tection="none"> Print
ze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 26 mei 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.183.356 Rolnummer: A. 181095/X-13191 Zaak: Arrest 183356 - Stedenbouw en ruimtelijke ordening - Reglementen - 26/05/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-05-30 Raadplegingen: 65 - laatst gezien 2026-06-29 08:05 Fiche Arrest nr 183.356 van 26 mei 2008 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Stedenbouw en ruimtelijke ordening - Reglementen Beslissing : Verwerping Inwilliging tussenkomst Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van
beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 183.356 van 26 mei 2008 in
zaak A. 181.095/X-13.
BOCK,
SMEDT, B. ROELANDTS en H. SCHOUKENS, kantoor houdende te 9000 GENT, Kasteellaan 141 tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door
Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat P. AERTS, kantoor houdende te 9000 GENT, Coupure 5. tussenkomende partijen : 1.
n.v. NMBS HOLDING, 2.
n.v. EUROSTATION, die woonplaats kiezen bij advocaat P. FLAMEY, kantoor houdende te 2018 ANTWERPEN, Jan van Rijswijcklaan 16, 3.
stad GENT, 4.
Vlaamse Vervoermaatschappij
LIJN, die woonplaats kiest bij advocaat D. LINDEMANS, kantoor houdende te 1000 BRUSSEL, Keizerslaan 3, 5.
n.v. INFRABEL, die woonplaats kiest bij advocaten D. RYCKBOST en E. RYCKBOST, kantoor houdende te 8400 OOSTENDE, E. Beernaertstraat 80. X-13.191-1/53 D E R A A D V A N S T A T E, Xe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Johanna PEIRS, An MOORTHAMER, Luc LAVRYSEN, Geert ANGENON, Mark DAVEY, An SWALENS, Roger VAN SOOM, Sonia
BOCK, Nicole MEGANCK en Paul PEETERS op 16 februari 2007 hebben ingediend om
schorsing van
tenuitvoerlegging te vorderen van het besluit van 15
cember 2006 van
Vlaamse regering houdende
finitieve vaststelling van het gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan “stationsomgeving Gent Sint-Pieters - Koningin Fabiolalaan”, bij uittreksel bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 12 januari 2007; Gezien
nota van
verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur A. EYLENBOSCH; Gelet op
kennisgeving van het verslag aan partijen; Gelet op
beschikking van 28 juni 2007 waarbij
terechtzitting bepaald wordt op 28 september 2007; Gehoord het verslag van staatsraad J. BOVIN; Gehoord
opmerkingen van advocaat P.
SMEDT, die verschijnt voor
verzoekende partijen, van advocaat P. AERTS, die verschijnt voor
verwerende partij, van advocaten P. FLAMEY en K. MAN, die verschijnen voor
eerste en
tweede tussenkomende partij, van advocaat S. KEMPINAIRE, die verschijnt voor
rde tussenkomende partij, van advocaat T. EYSKENS die loco advocaat D. LINDEMANS verschijnt voor
vierde tussenkomende partij, en van advocaat D. RYCKBOST, die verschijnt voor
vijfde tussenkomende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur A. EYLENBOSCH; Gelet op
artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van
wetten op
Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Gelet op artikel 90, § 1, vierde lid van
wetten op
Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; X-13.191-2/53 OVERWEEGT WAT VOLGT :
n.v. NMBS HOLDING en
n.v. EUROSTATION,
stad GENT,
Vlaamse Vervoermaatschappij
LIJN en
n.v. INFRABEL gevraagd om in het administratief kort geding te mogen tussenkomen. Er is grond om
verzoeken in te willigen. 1.2.
verzoekende partijen hebben op 24 september 2007 een “pleitnota” ingediend.
eerste en
tweede tussenkomende partij hebben ter terechtzitting eveneens een “pleitnota” ingediend. Het indienen van een
rgelijke nota is niet voorzien in het procedurereglement. Zij worden uit
batten geweerd. 2. Over
thans voorliggende gegevens van
zaak 2.1. In het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen (hierna: RSV) is Gent geselecteerd als “grootstedelijk gebied” (
el 2: Gewenste Ruimtelijke Structuur - richtinggevend gedeelte, III.1.
stedelijke gebieden, 3.1. Selectie en afbakening van stedelijke gebieden). In grootstedelijke gebieden moeten luidens het RSV bestaande en toekomstige stedelijke potenties maximaal worden benut.
ze gebieden hebben steeds volgens het RSV
potentie om een groot
el van
groei inzake woongelegenheid, voorzieningen en economische activiteiten op te vangen. Het RSV geeft ook ontwikkelingsperspectieven aan (III.1., 4. Ontwikkelingsperspectieven), waarvan enkele rechtstreeks van toepassing zijn op
omgeving van het Sint-Pietersstation te Gent. In het provinciaal ruimtelijk structuurplan van
provincie Oost-Vlaanderen,
finitief vastgesteld op 10
cember 2003 en door
Vlaamse regering goedgekeurd op 18 februari 2004, wordt een hogere dichtheid van kantoren nagestreefd rond het Sint-Pietersstation te Gent. In het gemeentelijk ruimtelijk structuurplan Gent,
finitief vastgesteld door
gemeenteraad van
stad Gent op 27 januari 2003 en goedgekeurd door
Vlaamse minister bevoegd voor Ruimtelijke Ordening op 9 april 2003, wordt het Sint-Pietersstation genoemd als één van
knooppunten van X-13.191-3/53 het stedelijk openbaar vervoer. Samen met het station Dampoort is het Sint-Pietersstation een ontwikkelingspool voor gemengd wonen en kantoren.
westelijke torenrij vormt
beeldbepalende westelijke rand van
stad. 2.2. In het “Synthesedocument Ontwikkeling Stationsomgeving Gent - Sint-Pieters” van maart 2005 zijn
ruimtelijke inzichten, oppervlaktesimulaties en beelden die het resultaat zijn van
verschillende voorstudies, verzameld in één bundel. 2.3. In overleg met
cel MER -afdeling algemeen milieu- en natuurbeleid van AMINAL- wordt een plan/project-MER opgemaakt. Het kennisgevingsdossier is door
cel MER volledig verklaard op 17 maart 2004. Het werd van 23 maart 2004 tot en met 23 april 2004 ter inzage gelegd op het stadhuis van Gent. Op 29 maart 2004 en 5 april 2004 werden informatieavonden over het project georganiseerd in het Koninklijk Atheneum te Gent. Gelijktijdig werden bij
administraties en openbare besturen
adviezen gevraagd.
richtlijnen voor
opmaak van het MER worden uitgevaardigd op 22 juni 2004. Na aanpassing van een eerste ontwerp keurt
cel MER het plan-MER op 27 oktober 2005 goed. 2.4. Het project voor
ontwikkeling van
stationsomgeving Gent Sint-Pieters bestaat uit vier
elprojecten: 2.4.1.
elproject 1: bouwwerken tot omvorming van het station Gent Sint-Pieters
ze bouwwerken omvatten
herinrichting van het station zelf: het vervangen van
bestaande perronconstructie en
bestaande tunnels door een betonnen draagconstructie met, naast een technische ruimte, plaats voor fietsenstallingen, stationsfuncties en concessies, sporen en perrons en luifels. Gekoppeld hieraan wordt het sporencomplex tussen
Snepkaai en
Kortrijksesteenweg aangepast en gerationaliseerd en wordt voorzien in
oprichting van een Logistiek Centrum Infrastructuur (LCI). X-13.191-4/53 2.4.2.
elproject 2: bouwwerken tot verbetering van het multimodaal knooppunt voor openbaar vervoer Dit
elproject omvat
oprichting van een nieuw tram- en busstation ter vervanging van het bestaande. Tevens wordt voorzien in
verbreding van het profiel van
Koningin Fabiolalaan, en
vervanging van
verbinding tussen
Voskenslaan en het Maria Hendrikaplein door een tunnel onder
sporen. 2.4.3.
elproject 3: projectontwikkeling langs
Fabiolalaan en langs
Sint-
nijslaan (Sint-
nijsplein) Dit
elproject omvat
bouw van een parking, kantoren, woonruimten, handelsruimten en buurtvoorzieningen langs
Fabiolalaan en in beperktere mate langs
Sint-
nijslaan. Hiertoe worden een reeks bestaande NMBS-gebouwen langs
Fabiolalaan en ook het bestaande postgebouw gesloopt. Het
elproject aan
Fabiolalaan omvat in zone A
realisatie van een ondergrondse parking.
hoofdingang is voorzien via een tunnel onder
sporen en sluit aan op
verbindingsweg naar
R4. Voor
dimensionering ervan is rekening gehouden met volgende gebruikersgroepen: pendelparking, bewonersparking, bedrijven en personeel van winkels en publieke parking. In zones B en C zijn kleinere ondergrondse parkings voorzien. Om
projectontwikkeling langs het Sint-
nijsplein te kunnen realiseren worden 7 panden met cafés en appartementen aan
Sint-
nijslaan en 5 panden met woningen aan
Ganzendries gesloopt. 2.4.4.
elproject 4: verbindingsweg R4 Er wordt een verbindingsweg aangelegd tussen het aansluitingscomplex R4/B402 en een tunnel onder
sporen.
verbindingsweg loopt door het natuurgebied Overmeers en verbindt tevens
scholencampus Hogeschool Gent met
R4. 2.4.5.
verschillende
elprojecten zullen worden gerealiseerd in fasen (2005-2015). X-13.191-5/53 2.5.
verzoekende partijen zijn allen eigenaars en bewoners van woningen en/of appartementen die in
onmiddellijke omgeving van het project zijn gelegen. 2.6. Om
ontwikkelingen in
stationsomgeving mogelijk te maken en
ontsluitingsweg in verbinding met
R4 te kunnen realiseren is een herbestemming en herinrichting van verschillende zones binnen het plangebied vereist. Met het oog daarop wordt besloten tot
opmaak van een gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan “Stationsomgeving Gent Sint-Pieters - Koningin Fabiolalaan” genaamd (Bijlage III Toelichtingsnota,
Vlaamse regering van 27 januari 2006 wordt het ontwerp van gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan (GRUP) “stationsomgeving Gent Sint-Pieters - Koningin Fabiolalaan”, voorlopig vastgesteld. 2.
provincieraad van Oost-Vlaanderen advies uit. 2.11. Op 24 april 2006 brengt
gemeenteraad van
stad Gent advies uit. 2.12. In zitting van 27 juni 2006 brengt
VLACORO een gunstig advies uit over het ontwerp van ruimtelijk uitvoeringsplan mits wordt voldaan aan
erin gestelde voorwaarden en opmerkingen. X-13.191-6/53 2.13. Op 13 oktober 2006 beslist
Vlaamse regering
vervaltermijn voor
finitieve vaststelling van het gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan “stationsomgeving Gent Sint-Pieters - Koningin Fabiolalaan” met 60 dagen te verlengen. 2.14. Op 23 november 2006 brengt
Raad van State, afdeling wetgeving, advies uit met toepassing van artikel 84, § 1, eerste lid, 1/ van
gecoördineerde wetten op
Raad van State. 2.15. Bij het thans bestreden besluit van
Vlaamse regering van 15
cember 2006 wordt het gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan “stationsomgeving Gent Sint-Pieters - Koningin Fabiolalaan”
finitief vastgesteld. Dit besluit wordt bij uittreksel bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 12 januari 2007. 2.16. Bij besluit van 19
cember 2006 verleent
gewestelijk stedenbouwkundig ambtenaar aan
n.v. INFRABEL
stedenbouwkundige vergunning voor het bouwen van “een vernieuwd stationscomplex ‘Gent Sint-Pieters’ met tram- en busstation, tunnel en parking en bijhorende elementen” op gronden gelegen aan het Koningin Maria Hendrikaplein te Gent, kadastraal bekend 9e afdeling, sectie I, nrs. 647/t, 649/59c, 649/58b, 649/59f, 649/52f, 649/52e, 649/53a, 649/52c en 649/59g, omvattende “onder meer: S een vernieuwd stationscomplex met tram- en busstation aan het Koningin Maria Hendrikaplein; S het vernieuwen van
keermuur onder
sporen langsheen
Sint-
nijslaan; S een ontsluitingstunnel vanaf
Sint-
nijslaan naar
parking; S een ondergrondse parking langsheen
Koningin Fabiolalaan; S tijdelijke containers voor NMBS-personeel en een tijdelijke goederenloods voor
NMBS op
vroegere NMBS terreinen langsheen
Koningin Fabiolalaan; S tijdelijke fietsenstallingen aan
Sint-
nijslaan en
Koningin Fabiolalaan; S
herlokalisatie van zendmasten die momenteel op het dak van het bestaande, maar af te breken postgebouw staan; S het slopen van het postgebouw en
goederenloodsen die aan
westelijke zijde van het Koningin Maria Hendrikaplein staan, en verder
voorlopige NMBS-parking die recent in gebruik is genomen; S een voorafgaandelijke tunnel voor tram, bus, fietsers en voetgangersverkeer; S
aanleg van wegenis vanaf
ontsluitingstunnel naar
Koningin Fabiolalaan toe, via een omweg zoals aangeduid op het plan”. X-13.191-7/53
eerste,
tweede en
rde verzoekende partij hebben op 2 maart 2007 een vordering tot schorsing van
tenuitvoerlegging evenals een beroep tot nietigverklaring ingediend van
ze stedenbouwkundige vergunning (zaak A. 181.444/X-13.198). 2.17. Bij besluit van 19
cember 2006 verleent
gewestelijk stedenbouwkundig ambtenaar aan
administratie Wegen en Verkeer Oost-Vlaanderen
stedenbouwkundige vergunning voor “het aanleggen van een verbindingsweg vanaf
Sint-
nijslaan (stationssite) naar
R4 Grote Ring Noord te Gent” op gronden gelegen ten zuiden van
Sint-
nijslaan, kadastraal bekend 9e afdeling, sectie I, nrs. 344/d, 341/d en e, 336/a, 340/c en 339/b en c, omvattende: “- een tweevaksbaan verbindingsweg vanaf
stationssite naar
R4, vanaf
inrit van
toekomstige ondergrondse parking onder
stationssite tot aan
bestaande, vrije nieuwe brug over
Ringvaart, in het verlengde van
Pégoudlaan (site Flanders Expo); - een rond punt ter aansluiting op
bestaande op- en afrit van voormelde brug; - een dubbelrichting fietspad aan
westelijke zijde van
verbindingsweg; - een ‘groene’ geluidswand tussen het fietspad en
weg; - een fietsersonderdoorgang onder
aftakking van voormeld rond punt; - een fietspad dat
scholencampus verbindt; - verplaatsen van het bestaande rioleringstelsel buiten
wegeniswerken; - aanleg van een rioleringstelsel en baangrachten voor hemelwateropvang; - natuurcompensatie in het gebied ‘Overmeers’”.
vierde,
vijfde,
zesde en
zevende verzoekende partij hebben op 2 maart 2007 een vordering tot schorsing van
tenuitvoerlegging evenals een beroep tot nietigverklaring ingediend van
ze stedenbouwkundige vergunning (zaak A. 181.445/X-13.199). 3. Ontvankelijkheid van
vordering
rde en
vijfde tussenkomende partij betwisten
ontvankelijkheid van
vordering. Er bestaat vooralsnog geen noodzaak om over
opgeworpen excepties uitspraak te doen. Een onderzoek van en een uitspraak over
ze excepties dringt zich slechts op indien zou blijken dat
grondvoorwaarden voor schorsing zijn vervuld, hetgeen te
zen, zoals hierna zal blijken, niet het geval is. X-13.191-8/53 4. Over
grondvoorwaarden tot schorsing 4.1. Krachtens 17, § 2 van
gecoördineerde wetten op
Raad van State kan slechts tot
schorsing van
tenuitvoerlegging worden besloten onder
dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die
vernietiging van
aangevochten akte kunnen verantwoorden en dat
onmiddellijke tenuitvoerlegging van
ze akte een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen. 4.2. Over
aangevoerde middelen 4.2.
