← België

Arrest 183357 - Stedenbouw en ruimtelijke ordening - Reglementen - 26/05/2008

id="page_main" x-ms-format-

tection="none"> Print

ze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 26 mei 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.183.357 Rolnummer: Zaak: Arrest 183357 - Stedenbouw en ruimtelijke ordening - Reglementen - 26/05/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-05-30 Raadplegingen: 60 - laatst gezien 2026-06-29 08:05 Fiche Arrest nr 183.357 van 26 mei 2008 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Stedenbouw en ruimtelijke ordening - Reglementen Beslissing : Verwerping Samenvoeging Inwilliging tussenkomst Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van

beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 183.357 van 26 mei 2008 in

zaken A. 181.635/X-13.209 (I.) A. 181.636/X-13.210 (II.). In zake : I.

v.z.w. BOND BETER LEEFMILIEU, II.

v.z.w. GENTS MILIEUFRONT, die woonplaats kiezen bij advocaat T. BIENSTMAN, kantoor houdende te 9051 GENT,

rbystraat 309, Maaltecenter Blok G tegen : I. + II. het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door

Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat P. AERTS, kantoor houdende te 9000 GENT, Coupure 5. tussenkomende partijen : I. + II. 1.

Vlaamse Vervoermaatschappij

LIJN, die woonplaats kiest bij advocaat D. LINDEMANS, kantoor houdende te 1000 BRUSSEL, Keizerslaan 3, 2.

n.v. INFRABEL, die woonplaats kiest bij advocaten D. RYCKBOST en E. RYCKBOST, kantoor houdende te 8400 OOSTENDE, E. Beernaertstraat 80, 3.

n.v. NMBS HOLDING, 4.

n.v. EUROSTATION, die woonplaats kiezen bij advocaat P. FLAMEY, kantoor houdende te 2018 ANTWERPEN, Jan Van Rijswijcklaan 16, 5.

stad GENT. D E R A A D V A N S T A T E, Xe K A M E R, I. Gezien het verzoekschrift dat

v.z.w. BOND BETER LEEFMILIEU op 9 maart 2007 heeft ingediend om

schorsing van

tenuitvoerlegging te vorderen van: X-13.209 en 13.210-1/43 1. het besluit van 15

cember 2006 van

Vlaamse regering houdende

finitieve vaststelling van het gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan “stationsomgeving Gent Sint-Pieters - Koningin Fabiolalaan”, bij uittreksel bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 12 januari 2007, 2. het besluit van 19

cember 2006 van

gewestelijk stedenbouwkundig ambtenaar waarbij aan

n.v. INFRABEL

stedenbouwkundige vergunning wordt verleend voor het bouwen van een vernieuwd stationscomplex “Gent Sint-Pieters” met tram- en busstation, tunnel en parking en bijhorende elementen op gronden, gelegen aan het Koningin Maria Hendrikaplein te Gent, kadastraal bekend sectie I, nrs. 647/t, 649/59c, 649/58b, 649/59f, 649/52f, 649/52e, 649/53a, 649/52c en 649/59g, en 3. het besluit van 19

cember 2006 van

gewestelijk stedenbouwkundig ambtenaar waarbij aan

Administratie Wegen en Verkeer Oost-Vlaanderen

stedenbouwkundige vergunning wordt verleend voor het aanleggen van een verbindingsweg vanaf

Sint-

nijslaan (stationssite) naar

R4 Grote Ring Noord te Gent; II. Gezien het verzoekschrift dat

v.z.w. GENTS MILIEUFRONT op

zelfde datum heeft ingediend om

schorsing van

tenuitvoerlegging te vorderen van

zelfde drie besluiten; Gezien

nota’s van

verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur A. EYLENBOSCH; Gelet op

kennisgeving van het verslag aan partijen; Gelet op

beschikking van 26 juni 2007 waarbij

terechtzitting bepaald wordt op 28 september 2007; Gehoord het verslag van staatsraad J. BOVIN; Gehoord

opmerkingen van advocaat T. BIENSTMAN, die verschijnt voor

verzoekende partijen, van advocaat P. AERTS, die verschijnt voor

verwerende partij, van advocaat T. EYSKENS die loco advocaat D. LINDEMANS verschijnt voor

eerste tussenkomende partij, van advocaat D. RYCKBOST, die verschijnt voor

tweede tussenkomende partij, van advocaten X-13.209 en 13.210-2/43 P. FLAMEY en K. MAN, die verschijnen voor

rde en

vierde tussenkomende partij, en van advocaat S. KEMPINAIRE, die verschijnt voor

vijfde tussenkomende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur A. EYLENBOSCH; Gelet op

artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van

wetten op

Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Gelet op artikel 90, §1, vierde lid van

wetten op

Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; OVERWEEGT WAT VOLGT : 1. Rechtspleging 1.1. In beide zaken hebben

