bezwaren waarin echter geen afdoende antwoord kan worden teruggevonden op

aangevoerde bezwaren, inzonderheid

motivering dat enkel het voorliggende plan moet worden bekeken en geen rekening moet worden gehouden met andere ontwikkelingen in

nabijheid (o.m. Flanders Expo) (...) in rechte niet aanvaardbaar is aangezien dit in tegenstrijd is met

verplichting in een MER

synergetische effecten van het beoogde project te onderzoeken (artikel 4.2.7, § 1, 2/, b) DABM); •

bezwaren in

kaders 63 tot en met 77 worden

rmate summier beantwoord dat dit bezwaarlijk kan gelden als een zorgvuldig onderzoek van die bezwaren en een voldoende motivering om ze als ongegrond te verwerpen; en terwijl inspraak en participatie bij het vaststellen van ruimtelijke plannen met een belangrijke milieu-impact is vereist op basis van artikel 7 van het Verdrag van Aarhus van 25 juni 1998 betreffende toegang tot informatie, inspraak in besluitvorming en toegang tot

rechter in milieuaangelegenheden (B.S. 24 maart 2003), dat

verdragspartijen verplicht om passende praktische en/of andere voorzieningen te treffen voor inspraak gedurende

voorbereiding van plannen en programma's betrekking hebbende op het milieu, binnen een transparant en eerlijk kader, na het publiek

benodigde informatie te hebben verschaft, en terwijl

inspraakmogelijkheden minstens aan

vereisten van artikel 6, 3de, 4de en 8ste lid dienen te beantwoorden, waaronder het vereiste dat elke partij waarborgt dat in het besluit naar behoren rekening wordt gehouden met het resultaat van

inspraak, en terwijl in diezelfde zin conform

artikelen 6 en 8 van Richtlijn 2001/42 van het Europees Parlement en

Raad van 27 juni 2001 betreffende

beoordeling van

gevolgen voor het milieu van bepaalde plannen en programma's met een belangrijke milieu-impact, het publiek tijdig, X-13.191-39/53 daadwerkelijk en binnen een passend tijdschema

gelegenheid moet worden geboden om voor

vaststelling, zijn mening te geven over het ontwerp-plan of -programma en het bijbehorende milieurapport, en, meer nog, met

tijdens

raadpleging bekomen mening rekening moet worden gehouden bij

voorbereiding en voor

vaststelling van het plan of programma, en terwijl overeenkomstig artikel 9 van Richtlijn 2001/42 het vaststellingsbesluit van een plan of programma een verklaring moet bevatten die samenvat hoe milieu-overwegingen in het plan werden geïntegreerd, hoe rekening werd gehouden met het milieueffectrapport, hoe rekening werd gehouden met

tijdens het openbaar onderzoek ingediende bezwaren en opmerkingen en waarom is gekozen voor het plan zoals het is aangenomen, in het licht van

andere redelijke alternatieven die zijn behandeld”. 4.2.4.2. Onderzoek van

ernst van het middel 4.2.4.2.1. In dit middel voeren

verzoekende partijen in essentie aan dat

VLACORO

door hen ingediende en in

uiteenzetting van het middel specifiek aangeduide bezwaren op gebrekkige wijze en soms in het geheel niet heeft beantwoord, en dat het vaststellingsbesluit zich in hoofdzaak heeft beperkt tot een verwijzing naar dat advies, waardoor het hun wettelijk toegekende recht om bezwaar in te dienen en

daaraan gekoppelde verplichting van

overheid om

ze bezwaren op afdoende wijze te beantwoorden, is miskend geworden. 4.2.4.2.2.

door artikel 42 van het DRO aan

Vlaamse regering opgelegde verplichting om het ontwerp van gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan aan een openbaar onderzoek te onderwerpen en

resultaten ervan aan

VLACORO voor advies voor te leggen, brengt mee dat

VLACORO in

eerste plaats, zoniet alleszins

Vlaamse regering, kennis moet nemen van

tijdens het openbaar onderzoek op regelmatige wijze geformuleerde bezwaren en opmerkingen en

ze moet onderzoeken en beoordelen. Er bestaat evenwel geen wettelijk opgelegde verplichting elk individueel bezwaar op individuele wijze te beantwoorden. Het advies van