verzoekende partijen
schending aan van
algemene beginselen van behoorlijk bestuur, meer specifiek
schending van
materiële motiveringsplicht, het zorgvuldigheidsbeginsel en het redelijkheidsbeginsel juncto
schending van artikel 4.1.
creet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid (hierna: DABM), “doordat
Vlaamse regering het bestreden gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan
finitief vaststelt op basis van een wettelijk ontoereikend milieueffectenrapport, dat enerzijds géén volwaardig onderzoek van het nulalternatief omvat en dat anderzijds
tijdens
scoping voorgestelde en voor
buurt als meest milieuvriendelijk gekwalificeerde alternatieven zonder legale/redelijke/wetenschappelijk onderbouwde verantwoording verwerpt, terwijl, eerste onderdeel, het
Vlaamse regering toekomt om met betrekking tot het zogenaamde nulalternatief, in het kader van een behoorlijke afweging van alle terzake dienende feitelijke en juridische gegevens: • rekening te houden met artikel 4.2.7, §1, l/, f) DABM, dat stelt dat een plan-MER een beschrijving dient te omvatten van
milieueffecten die gepaard gaan met
uitvoering van het nulalternatief, • rekening te houden met artikel 4.2.7, § 1, l/ DABM en artikel 4.1.4 DABM, die stellen dat het zoeken naar redelijke alternatieven met mogelijk minder milieueffecten
kern vormt van
plan-m.e.r.; • rekening te houden met
‘Richtlijnen milieueffectenrapportage: Station Gent St.-Pieters en omgeving’, die uitdrukkelijk stellen dat redelijke alternatieven, bestaande uit een kleinschalige projectontwikkeling langs
Koningin Fabiolalaan, zonder R4-link en zonder ondergrondse pendelparking, maar met alternatieve P+R aan Flanders Expo, op volwaardige wijze en met
nodige diepgang moeten worden onderzocht (Richtlijnen p.3, p.7, p. 12, ...); • rekening te houden met
‘Richtlijnen milieueffectenrapportage: Station Gent St. -Pieters en omgeving’, waarin geenszins wordt afgeweken van
verplichting tot het onderzoeken van het nulalternatief, maar integendeel X-13.191-9/53 uitdrukkelijk is aangegeven dat
bestaande toestand van het gebied als referentietoestand moet worden beschreven; • geen gehoor te verlenen aan
bewering dat het nulalternatief zou ingaan tegen
beleidsvisie en niet zou beantwoorden aan
beleidsdoelstellingen (zie MER, p.45), nu
ze bewering niet kan dienen als verantwoording voor het niet-uitwerken van het nulalternatief, om
eenvoudige reden dat dit een schending uitmaakt van artikel 4.1.4 DABM, dat stelt dat
doelstelling van
m.e.r. specifiek gelegen is in het toekennen van een evenwaardige plaats aan het milieubelang, naast
sociale, economische en andere maatschappelijke belangen, bij
besluitvorming over acties die aanzienlijke milieueffecten kunnen veroorzaken, terwijl, tweede onderdeel, het
Vlaamse regering toekomt om met betrekking tot
voor
buurt als meest milieuvriendelijk gekwalificeerde alternatieven, in het kader van een behoorlijke afweging van alle terzake dienende feitelijke en juridische gegevens: • rekening te houden met
inhoud van artikel 4.2.7, §1, l/,
beschikbare alternatieven voor het voorgenomen plan of programma of onderdelen ervan; onder meer inzake doelstellingen, locaties en wijze van uitvoering of inzake bescherming van het milieu’ en ‘een vergelijking tussen het voorgenomen plan of programma en
beschikbare alternatieven die redelijkerwijze onderzocht kunnen worden, alsmede
motivatie voor
selectie van
te onderzoeken alternatieven’; • rekening te houden met artikel 4.1.4 DABM, dat stelt dat
doelstelling van
m.e.r. specifiek gelegen is in het toekennen van een evenwaardige plaats aan het milieubelang, naast
sociale, economische en andere maatschappelijke belangen, bij
besluitvorming over acties die aanzienlijke milieueffecten kunnen veroorzaken; • rekening te houden met het feit dat het MER ontoelaatbaar vaag is, waar sprake is van
zogenaamde ‘milieuvoordelen van het projectvoorstel’, die in realiteit nooit kunnen opwegen tegen
belangrijke milieuvoordelen die gepaard gaan met
uitvoering van (onder meer) het nulalternatief, • in vraag te stellen of het
elalternatief zonder ondergrondse megaparking en zonder ontsluitingsweg terecht niet is weerhouden, inachtgenomen
aan dit
elalternatief verbonden belangrijke milieuvoordelen, zoals minder grondoverschotten, minder negatieve gevolgen van het oppompen van het grondwater om
ondergrondse parkeergarage te kunnen bouwen, geen extra geluidsoverlast voor
Roosakker, het Vina Bovypark en een
el van
Sint-
nijslaan en
vrijwaring van
natuurwaarde van het natuurgebied Overmeersen; • in vraag te stellen of het
elalternatief zonder ondergrondse megaparking en zonder ontsluitingsweg terecht niet is weerhouden om reden van beweerde ‘nadelen’, die feitelijk en juridisch op niets blijken te zijn gestoeld: /
(ver)onderstelling dat het aantrekken van
keuzereiziger gepaard moet gaan met
aanwezigheid van een ondergrondse parking aan het (...) Sint-Pietersstation is niet wetenschappelijk gestaafd aan
hand van (onder meer) cijfermateriaal, meer zelfs, géén rekening is gehouden met
reeds bestaande saturatie van
autosnelweg naar Brussel,
toename van
variabele kosten van het autogebruik en andere maatregelen die in het mobiliteitsbeleid zullen worden genomen om het gebruik van
wagen in het woon-werkverkeer te ontmoedigen, en, tot slot, het recent invoeren van het betalend parkeren in
buurt van het Sint-Pietersstation, /
(ver)onderstelling dat het gebrek aan grote parking een ondermijning zou inhouden van
aantrekkingskracht van
projectontwikkeling X-13.191-10/53 betreft een argument dat niet past in een milieueffectenrapport en wordt bovendien weerlegd door cijfers uit andere steden (...), waaruit blijkt dat
kantoorgebouwen die zich in
onmiddellijke nabijheid van een station bevinden voornamelijk worden bevolkt door personen die het werk via het openbaar vervoer bereiken, /
weerlegging van
park and ride-parking ter hoogte van Flanders Expo als zijnde geen valabel alternatief, kan moeilijk worden weerhouden, nu
stad Gent
ze P+R zelf promoot omwille van
snelle verbinding met het stadscentrum (slechts 10 minuten), /
weerlegging van een goed uitgebouwd voorstadstreinnet als valabel alternatief omwille van
weigering van
NMBS om over te gaan tot
uitbouw van een voorstadsnet, kan moeilijk worden beschouwd als een milieuargument, /
bewering dat het ontbreken van een verbindingsweg ervoor zorgt dat er geen verschuiving is van het verkeer van
R40 (kleine ring) naar
R4 (grote ring), toont duidelijk aan dat
R4-verbindingsweg wordt aanzien als een extra ontsluitingsweg die veel verkeer aantrekt en waarvan
link met
R40 gemakkelijk is te maken, meer zelfs,
op Flanders Expo in het vooruitzicht (gestelde) ontwikkelingen, o.m.
inplanting van een IKEAvestiging, zullen dit verkeersaanzuigend effect nog (...) versterken, / het kan niet worden hardgemaakt dat
realisatie van een fietsverbinding gekoppeld is aan het aanleggen van een ontsluitingsweg, nu bovendien het leggen van een fietsbrug over
ringvaart en een fietsverbinding langs
rand van
Overmeersen of via
Scholencampus alternatieven zijn die losstaan van
aanleg van
weg, • in vraag te stellen of het
elalternatief zonder ondergrondse megaparking en zonder ontsluitingsweg terecht niet is weerhouden, inachtgenomen dat ook
GECORO in haar advies over het Ruimtelijk Structuurplan Gent stelt dat het voorzien van een nieuwe toegangsweg en een uitgebreide parking als uitvoeringsalternatief negatief moet worden beoordeeld gezien
impact op het milieu,
mobiliteit en
leefbaarheid van
stationsomgeving (...): ‘
GECORO meent dat een nieuwe toegangsweg naar het Sint-Pietersstation niet strookt met het principe van
A-locatie die maximaal gericht moet zijn op
bereikbaarheid via het openbaar vervoer. Het in het RSG aan te geven aantal te voorziene parkeerplaatsen moet dan ook
kantoor- en woonfunctie bedienen en niet gebruikt worden als pendelparking. Een nieuwe toegangsweg in functie van een pendelparking impliceert een aanzuigend effect voor het verkeer en een algemene verhoging van het verkeer naar
stad. Bovendien laten
gevoeligheid van
plek en
ecologische waarden (Schoonmeersen- Sint-Pieters-Aaigem) niet toe om een nieuw wegtracé te voorzien. Het moet duidelijk zijn dat
aanpassing van het RSG rekening moet houden met
timing van het op te maken gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan. Om te vermijden dat het RSG voor voldongen feiten zou staan, moet nu reeds het standpunt over
ze toegangsweg meegedeeld worden aan
hogere overheid. Gezien
keuze van
GECORO om
verbindingsweg niet te realiseren en
suggestie om
parking op Flanders Expo als P&R-parking te laten fungeren, zal het autoverkeer niet door het hart van
wijk worden gehaald. Integendeel, door
aanleg van het nieuwe openbaar vervoersknooppunt aan Flanders Expo, met een vlotte tramverbinding naar het Sint-Pietersstation, wordt verkeer weggehaald uit andere (woon)straten. Ook
Voskenslaan kan dan gaan fungeren als een langzaamaan verkeersas’. X-13.191-11/53 zodat
Vlaamse regering, op basis van het wettelijk ontoereikend milieu-effectenrapport, en met inachtneming van
algemene beginselen van behoorlijk bestuur, samengelezen met
in dit dossier relevante regelgeving, niet tot
finitieve vaststelling van het bestreden gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan kon overgaan”. 4.2.1.2. Onderzoek van
ernst van het middel 4.2.1.2.1. In een eerste middel voeren
verzoekende partijen in essentie aan dat het MER kennelijk ontoereikend is door enerzijds geen volwaardig onderzoek te omvatten van het nulalternatief, en door anderzijds
tijdens
scoping voorgestelde en voor
buurt als meest milieuvriendelijk gekwalificeerde alternatieven zonder legale/redelijke/wetenschappelijk onderbouwde verantwoording te verwerpen. 4.2.1.2.2. Artikel 4.1.4., § 1 DABM bepaalt: “§ 1.
milieueffect- en veiligheidsrapportage beoogt, in
besluitvorming over acties die aanzienlijke milieueffecten kunnen veroorzaken en/of die een zwaar ongeval teweeg kunnen brengen, aan het milieubelang en
veiligheid en
gezondheid van
mens een plaats toe te kennen die evenwaardig is aan
sociale, economische en andere maatschappelijke belangen”. Artikel 4.2.7., § 1, 1/, c),
beslissing, bedoeld in artikel 4.2.5, § 1, bestaat het plan-MER ten minste uit
volgende onderdelen : 1/ een algemeen
el dat
volgende informatie bevat : (...) c) een schets van
beschikbare alternatieven voor het voorgenomen plan of programma of onderdelen ervan; onder meer inzake doelstellingen, locaties en wijze van uitvoering of inzake
bescherming van het milieu; d) een vergelijking tussen het voorgenomen plan of programma en
beschikbare alternatieven die redelijkerwijze onderzocht kunnen worden, alsmede
motivatie voor
selectie van
te onderzoeken alternatieven; (...) f) een beschrijving van
bestaande toestand van het milieu (met inbegrip van
milieukenmerken van gebieden waarvoor
gevolgen aanzienlijk kunnen zijn en van alle bestaande milieuproblemen), voorzover
tenuitvoerlegging van het voorgenomen plan of programma of van één van
onderzochte alternatieven daarvoor gevolgen kan hebben, en een beschrijving van
te verwachten ontwikkeling van dat milieu indien noch het voorgenomen plan of programma, noch één van
alternatieven wordt uitgevoerd; 2/ een
el betreffende
milieueffecten dat
volgende informatie bevat: (...) X-13.191-12/53 b) een beschrijving en onderbouwde beoordeling van
mogelijk aanzienlijke milieueffecten van het voorgenomen plan of programma en van
onderzochte alternatieven op of inzake, in voorkomend geval,
gezondheid en veiligheid van
mens,
ruimtelijke ontwikkeling,
biodiversiteit,
fauna en flora,
energie- en grondstoffenvoorraden,
bodem, het water,
atmosfeer,
klimatologische factoren, het geluid, het licht,
stoffelijke goederen, het cultureel erfgoed met inbegrip van het architectonisch en archeologisch erfgoed, het landschap,
mobiliteit, en
samenhang tussen
genoemde factoren;
ze beschrijving van
milieueffecten omvat
directe, en in voorkomend geval
indirecte, secundaire, cumulatieve en synergetische effecten, permanent en tijdelijk, positief en negatief, op korte, middellange en lange termijn van het voorgenomen plan of programma;
beoordeling van
aanzienlijke milieueffecten gebeurt onder meer in het licht van
overeenkomstig Hoofdstuk II van Titel II van dit
creet vastgestelde milieukwaliteitsnormen; (...) e) een globale evaluatie van het voorgenomen plan en programma en
onderzochte alternatieven; (...) § 2. Het plan-MER moet
in § 1 genoemde informatie slechts bevatten : 1/ voor zover ze relevant is voor het stadium van het planningsproces waarin
milieueffectrapportage wordt uitgevoerd en voor zover ze relevant is in het licht van
inhoud en het
tailleringsniveau van het voorgenomen plan of programma; 2/ voorzover
bestaande kennis en
bestaande effectanalyse- en beoordelingsmethodes redelijkerwijze toelaten om
ze informatie te verzamelen en te verwerken; 3/ voorzover
uitvoerigheid van het voorgenomen plan of programma dit redelijkerwijze toelaat”. Een plan-MER dient
rhalve in beginsel ten minste
informatie te verschaffen over alle rubrieken die in artikel 4.2.7., § 1 DABM worden vermeld, binnen
grenzen van het in
4.2.1.2.3.
cel MER dient krachtens artikel 4.2.5., § 1,
rde lid DABM bij haar beslissing over
inhoud van het plan-MER en
inhoudelijke aanpak van
rapportage, en over
bijzondere richtlijnen voor het opstellen van het plan-MER, rekening te houden met
opmerkingen en commentaren die door
betrokken instanties en het publiek zijn ingediend met betrekking tot
inhoudsafbakening van het rapport, en in het bijzonder met
opmerkingen en commentaren die handelen over te onderzoeken effecten, alternatieven of maatregelen. Wat het opstellen van het plan-MER betreft, bepaalt artikel 4.2.6. DABM wat volgt: X-13.191-13/53 “§ 1. Het plan-MER wordt opgesteld onder
verantwoordelijkheid en op kosten van
initiatiefnemer.
initiatiefnemer moet hiervoor een beroep doen op een erkende MER-coördinator. Hij stelt aan
MER-coördinator alle relevante informatie ter beschikking die voorhanden is. Hij verleent alle medewerking opdat
MER-coördinator zijn taak naar behoren kan vervullen. § 2.
erkende MER-coördinator mag geen belang hebben bij het voorgenomen plan of programma of
alternatieven, noch betrokken worden bij
latere uitvoering van het plan of programma. Hij voert zijn opdracht volledig onafhankelijk uit en geeft in voorkomend geval leiding aan een team van medewerkers dat geheel of gedeeltelijk door
initiatiefnemer ter beschikking wordt gesteld.
erkende MER-coördinator waakt erover dat
samenstelling van het team van medewerkers het mogelijk maakt om het plan-MER op te stellen in overeenstemming met het m.e.r.-richtlijnenboek en met
in artikel 4.2.5, § 1, bedoelde inhoudsafbakening en bijzondere richtlijnen. § 3. Tijdens het opstellen van het plan-MER is
erkende MER-coördinator gehouden tot overleg met
administratie.