Vlaamse Vervoermaatschappij

LIJN,

n.v. INFRABEL,

n.v. NMBS HOLDING en

n.v. EUROSTATION, en

stad GENT met verzoeken van 3 april 2007, respectievelijk 6 april 2007, 11 april 2007 en 24 april 2007 gevraagd om in het administratief kort geding te mogen tussenkomen. Er is grond om

ze verzoeken in te willigen. 1.2. In

beide zaken vorderen

verzoekende partijen

schorsing van

tenuitvoerlegging van

zelfde drie besluiten op grond van

zelfde middelen. Er is bijgevolg reden om

zaken te voegen. 2.

feiten 2.1.1. In het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen (hierna: RSV) is Gent geselecteerd als “grootstedelijk gebied” (

el 2: Gewenste Ruimtelijke Structuur - richtinggevend gedeelte, III.1.

stedelijke gebieden, 3.1. Selectie en afbakening van stedelijke gebieden). In grootstedelijke gebieden moeten luidens het RSV bestaande en toekomstige stedelijke potenties maximaal worden benut.

ze gebieden hebben steeds volgens het RSV

potentie om een groot

el van

groei inzake woongelegenheid, voorzieningen en economische activiteiten op te vangen. Het RSV geeft ook ontwikkelingsperspectieven aan (III.1., 4. Ontwikkelings- perspectieven), waarvan enkele rechtstreeks van toepassing zijn op

omgeving van het Sint-Pietersstation te Gent. X-13.209 en 13.210-3/43 In het provinciaal ruimtelijk structuurplan van

provincie Oost- Vlaanderen,

finitief vastgesteld op 10

cember 2003 en door

Vlaamse regering goedgekeurd op 18 februari 2004, wordt een hogere dichtheid van kantoren nagestreefd rond het Sint-Pietersstation te Gent. In het gemeentelijk ruimtelijk structuurplan Gent,

finitief vastgesteld door

gemeenteraad van

stad Gent op 27 januari 2003 en goedgekeurd door

Vlaamse minister bevoegd voor Ruimtelijke Ordening op 9 april 2003, wordt het Sint-Pietersstation genoemd als één van

knooppunten van het stedelijk openbaar vervoer. Samen met het station Dampoort is het Sint-Pietersstation een ontwikkelingspool voor gemengd wonen en kantoren.

westelijke torenrij vormt

beeldbepalende westelijke rand van

stad. 2.1.2.

ruimtelijke inzichten, oppervlaktesimulaties en beelden die het resultaat zijn van

verschillende voorstudies, zijn verzameld in één bundel, met name het synthesedocument “Ontwikkeling Sint-Pietersstation Gent” van maart 2005. 2.1.3. In overleg met

cel MER -afdeling algemeen milieu- en natuurbeleid van AMINAL- wordt een plan/project-MER opgemaakt. Het kennisgevingsdossier is door

cel MER volledig verklaard op 17 maart 2004. Het werd van 23 maart 2004 tot en met 23 april 2004 ter inzage gelegd op het stadhuis van Gent. Op 29 maart 2004 en 5 april 2004 werden informatieavonden over het project georganiseerd in het Koninklijk Atheneum te Gent. Gelijktijdig werden bij

administraties en openbare besturen

adviezen gevraagd.

richtlijnen voor

opmaak van het MER worden uitgevaardigd op 22 juni 2004. Na aanpassing van een eerste ontwerp keurt

cel MER het plan-MER op 27 oktober 2005 goed. 2.1.4. Het project voor

ontwikkeling van

Stationsomgeving Gent- Sint-Pieters bestaat uit vier

elprojecten: 2.1.4.1.

elproject 1: bouwwerken tot omvorming van het station Gent- Sint-Pieters

ze bouwwerken omvatten

herinrichting van het station zelf: het vervangen van

bestaande perronconstructie en

bestaande tunnels door een betonnen draagconstructie met, naast een technische ruimte, plaats voor X-13.209 en 13.210-4/43 fietsenstallingen, stationsfuncties en concessies, sporen en perrons en luifels. Gekoppeld hieraan wordt het sporencomplex tussen

Snepkaai en

Kortrijksesteenweg aangepast en gerationaliseerd en wordt voorzien in

oprichting van een Logistiek Centrum Infrastructuur (LCI). 2.1.4.2.

elproject 2: bouwwerken tot verbetering van het multimodaal knooppunt voor openbaar vervoer Dit

elproject omvat

oprichting van een nieuw tram- en busstation ter vervanging van het bestaande. Tevens wordt voorzien in

verbreding van het profiel van

Koningin Fabiolalaan, en

vervanging van

verbinding tussen

Voskenslaan en het Maria Hendrikaplein door een tunnel onder

sporen. 2.1.4.3.