VLACORO vormt één geheel en dient als dusdanig te worden gelezen. 4.2.4.2.3. Met betrekking tot

bezwaren omtrent

inhoud en

doorwerking van het MER,

fijnstofproblematiek en

aantasting van het natuurlijk milieu blijkt uit het onderzoek van het eerste, het tweede, het

rde en het zesde middel dat op het eerste gezicht geen schending van

terzake aangevoerde bepalingen en beginselen voorligt. X-13.191-40/53 4.2.4.2.4.

bezwaren in verband met het principe van

A-locatie en

nsiteit van bebouwing lijken een afdoende antwoord te vinden in

verwijzing in het advies van

VLACORO naar

sbetreffende beleidsopties vastgelegd in het richtinggevend gedeelte van het RSV wat betreft

verdichting van stationsomgevingen en een duurzame ontwikkeling op macro-schaal. 4.2.4.2.5. Met betrekking tot

bezwaren omtrent

hoogbouw wordt in het vaststellingsbesluit overwogen wat volgt: “Overwegende dat aandacht voor schaduweffecten en windklimaat binnen het project en voor

omwonenden van

Rijsenbergwijk bij

concrete aanleg belangrijk is; dat daarom in

toelichtingsnota, in het bijzonder in

toelichtende kolom bij artikel 1.5., aandacht wordt gevraagd voor

lichtinval (via bezonningsdiagrammen) en

mogelijke windhinder (via een windtunnelonderzoek) bij het vastleggen van

hoogte en

positie van

gebouwen; dat

stedenbouwkundige vergunningsaanvragen specifiek ten aanzien van

ze bepalingen dienen te worden beoordeeld; dat het Hoogbouw Effecten Rapport (HER), toegevoegd in bijlage IX bij dit besluit, aangeeft dat

bezonningseffecten op

bestaande bebouwing buiten het plangebied beperkt zijn en daarom acceptabel; dat dit eveneens wordt vermeld in

toelichtingsnota bij het ruimtelijk uitvoeringsplan op p. 33”.

verzoekende partijen blijven in

uiteenzetting van het middel ingebreke aan te geven welke “negatieve invloed” op

omgeving geen antwoord zou vinden in het hiervoor gestelde. 4.2.4.2.

  1. Het vierde middel is niet ernstig. 4.2.
  2. Vijfde middel 4.2.5.
  3. In een vijfde middel voeren

verzoekende partijen

schending aan van

a1gemene beginselen van behoorlijk bestuur, meer specifiek

schending van

materiële motiveringsplicht, het zorgvuldigheidsbeginsel en het redelijkheidsbeginsel juncto

schending van artikel 8 van het

creet van 18 juli 2003 betreffende het integraal waterbeleid (hierna: DIWB) en

artikelen 2 en 4 van het besluit van

Vlaamse regering van 20 juli 2006 tot vaststelling van nadere regels voor

toepassing van

watertoets, tot aanwijzing van

adviesinstantie en tot vaststelling van nadere regels voor

adviesprocedure bij

watertoets, vermeld in artikel 8 DIWB, X-13.191-41/53 “doordat in het bestreden besluit géén formele noch materiële motivering is opgenomen inzake

toepassing van

watertoets, die

overheid oplegt om bij

opmaak van ruimtelijke uitvoeringsplannen “er zorg voor (te dragen) (...) door het opleggen van gepaste voorwaarden of aanpassingen aan het plan of programma, dat geen schadelijk effect ontstaat of zoveel mogelijk wordt beperkt en, indien dit niet mogelijk is, dat het schadelijk effect wordt hersteld of, in

gevallen van

vermindering van

infiltratie van hemelwater of

vermindering van ruimte voor het watersysteem, gecompenseerd”, en om, indien het schadelijk effect betrekking heeft op

kwantitatieve grondwatertoestand, geen

rgelijk plan of programma goed te keuren, behalve ingeval van dwingende redenen van groot maatschappelijk belang, terwij1, eerste onderdeel,

watertoets aanleiding geeft tot een bijzondere formele motiveringsverplichting, waarbij

genomen beslissing in elk geval aan

in artikel 5 en 6 DIWB bedoelde doelstellingen en beginselen van integraal waterbeleid moet worden getoetst, en waarbij artikel 4, § 2 van het Besluit van