MER-coördinator moet in voorkomend geval
aanvullende bijzondere schriftelijke richtlijnen van
administratie, als aanvulling op
afgebakende inhoud en
bijzondere richtlijnen, bedoeld in artikel 4.2.5, § 1, in acht nemen”. Artikel 4.2.8. §§ 1 en 2 DABM, bepaalt wat betreft het onderzoek en het gebruik van het plan-MER, wat volgt: “§ 1.
initiatiefnemer bezorgt het voltooide plan-MER door betekening of tegen ontvangstbewijs aan
administratie. § 2.
administratie toetst het plan-MER inhoudelijk aan : 1/
beslissing, bedoeld in artikel 4.2.5, § 1; 2/ in voorkomend geval,
overeenkomstig artikel 4.2.6, § 3, door haar verstrekte aanvullende bijzondere richtlijnen; 3/
overeenkomstig artikel 4.2.7 vereiste gegevens. Het resultaat van
toetsing wordt opgenomen in het plan-MER-verslag en leidt tot
goed- of afkeuring van het plan-MER. Als
administratie het plan-MER afkeurt, vermeldt het verslag alle punten waarop het plan-MER tekortschiet.
administratie keurt het plan-MER onverwijld en uiterlijk binnen een termijn van vijftig dagen na ontvangst ervan, goed of af”. 4.2.1.2.4. Uit het dossier blijkt dat na aanpassing van een eerste ontwerp, het plan-MER door
cel MER is goedgekeurd bij beslissing van 27 oktober 2005: “Aan
hand van
criteria die vooropgesteld werden in
betekende richtlijnen van 22 juni 2004 werd dit goedkeuringsverslag opgesteld. Het milieueffectrapport heeft
nodige invulling gegeven aan
richtlijnen die overeenkomstig artikel 4.3.5. § 1 van het
creet betreffende
milieueffect- en veiligheidsrapportage van 18
cember 2002 (...) werden vastgesteld. Het MER bevat voldoende informatie om het aspect milieu een volwaardige plaats te geven bij
vaststelling van het uitvoeringsplan en
verdere besluitvorming”. X-13.191-14/53 4.2.1.2.5. In het middel betwisten
verzoekende partijen
intrinsieke
gelijkheid van het MER zoals dit door
cel MER is goedgekeurd.
Raad van State, bevoegd voor
toetsing van
wettigheid van een ruimtelijk uitvoeringsplan, kan zijn beoordeling op het punt van
intrinsieke
gelijkheid van een MER niet in
plaats stellen van die van
cel MER. Hij kan enkel nagaan of
cel MER wettig tot haar beslissing is gekomen, m.a.w. op grond van juiste feitelijke gegevens in redelijkheid heeft kunnen beslissen, in casu dat “het MER voldoende informatie bevat om het aspect milieu een volwaardige plaats te geven bij
vaststelling van het uitvoeringsplan en
verdere besluitvorming”. 4.2.1.2.6. Wat het eerste onderdeel van het middel betreft wordt in
“Bijlage III Toelichtingsnota” bij het GRUP onder punt “5.2. mer (milieu-effect- rapportage)” onder meer het volgende gesteld: “In
MER wordt aangegeven, zoals ook hierboven beschreven, dat het onderzochte project een concrete invulling betreft van
ruimtelijke opties zoals vastgelegd in het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen, het Provinciaal Ruimtelijk Structuurplan Oost-Vlaanderen, het gemeentelijk Ruimtelijk Structuurplan Gent en het Mobiliteitsplan Gent.
ze beleidsplannen schetsen een expliciet kader voor
beoogde ontwikkeling van
omgeving van het Gentse Sint-Pietersstation, met inbegrip van
verbindingsweg naar
R4.
beleidskeuzes zoals geformuleerd in
ze beleidsplannen zijn in aanzienlijke mate gebaseerd op milieu-overwegingen.
uitbouw van Gent Sint-Pieters als openbaar vervoersknooppunt ondersteunt
ontwikkeling van een duurzame mobiliteit en heeft een betekenis voor zowel verplaatsingen naar Gent als vanuit of via Gent. Daarnaast worden in
aangehaalde beleidsplannen
potenties van
stationsomgeving, als
uitgelezen locatie voor verdichting, onderkend: op geen enkele andere locatie zijn
mogelijkheden ter vermindering van het wegverkeer zo groot als op locaties gesitueerd aan multimodaal bereikbare knooppunten. alternatieven In
MER worden alternatieven voor het voorgenomen plan of onderdelen ervan onderzocht en ten opzichte van elkaar afgewogen. Een bijzonder alternatief is het nulalternatief. Wat
invulling van het openbaar vervoersknooppunt betreft en
stedelijk(e) ontwikkelingspool met woon- en kantoorfuncties beantwoordt dit nulalternatief echter niet aan
hierboven opgesomde beleidsplannen, op hun beurt gebaseerd op milieu-overwegingen. Bijgevolg wordt dit nulalternatief niet onderzocht. Wel is in
MER nagegaan of
voorziene projectontwikkeling niet in een andere vorm kan worden gerealiseerd, b.v. andere dimensies. Ook is het nulalternatief op een volwaardige wijze onderzocht voor het onderdeel ‘ondergrondse parking’ en ‘verbindingsweg R4’. Met andere woorden, in
MER worden
effecten onderzocht van het niet realiseren en het niet aanwezig zijn van zowel
ondergrondse parking als
verbindingsweg met
R4. Als variante is ook
situatie waarbij wel een ondergrondse parking wordt gerealiseerd, maar geen verbindingsweg, beschouwd. Naast het vermelde nulalternatief en
variante X-13.191-15/53 worden in
MER een aantal inrichtings- en locatiealternatieven besproken, ondermeer: -
aantakking van
verbindingsweg op het aansluitingscomplex R4/B402: met een twee-strooksrotonde of een lichtengeregeld kruispunt; -
inrichting en het tracé van
verbindingsweg: een tracé dichterbij of verder weg van
scholencampus, een fietstracé door heen
scholencampus,
verbindingsweg in sleuf of
els ondergronds of bovengronds, met een minimaal wegprofiel, het fietspad aan oostelijke of westelijke zijde, met of zonder geluidsafscherming; - het aantal bouwlagen in
projectontwikkeling aan het Sint-
nijsplein”.
verantwoording dat
elprojecten, andere dan
ondergrondse parking en
verbindingsweg R4, ook mede zijn ingegeven door milieuoverwegingen wordt als zodanig door
verzoekende partijen niet betwist. In het licht van
doelstelling geformuleerd in artikel 4.1.4. DABM, met name het toekennen van een evenwaardige plaats aan het milieubelang, naast
sociale, economische en andere maatschappelijke belangen, is het daarom niet kennelijk onredelijk
bestaande toestand niet op zijn milieueffecten te beschrijven en als referentietoestand enkel te weerhouden het project zonder het onderdeel ondergrondse parking en verbindingsweg er naar toe. 4.2.1.2.7 In een tweede onderdeel betwisten
verzoekende partijen in wezen
beoordeling van het MER dat het project met parking en verbindingsweg
meeste milieuvoordelen biedt. Daartoe geven zij een opsomming van
volgens het MER aan het nulalternatief -dit is het project zonder parking en verbindingsweg- verbonden milieuvoordelen en betwisten zij
feitelijke en juridische onderbouwing van
motieven ten voordele van het weerhouden project. Vooreerst dient te worden vastgesteld dat, zoals blijkt uit het dossier,
overheid op het eerste gezicht terecht, gelet op het richtinggevend gedeelte van het RSV, waarin verdichting van stationsomgevingen een uitdrukkelijke optie is en waarbij het station Gent Sint-Pieters uitdrukkelijk wordt vermeld als een hoofdstation waarvan
vooropgestelde perimeter van ca. 1.000m van het gebied waar een hogere dichtheid en
lokalisatie van personenvervoergerichte activiteiten wordt nagestreefd, kan worden uitgebreid (RSV,
el 2: Gewenste Ruimtelijke Structuur - richtinggevend gedeelte, III.
omgeving van het Sint-Pietersstation niet op schaalniveau van het gebied zelf heeft geëvalueerd, maar op schaalniveau Vlaanderen. X-13.191-16/53 Onder punt “ 8. Afweging alternatieven” van
“Niet technische samenvatting” van het MER worden
milieueffecten van het nulalternatief “geen verbindingsweg met
R4 en geen ondergrondse parking” toegelicht en een afweging gemaakt met het voorgestelde concept: “8.1.1. Voordelen nul-alternatief Het nul-alternatief biedt volgende voordelen ten opzichte van het voorliggende projectvoorstel: . voornamelijk doordat
ondergrondse parking niet wordt gerealiseerd ontstaan beduidend minder grondoverschotten, en daardoor ook beduidend minder werfverkeer; .
impact van bemaling is aanzienlijk minder (invloedszone beperkter) maar toch blijven belangrijke effecten op het grondwaterpeil bestaan (bemaling ten behoeve van andere
elingrepen); .
bewoners ter hoogte van Roosakker en
zuidelijke zijstraten van
Sint-
nijslaan die uitlopen tot in het gebied Overmeers worden niet blootgesteld aan hogere geluidsniveau’s; .
huidige ecologische waarde van het natuurgebied Overmeers wordt niet aangetast door het project (geen inname ecotopen, geen toename van
verstoring, geen verdere versnippering); .
landschappelijke en belevingswaarde van het gebied Overmeers blijft behouden. (volgt een nadere toelichting van
ze voordelen, punt per punt) 8.1.2. Nadelen nul-alternatief Het nulalternatief biedt volgende nadelen ten opzichte van het voorliggende projectvoorstel: . Keuzereizigers worden niet aangetrokken .Geen parking ondermijnt aantrekkingskracht projectontwikkeling voor investeerders . Een P + R parking ter hoogte van Flanders Expo is geen alternatief . Een verder uitgebouwd voorstadstreinnet is vooralsnog evenmin een alternatief . Geen verbindingsweg legt hoge verkeersdruk op omliggende wegen . Geen verbindingsweg leidt niet tot verschuiving verkeer van R40 naar R4 . Geen verbindingsweg betekent geen oplossing voor
suboptimale ontsluiting van
campus BME/CTL . Geen verbindingsweg leidt tot langdurige belasting Sint-
nijslaan door werfverkeer . Geen verbindingsweg betekent geen directe fietsverbinding naar Flanders Expo (volgt een nadere toelichting van
ze nadelen, punt per punt)” om dan te besluiten: “Ondanks het feit dat het nul-alternatief ontegensprekelijk belangrijke milieuvoordelen biedt wegen
ze niet op tegen
milieuvoordelen van het projectvoorstel. Men moet hierbij steeds het uitgangspunt en
basisdoelstelling van het project duidelijk voor ogen houden, met name het concentreren van grootschalige woon- en kantooractiviteiten in stedelijke X-13.191-17/53 gebieden (via verdichting) op knooppunten van openbaar vervoer. Hierdoor spaart men grote oppervlakten open ruimte en bevordert men
modal split, meer bepaald het aandeel van het openbaar vervoer in het woon-werkverkeer, wat zeer gunstige effecten heeft op vlak van uitstoot van emissies, geluidshinder, verkeersveiligheid, verkeersdoorstroming, etc.. Om meer keuzereizigers te kunnen aantrekken zijn
bereikbaarheid en
mogelijkheid om er te parkeren essentiële randvoorwaarden. Een parking is trouwens ook een absolute noodzaak wil men investeerders overhalen om te participeren in het project. Het achterwege laten van
verbindingsweg leidt tot overbelasting van
Sint-
nijslaan en
Voskenslaan en hypothekeert er
doorstroming van het openbaar vervoer (snelle tramverbinding).
parking én
verbindingsweg zijn in dit geval dan ook essentiële voorwaarden om
hogere milieudoelstelling te kunnen verwezenlijken”.
argumenten die door
verzoekende partijen in
uiteenzetting van het middel worden aangevoerd zijn op het eerste gezicht niet van aard om te besluiten dat
ze beoordeling -gezien op schaalniveau Vlaanderen- kennelijk niet afdoende is ter verwezenlijking van
doelstelling gesteld in artikel 4.1.4. DABM.
omstandigheid dat
GECORO in haar advies over het ruimtelijk structuurplan Gent heeft gesteld dat het voorzien van een nieuwe toegangsweg en een uitgebreide parking als negatief moet worden beoordeeld, lijkt aan het voorgaande geen afbreuk te doen. Geen enkele
cretale bepaling, noch beginsel van behoorlijk bestuur lijkt
Vlaamse regering op te leggen in haar beoordeling en besluitvorming rekening te houden met adviezen die zijn uitgebracht door een adviesorgaan naar aanleiding van een procedure tot opmaak van een structuurplan op een lager niveau. 4.2.1.2.8. Het eerste middel is niet ernstig. 4.2.2. Tweede middel 4.2.2.1. In een tweede middel voeren
verzoekende partijen
schending aan van
algemene beginselen van behoorlijk bestuur, meer specifiek van
materiële motiveringsplicht, het zorgvuldigheidsbeginsel en het redelijkheidsbeginsel juncto
schending van artikel 4.1.7. DABM, “doordat
Vlaamse regering het bestreden gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan
finitief vaststelt, zonder enige specifieke motivering inzake
keuze voor één of meerdere
elalternatieven en/of
aanvaardbaarheid van
te verwachten of mogelijke gevolgen voor mens en milieu en/of
in het X-13.191-18/53 MER voorgestelde maatregelen, maar op basis van louter en alleen
hiernavolgende ‘algemene standaardmotivering’: ‘overwegende dat
MER conform is verklaard op 27 oktober 2005, zodat er moet worden van uitgegaan dat alle alternatieven die op planniveau moesten onderzocht worden, daadwerkelijk en voldoende onderzocht werden; dat heel wat milderende maatregelen uit
MER en aanbevelingen in het MER-verslag niet kunnen worden opgenomen in
stedenbouwkundige voorschriften of
grafische aanduiding van het ruimtelijk uitvoeringsplan maar doorwerking moeten krijgen op project-niveau, dit wil zeggen bij het uitwerken of beoordelen van stedenbouwkundige vergunningsaanvragen of milieuvergunnings- aanvragen’ terwijl artikel 4.1.7 DABM
overheid expliciet oplegt om bij haar beslissing over
voorgenomen actie (en in voorkomend geval ook bij
uitwerking ervan) rekening te houden met het goedgekeurde MER en met
opmerkingen en commentaren die daarover werden uitgebracht, en, meer specifiek,
overheid oplegt om elke beslissing over
voorgenomen actie in het bijzonder op volgende punten te motiveren: l/
keuze voor
voorgenomen actie, een bepaald alternatief of bepaalde
elalternatieven; 2/
aanvaardbaarheid van te verwachten of mogelijke gevolgen voor mens of milieu van het gekozen alternatief-, 3/
in het rapport of
rapporten voorgestelde maatregelen, en terwijl
goedkeuring van het MER
Vlaamse minister niet ontslaat van
ze specifieke motiveringsplicht ex artikel 4.1.7 DABM, die immers nét tot doel heeft na te gaan in hoeverre
bevoegde overheid
conclusies uit het MER meeneemt in haar besluitvorming omtrent het betrokken plan en/of project, en terwijl ook
in het bestreden besluit opgenomen vaststelling dat ‘heel wat milderende maatregelen niet kunnen worden vertaald in stedenbouwkundige voorschriften’ en dat ‘bepaalde maatregelen maar doorwerking moeten krijgen op projectniveau’
Vlaamse minister niet ontslaat van
specifieke motiveringsplicht ex 4.1.7 DABM, al was het maar omdat
ze in het bestreden besluit opgenomen motivering haaks staat op
doelstelling van
plan-m.e.r.-plicht, die nét beoogt in een zo vroeg mogelijk stadium (dus vóór het projectniveau)
milieueffecten van een mogelijk schadelijk project te analyseren en mee te nemen in
besluitvorming, en terwijl in dit verband evenmin kan worden verwezen naar
toelichtingsnota bij het bestreden ruimtelijke uitvoeringsplan, waarin overigens slechts volgende summiere motivering inzake
doorwerking van het MER is opgenomen: ‘In overleg met
cel MER -afdeling algemeen milieu- en natuurbeleid van AMINAL- wordt een plan/project-MER opgemaakt. In voorliggend ruimtelijk uitvoeringsplan ‘stationsomgeving Gent Sint-Pieters- Koningin Fabiolalaan’ is rekening gehouden met
hoofdlijnen van
aanbevelingen voortkomend uit
ze MER-procedure. Bij verdere realisatie/uitwerking dient eveneens rekening te worden gehouden met
ze aanbevelingen.