elproject 3: projectontwikkeling langs

Fabiolalaan en langs

Sint-

nijslaan (Sint-

nijsplein) Dit

elproject omvat

bouw van een parking, kantoren, woonruimten, handelsruimten en buurtvoorzieningen langs

Fabiolalaan en in beperktere mate langs

Sint-

nijslaan. Hiertoe worden een reeks bestaande NMBS-gebouwen langs

Fabiolalaan en ook het bestaande postgebouw gesloopt. Het

elproject aan

Fabiolalaan omvat in zone A

realisatie van een ondergrondse parking.

hoofdingang is voorzien via een tunnel onder

sporen en sluit aan op

verbindingsweg naar

R4. Voor

dimensionering ervan is rekening gehouden met volgende gebruikersgroepen: pendelparking, bewonersparking, bedrijven en personeel van winkels en publieke parking. In zones B en C zijn kleinere ondergrondse parkings voorzien. Om

projectontwikkeling langs het Sint-

nijsplein te kunnen realiseren worden 7 panden met cafés en appartementen aan

Sint-

nijslaan en 5 panden met woningen aan

Ganzendries gesloopt. 2.1.4.4.

elproject 4: verbindingsweg R4 Er wordt een verbindingsweg aangelegd tussen het aansluitingscomplex R4/B402 en een tunnel onder

sporen.

verbindingsweg loopt door het natuurgebied Overmeers en verbindt tevens

scholencampus Hogeschool Gent met

R4. X-13.209 en 13.210-5/43 2.1.4.5.

verschillende

elprojecten zullen worden gerealiseerd in fasen (2005-2015). 2.1.5.

verzoekende partijen zijn milieuverenigingen die ijveren voor

bescherming van het leefmilieu. Het werkingsgebied van

v.z.w. BOND BETER LEEFMILIEU situeert zich binnen het Vlaamse Gewest. Het werkingsgebied van

v.z.w. GENTS MILIEUFRONT situeert zich binnen

stad Gent en

buurtgemeenten. Beide v.z.w.’s kanten zich tegen

bijkomende ontsluitingsweg vanaf

Gentse ring en

bouw van

ondergrondse parking. 2.1.6. Om

ontwikkelingen in

stationsomgeving mogelijk te maken en

ontsluitingsweg in verbinding met

R4 te kunnen realiseren is een herbestemming en herinrichting van verschillende zones binnen het plangebied vereist. Met het oog daarop wordt besloten tot

opmaak van een gewestelijk ruimtelijk uitvoeringplan “Stationsomgeving Gent Sint-Pieters - Koningin Fabiolalaan” genaamd (Bijlage III Toelichtingsnota,

  1. inleiding). 2.1.
  2. Op 9 maart 2005 wordt naar aanleiding van het voorontwerp gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan “stationsomgeving Gent Sint-Pieters - Koningin Fabiolalaan” een plenaire vergadering gehouden. 2.1.
  3. Bij besluit van

Vlaamse regering van 27 januari 2006 wordt het ontwerp van gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan “stationsomgeving Gent Sint- Pieters - Koningin Fabiolalaan”, voorlopig vastgesteld. 2.1.

  1. Tijdens het openbaar onderzoek, dat wordt gehouden van 27 februari 2006 tot 27 april 2006, worden 554 bezwaarschriften ingediend, waarvan 42 individuele bezwaarschriften, 410 identieke bezwaarschriften van het buurtcomité Buitensporig, aangeduid als type 1, en 102 bezwaarschriften aangeduid als type
  2. 2.1.
  3. Op 19 april 2006 brengt

provincieraad van Oost-Vlaanderen advies uit. 2.1.11. Op 24 april 2006 brengt

gemeenteraad van

stad Gent advies uit. X-13.209 en 13.210-6/43 2.1.12. In zitting van 27 juni 2006 brengt

VLACORO een gunstig advies uit over het ontwerp van ruimtelijk uitvoeringsplan mits wordt voldaan aan

erin gestelde voorwaarden en opmerkingen. 2.1.13. Op 13 oktober 2006 beslist

Vlaamse regering

vervaltermijn voor

finitieve vaststelling van het gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan “stationsomgeving Gent Sint-Pieters - Koningin Fabiolalaan” met 60 dagen te verlengen. 2.1.14. Op 23 november 2006 brengt