Vlaamse regering van 20 juli 2006 uitdrukkelijk bepaalt dat een beslissing over een plan of programma een zogenaamde waterparagraaf moet bevatten die met betrekking tot

planingreep ten minste

in artikel 4, § 1, vermelde gegevens bevat, en terwijl die beoordeling in ieder geval vereist dat

overheid in formeel uitgedrukte motieven aangeeft of er al dan niet schadelijke effecten zijn te verwachten op

waterhuishouding en, in voorkomend geval, ingaat op

op te leggen voorwaarden om die schade te voorkomen, beperken, herstellen of te compenseren, die in het licht van

te realiseren doelstellingen en toe te passen beginselen van integraal waterbeleid door

overheid passend worden geacht - evaluatie die geheel en al ontbreekt in het bestreden vaststellingsbesluit, en terwij1 Uw Raad in het arrest nr. 165.758 van 11

cember 2006 duidelijk aangeeft dat enkel met

formeel uitgedrukte motieven rekening mag worden gehouden, terwijl, tweede onderdeel, in geen geval kan worden aanvaard dat

voorhanden motivering in het bestreden ruimtelijk uitvoeringsplan afdoende is in het licht van artikel 8 DIWB, nu het enkele feit dat in

toelichtingsnota bij het bestreden ruimtelijk uitvoeringsplan wordt vermeld dat ‘het plangebied is gelegen in een specifiek, stedelijke context en het RUP beoogt een stedelijk karakter voor het gebied. Binnen het plangebied en zijn omgeving komen op

overstromingskaarten geen risicozones voor. Bijgevolg wordt veronderstelt dat

sectorwetgeving met betrekking tot water volstaat om eventueel schadelijke effecten te beperken en dat in dit RUP geen extra maatregelen dienen te worden genomen’ een algemene abstracte motivering is, die op geen enkele manier doet blijken op welke wijze schadelijke effecten aan

natte natuurwaarden in het gebied Overmeersen zullen worden vermeden, beperkt of hersteld, en evenmin welke beperkende, herstellende of compenserende maatregelen zijn genomen om

in het MER vastgestelde schadelijke effecten op

kwantitatieve toestand van het grondwater tegen te gaan, laat staan dat

aanwezigheid van een dwingende reden van groot maatschappelijke belang afdoende is aangetoond, en terwijl Uw Raad in het arrest nr. 139.432 van 18 januari 2005 heeft gesteld dat een engagement van

overheid die het plan heeft aangenomen om

waterproblematiek op te lossen bij

verdere invulling van het gebied niet volstaat om te voldoen aan

door art. 8 DIWB bepaalde verplichting ‘door het opleggen van gepaste voorwaarden of aanpassingen aan het plan’ er zorg voor te dragen ‘dat geen schadelijk effect ontstaat of zoveel mogelijk wordt beperkt’, en terwijl met

toepassing van

watertoets het zogenaamde integratiebeginsel wordt beoogd (Memorie van Toelichting, Parl. St. VI. Parl. 2002-2003, nr. 1730/1, 23), en het aanvaarden van een motivering die bestaat X-13.191-42/53 uit een loutere doorverwijzing naar

sectorwetgeving indruist tegen

integratiedoelstelling die ten gronde lag aan

creatie van

watertoets, en terwijl het begrip ‘schadelijke effecten’ wordt gedefinieerd in artikel 3, § 2, 17/ DIVM en een brede rits van evaluatiecriteria (omvat), zoals veiligheid tegen overstromingen, (grond)wateroverlast, riolering, watervoorziening voor huishoudens en economische actoren, bodemdaling, volksgezondheid, oppervlakte- en grondwaterkwaliteit, verdroging en natte natuur (Parl. St., VI. Parl. 2002-2003, nr. 1730/3, 27), en in dit verband niet kan worden betwist dat: •