MER is op 27 oktober 2005 goedgekeurd door
bevoegde administratie. Naar aanleiding van
MER-procedure is bepaald dat als compensatie voor
natuurwaarden en
oppervlakte aan natuurgebied die zullen verdwijnen door
aanleg van
verbindingsweg R4-station, sommige percelen gelegen binnen het bestaande natuurgebied van Overmeersen X-13.191-19/53 zullen worden hersteld in hun oorspronkelijke staat van Meersen.
ze natuurcompensatie wordt gekoppeld aan
stedenbouwkundige vergunning voor
aanleg van
verbindingsweg R4-station. Een herbestemming van
gronden in het gebied Overmeersen is niet nodig aangezien
ze reeds volgens het gewestplan
bestemming natuurgebied hebben.
eventuele aankoop of onteigening van
ze gronden zal gebeuren in overleg met
bevoegde administratie voor
aanleg van
verbindingsweg,
Administratie Wegen en Verkeer’, zonder dat daarbij in
toelichtingsnota wordt ingegaan op
keuze voor één of meerdere bepaalde
elalternatieven (enkel
aanvaardbaarheid van
te verwachten schadelijke gevolgen voor het natuurgebied ‘Overmeersen’ komt aan bod, alsook
in het MER voorgestelde maatregelen om
schade aan het natuurgebied ‘Overmeersen’ tegen te gaan) en zonder dat daarbij wordt stilgestaan bij
aanvaardbaarheid van en
te nemen maatregelen inzake
te verwachten schadelijke effecten op het vlak van luchtkwaliteit, geluidshinder, grondwater, landschapswaarde en mobiliteit, waarvan uit het MER zélf blijkt dat óók het plan op
ze punten schadelijke gevolgen met zich mee zal brengen, zodat het bestreden vaststellingsbesluit een schending vormt van
uitdrukkelijke en specifieke motiveringsplicht opgenomen in artikel 4.1.7 DABM”. 4.2.2.2. Onderzoek van
ernst van het middel 4.2.2.2.1. In een tweede middel voeren
verzoekende partijen in essentie aan dat
Vlaamse regering het bestreden gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan
finitief heeft vastgesteld zonder enige specifieke motivering noch in het besluit zelf, noch in
toelichtingsnota met betrekking tot
keuze voor één of meerdere
elalternatieven en/of
aanvaardbaarheid van
te verwachten of mogelijke gevolgen voor mens en milieu en/of
in het MER voorgestelde maatregelen, maar op grond van louter en alleen een algemene standaardmotivering, terwijl
goedkeuring van het MER
Vlaamse regering niet ontslaat van
specifieke motiveringsplicht ex artikel 4.1.7. DABM, die tot doel heeft na te gaan in hoeverre
bevoegde overheid
conclusies uit het MER meeneemt in haar besluitvorming. 4.2.2.2.2. Artikel 4.1.7. DABM luidt als volgt: “
overheid houdt bij haar beslissing over
voorgenomen actie, en in voorkomend geval ook bij
uitwerking ervan, rekening met het goedgekeurde rapport of
goedgekeurde rapporten en met
opmerkingen en commentaren die daarover werden uitgebracht. Zij motiveert elke beslissing over
voorgenomen actie in het bijzonder op volgende punten: 1/
keuze voor
voorgenomen actie, een bepaald alternatief of bepaalde
elalternatieven, behalve dan voor wat het omgevingsveiligheidsrapport betreft; X-13.191-20/53 2/
aanvaardbaarheid van te verwachten of mogelijke gevolgen voor mens of milieu van het gekozen alternatief; 3/
in het rapport of
rapporten voorgestelde maatregelen”. 4.2.2.2.
opgelegde motivering in het besluit houdende
finitieve vaststelling van het gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan zelf, met uitsluiting van
bijlagen die bij dat ruimtelijk uitvoeringsplan zijn gevoegd, dient te zijn opgenomen. 4.2.2.2.4. In casu wordt in
Bijlage III Toelichtingsnota, gevoegd als één van
niet-normatieve
len bij het GRUP, onder
hoofding “
MER wordt aangegeven, zoals ook hierboven beschreven, dat het onderzochte project een concrete invulling betreft van
ruimtelijke opties zoals vastgelegd in het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen, het Provinciaal Ruimtelijk Structuurplan Oost-Vlaanderen, het gemeentelijk Ruimtelijk Structuurplan Gent en het Mobiliteitsplan Gent.
ze beleidsplannen schetsen een expliciet kader voor
beoogde ontwikkeling van
omgeving van het Gentse Sint-Pietersstation, met inbegrip van
verbindingsweg naar
R4.
beleidskeuzes zoals geformuleerd in
ze beleidsplannen zijn in aanzienlijke mate gebaseerd op milieu-overwegingen.
uitbouw van Gent Sint-Pieters als openbaar vervoersknooppunt ondersteunt
ontwikkeling van een duurzame mobiliteit en heeft een betekenis voor zowel verplaatsingen naar Gent als vanuit of via Gent. Daarnaast worden in
aangehaalde beleidsplannen
potenties van
stationsomgeving, als
uitgelezen locatie voor verdichting, onderkend: op geen enkele andere locatie zijn
mogelijkheden ter vermindering van het wegverkeer zo groot als op locaties gesitueerd als multimodaal bereikbare knooppunten”. Vervolgens wordt, na een beknopte weergave van
inhoud van het MER (alternatieven, milieueffectbeoordeling wat betreft mobiliteitseffecten, trillingshinder, effect op
luchtkwaliteit, grondwaterpeil, oppervlaktewater, fauna en flora en mens-ruimtelijke aspecten), met betrekking tot
“milderende maatregelen” het volgende gesteld: “In
MER worden een aantal maatregelen naar voor geschoven die bij
realisatie van
projecten
te verwachten negatieve effecten kunnen milderen.
ze milderende maatregelen zijn weergegeven per discipline. In wat volgt worden
milderende maatregelen opgesomd. Hierbij gaat
aandacht naar
aanbevelingen naar voorliggend ruimtelijk uitvoeringsplan en hoe
doorvertaling in het RUP gebeurde. Immers, bij lezing van
milderende maatregelen blijkt duidelijk dat
aard en
graad van
taillering voor sommige van
maatregelen van die aard zijn, dat zij niet thuishoren binnen
context van het ruimtelijk uitvoeringsplan en
bijhorende verordenende stedenbouwkundige voorschriften. Zij kunnen bijvoorbeeld beter worden X-13.191-21/53 vertaald en geconcretiseerd in een inrichtingsstudie en/of worden opgelegd als bijzondere voorwaarde in
stedenbouwkundige vergunning”, waarna een tabel volgt met een opsomming van enerzijds
“milderende maatregelen per discipline volgens
MER” en anderzijds
“aspecten uit
milderende maatregel die doorwerken op plan en/of voorschriften”. Ten slotte wordt nog gesteld dat
natuurcompensatie ingevolge
inname van natuurgebied bij
aanleg van
verbindingsweg R4-station, gekoppeld wordt aan
stedenbouwkundige vergunning voor
aanleg van
ze verbindingsweg, en worden
redenen vermeld waarom niet wordt ingegaan op het MER-verslag met betrekking tot
afwijking van
45/-regel voor
toren C1.
stelling van
verzoekende partijen dat het bestreden vaststellingsbesluit, door te overwegen dat “
MER conform is verklaard op 27 oktober 2005, zodat er moet worden van uitgegaan dat alle alternatieven die op planniveau moesten onderzocht worden, daadwerkelijk en voldoende onderzocht werden; dat heel wat milderende maatregelen uit
MER en aanbevelingen in het MER-verslag niet kunnen worden opgenomen in
stedenbouwkundige voorschriften of
grafische aanduiding van het ruimtelijk uitvoeringsplan maar doorwerking moeten krijgen op projectniveau, dit wil zeggen bij het uitwerken of beoordelen van stedenbouwkundige vergunningsaanvragen of milieuvergunningsaanvragen”
ingeroepen algemene beginselen van behoorlijk bestuur en artikel 4.1.7. DABM schendt, kan in het licht van het voorgaande, dat door
verzoekende partijen in het verzoekschrift niet wordt betwist nu
uiteenzetting van het middel beperkt is tot een kritiek op
summiere motivering in het vaststellingsbesluit zelf, op het eerste gezicht niet worden aangenomen. 4.2.2.2.5. Het tweede middel is niet ernstig. 4.2.3.
rde middel 4.2.3.1. In een
rde middel voeren
verzoekende partijen
schending aan van artikel 2.2.4. DABM, van
artikelen 2.1.2., 2.5.3.6., 2.5.3.7., 2.5.4.2. en 2.5.4.3. en
Bijlagen 2.5.5.
Vlaamse regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne (hierna: VLAREM II), van artikel 249 van het EG-Verdrag, van
artikelen 7.1., 7.
Raad van 27 september 1996 inzake
X-13.191-22/53 beoordeling en het beheer van
luchtkwaliteit,
artikelen 4.
Bijlagen II en III van
Richtlijn 1999/30/EG van
Raad van 22 april 1999 betreffende grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, zwevende
eltjes en lood in
lucht, van artikel 1.2.1., § 3 DABM, van artikel 4 van het
creet van 18 mei 1999 houdende
organisatie van
ruimtelijke ordening (hierna : DRO), van
artikelen 22 en 23,
rde lid, 2/ en 4/ van
Grondwet en van artikel 8 EVRM, “doordat
Vlaamse regering via
finitieve vaststelling van het bestreden gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan zijn goedkeuring verleent aan een ruimtelijke ontwikkeling die tot gevolg heeft dat
grenswaarden inzake PM10, NOx en NO2 in
onmiddellijke omgeving van het station blijvend zullen worden overschreden, wat éénduidig blijkt uit het volgende: • uit het MER blijkt dat tengevolge van
verkeersstromen die zullen worden aangetrokken door
grote ondergrondse parking en het doorgaande verkeer via
R4-verbindingsweg en ten behoeve van
projectontwikkeling langs
Koningin Fabiolalaan
reeds slechte situatie op het vlak van
luchtkwaliteit nog zal verslechteren, waarbij
grenswaarden niet zullen worden gerespecteerd; • uit het MER blijkt dat zowel voor PM10 (fijn stof) als voor NOx
toepasselijke jaargrenswaarden worden overschreden; • uit het MER blijkt dat het voorgestelde project zal leiden tot 3% meer blootgestelde inwoners aan PM10 en er sprake zal zijn van een opmerkelijke stijging van het aantal overschrijdingen tussen 2004 en 2015 (...); • uit
straatmodellering in het MER volgt dat
overschrijdingen in het plangebied van
grenswaarden inzake PM10 hoger liggen dan in 2004 (...): ‘Voor
overschrijdingen van
daggrenswaarde van PM 10 worden voor alle straten
grenswaarden overschreden, zowel in
referentiesituatie als na
realisatie van het project en dit voor beide scenario's. (...) Uit
vergelijking tussen beide scenario's en
referentiesituatie 2015 blijkt dat het scenario met R4-verbindingsweg en parking er globaal een toename optreedt van
overschrijdingen behalve in het westelijk gedeelte van
Sint-
nijslaan en in
Voskenslaan. In
ze zou
frequentie van overschrijdingen afnemen. In geval van het scenario zonder R4-verbindingsweg en zonder parking blijkt er globaal een afname van
overschrijdingen op te treden behalve in
Rijsenbergstraat. Globaal is
ze situatie (stijging van het aantal overschrijdingen) dus negatiever voor het scenario met R4-verbindingsweg en ondergrondse parking. Voor
overschrijdingen van het jaargemiddelde valt dit eveneens negatiever uit voor het scenario met R4 en parking’. terwijl, eerste onderdeel, het
Vlaamse regering geenszins is toegestaan een ruimtelijk uitvoeringsplan vast te stellen dat aanleiding geeft tot een verdere overschrijding van
grenswaarden inzake fijn stof en NOx (en waarbij niet is geopteerd voor het milieuvriendelijker alternatief, zoals in casu het alternatief zonder het scenario met
R4-verbindingsweg en zonder
ondergrondse parking), inachtgenomen dat: •
artikelen 2.5.4.2, § 1 en 2.5.4.3, § 1 VLAREM II grenswaarden vooropstellen inzake stikstofdioxide en stikstofoxiden (NO2 en NOx) en inzake fijn stof (PM10), die in beginsel over het ganse Vlaamse grondgebied moeten worden gehaald, X-13.191-23/53 •
ze grenswaarden
omzetting vormen van
grenswaarden inzake stikstofdioxide en stikstofoxiden (NO2 en NOx) en inzake fijn stof (PM10) uit Richtlijn 1999/30/EG betreffende grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, zwevende
eltjes en lood in
lucht (zie infra, tweede onderdeel), • in Bijlage 2.5.5.2 van VLAREM II
grenswaarden inzake stikstofoxide en stikstofdioxide zijn vastgesteld op een jaargrenswaarde van 30 :g/m³ NOx per 19 juli 2001 en een jaargrenswaarde voor
bescherming van
gezondheid van
mens die bepaald is op 40 :g/m³ met ingang van 1 januari 2010 (en gradueel te bereiken in
periode 1 januari 2001-31
cember 2005 overeenkomstig wat bepaald is ten aanzien van
overschrijdingsmarges), • in Bijlage 2.5.5.3 van VLAREM II
grenswaarden inzake fijn stof zijn vastgesteld op een daggemiddelde van 50 g/m³ die maximaal 35 keer mag worden overschreden per jaar en een jaargemiddelde grenswaarde 40 :g/m³ met ingang van 1 januari 2005, en op een daggemiddelde van 50 :g/m³ die maximaal 7 keer mag worden overschreden en een jaargemiddelde grenswaarde 20 :g/m³ met ingang van 1 januari 2010, •
omschrijving van het begrip ‘grenswaarde’ in artikel 2.2.4 DABM aangeeft dat grenswaarden, behoudens in gevallen van overmacht, niet mogen worden overschreden, • artikel 2.1.2 VLAREM II bepaalt dat
vastgestelde milieukwaliteitsnormen door
overheid moeten worden gehanteerd bij zowel het plannen als het realiseren van het beleid, • artikel 4
creet Ruimtelijke Ordening duidelijk aangeeft dat
ordening die in plannen wordt vastgelegd, moet gericht zijn op een‘duurzame ruimtelijke ontwikkeling’, wat impliceert dat milieukwaliteitsnormen ook bindend zijn bij
vaststelling van ruimtelijke uitvoeringsplannen, • het integratiebeginsel opgenomen in artikel 1.2.2, § 3 DABM, impliceert dat eisen inzake milieubescherming ook bij
uitwerking en
uitvoering van het beleid in andere sectoren (in casu
ruimtelijke ordening) een plaats moet krijgen, terwijl, tweede onderdeel
Europese kaderrichtlijn 1996/62/EG inzake
beoordeling en het beheer van
luchtkwaliteit (hierna: kaderrichtlijn Luchtkwaliteit),
Europese richtlijn 1999/30/EG betreffende grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, zwevende
eltjes en lood in
lucht (hierna: eerste Dochterrichtlijn) en
rechtspraak van het Europese Hof van Justitie noodzaken dat
in
Vlaamse regelgeving opgenomen (Europese) grenswaarden als een dwingend toetsingskader in acht worden genomen bij
opmaak van ruimtelijke uitvoeringsplannen voor projecten die een verslechtering van
luchtkwaliteit impliceren, nu: • op basis van artikel 249 EG-Verdrag
in
Vlaamse regelgeving opgenomen grenswaarden, die
omzetting vormen van Europese richtlijnen, op die manier dienen te worden geïnterpreteerd dat
ze in overeenstemming zijn met
betrokken richtlijnen (