Raad van State, afdeling wetgeving, advies uit met toepassing van artikel 84, § 1, eerste lid, 1/ van

gecoördineerde wetten op

Raad van State. 2.1.15. Bij besluit van

Vlaamse regering van 15

cember 2006 wordt het gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan (GRUP) “stationsomgeving Gent Sint- Pieters - Koningin Fabiolalaan”

finitief vastgesteld. Dit besluit wordt bij uittreksel bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 12 januari 2007. Dit is het eerste bestreden besluit in

beide zaken. 2.2.1. Op 22 maart 2006 dient

n.v. INFRABEL bij

gewestelijk stedenbouwkundig ambtenaar een aanvraag in om stedenbouwkundige vergunning voor een vernieuwd stationscomplex “Gent Sint-Pieters” met tram- en busstation, tunnel en parking en bijhorende elementen op gronden gelegen aan het Koningin Maria Hendrikaplein te Gent, kadastraal bekend 9e afdeling, sectie I, nrs. 647/t, 649/59c, 649/58b, 649/59f, 649/52f, 649/52e, 649/53a, 649/52c, 649/59g, omvattende “onder meer: S een vernieuwd stationscomplex met tram- en busstation aan het Koningin Maria Hendrikaplein; S het vernieuwen van

keermuur onder

sporen langsheen

Sint-

nijslaan; S een ontsluitingstunnel vanaf

Sint-

nijslaan naar

parking; S een ondergrondse parking langsheen

Koningin Fabiolalaan; S tijdelijke containers voor NMBS-personeel en een tijdelijke goederenloods voor

NMBS op

vroegere NMBS terreinen langsheen

Koningin Fabiolalaan; S tijdelijke fietsenstallingen aan

Sint-

nijslaan en

Koningin Fabiolalaan; S

herlocalisatie van zendmasten die momenteel op het dak van het bestaande, maar af te breken postgebouw staan; X-13.209 en 13.210-7/43 S het slopen van het postgebouw en

goederenloodsen die aan

westelijke zijde van het Koningin Maria Hendrikaplein staan, en verder

voorlopige NMBS-parking die recent in gebruik is genomen; S een voorafgaandelijke tunnel voor tram, bus, fietsers en voetgangersverkeer; S

aanleg van wegenis vanaf

ontsluitingstunnel naar

Koningin Fabiolalaan toe, via een omweg zoals aangeduid op het plan”.

zonering volgens het -op het ogenblik van

aanvraag in opmaak zijnde- gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan “stationsomgeving Gent Sint- Pieters - Koningin Fabiolalaan” is

els “stationsomgeving Gent Sint-Pieters”,

els “wegenis”,

els “stationsplaats”,

els “LCI”,

els “ondergrondse parkeerruimte met pendelparking”,

els “interne ontsluitingsweg”. Het westelijk en zuidoostelijk

el van het vernieuwde station reikt tot iets buiten

zone voor “stationsplaats” van het ruimtelijk uitvoeringsplan, en situeert zich volgens het gewestplan Gentse en Kanaalzone, vastgesteld bij koninklijk besluit van 14 september 1977, in een gebied voor gemeenschapsvoorzieningen en openbare nutsvoorzieningen.

aan te passen wegenis aan

westkant van het Koningin Maria Hendrikaplein en

aanpassing van het kruispunt van

Sint-

nijslaan, evenals

tijdelijke fietsenstalling en

er op aansluitende werfzone aan

zuidkant van het station situeren zich

els buiten het ruimtelijk uitvoeringsplan en liggen volgens het gewestplan in woongebied. 2.2.2. Tijdens het openbaar onderzoek, dat wordt gehouden van 27 maart 2006 tot 26 april 2006, wordt onder meer door

verzoekende partijen een bezwaarschrift ingediend. 2.2.3.

afdeling Wegen en Verkeer Oost-Vlaanderen verleent op 28 maart 2006 gunstig advies.

afdeling Monumenten en Landschappen verleent op 4 april 2006 voorwaardelijk gunstig advies. In zitting van 12 oktober 2006 adviseert het stadsbestuur van Gent

aanvraag gunstig mits aanbevelingen in

zin van het opleggen van bijzondere voorwaarden in

stedenbouwkundige vergunning.