aanleg van een weg door het gebied Overmeersen en

aanleg van een ondergrondse parking in

onmiddellijke omgeving van het natuurgebied een ‘schadelijk effect’ uitmaken in

zin van artikel 3, §2, 17/ DIWB, • in het MER duidelijk is aangegeven dat

uitvoering van het bestreden ruimtelijk uitvoeringsplan een schadelijk effect in

zin van artikel 3, §2, 17/ DIWB veroorzaakt op

kwantitatieve toestand van het grondwater, meer nog, dat duidelijk is aangegeven dat

verlaging van het grondwaterpeil tijdens

aanlegfase van

ondergrondse parking en voor

bouwwerken tot omvorming van het station - tengevolge van

vereiste bemalingen - als zeer negatief worden beoordeeld en

invloedszone daarvan reikt tot aan het Citadelpark en het natuurgebied Overmeersen (...), •

door het bestreden besluit toegelaten bouwwerken, activiteiten en handelingen een schadelijk effect impliceren op

kwantitatieve toestand van het grondwater (...) (op pagina 288 MER wordt m.b.t.

aanleg van

ondergrondse parking zelfs uitdrukkelijk gesteld: ‘omwille van

grote

bieten die dienen opgepompt te worden en relatief grote invloedszones, (...) wordt het effect van dit

elproject op het grondwaterpeil als zeer negatief wordt beoordeeld’), op

genoemde schadelijke effecten, en

maatregelen die moeten worden genomen om

ze te beperken, niet is ingegaan in

motivering die in

toelichtingsnota bij het bestreden gewestelijk uitvoeringsplan is gewijd aan

toepassing van

watertoets”. 4.2.5.2. Onderzoek van

ernst van het middel 4.2.5.2.1. In een eerste onderdeel van het middel voeren

verzoekende partijen aan dat het vaststellingsbesluit geen waterparagraaf bevat (formele motivering). In een tweede onderdeel stellen

verzoekende partijen dat

motivering opgenomen in

toelichtingsnota niet afdoende is in het licht van artikel 8 DIWB. Concreet roepen

verzoekende partijen in dat die motivering op geen enkele wijze blijk geeft van

manier waarop

schadelijke effecten aan

natte natuurwaarden in het gebied Overmeersen en op

kwantitatieve toestand van het grondwater zullen worden vermeden, beperkt of hersteld. 4.2.5.2.2. Artikel 8, § 1, eerste lid DIWB bepaalt onder meer dat

overheid die, zoals te

zen, over een plan moet beslissen, er zorg voor draagt, door het weigeren van het plan of door het opleggen van gepaste voorwaarden, dat geen schadelijk effect ontstaat of dat dit zoveel mogelijk wordt beperkt en, indien dit niet X-13.191-43/53 mogelijk is, dat het schadelijk effect wordt hersteld of, in bepaalde gevallen, gecompenseerd. Artikel 8, § 2, laatste lid van hetzelfde

creet bepaalt dat

beslissing die

overheid neemt in het kader van § 1 wordt gemotiveerd, waarbij in elk geval

doelstellingen en

beginselen van het integraal waterbeleid worden getoetst. Artikel 8, § 4 tot slot bepaalt wat volgt: “Voor

vergunningsplichtige activiteit of een plan of programma die zijn onderworpen aan een milieueffectenrapportage geschiedt

analyse en evaluatie van het al dan niet optreden van een schadelijk effect en

op te leggen voorwaarden om dat effect te vermijden, te beperken, te herstellen of te compenseren, in dit rapport”. 4.2.5.2.3. Het bestreden plan is onderworpen aan een milieueffectenrapportage.

analyse en evaluatie van het al dan niet optreden van een schadelijk effect en

op te leggen voorwaarden om dat effect te vermijden, te beperken, te

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.