zgn. ‘richtlijnconforme interpretatie’), (...) • zulks ondubbelzinnig wordt bevestigd door artikel 7.1. ‘
Lid-Staten nemen
nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat
grenswaarden worden nageleefd’ en artikel 7.3. ‘
Lid-Staten stellen actieplannen op, waarin wordt vermeld welke maatregelen bij een dreigende overschrijding van
grenswaarden en/of alarmdrempels op korte termijn moeten worden genomen om het risico van overschrijding te verkleinen en
duur ervan te beperken. Al naar gelang van het geval behelzen
ze plannen controle- maatregelen en, zo nodig, schorsing van
activiteiten die bijdragen tot overschrijding van
grenswaarden, met inbegrip van het gemotoriseerde verkeer’ van
Kaderrichtlijn, X-13.191-24/53 • zulks nogmaals wordt bevestigd door artikel 8.3 van diezelfde Kaderrichtlijn, dat betrekking heeft op zones - zoals in casu - waar
niveaus van luchtverontreiniging hoger liggen dan
grenswaarde, nu dit bepaalt dat er een plan of programma moet worden opgesteld dat ertoe leidt dat binnen
daarvoor gestelde termijn aan
grenswaarde wordt voldaan, • uit
bewoordingen van artikel 2, sub 5 Kaderrichtlijn en artikel 2, sub 5 eerste Dochterrichtlijn duidelijk blijkt dat
grenswaarden inzake fijn stof en NOx niet mogen worden overschreden en gelden als resultaats- verplichtingen, • uit het feit dat
grenswaarden inzake fijn stof ruimte geven voor bepaalde afwijkingen/overschrijdingen en uit het feit
ze afwijkingsruimte exact wordt bepaald (bv. overschrijdingen van 35 dagen per jaar) duidelijk blijkt dat het om harde grenzen gaat die niet mogen worden overschreden en die niet kunnen worden afgewogen tegen andere belangen, •
Kaderrichtlijn Lucht en
eerste Dochterrichtlijn in het geheel geen aanknopingspunten bieden voor mogelijkheden tot een afwegingsruimte in gevallen waarin
grenswaarden zouden mogen worden overschreden, (...) • het Europese Hof van Justitie inzake milieukwaliteitsnormen steevast oordeelt dat
ze normen een dwingende resultaatsverplichting opleggen aan
lidstaten, behoudens
afwijkingsmogelijkheden die in voorkomend geval zijn voorzien in
betrokken richtlijn, (...) • het Europese Hof van Justitie in een arrest van 30 mei 1991 betreffende
voorloper van
huidige Europese luchtkwaliteitsregelgeving heeft geoordeeld dat grenswaarden die
gezondheid van
mensen beogen te beschermen in het nationale recht in bindende wetgeving dienen te worden omgezet, teneinde
burger in staat te stellen om tegenover ieder bestuursorgaan een beroep te kunnen doen op
ze grenswaarden en het in acht nemen van
ze grenswaarden met behulp van
rechter af te dwingen, (...) • het Europese Hof van Justitie inzake
bindende kracht van grenswaarden voor luchtkwaliteit het volgende stelde: ‘Overigens is opneming van grenswaarden in een bepaling waarvan
bindende kracht buiten twijfel staat, ook hierom noodzakelijk, opdat een ieder wiens activiteiten vervuiling zouden kunnen veroorzaken, precies weet welke verplichtingen hij heeft’, (...) • het Europese Hof van Justitie nergens in haar rechtspraak aangeeft dat ruimtelijke plannen die het kader vormen voor vervuilende activiteiten,
dwingende milieukwaliteitsnormen niet zouden moeten respecteren, • in
rechtsleer wordt aanvaard dat alle beslissingen met een mogelijke impact op
luchtkwaliteit moeten worden getoetst aan
grenswaarden uit Richtlijn 1999/30/EG, (...) • uit
Nederlandse rechtspraak inzake
toepassing van
grenswaarden uit Richtlijn 1999/30/EG blijkt dat
ze grenswaarden als toetsingskader dienen bij
opmaak van ruimtelijke bestemmingsplannen, (...) • ruimtelijke uitvoeringsplannen uitdrukkelijk onder het toepassingsgebied vallen van Richtlijn 2001/42/EG van het Europees Parlement en
Raad van 27juni 2001 betreffende
beoordeling van
gevolgen voor het milieu van bepaalde plannen en programma's (
zogenaamde plan-m.e.r.-richtlijn), waardoor a fortiori niet kan worden voorgehouden dat ruimtelijke uitvoeringsplannen, die het kader vormen voor luchtvervuilende activiteiten,
specifieke Europese bindende grenswaarden inzake luchtkwaliteit niet zouden moeten respecteren, • het aanhouden van een andere interpretatie
ur open zet voor lidstaten om
bindende grenswaarden inzake fijn stof te omzeilen door allerhande vervuilende activiteiten vast te leggen in stedenbouwkundige voorschriften X-13.191-25/53 van ruimtelijke plannen, wat ontegensprekelijk in strijd zou zijn met
doelstelling van Richtlijn 1999/30, • ook artikel 10 EG-Verdrag zich ertegen verzet dat lidstaten geen rekening houden met grenswaarden inzake fijn stof en NOx bij
opmaak van ruimtelijke plannen die bijdragen tot een grotere luchtvervuiling, terwijl,
rde onderdeel,
in Richtlijn 1999/30/EG opgenomen grenswaarden sowieso rechtstreekse werking hebben in
Belgische rechtsorde, nu • het duidelijke en onvoorwaardelijke bepalingen zijn (met name resultaatsverplichtingen), die geen verdere substantiële interne uitvoerings- maatregelen door communautaire of nationale overheden behoeven om het gewild effect op nuttige wijze te bereiken, • van rechtstreekse werking sprake is zodra
rechter in staat is om, zonder verdere (discretionaire) uitvoeringsmaatregelen, een voor het concrete geval dienstige uitlegging aan te reiken, waardoor particulieren hun aan
norm ontleende rechten kunnen afdwingen, (...) • het Europese Hof van Justitie in een arrest van 30 mei 1991 heeft geoordeeld dat grenswaarden, die
gezondheid van mensen beogen te beschermen in het nationale recht, in bindende wetgeving dienen te worden omgezet, teneinde
burger in staat te stellen tegenover ieder bestuursorgaan een beroep te kunnen doen op
ze grenswaarden en het in acht nemen van
ze grenswaarden met behulp van
rechter af te dwingen (zie supra), • het Europese Hof van Justitie inzake
bindende kracht van grenswaarden voor luchtkwaliteit het volgende stelde: ‘Overigens is opneming van grenswaarden in een bepaling waarvan
bindende kracht buiten twijfel staat, ook hierom noodzakelijk, opdat een ieder wiens activiteiten vervuiling zouden kunnen veroorzaken, precies weet welke verplichtingen hij heeft’ (zie supra), • het begrip ‘grenswaarde’ in artikel 2.5 Richtlijn 1999/30 als volgt is omschreven: ‘een niveau dat op basis van wetenschappelijke kennis is vastgesteld teneinde schadelijke gevolgen voor
gezondheid van
mens en/of voor het milieu in zijn geheel te voorkomen, te verhinderen of te verminderen en dat binnen een bepaalde termijn moet worden bereikt en, als het eenmaal is bereikt, niet meer mag worden (overschreden)’, en artikel 7.1 Kaderrichtlijn Lucht, en
artikelen 4.1 en 5.1 van Richtlijn 1999/30 duidelijk aangeven dat
concentraties van
in
grenswaarde gereguleerde stof in
lucht
betrokken grenswaarden niet mag overschrijden na het verstrijken van
in
bijlagen gespecifieerde data, en
ze datum zich voor fijn stof (PM10) situeert op 1 januari 2005 en voor NOx op 19 juli 2001, en beide data inmiddels zijn verstreken, • in
ze niet kan worden verwezen naar
mogelijkheid tot het nemen van
nodige maatregelen en actieplannen, nu overweging 7 van Richtlijn 1999/30/EG het volgende stelt: ‘Overwegende dat in Richtlijn 96/62/EG is bepaald dat voor zones waar
concentraties van verontreinigde stoffen in
lucht hoger liggen dan
grenswaarden plus
eventueel tijdelijke overschrijdingsmarges, actieplannen dienen te worden uitgewerkt, teneinde ervoor te zorgen dat op
gespecificeerde datum (data) aan
grenswaarden wordt voldaan; dat in
rgelijke actieplannen en andere op beperking gerichte strategieën, voorzover
ze betrekking hebben op zwevende
eltjes, naast een beperking van
totale concentraties van zwevende
eltjes ook naar een beperking van
concentraties van fijne
eltjes dient te worden gestreefd’ en actieplannen volgens
systematiek van
Kaderrichtlijn Lucht nr. 1996/62/EG en
eerste Dochterrichtlijn 1999/30/EG moeten dienen om ervoor te zorgen dat op
gespecificeerde datum aan
grenswaarden X-13.191-26/53 wordt voldaan, zodat niet kan worden aanvaard dat
overheid zich ná het verstrijken van
ze datum, nog steeds zou beroepen op in opmaak zijnde actieplannen, ter ontwijking van
op haar rustende verplichtingen ex Richtlijn 1999/30/EG, • artikel 10 EG-Verdrag zich ertegen verzet dat lidstaten met een verwijzing naar in opmaak zijnde actieplannen,
van kracht zijnde bindende grenswaarden inzake fijn stof en NOx miskennen door
opmaak van ruimtelijke (uitvoerings-)plannen die leiden tot een verdere overschrijding van
bindende grenswaarden inzake fijn stof en NOx, • artikel 7.3 Kaderrichtlijn Lucht inzake
inhoud van
actieplannen aangeeft dat
ze ook maatregelen kunnen omvatten zoals
schorsing van activiteiten die bijdragen tot overschrijding van
grenswaarden, met inbegrip van het gemotoriseerde verkeer, terwijl, vierde onderdeel, het bestreden ruimtelijk uitvoeringsplan hoedanook een schending uitmaakt van het grondrecht/mensenrecht van
buurtbewoners op
bescherming van
gezondheid en van een gezond leefmilieu,(...) nu
grenswaarden inzake fijn stof en NOx, zoals bepaald in Richtlijn 1999/30 en omgezet in VLAREM II, gericht zijn op
bescherming van
volksgezondheid en een gezond leefmilieu, wat onder meer blijkt uit overweging 2 en overweging 6 van Richtlijn 1999/30/EG: ‘
eisen inzake
bescherming van
gezondheid een bestanddeel van het Gemeenschapsbeleid op andere gebieden vormen; dat in artikel 3, onder o), van het Verdrag tevens is bepaald dat het optreden van
Gemeenschap een bijdrage tot het verwezenlijken van een hoog niveau van bescherming van
volksgezondheid dient te leveren;
eltjes verschillende schadelijke effecten op
gezondheid van
mens kunnen hebben; dat er aanwijzingen zijn dat
risico’s die voor
gezondheid van
mens verbonden zijn aan
blootstelling aan door menselijk handelen in
lucht gebrachte zwevende
eltjes groter zijn dan die welke verbonden zijn aan blootstelling aan
eltjes die van nature in
lucht voorkomen’ en er geen dwingende redenen van algemeen belang voorhanden zijn om het bestreden ruimtelijk uitvoeringsplan in zijn huidige vorm doorgang te laten vinden, daar waar een alternatief voorhanden is met een beperktere impact op
luchtkwaliteit, met name het alternatief zonder R4verbindingsweg en zonder ondergrondse parking (...), en terwijl
overheid verplicht is om op gelijke wijze
ze grondrechten/mensenrechten te verzekeren (...), en terwijl
standstill-werking van artikel 23,
rde lid, 4/ van
Grondwet reeds bij herhaling door Uw Raad werd aanvaard. (...)”. 4.2.3.2. Ontvankelijkheid van het middel
rde en
vierde tussenkomende partij werpen op dat
verzoekende partijen geen belang hebben bij het middel. Vooralsnog bestaat er geen noodzaak om over
ze excepties uitspraak te doen. Een onderzoek van en een uitspraak over
ze excepties zou zich slechts opdringen indien zou komen vast te staan dat het middel ernstig wordt bevonden, hetgeen, zoals hierna zal blijken, niet het geval is. X-13.191-27/53 4.2.3.3. Onderzoek van
ernst van het middel 4.2.3.3.1. In een eerste onderdeel van het middel voeren
verzoekende partijen in essentie aan dat het
Vlaamse regering geenszins is toegestaan een ruimtelijk uitvoeringsplan vast te stellen dat aanleiding geeft tot een verdere overschrijding van
grenswaarden inzake fijn stof en NOX, en waarbij niet is geopteerd voor het milieuvriendelijker alternatief, zoals in casu het alternatief zonder het scenario met
R4-verbindingsweg en zonder
ondergrondse parking. In een tweede onderdeel stellen
verzoekende partijen dat
Europese kaderrichtlijn 96/62/EG van
Raad van 27 september 1996 inzake
beoordeling en het beheer van
luchtkwaliteit,
Europese richtlijn 1999/30/EG van
Raad van 22 april 1999 betreffende grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, zwevende
eltjes en lood in
lucht en
rechtspraak van het Europese Hof van Justitie noodzaken dat
in
Vlaamse regelgeving opgenomen (Europese) grenswaarden als een dwingend toetsingskader in acht worden genomen bij
opmaak van ruimtelijke uitvoeringsplannen voor projecten die een verslechtering van
luchtkwaliteit impliceren. In een
rde onderdeel voeren
verzoekende partijen aan dat
in
Richtlijn 1999/30/EG opgenomen grenswaarden sowieso rechtstreekse werking hebben in
Belgische rechtsorde. 4.2.3.3.2.
juridische grondslag voor het kwaliteitsbeleid inzake lucht in
Europese Unie is
Richtlijn 96/62/EG van
Raad van 27 september 1996 inzake
beoordeling en het beheer van
luchtkwaliteit (
zgn. Kaderrichtlijn), samen met vier dochterrichtlijnen. Voor stikstofdioxide en stikstofoxiden (NO2 en NOx) en fijn stof (PM10) werden normen bepaald in
Richtlijn 1999/30/EG van
Raad van 22 april 1999 betreffende grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, zwevende
eltjes en lood in
lucht. In voormelde dochterrichtlijn 1999/30/EG wordt niet enkel een grenswaarde, maar worden ook
overschrijdingsmarges bepaald.
overschrijdingsmarge is het percentage waarmee
grenswaarde onder
in
Richtlijn 96/62/EG vastgelegde voorwaarden kan worden overschreden.
overschrijdingsmarge neemt lineair af vanaf
startdatum tot 0% op
datum X-13.191-28/53 waarop aan
grenswaarde moet worden voldaan, zijnde 1 januari 2005 voor PM10 en 1 januari 2010 voor NO2. Artikel 7.1. van
Richtlijn 96/62/EG inzake
beoordeling en het beheer van
luchtkwaliteit bepaalt: “
Lid-Staten nemen
nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat
grenswaarden worden nageleefd”. Artikel 7.3. bepaalt: “
Lid-Staten stellen actieplannen op, waarin wordt vermeld welke maatregelen bij een dreigende overschrijding van
grenswaarden en/of
alarmdrempels op korte termijn moeten worden genomen om het risico van overschrijding te verkleinen en
duur ervan te beperken. Al naar gelang van het geval behelzen
ze plannen controlemaatregelen en, zo nodig, schorsing van
activiteiten die bijdragen tot overschrijding van
grenswaarden, met inbegrip van het gemotoriseerde verkeer”. Artikel 8 van
zelfde richtlijn bepaalt
maatregelen die van toepassing zijn in zones waar
niveaus hoger liggen dan
grenswaarde, met name: “1.