cel Onroerend Erfgoed van het agentschap R-O Vlaanderen in Gent stelt in een advies van 23 november 2006 dat er voor het aspect beschermd onroerend erfgoed geen bezwaren zijn. X-13.209 en 13.210-8/43 2.2.4. Bij besluit van 19

cember 2006 verleent

gewestelijk stedenbouwkundig ambtenaar aan

n.v. INFRABEL

gevraagde stedenbouwkundige vergunning mits naleving van

volgende voorwaarden: “(...) S

graafwerken moeten archeologisch worden opgevolgd. Hiervoor moet voor

aanvang van

werken contact worden opgenomen met

bevoegde dienst en worden voldaan aan zowel

voorwaarden van het hierboven vermelde advies van

afdeling Monumenten en Landschappen dd. 4 april 2006, als aan

specifieke milderende maatregelen in het MER daaromtrent. S Het grondwater dat onttrokken wordt bij bronbemaling die eventueel noodzakelijk blijkt voor het realiseren van

bouwkundige werken moet, in zoverre dit met toepassing van best beschikbare technieken mogelijk is, zoveel mogelijk terug in

grond worden ingebracht buiten

onttrekkingszone. Hiervoor kan gebruik gemaakt worden van infiltratieputten, infiltratiebekkens of infiltratiegrachten. Indien dit technisch onmogelijk is, moet het water geloosd worden in het openbare of private waterlopennet.

infiltratie of

lozing van het opgepompte grondwater mag geen wateroverlast voor

rden veroorzaken. Het lozen in

openbare riolering is slechts toegestaan wanneer het technisch onmogelijk is zich op een andere manier van dit water te ontdoen. Volumes hoger dan 10 m³ per uur mogen niet geloosd worden in

openbare rioleringen aangesloten op een rioolwaterzuiveringsinstallatie (zuiveringszone A) behoudens

uitdrukkelijke schriftelijke toestemming van

exploitant van

ze installatie (Aquafin) en

rioolbeheerder. Bronbemaling die technisch noodzakelijk is voor ofwel

verwezenlijking van bouwkundige werken, ofwel

aanleg van openbare nutsvoorzieningen is volgens Vlarem (...) indelingsplichtig en dient gemeld (...) (...) S Alle milderende maatregelen zoals beschreven in het hierboven bedoelde MER Masterplan Station Gent-Sint-Pieters en omgeving dienen in acht genomen te worden, en dit zowel tijdens

fase van

werkzaamheden als erna. S

uitblaasmonden van

parkingventilatie dienen te worden voorzien van specifieke filters om het fijn stof zoveel als mogelijk te capteren en voorzien van

nodige geluiddemping. (...)”. Dit is het tweede bestreden besluit in

beide zaken. 2.3.1. Op 22 maart 2006 dient

Administratie Wegen en Verkeer Oost- Vlaanderen bij

gewestelijk stedenbouwkundig ambtenaar een aanvraag in om stedenbouwkundige vergunning voor het aanleggen van een verbindingsweg vanaf

Sint-

nijslaan (stationssite) naar

R4 Grote Ring Noord te Gent op gronden gelegen ten zuiden van

Sint-

nijslaan, kadastraal bekend 9e afdeling, sectie I, nrs. 344/d, 341/d en e, 336/a, 340/c en 339/b en c, omvattende

volgende werken: X-13.209 en 13.210-9/43 “- een tweevaksbaan verbindingsweg vanaf

stationssite naar

R4, vanaf

inrit van

toekomstige ondergrondse parking onder

stationssite tot aan

bestaande, vrije nieuwe brug over

Ringvaart, in het verlengde van

Pégoudlaan (site Flanders Expo); - een rond punt ter aansluiting op

bestaande op- en afrit van voormelde brug; - een dubbelrichting fietspad aan

westelijke zijde van

verbindingsweg; - een ‘groene’ geluidswand tussen het fietspad en

weg; - een fietsersonderdoorgang onder

aftakking van voormeld rond punt; - een fietspad dat

scholencampus verbindt; - verplaatsen van het bestaande rioleringstelsel buiten

wegeniswerken; - aanleg van een rioleringstelsel en baangrachten voor hemelwateropvang; - natuurcompensatie in het gebied ‘Overmeers’”. 2.3.2. Volgens

bestemmingsvoorschriften van het -op het ogenblik van

aanvraag in opmaak zijnde- gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan “stationsomgeving Gent Sint-Pieters - Koningin Fabiolalaan” is

betrokken verbindingsweg gelegen in zone voor “wegenis”.

aanzet van een “aantakking” naar

site van

scholencampus is volgens

bestemmingsvoorschriften van het gewestplan Gentse en Kanaalzone, vastgesteld bij koninklijk besluit van 14 september 1977, gelegen in een gebied voor gemeenschapsvoorzieningen en openbare nutsvoorzieningen.