Lid-Staten stellen
lijst op van zones en agglomeraties waar
niveaus van een of meer verontreinigende stoffen
grenswaarde, verhoogd met
overschrijdingsmarge, overschrijden. Wanneer voor een bepaalde verontreinigende stof geen overschrijdingsmarge is vastgesteld, worden
zones en agglomeraties waar het niveau van
ze verontreinigende stof
grenswaarde overschrijdt, gelijkgesteld met
in
vorige alinea bedoelde zones en agglomeraties en zijn
leden 3 tot en met 5 erop van toepassing. 2.
Lid-Staten stellen
lijst op van
zones en agglomeraties waar
niveaus van een of meer verontreinigende stoffen tussen
grenswaarde en
met
overschrijdingsmarge verhoogde grenswaarde liggen. 3. In
in lid 1 bedoelde zones en agglomeraties treffen
Lid-Staten maatregelen om ervoor te zorgen dat er een plan of programma wordt opgesteld en uitgevoerd dat ertoe leidt dat binnen
daarvoor gestelde termijn aan
grenswaarde wordt voldaan. Dit plan of programma, waartoe het publiek toegang dient te krijgen, bevat ten minste
in bijlage IV vermelde informatie. 4. In
in lid 1 bedoelde zones en agglomeraties waar het niveau van meer dan één verontreinigende stof hoger ligt dan
grenswaarden, zorgen
Lid-Staten voor een geïntegreerd plan voor alle betrokken verontreinigende stoffen. 5.
Commissie controleert regelmatig
uitvoering van
krachtens lid 3 ingediende plannen of programma’s door na te gaan hoe
ze vorderen en hoe
luchtverontreiniging zich ontwikkelt. 6. Wanneer het niveau van een verontreinigende stof ten gevolge van een significante verontreiniging vanuit een andere Lid-Staat boven
met
overschrijdingsmarge verhoogde grenswaarde of, in voorkomend geval,
alarmdrempel ligt of dreigt te komen, plegen
betrokken Lid-Staten X-13.191-29/53 overleg met elkaar om een oplossing te vinden.
Commissie kan dat overleg bijwonen”. 4.2.3.3.3. Het besluit van
Vlaamse regering van 18 januari 2002 tot wijziging van VLAREM II, waarbij aan hoofdstuk 2.
betrokken bepalingen van VLAREM II luiden als volgt: “AFDELING 2.5.4. - Beoordeling en beheer van zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, zwevende
eltjes en lood. Onderafdeling 2.5.4.
minister neemt
nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat
concentraties van zwaveldioxide in
lucht, zoals beoordeeld overeenkomstig artikel 2.5.4.5, met ingang van
in bijlage 2.5.5.1,
el I, vermelde data
daarin bepaalde grenswaarden niet overschrijden.
in bijlage 2.5.5.1,
el I, bepaalde overschrijdingsmarges zijn van toepassing overeenkomstig artikel 2.5.3.7. § 2.
alarmdrempel voor
concentraties van zwaveldioxide in
lucht is bepaald in bijlage 2.5.5.1,
el II. § 3. Om
Commissie bij te staan bij
opstelling van haar verslaggeving registreert
Vlaamse Milieumaatschappij, indien mogelijk, tot en met 31
cember 2003 gegevens over zwaveldioxideconcentraties, waarop een tienminutenmiddeling is toegepast, die ze ontvangt van een aantal meetstations die geselecteerd zijn als representatief voor
luchtkwaliteit in woongebieden in
nabijheid van
bronnen en die uurconcentraties meten. Gelijktijdig met
gegevens over
uurconcentraties rapporteert
Vlaamse Milieu- maatschappij, via
geëigende kanalen, aan
Europese Commissie voor
ze geselecteerde meetstations het aantal tienminutenconcentraties van meer dan 500 mug/m3, het aantal dagen waarop die grens in het kalenderjaar werd overschreden, het aantal dagen waarop tegelijkertijd
uurconcentraties zwaveldioxide 350 mug/m3 werden overschreden, en
hoogste geregistreerde tienminutenconcentratie. § 4.
minister mag zones of agglomeraties aanwijzen waar
in bijlage 2.5.5.1,
el I, bedoelde grenswaarden voor zwaveldioxide als gevolg van
aanwezigheid van concentraties van zwaveldioxide van natuurlijke oorsprong in
lucht worden overschreden.
minister verstrekt
Europese Commissie overeenkomstig artikel 2.5.3.10 een lijst van al
ze zones of agglomeraties en geeft haar informatie over
daar aanwezige concentraties en bronnen van zwaveldioxide, samen met
nodige bewijzen dat
ze overschrijdingen aan natuurlijke bronnen te wijten zijn. In
ze zones of agglomeraties is
minister alleen verplicht actieplannen op te stellen als
grenswaarden voor zwaveldioxide (SO2) vanwege antropogene emissies worden overschreden. Onderafdeling 2.5.4.2. - Stikstofdioxide en stikstofoxiden. Art. 2.5.4.2. § 1.
minister neemt
nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat
concentraties in
lucht van stikstofdioxide en, waar van toepassing, van stikstofoxiden, zoals beoordeeld overeenkomstig artikel 2.5.4.5, met ingang van
in bijlage 2.5.5.2,
el I, vermelde data
daarin bepaalde grenswaarden niet overschrijden.
in bijlage 2.5.5.2,
el I, bepaalde overschrijdingsmarges zijn van toepassing overeenkomstig artikel 2.5.3.7. X-13.191-30/53 § 2.
alarmdrempel voor
concentraties van stikstofdioxide in
lucht is bepaald in bijlage 2.5.5.2,
el II. Onderafdeling 2.5.4.3. - Zwevende
eltjes. Art. 2.5.4.3. § 1.
minister neemt
nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat
concentraties van PM10 in
lucht, zoals beoordeeld overeenkomstig artikel 2.5.4.5, met ingang van
in bijlage 2.5.5.3 vermelde data
daarin bepaalde grenswaarden niet overschrijden.
in bijlage 2.5.5.3 bepaalde overschrijdingsmarges zijn van toepassing overeenkomstig artikel 2.5.3.7. § 2.
Vlaamse Milieumaatschappij zorgt voor
installatie en werking van meetstations die gegevens over PM2,5-concentraties verstrekken. Het aantal stations waar PM2,5 wordt gemeten en
ligging ervan, worden zo gekozen dat die stations representatief zijn voor
PM2,5-concentraties in Vlaanderen. Als het mogelijk is, moeten
monsternemingspunten samenvallen met
stations waar PM10 wordt gemeten.
Vlaamse Milieumaatschappij
elt
Europese Commissie via
geëigende kanalen jaarlijks, uiterlijk negen maanden na afloop van elk jaar, het rekenkundig gemiddelde,
mediaan, het 98-percentiel en
maximale concentratie mee, berekend op basis van
PM2,5-metingen over 24 uur gedurende dat jaar. Het 98-percentiel wordt berekend volgens
procedure die is beschreven in bijlage I, punt 4, van beschikking 97/101/EG van
Raad van 27 januari 1997 tot invoering van een regeling voor
onderlinge uitwisseling van informatie over en gegevens van meetnetten en meetstations voor luchtverontreiniging in
lidstaten. § 3. In
krachtens artikel 2.5.3.7 opgestelde actieplannen voor PM10 en
algemene strategieën om
PM10-concentraties terug te dringen, wordt ook naar een vermindering van
PM2,5-concentraties gestreefd. § 4. Als
in bijlage 2.5.5.3 bedoelde grenswaarden voor PM10 worden overschreden doordat er concentraties van PM10 in
lucht aanwezig zijn ingevolge natuurverschijnselen waardoor er concentraties voorkomen die significante overschrijdingen van
normale achtergrondniveaus van natuurlijke oorsprong inhouden, stelt
minister
Europese Commissie via
geëigende kanalen daarvan overeenkomstig artikel 2.5.3.10 in kennis met
nodige bewijzen dat
rgelijke overschrijdingen aan natuurverschijnselen te wijten zijn. In
rgelijke gevallen is
minister alleen verplicht om overeenkomstig artikel 2.5.3.7, § 2, actieplannen uit te voeren wanneer
in
bijlage 2.5.5.3, FASE 1, bedoelde grenswaarden om andere redenen worden overschreden dan door natuurverschijnselen. § 5.
minister kan zones of agglomeraties aanwijzen waar
in
bijlage 2.5.5.3, FASE 1, bedoelde grenswaarden voor PM10 worden overschreden als gevolg van PM10-concentraties in
lucht die ontstaan als, bij het strooien van zand op wegen, in
winter opwerveling van
eltjes optreedt.
minister verstrekt
Europese Commissie een lijst van al
ze zones of agglomeraties en tevens informatie over
daar aanwezige PM10-concentraties en -bronnen. Wanneer
minister
Europese Commissie daarvan overeenkomstig artikel 2.5.3.10 in kennis stelt, levert hij
nodige bewijzen dat
ze overschrijdingen aan
rgelijke opwervelende
eltjes te wijten zijn, en dat in redelijke mate is getracht om die overschrijdingen te verlagen. In
ze zones of agglomeraties is
minister alleen verplicht actieplannen overeenkomstig artikel 2.5.3.7, § 2, uit te voeren, als
in bijlage 2.5.5.3, FASE 1, bedoelde grenswaarden worden overschreden vanwege andere PM10-niveaus dan die welke te wijten zijn aan het strooien van zand op wegen in
winter”. X-13.191-31/53 Artikel 2.1.2. VLAREM II bepaalt dat
vastgestelde milieukwaliteitsnormen door
overheid moeten worden gehanteerd bij zowel het plannen als het realiseren van het beleid. 4.2.3.3.4. Het middel gaat ervan uit dat het bestreden gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan er
oorzaak van is dat
grenswaarden inzake PM10, NOx en NO2 in
onmiddellijke omgeving van het station blijvend zullen worden overschreden. Dit uitgangspunt kan op het eerste gezicht niet worden bijgetreden. Een ruimtelijk uitvoeringsplan bepaalt enkel op een passieve wijze
bestemming van een welomschreven gebied. Op zich is het niet
oorzaak van
uitstoot van PM10, NOx of NO2. Luidens voormeld artikel 2.5.4.1., § 1 van VLAREM II neemt
minister -d.i. te
zen
met
uitvoering van dit besluit belaste Vlaamse minister bevoegd voor Leefmilieu (hierna:
minister)-
nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat
concentraties van zwaveldioxide in
lucht, zoals beoordeeld overeenkomstig artikel 2.5.4.5., met ingang van
in bijlage 2.5.5.1.,
el I vermelde data,
daarin bepaalde grenswaarden niet overschrijden, en zijn
in bijlage 2.5.5.1.,
el I, bepaalde overschrijdingsmarges van toepassing overeenkomstig artikel 2.5.3.7. Luidens voormeld artikel 2.5.4.2., § 1, van VLAREM II neemt
minister
nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat
concentraties in
lucht van stikstofdioxide en, waar van toepassing, van stikstofoxiden, zoals beoordeeld overeenkomstig artikel 2.5.4.5., met ingang van
in bijlage 2.5.5.2.,
el I vermelde data,
daarin bepaalde grenswaarden niet overschrijden, en zijn
in bijlage 2.5.5.2.,
el I bepaalde overschrijdingsmarges van toepassing overeenkomstig artikel 2.5.3.7. Luidens voormeld artikel 2.5.4.3., § 1 van VLAREM II neemt
minister
nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat
concentraties van PM10 in
lucht, zoals beoordeeld overeenkomstig artikel 2.5.4.5., met ingang van
in bijlage 2.5.5.3. vermelde data
daarin bepaalde grenswaarden niet overschrijden, X-13.191-32/53 en zijn
in bijlage 2.5.5.
nodige maatregelen worden getroffen om ervoor te zorgen dat
grenswaarden worden nageleefd.
van hetzelfde artikel bepaalt dat
maatregelen die bij een dreigende overschrijding van
grenswaarden en/of
alarmdrempels op korte termijn moeten worden genomen om het risico van overschrijding te verkleinen en
duur ervan te beperken, vermeld zijn in
respectieve actieplannen vastgesteld door dit besluit, inzonderheid in
afdelingen 2.5.6. en 4.4.5., en dat al naar gelang van het geval voormelde actieplannen controlemaatregelen behelzen en, zo nodig, schorsing van
activiteiten die bijdragen tot overschrijding van
grenswaarden, met inbegrip van het gemotoriseerde verkeer. Luidens artikel 2.5.3.7., § 1 van VLAREM II stelt
Vlaamse Milieumaatschappij op basis van
resultaten van haar meetnet van
verontreiniging van
omgevingslucht
lijst op 1/ van zones en agglomeraties waar
niveaus van één of meer verontreinigende stoffen
grenswaarde, verhoogd met
overschrijdingsmarge, overschrijden, en 2/ van
zones en agglomeraties waar
niveaus van één of meer verontreinigende stoffen tussen
grenswaarde en met
overschrijdingsmarge verhoogde grenswaarde liggen. Wanneer voor een bepaalde verontreinigende stof geen overschrijdingsmarge is vastgesteld, worden
zones en agglomeraties waar het niveau van
ze verontreinigende stof
grenswaarde overschrijdt, gelijkgesteld met
sub 1/ bedoelde zones en agglomeraties en zijn
tot en met 4 van dit artikel hierop van toepassing.
en 3 van hetzelfde artikel bepalen dat in
bedoelde zones en agglomeraties
minister maatregelen treft om ervoor te zorgen dat er een plan of programma wordt opgesteld en uitgevoerd dat ertoe leidt dat binnen
daarvoor gestelde termijn aan
grenswaarde wordt voldaan, en in geval het niveau van meer dan één verontreinigende stof hoger ligt dan
grenswaarden,
minister zorgt voor een geïntegreerd plan voor alle betrokken verontreinigende stoffen.
bepaalt dat wanneer het niveau van een verontreinigende stof ten gevolge van een significante verontreiniging vanuit een andere Lid-Staat of Gewest boven
met
overschrijdingsmarge verhoogde grenswaarde of, in voorkomend geval,
alarmdrempel ligt of dreigt te komen,
minister met
betrokken Lid-Staat of het betrokken Gewest overleg pleegt om een oplossing te vinden, en dat
Europese X-13.191-33/53 Commissie via
geëigende kanalen hiervan op
hoogte wordt gesteld en dit overleg kan bijwonen. In uitvoering van voormelde bepalingen werd het “Saneringsplan fijn stof voor
zones met overschrijding in 2003 en aanpak fijn stofproblematiek in Vlaanderen - Plan in uitvoering van
richtlijnen 96/62/EG en 1999/30/EG” van 23
cember 2005 opgesteld door
cel Lucht van het
partement Leefmilieu en Infrastructuur van het Ministerie van
Vlaamse Gemeenschap. Onder punt “7. Maatregelen” wordt ter inleiding gesteld wat volgt: “Uit voorgaande hoofdstukken blijken er in Vlaanderen overschrijdingen vastgesteld te worden van
vanaf 1 januari 2005 geldende PM10 grenswaarde; in 2003 zelfs op alle meetpunten voor
daggemiddelde grenswaarde. In 2005 doen zich eveneens nog overschrijdingen van
luchtkwaliteitsnormen voor. Modellering in Vlaanderen geeft aan dat in 2010
problemen vermoedelijk niet opgelost zullen zijn. Overschrijdingen worden niet enkel in verkeersdrukke zones, maar ook in industrie-, woon- en zelfs landelijkere regio’s waargenomen en verwacht. Internationale modellering toont aan dat Vlaanderen voor wat
antropogene emissies betreft tot
‘hot spot’-gebieden van Europa behoort, ook in
toekomst
ze hoge fijn stof concentraties en overschrijdingen in Vlaanderen zijn te wijten aan eigen, lokale emissies, maar evenzeer doordat
luchtkwaliteit in Vlaanderen in hoge mate bepaald wordt door emissies van buitenaf.
buitenlandse bijdrage door menselijk handelen bedraagt, zoals aangegeven in 6.2, 70 - 80% aan
fijn stofconcentraties. Maatregelen die alleen in Vlaanderen worden getroffen, zijn over het algemeen niet voldoende om
luchtvervuiling gemiddeld over Vlaanderen terug te dringen. Een gecoördineerde Europese aanpak is onontbeerlijk;
problemen voor fijn stof zijn grootschalig en vrijwel onoplosbaar voor Vlaanderen alleen”. Vervolgens worden in het plan
maatregelen opgesomd die reeds genomen zijn, gepland zijn of worden en/of extra wenselijk zijn.
ze maatregelen worden onderverdeeld in 3 categorieën, met name “7.1. Generieke maatregelen”, zijnde generieke maatregelen die over het ganse Vlaamse grondgebied genomen kunnen worden ter algemene reductie van
hoge stofconcentraties, “7.
regelgeving vervat in VLAREM II is het
Vlaamse minister bevoegd voor Leefmilieu die
nodige maatregelen moet nemen om ervoor te zorgen dat
in
richtlijnen bepaalde, en in VLAREM II overgenomen, X-13.191-34/53 grenswaarden en/of overschrijdingsmarges niet worden overschreden, en dit middels saneringsmaatregelen op internationaal, Vlaams of lokaal niveau. Uit
bepaling van artikel 2.1.2. VLAREM II dat
vastgestelde milieukwaliteitsnormen door
overheid moeten worden gehanteerd bij zowel het plannen als het realiseren van het “beleid” kan op het eerste gezicht niet worden afgeleid dat het vaststellen van een ruimtelijk uitvoeringsplan niet mogelijk is indien zou blijken dat bij
realisatie van
in dit plan voorziene bestemmingen op zichzelf genomen
overschrijding van één of meer grenswaarden mogelijk is. Het “beleid” in
zin van voormelde bepaling dient op het eerste gezicht immers zo te worden opgevat dat alle maatregelen die bij het plannen en het realiseren van het beleid worden getroffen als één geheel dienen te worden beschouwd, inbegrepen ook
maatregelen die
minister verplicht is te nemen in toepassing van
voormelde artikelen 2.5.4.1., § 1, 2.5.4.2., § 1 en 2.5.4.3., § 1 van VLAREM II. 4.2.3.3.6. Artikel 4 DRO, dat
el uitmaakt van “Hoofdstuk I. Doelstellingen en begrippen” van “Titel I. Inleidende bepalingen”, luidt als volgt: “
ruimtelijke ordening is gericht op een duurzame ruimtelijke ontwikkeling waarbij
ruimte beheerd wordt ten behoeve van
huidige generatie, zonder dat
behoeften van
toekomstige generaties in het gedrang gebracht worden. Daarbij worden
ruimtelijke behoeften van
verschillende maatschappelijke activiteiten gelijktijdig tegen elkaar afgewogen. Er wordt rekening gehouden met
ruimtelijke draagkracht,
gevolgen voor het leefmilieu en
culturele, economische, esthetische en sociale gevolgen. Op
ze manier wordt gestreefd naar ruimtelijke kwaliteit”. Artikel 4 DRO bevat op het eerste gezicht enkel een intentieverklaring met betrekking tot
“doelstellingen” van
ruimtelijke ordening. Uit
ze bepaling lijkt aldus niet te kunnen worden afgeleid dat “milieukwaliteitsnormen ook bindend zijn bij
vaststelling van ruimtelijke uitvoeringsplannen”. 4.2.3.3.7. Artikel 1.2.1, § 3 DABM, dat
el uitmaakt van “Hoofdstuk II. Doelstellingen en beginselen” van “Titel I. Algemene bepalingen”, luidt als volgt: “§ 3.
in § 1 en § 2 bepaalde doelstellingen en beginselen moeten in het bepalen en uitvoeren van het beleid van het Vlaamse Gewest op andere gebieden worden geïntegreerd. Bij
uitvoering van het beleid wordt rekening X-13.191-35/53 gehouden met
sociaal-economische aspecten,
internationale dimensie en
beschikbare wetenschappelijke en technische gegevens”. Ook
ze bepaling, die eveneens een algemene doelstelling verwoordt, lijkt geen wettelijke verplichting in te houden voor
overheid om een ruimtelijk uitvoeringsplan niet vast te stellen en/of goed te keuren indien zou blijken dat
realisatie van
in dit plan voorziene bestemmingen op zich een overschrijding van
in VLAREM II vastgestelde grenswaarden en/of overschrijdingsmarges tot gevolg zou kunnen hebben. 4.2.3.3.8. Er bestaat
rhalve op het eerste gezicht op grond van VLAREM II voor
betrokken overheid geen wettelijke verplichting om in een
rgelijk geval een ruimtelijk uitvoeringsplan niet vast te stellen en/of goed te keuren. Zodanige verplichting lijkt ook niet vervat in
Europese regelgeving. 4.2.3.3.9.
Nederlandse rechtspraak waarnaar
verzoekende partijen verwijzen is gesteund op
terzake geldende Nederlandse wetgeving. Er kunnen op het eerste gezicht geen wettelijke verplichtingen uit worden geput voor
Vlaamse overheid. 4.2.3.3.10. Ook uit
omstandigheid dat ruimtelijke uitvoeringsplannen uitdrukkelijk vallen onder het toepassingsgebied van
Richtlijn 2001/42/EG van het Europees Parlement en
Raad van 27 juni 2001 betreffende
beoordeling van
gevolgen voor het milieu van bepaalde plannen en programma’s (
zgn. “plan- m.e.r. richtlijn”) kan op het eerste gezicht niet worden afgeleid dat op
overheid een wettelijke verplichting rust niet over te gaan tot het vaststellen en/of goedkeuren van een ruimtelijk uitvoeringsplan indien uit dit plan-m.e.r. zou blijken dat
vastgestelde grenswaarden en/of overschrijdingsmarges zouden worden overschreden.
verzoekende partijen blijven overigens in gebreke
bepaling(en) van
ze richtlijn aan te geven waaruit een
rgelijke verplichting zou voortvloeien. 4.2.3.3.11. In een vierde onderdeel voeren
verzoekende partijen aan dat het bestreden ruimtelijk uitvoeringsplan hoe dan ook een schending uitmaakt van het grondrecht/mensenrecht van
buurtbewoners op
bescherming van
X-13.191-36/53 gezondheid en van een gezond leefmilieu, nu
grenswaarden inzake fijn stof en NOx, zoals bepaald in
Richtlijn 1999/30/EG en omgezet in VLAREM II, gericht zijn op
bescherming van
volksgezondheid en een gezond leefmilieu, en er geen dwingende redenen van algemeen belang voorhanden zijn om het bestreden ruimtelijk uitvoeringsplan in zijn huidige vorm doorgang te laten vinden daar waar een alternatief met een beperktere impact op
luchtkwaliteit voorhanden is, en
standstill-werking van artikel 23,
rde lid, 4/ van
Grondwet wordt aanvaard. 4.2.3.3.12. Artikel 23 van
Grondwet bepaalt: “Art. 23. Ieder heeft het recht een menswaardig leven te leiden. Daartoe waarborgen
wet, het
creet of
in artikel 134 bedoelde regel, rekening houdend met
overeenkomstige plichten,
economische, sociale en culturele rechten, waarvan ze
voorwaarden voor
uitoefening bepalen. Die rechten omvatten inzonderheid: (...) 4/ het recht op
bescherming van een gezond leefmilieu (...)”. Zonder dat
Raad van State zich dient uit te spreken over
vraag of
genoemde bepaling te
zen op zichzelf als toetsingsgrond kan worden ingeroepen, moet in elk geval worden vastgesteld dat
overheid over een ruime vrijheid beschikt in
keuze van
middelen om het genot van het genoemde recht te verzekeren. Uit hetgeen voorafgaat blijkt op het eerste gezicht dat te
zen het genot van het genoemde recht door
toepasselijke regelgeving afdoende wordt verzekerd. 4.2.3.3.13. Het
rde middel is niet ernstig. 4.2.
verzoekende partijen
schending aan van
algemene beginselen van behoorlijk bestuur, meer specifiek
schending van
materiële motiveringsplicht, het zorgvuldigheidsbeginsel en het redelijkheidsbeginsel juncto
schending van artikel 42, § 5 DRO, artikel 7 van het Verdrag van Aarhus en
artikelen 6, 8 en 9 van Richtlijn 2001/42/EG, “doordat het bestreden vaststellingsbesluit niet verduidelijkt op welke manier rekening werd gehouden met
tijdens het openbaar onderzoek door
X-13.191-37/53 verzoekende partijen ingediende bezwaren en opmerkingen, maar zich in hoofdzaak beperkt tot het doorverwijzen naar het onderzoek van
bezwaren, opmerkingen en adviezen in het advies van VLACORO, terwijl Uw Raad in het arrest nr. 54.302 van 5 juli 1995 reeds oordeelde dat één van
meest essentiële onderdelen van
procedure tot vaststelling of herziening van een plan van aanleg het openbaar onderzoek betreft over
geplande vaststelling of herziening ‘en bijgevolg meer concreet (...) het recht van
belanghebbende om hiertegen bezwaar in te dienen en (...)
verplichting van
overheid om
ze bezwaren op afdoende wijze te beantwoorden’, en in casu geen recht is gedaan aan dit ‘essentieel onderdeel van
procedure’, nu
VLACORO (die overeenkomstig artikel 42, § 5 DRO alle adviezen, opmerkingen en bezwaren moet coördineren en binnen
90 dagen na het einde van het openbaar onderzoek gemotiveerd advies moet uitbrengen bij
Vlaamse regering, en aldus verplicht is
tijdens het openbaar onderzoek ingediende bezwaren te onderzoeken en te motiveren waarom
ze al dan niet worden bijgetreden)
door verzoekende partijen ingediende bezwaren in haar advies op gebrekkige wijze en soms in het geheel niet beantwoordt, meer specifiek: • het bezwaar betreffende
onwettigheid van
procedure wegens een gebrek in het MER(...), wordt verworpen door een in rechte niet aanvaardbare motivering, aangezien het feit dat het MER op 27 oktober 2005 conform werd verklaard (wellicht wordt bedoeld “goedgekeurd”) niet betekent dat “er moet van uit worden gegaan dat alle alternatieven die op planniveau moesten onderzocht worden, daadwerkelijk en voldoende onderzocht werden”; • het bezwaar betreffende
overschrijding van
Europeesrechtelijke normen inzake luchtverontreiniging en het verzuim rekening te houden met
belangen van
toekomstige generaties en het recht op een gezonde leefomgeving(...) in zijn geheel niet beantwoordt; • het bezwaar betreffende
strijdigheid van
aanleg van een grote pendelparking met het principe van
A-locatie(...) in zijn geheel niet beantwoordt; • het bezwaar betreffende het onaangepast karakter van
hoogbouw op
sbetreffende locatie(...) wordt beantwoord met
stelling dat ‘het voorzien van een beperkt aantal torens (...) op
ze strategische site een verdedigbare optie (is) zeker omdat ze ook is gesteund op
visie van
stand in het gemeentelijk ruimtelijk structuurplan, een stand van torens (...)’, maar zulke motivering niet aangeeft waarom zulke optie geen of een aanvaardbare negatieve invloed zou hebben op
omgeving; • het bezwaar betreffende
aantasting van het natuurlijke milieu(...) (wordt verworpen met
summiere vermelding dat ‘het natuurgebied (...) geen habitatrichtlijngebied, noch een vogelrichtlijngebied (is)’, alsof een aantasting van het natuurlijke milieu buiten vogel- en habitatrichtlijngebieden zomaar doorgang zou kunnen vinden. VLACORO stelt vast dat in
toelichtingsnota eerder summier wordt ingegaan op
problematiek. VLACORO stelt voor om
toelichtingsnota hier verder ‘uit te werken’. Nochtans kan VLACORO zich moeilijk verschuilen achter een verdere uitwerking door
Vlaamse regering. Zij kan immers op die manier
verplichting om
bezwaren zelf zorgvuldig te onderzoeken en ze zelf afdoende te beantwoorden, niet ontlopen; • het bezwaar betreffende
omstandigheid dat onvoldoende rekening is gehouden met het MER en het MER-verslag(...) wordt verworpen door een redengeving die intern contradictorisch is, nu VLACORO aan
ene kant van oordeel is dat wel voldoende rekening is gehouden met het MER en het MER-verslag, maar er anderzijds op aandringt dat bij
finitieve X-13.191-38/53 vaststelling van het RUP wordt aangegeven op welke wijze tegemoet zal worden gekomen aan
ze opmerkingen; • het bezwaar betreffende
problematiek van
ruimtelijke vertaling van
fijn stofgrenswaarden wordt verworpen omdat VLACORO meent dat
problematiek van het fijn stof niet direct aan
orde is bij
opmaak van een RUP. Anders dan in Nederland bestaat er in Vlaanderen geen verplichting om
in kaart gebrachte luchtkwaliteit te koppelen aan bestemmingsplannen. Het probleem van luchtverontreiniging, en fijn stof in het bijzonder, is een probleem dat moet worden aangepakt op een universelere manier, via onder meer sectorale maatregelen en federale productnormen.