“aantakking” naar

Roosakker is volgens

bestemmingsvoorschriften van hetzelfde gewestplan gelegen in woongebied. 2.3.3. Tijdens het openbaar onderzoek, dat wordt gehouden van 27 maart 2006 tot 26 april 2006 worden meerdere bezwaarschriften ingediend. 2.3.4.

aanvraag omvat een gedeeltelijke ontbossing (1,4 ha).

afdeling Bos en Groen - Oost-Vlaanderen adviseert op 29 maart 2006 gunstig “mits

compensatiemaatregelen COMP-06-0037-OV worden uitgevoerd binnen

termijnen gesteld in het Besluit van

Vlaamse regering dd. 16 februari 2001 tot vaststelling van nadere regels inzake compensatie van ontbossing en ontheffing van het verbod op (ontbossing)”. Het zuidelijke

el van

verbindingsweg doorkruist een gebied dat op het gewestplan is bestemd tot natuurgebied.

afdeling Natuur Oost- Vlaanderen verstrekt hieromtrent op 4 april 2006 het volgende advies: X-13.209 en 13.210-10/43 “(...) Door

aanleg van

verbindingsweg, verdwijnt een strook natuurgebied en ‘verboden te wijzigen vegetatie’. Dit moet volgens het natuurdecreet gecompenseerd worden.

inname op zich is relatief beperkt, maar het versnipperingseffect en barrière-effect is groot. In het Gemeentelijk Ruimtelijk Structuurplan Gent is het gebied Overmeers opgenomen als kleiner natuurgebied van

‘groene ring’ langs

Ringvaart. Het is dus belangrijk het overblijvend gebied te optimaliseren. In

loop van het proces is er dan ook voor geopteerd om ter plaatse te compenseren en

nog bestaande ecologische potenties te optimaliseren. Het bureau WES heeft hiervoor al een richtinggevend inrichtingsplan voor het natuurpark Overmeers uitgewerkt. Bij

opmaak van het MER is aangegeven dat door het uitgraven van

parking, er mogelijk een verstoring zal zijn op

kwelstroom in Overmeers.

verstoring van

ze kwel kan een zeer negatief effect hebben op

waardevolle broekbossen die voorkomen in Overmeers. In het MER is dan ook voorgesteld om gedurende 1 jaar het grondwater op te meten aan

hand van peilbuizen.

resultaten van

ze studie moeten voorgelegd worden aan

afdeling Natuur. ADVIES Gunstig advies onder volgende voorwaarden: S afdeling Natuur wordt verder betrokken bij

opmaak van het inrichtingsplan van het gebied en moet haar goedkeuring geven voor het plan. S

compensatie moet uitgevoerd zijn tegen

cember 2008. S

resultaten van grondwatermetingen aan

hand van peilbuizen voorgelegd zijn aan afdeling Natuur”.

afdeling Monumenten en Landschappen verleent op 4 april 2006 een voorwaardelijk gunstig advies.

cel Monumenten en Landschappen van

afdeling ROHM - Oost-Vlaanderen stelt in een advies van 13 april 2006 dat er gelet op

milderende maatregelen geen bezwaren zijn tegen

verbindingsweg.

afdeling Wegen en Verkeer Oost-Vlaanderen verleent op 27 juni 2006 een gunstig advies. In zitting van 12 oktober 2006 adviseert het college van burgemeester en schepenen van

stad Gent

aanvraag gunstig mits aanbevelingen in

zin van het opleggen van bijzondere voorwaarden in

stedenbouwkundige vergunning. 2.3.5.

vergunningsplichtige werken die

inrichting van het natuurpark Overmeers met zich mee brengen, maken het voorwerp uit van een afzonderlijke aanvraag. X-13.209 en 13.210-11/43 2.3.6. Bij het bestreden besluit van 19

cember 2006 verleent

gewestelijk stedenbouwkundig ambtenaar

gevraagde stedenbouwkundige vergunning, onder

volgende voorwaarden: “(...) S Het grondwater dat onttrokken wordt bij bronbemaling die eventueel noodzakelijk blijkt voor het realiseren van

bouwkundige werken moet, in zoverre dit met toepassing van best beschikbare technieken mogelijk is, zoveel mogelijk terug in

grond worden ingebracht buiten

onttrekkingszone. Hiervoor kan gebruik gemaakt worden van infiltratieputten, infiltratiebekkens of infiltratiegrachten. Indien dit technisch onmogelijk is, moet het water geloosd worden in het openbare of private waterlopennet.