commissie verwijst in dat verband naar het “Saneringsplan fijn stof voor zones met overschrijding in 2003 en aanpak fijn stofproblematiek in Vlaanderen” van
Vlaamse regering van 23
cember 2005, waarin acties voorgesteld worden voor
stad Gent, terwijl in het
rde middel duidelijk is aangegeven dat
grenswaarden inzake fijn stof wel
gelijk doorwerken bij
ruimtelijke planning; • het bezwaar betreffende
nsiteit van
gebouwde ruimte (...) in zijn geheel niet wordt onderzocht en wordt beantwoord met een passe-partout formulering (...) die elke draagkracht mist; • het bezwaar betreffende
onvoldoende garanties die
45/-regel biedt op
bezonning van
bestaande woningen langs
Koningin Fabiolalaan, inzonderheid buiten
zomerperiode (...) o.m. wordt verworpen met
stelling dat
45/-regel een algemeen aanvaarde en gehanteerde regel van goede ruimtelijke ordening is”, terwijl nergens wordt aangegeven in welk beleidsdocument
ze regel zou zijn neergelegd; •
bezwaren betreffende
mobiliteitsaspecten die verbonden zijn aan
ondergrondse parking en
R4-verbindingsweg (...) worden beantwoord via verwijzingen naar
beoordeling van andere bezwaren waarin echter geen afdoende antwoord kan worden teruggevonden op
aangevoerde bezwaren, inzonderheid
motivering dat enkel het voorliggende plan moet worden bekeken en geen rekening moet worden gehouden met andere ontwikkelingen in
nabijheid (o.m. Flanders Expo) (...) in rechte niet aanvaardbaar is aangezien dit in tegenstrijd is met
verplichting in een MER
synergetische effecten van het beoogde project te onderzoeken (artikel 4.2.7, § 1, 2/, b) DABM); •
bezwaren in
kaders 63 tot en met 77 worden
rmate summier beantwoord dat dit bezwaarlijk kan gelden als een zorgvuldig onderzoek van die bezwaren en een voldoende motivering om ze als ongegrond te verwerpen; en terwijl inspraak en participatie bij het vaststellen van ruimtelijke plannen met een belangrijke milieu-impact is vereist op basis van artikel 7 van het Verdrag van Aarhus van 25 juni 1998 betreffende toegang tot informatie, inspraak in besluitvorming en toegang tot
rechter in milieuaangelegenheden (B.S. 24 maart 2003), dat
verdragspartijen verplicht om passende praktische en/of andere voorzieningen te treffen voor inspraak gedurende
voorbereiding van plannen en programma's betrekking hebbende op het milieu, binnen een transparant en eerlijk kader, na het publiek
benodigde informatie te hebben verschaft, en terwijl
inspraakmogelijkheden minstens aan
vereisten van artikel 6, 3de, 4de en 8ste lid dienen te beantwoorden, waaronder het vereiste dat elke partij waarborgt dat in het besluit naar behoren rekening wordt gehouden met het resultaat van
inspraak, en terwijl in diezelfde zin conform
artikelen 6 en 8 van Richtlijn 2001/42 van het Europees Parlement en
Raad van 27 juni 2001 betreffende
beoordeling van
gevolgen voor het milieu van bepaalde plannen en programma's met een belangrijke milieu-impact, het publiek tijdig, X-13.191-39/53 daadwerkelijk en binnen een passend tijdschema
gelegenheid moet worden geboden om voor
vaststelling, zijn mening te geven over het ontwerp-plan of -programma en het bijbehorende milieurapport, en, meer nog, met
tijdens
raadpleging bekomen mening rekening moet worden gehouden bij
voorbereiding en voor
vaststelling van het plan of programma, en terwijl overeenkomstig artikel 9 van Richtlijn 2001/42 het vaststellingsbesluit van een plan of programma een verklaring moet bevatten die samenvat hoe milieu-overwegingen in het plan werden geïntegreerd, hoe rekening werd gehouden met het milieueffectrapport, hoe rekening werd gehouden met
tijdens het openbaar onderzoek ingediende bezwaren en opmerkingen en waarom is gekozen voor het plan zoals het is aangenomen, in het licht van
andere redelijke alternatieven die zijn behandeld”. 4.2.4.2. Onderzoek van
ernst van het middel 4.2.4.2.1. In dit middel voeren
verzoekende partijen in essentie aan dat
VLACORO
door hen ingediende en in
uiteenzetting van het middel specifiek aangeduide bezwaren op gebrekkige wijze en soms in het geheel niet heeft beantwoord, en dat het vaststellingsbesluit zich in hoofdzaak heeft beperkt tot een verwijzing naar dat advies, waardoor het hun wettelijk toegekende recht om bezwaar in te dienen en
daaraan gekoppelde verplichting van
overheid om
ze bezwaren op afdoende wijze te beantwoorden, is miskend geworden. 4.2.4.2.2.
door artikel 42 van het DRO aan
Vlaamse regering opgelegde verplichting om het ontwerp van gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan aan een openbaar onderzoek te onderwerpen en
resultaten ervan aan
VLACORO voor advies voor te leggen, brengt mee dat
VLACORO in
eerste plaats, zoniet alleszins
Vlaamse regering, kennis moet nemen van
tijdens het openbaar onderzoek op regelmatige wijze geformuleerde bezwaren en opmerkingen en
ze moet onderzoeken en beoordelen. Er bestaat evenwel geen wettelijk opgelegde verplichting elk individueel bezwaar op individuele wijze te beantwoorden. Het advies van
VLACORO vormt één geheel en dient als dusdanig te worden gelezen. 4.2.4.2.3. Met betrekking tot
bezwaren omtrent
inhoud en
doorwerking van het MER,
fijnstofproblematiek en
aantasting van het natuurlijk milieu blijkt uit het onderzoek van het eerste, het tweede, het
rde en het zesde middel dat op het eerste gezicht geen schending van
terzake aangevoerde bepalingen en beginselen voorligt. X-13.191-40/53 4.2.4.2.4.
bezwaren in verband met het principe van
A-locatie en
nsiteit van bebouwing lijken een afdoende antwoord te vinden in
verwijzing in het advies van
VLACORO naar
sbetreffende beleidsopties vastgelegd in het richtinggevend gedeelte van het RSV wat betreft
verdichting van stationsomgevingen en een duurzame ontwikkeling op macro-schaal. 4.2.4.2.5. Met betrekking tot
bezwaren omtrent
hoogbouw wordt in het vaststellingsbesluit overwogen wat volgt: “Overwegende dat aandacht voor schaduweffecten en windklimaat binnen het project en voor
omwonenden van
Rijsenbergwijk bij
concrete aanleg belangrijk is; dat daarom in
toelichtingsnota, in het bijzonder in
toelichtende kolom bij artikel 1.5., aandacht wordt gevraagd voor
lichtinval (via bezonningsdiagrammen) en
mogelijke windhinder (via een windtunnelonderzoek) bij het vastleggen van
hoogte en
positie van
gebouwen; dat
stedenbouwkundige vergunningsaanvragen specifiek ten aanzien van
ze bepalingen dienen te worden beoordeeld; dat het Hoogbouw Effecten Rapport (HER), toegevoegd in bijlage IX bij dit besluit, aangeeft dat
bezonningseffecten op
bestaande bebouwing buiten het plangebied beperkt zijn en daarom acceptabel; dat dit eveneens wordt vermeld in
toelichtingsnota bij het ruimtelijk uitvoeringsplan op p. 33”.
verzoekende partijen blijven in
uiteenzetting van het middel ingebreke aan te geven welke “negatieve invloed” op
omgeving geen antwoord zou vinden in het hiervoor gestelde. 4.2.4.2.
verzoekende partijen
schending aan van
a1gemene beginselen van behoorlijk bestuur, meer specifiek
schending van
materiële motiveringsplicht, het zorgvuldigheidsbeginsel en het redelijkheidsbeginsel juncto
schending van artikel 8 van het
creet van 18 juli 2003 betreffende het integraal waterbeleid (hierna: DIWB) en
artikelen 2 en 4 van het besluit van
Vlaamse regering van 20 juli 2006 tot vaststelling van nadere regels voor
toepassing van
watertoets, tot aanwijzing van
adviesinstantie en tot vaststelling van nadere regels voor
adviesprocedure bij
watertoets, vermeld in artikel 8 DIWB, X-13.191-41/53 “doordat in het bestreden besluit géén formele noch materiële motivering is opgenomen inzake
toepassing van
watertoets, die
overheid oplegt om bij
opmaak van ruimtelijke uitvoeringsplannen “er zorg voor (te dragen) (...) door het opleggen van gepaste voorwaarden of aanpassingen aan het plan of programma, dat geen schadelijk effect ontstaat of zoveel mogelijk wordt beperkt en, indien dit niet mogelijk is, dat het schadelijk effect wordt hersteld of, in
gevallen van
vermindering van
infiltratie van hemelwater of
vermindering van ruimte voor het watersysteem, gecompenseerd”, en om, indien het schadelijk effect betrekking heeft op
kwantitatieve grondwatertoestand, geen
rgelijk plan of programma goed te keuren, behalve ingeval van dwingende redenen van groot maatschappelijk belang, terwij1, eerste onderdeel,
watertoets aanleiding geeft tot een bijzondere formele motiveringsverplichting, waarbij
genomen beslissing in elk geval aan
in artikel 5 en 6 DIWB bedoelde doelstellingen en beginselen van integraal waterbeleid moet worden getoetst, en waarbij artikel 4, § 2 van het Besluit van
Vlaamse regering van 20 juli 2006 uitdrukkelijk bepaalt dat een beslissing over een plan of programma een zogenaamde waterparagraaf moet bevatten die met betrekking tot
planingreep ten minste
in artikel 4, § 1, vermelde gegevens bevat, en terwijl die beoordeling in ieder geval vereist dat
overheid in formeel uitgedrukte motieven aangeeft of er al dan niet schadelijke effecten zijn te verwachten op
waterhuishouding en, in voorkomend geval, ingaat op
op te leggen voorwaarden om die schade te voorkomen, beperken, herstellen of te compenseren, die in het licht van
te realiseren doelstellingen en toe te passen beginselen van integraal waterbeleid door
overheid passend worden geacht - evaluatie die geheel en al ontbreekt in het bestreden vaststellingsbesluit, en terwij1 Uw Raad in het arrest nr. 165.758 van 11
cember 2006 duidelijk aangeeft dat enkel met
formeel uitgedrukte motieven rekening mag worden gehouden, terwijl, tweede onderdeel, in geen geval kan worden aanvaard dat
voorhanden motivering in het bestreden ruimtelijk uitvoeringsplan afdoende is in het licht van artikel 8 DIWB, nu het enkele feit dat in
toelichtingsnota bij het bestreden ruimtelijk uitvoeringsplan wordt vermeld dat ‘het plangebied is gelegen in een specifiek, stedelijke context en het RUP beoogt een stedelijk karakter voor het gebied. Binnen het plangebied en zijn omgeving komen op
overstromingskaarten geen risicozones voor. Bijgevolg wordt veronderstelt dat
sectorwetgeving met betrekking tot water volstaat om eventueel schadelijke effecten te beperken en dat in dit RUP geen extra maatregelen dienen te worden genomen’ een algemene abstracte motivering is, die op geen enkele manier doet blijken op welke wijze schadelijke effecten aan
natte natuurwaarden in het gebied Overmeersen zullen worden vermeden, beperkt of hersteld, en evenmin welke beperkende, herstellende of compenserende maatregelen zijn genomen om
in het MER vastgestelde schadelijke effecten op
kwantitatieve toestand van het grondwater tegen te gaan, laat staan dat
aanwezigheid van een dwingende reden van groot maatschappelijke belang afdoende is aangetoond, en terwijl Uw Raad in het arrest nr. 139.432 van 18 januari 2005 heeft gesteld dat een engagement van
overheid die het plan heeft aangenomen om
waterproblematiek op te lossen bij
verdere invulling van het gebied niet volstaat om te voldoen aan
door art. 8 DIWB bepaalde verplichting ‘door het opleggen van gepaste voorwaarden of aanpassingen aan het plan’ er zorg voor te dragen ‘dat geen schadelijk effect ontstaat of zoveel mogelijk wordt beperkt’, en terwijl met
toepassing van
watertoets het zogenaamde integratiebeginsel wordt beoogd (Memorie van Toelichting, Parl. St. VI. Parl. 2002-2003, nr. 1730/1, 23), en het aanvaarden van een motivering die bestaat X-13.191-42/53 uit een loutere doorverwijzing naar
sectorwetgeving indruist tegen
integratiedoelstelling die ten gronde lag aan
creatie van
watertoets, en terwijl het begrip ‘schadelijke effecten’ wordt gedefinieerd in artikel 3, § 2, 17/ DIVM en een brede rits van evaluatiecriteria (omvat), zoals veiligheid tegen overstromingen, (grond)wateroverlast, riolering, watervoorziening voor huishoudens en economische actoren, bodemdaling, volksgezondheid, oppervlakte- en grondwaterkwaliteit, verdroging en natte natuur (Parl. St., VI. Parl. 2002-2003, nr. 1730/3, 27), en in dit verband niet kan worden betwist dat: •
aanleg van een weg door het gebied Overmeersen en
aanleg van een ondergrondse parking in
onmiddellijke omgeving van het natuurgebied een ‘schadelijk effect’ uitmaken in
zin van artikel 3, §2, 17/ DIWB, • in het MER duidelijk is aangegeven dat
uitvoering van het bestreden ruimtelijk uitvoeringsplan een schadelijk effect in
zin van artikel 3, §2, 17/ DIWB veroorzaakt op
kwantitatieve toestand van het grondwater, meer nog, dat duidelijk is aangegeven dat
verlaging van het grondwaterpeil tijdens
aanlegfase van
ondergrondse parking en voor
bouwwerken tot omvorming van het station - tengevolge van
vereiste bemalingen - als zeer negatief worden beoordeeld en
invloedszone daarvan reikt tot aan het Citadelpark en het natuurgebied Overmeersen (...), •
door het bestreden besluit toegelaten bouwwerken, activiteiten en handelingen een schadelijk effect impliceren op
kwantitatieve toestand van het grondwater (...) (op pagina 288 MER wordt m.b.t.
aanleg van
ondergrondse parking zelfs uitdrukkelijk gesteld: ‘omwille van
grote
bieten die dienen opgepompt te worden en relatief grote invloedszones, (...) wordt het effect van dit
elproject op het grondwaterpeil als zeer negatief wordt beoordeeld’), op
genoemde schadelijke effecten, en
maatregelen die moeten worden genomen om
ze te beperken, niet is ingegaan in
motivering die in
toelichtingsnota bij het bestreden gewestelijk uitvoeringsplan is gewijd aan
toepassing van
watertoets”. 4.2.5.2. Onderzoek van
ernst van het middel 4.2.5.2.1. In een eerste onderdeel van het middel voeren
verzoekende partijen aan dat het vaststellingsbesluit geen waterparagraaf bevat (formele motivering). In een tweede onderdeel stellen
verzoekende partijen dat
motivering opgenomen in
toelichtingsnota niet afdoende is in het licht van artikel 8 DIWB. Concreet roepen
verzoekende partijen in dat die motivering op geen enkele wijze blijk geeft van
manier waarop
schadelijke effecten aan
natte natuurwaarden in het gebied Overmeersen en op
kwantitatieve toestand van het grondwater zullen worden vermeden, beperkt of hersteld. 4.2.5.2.2. Artikel 8, § 1, eerste lid DIWB bepaalt onder meer dat
overheid die, zoals te
zen, over een plan moet beslissen, er zorg voor draagt, door het weigeren van het plan of door het opleggen van gepaste voorwaarden, dat geen schadelijk effect ontstaat of dat dit zoveel mogelijk wordt beperkt en, indien dit niet X-13.191-43/53 mogelijk is, dat het schadelijk effect wordt hersteld of, in bepaalde gevallen, gecompenseerd. Artikel 8, § 2, laatste lid van hetzelfde
creet bepaalt dat
beslissing die
overheid neemt in het kader van § 1 wordt gemotiveerd, waarbij in elk geval
doelstellingen en
beginselen van het integraal waterbeleid worden getoetst. Artikel 8, § 4 tot slot bepaalt wat volgt: “Voor
vergunningsplichtige activiteit of een plan of programma die zijn onderworpen aan een milieueffectenrapportage geschiedt
analyse en evaluatie van het al dan niet optreden van een schadelijk effect en
op te leggen voorwaarden om dat effect te vermijden, te beperken, te herstellen of te compenseren, in dit rapport”. 4.2.5.2.3. Het bestreden plan is onderworpen aan een milieueffectenrapportage.
analyse en evaluatie van het al dan niet optreden van een schadelijk effect en
op te leggen voorwaarden om dat effect te vermijden, te beperken, te
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.