infiltratie of

lozing van het opgepompte grondwater mag geen wateroverlast voor

rden veroorzaken. Het lozen in

openbare riolering is slechts toegestaan wanneer het technisch onmogelijk is zich op een andere manier van dit water te ontdoen. Volumes hoger dan 10 m³ per uur mogen niet geloosd worden in

openbare rioleringen aangesloten op een rioolwaterzuiveringsinstallatie (zuiveringszone A) behoudens

uitdrukkelijke schriftelijke toestemming van

exploitant van

ze installatie (Aquafin) en

rioolbeheerder. Bronbemaling die technisch noodzakelijk is voor ofwel

verwezenlijking van bouwkundige werken, ofwel

aanleg van openbare nutsvoorzieningen is volgens Vlarem (...) indelingsplichtig en dient gemeld (...) S

voorwaarden uit het advies van

afdeling Wegen en Verkeer Oost- Vlaanderen dd. 27 juni 2006 (...) moeten worden nageleefd. S Alle milderende maatregelen zoals beschreven in het hierboven bedoelde MER Masterplan Station Gent Sint-Pieters en omgeving dienen in acht genomen te worden, en dit zowel tijdens

fase van

werkzaamheden als erna. S

vergunning voor

ontbossing wordt verleend op grond van artikel 90bis § 5,

rde lid, van het bosdecreet en onder

voorwaarden zoals opgenomen in het hierbij gevoegde compensatieformulier (...) S In functie van

compensatie van het natuurgebied dat doorkruist wordt,

aanhorigheden aan

weg zoals

afwateringsgrachten, op een natuurtechnische wijze aanleggen en tegelijk of aansluitend met

verkeerskundige werken, het natuurpark Overmeers inrichten. S Het geluidsscherm ten westen van

verbindingsweg verhogen tot een hoogte van 4m ten opzichte van het wegniveau. Die extra meter kan worden bekomen door een verhoging van het geplande betonnen scherm tot 4m hoogte ofwel door het bovenste

el uit te voeren met een doorzichtig, voldoende geluidsbufferend scherm. S Langs

toegangsweg, waar mogelijk, straatbomen aanplanten.

straatbomen sluiten aan bij

bomen langs

R4”. Dit is het

rde bestreden besluit in

beide zaken. X-13.209 en 13.210-12/43 3. Ontvankelijkheid van

vordering

verwerende partij evenals

eerste,

tweede,

rde,

vierde en

vijfde tussenkomende partij betwisten

ontvankelijkheid van

vordering. Er bestaat vooralsnog geen noodzaak om over

opgeworpen excepties uitspraak te doen. Een onderzoek van en een uitspraak over

ze excepties dringt zich immers slechts op indien zou blijken dat aan

grondvoorwaarden om

schorsing van

tenuitvoerlegging te kunnen bevelen is voldaan, hetgeen te

zen, zoals hierna zal blijken, niet het geval is. 4. Wat

grond van

vordering tot schorsing betreft 4.1. Krachtens artikel 17, § 2 van

gecoördineerde wetten op

Raad van State kan slechts tot

schorsing van

tenuitvoerlegging worden besloten onder

dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die

vernietiging van

aangevochten beslissing kunnen verantwoorden en dat

onmiddellijke tenuitvoerlegging van

bestreden beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen. In het verzoekschrift tot schorsing zijn

aangevoerde middelen voldoende precies omschreven om vatbaar te zijn voor een prima facie onderzoek.

ter zake door

vijfde tussenkomende partij opgeworpen exceptie kan niet worden aangenomen. 4.2. Over

aangevoerde middelen In

beide zaken worden drie identiek geformuleerde middelen aangevoerd. 4.2.

  1. Eerste middel 4.2.1.
  2. In een eerste middel voeren

verzoekende partijen

schending aan “van

wettelijke normen voor fijn stof en stikstofoxiden”. Zij zetten dit middel uiteen als volgt: “D.l.l. Inhoud van

wettelijke bepalingen D.1.1.

  1. Europese regelgeving
  2. X-13.209 en 13.210-13/43

relevante bepalingen inzake luchtkwaliteit opgenomen in VLAREM II en die in het volgende punt worden uiteengezet, vormen

omzetting van Europese regelgeving.

Richtlijn 96/62/EG van

Raad van 27 september 1996 inzake

beoordeling en het beheer van

luchtkwaliteit, schetst een globaal kader waarmee

EU in

toekomst

luchtkwaliteit niet enkel wenst te beoordelen en te beheren (hierna ‘

Kaderrichtlijn Luchtkwaliteit’).

ze Kaderrichtlijn Luchtkwaliteit vormt samen met een aantal dochterrichtlijnen

basis voor het kwaliteitsbeleid lucht binnen

Europese Unie. In

ze dochterrichtlijnen worden voor een 13-tal polluenten luchtkwaliteitsnormen (grenswaarden en in een aantal gevallen alarmdrempels) vastgelegd. Een van

ze dochterrichtlijnen is

Richtlijn 1999/30/EG van

Raad van 22 april 1999 betreffende

grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide, zwevende

eltjes en lood in

lucht (hierna “

Richtlijn Grenswaarden”). D.1.1.

  1. Vlaamse regelgeving
  2. Op grond van artikel 2.2.
  3. DABM stelt

Vlaamse Regering ter bescherming van het milieu milieukwaliteitsnormen vast die bepalen aan welke kwaliteitseisen

onderdelen van het milieu moeten voldoen binnen

termijnen die zij bepaalt. Milieukwaliteitsnormen bepalen

maximaal toelaatbare hoeveelheden verontreinigingsfactoren in

atmosfeer, het water en

bodem. Artikel 2.2.4 DABM geeft aan dat bovenvermelde milieukwaliteitsnormen kunnen worden vastgelegd in

vorm van grenswaarden en richtwaarden. Verder bevat dit artikel een

finitie van het begrip grenswaarde: ‘Grenswaarden mogen, behoudens in geval van overmacht, niet worden overschreden. Onverminderd

overige bepalingen van dit

creet, bepalen

verordeningen die ze vaststellen

maatregelen die door

daartoe aangewezen overheden moeten worden getroffen bij overschrijding of dreigende overschrijding ervan, teneinde

erdoor beschermde belangen te beveiligen’.

milieukwaliteitsnormen inzake

luchtkwaliteit zijn opgenomen in het Besluit van

Vlaamse Regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne (hierna “VLAREM II”). Artikel 2.1.l., §1 VLAREM II stelt dat

in het besluit opgenomen milieukwaliteitsnormen

kwaliteitseisen bepalen waaraan het betrokken onderdeel van het milieu (in casu lucht) in heel het Vlaamse Gewest moet voldoen. 19.

artikelen 2.5.4.2, § 1 en 2.5.4.3, § 1 VLAREM II bepalen dat

overheid

nodige maatregelen neemt om ervoor te zorgen dat

concentraties in

lucht van enerzijds stikstofdioxide en stikstofoxiden (NO2 en NOx) en anderzijds zwevende

eltjes (PM10) niet worden overschreden. In Bijlage 2.5.5.2 van VLAREM II zijn

grenswaarden inzake stikstofoxiden en stikstofdioxide vastgesteld op (i) een jaargrenswaarde voor

bescherming van vegetatie van 30 :g/m³ NOx (geen overgangsperiode) en (ii) een jaargrenswaarde voor

bescherming van

gezondheid van

mens die bepaald is op 40 :g/m³ NO2 vanaf 1 januari 2010 (en gradueel te bereiken in

periode tussen 1 januari 2001 en 1 januari 2010). In Bijlage 2.5.5.3 van VLAREM II zijn

grenswaarden voor zwevende

eltjes vastgesteld in een eerste fase op een daggemiddelde voor

bescherming van

gezondheid van

mens van 50 :g/m³ PM10 vanaf 1 januari 2005 die maximaal 35 keer per jaar mag worden overschreden en een jaargemiddelde grenswaarde voor

bescherming van

gezondheid van 40 :g/m³ PM10 met ingang van 1 januari 2005. X-13.209 en 13.210-14/43 In een tweede fase zijn

grenswaarden vastgesteld op een daggemiddelde van 50 :g/m³ PM10 vanaf 1 januari 2010 die maximaal 7 keer per jaar mag worden overschreden en een jaargemiddelde grenswaarde 20 :g/m³ PM10 met ingang van 1 januari 2010 (gradueel te bereiken in

periode tussen 1 januari 2005 en 1 januari 2010). D.1.1.

  1. Geen mogelijkheid tot afwijking
  2. Het artikel 2.2.
  3. DABM bepaalt dat

grenswaarden, behoudens overmacht, geenszins mogen worden overschreden. Het begrip grenswaarde is tevens omschreven in

Europese Richtlijnen als ‘een niveau dat op basis van wetenschappelijke kennis is vastgesteld teneinde schadelijke gevolgen voor

gezondheid van

mens en/of voor het milieu in zijn geheel te voorkomen, te verhinderen of te verminderen en dat binnen een bepaalde termijn moet worden bereikt en, als het eenmaal is bereikt, niet meer mag worden overschreden’. Artikel 2.1.2. VLAREM II (bepaalt) immers dat

milieukwaliteitsnormen, vastgelegd in

vorm van grenswaarden, door

overheid worden gehanteerd bij het plannen en bij het realiseren van haar beleid. Artikel 1.2.l., §3 DABM bepaalt daarenboven: ‘

in §1 en §2 bepaalde doelstellingen en beginselen moeten in het bepalen en uitvoeren van het beleid van het Vlaamse Gewest op andere gebieden worden geïntegreerd. Bij

uitvoering van het beleid wordt rekening gehouden met

sociaal-economische aspecten,

internationale dimensie en

beschikbare wetenschappelijke en technische gegevens’. Artikel 4 van het

creet van 18 mei 1999 houdende

organisatie van

ruimtelijke ordening geeft tot slot duidelijk aan dat ‘

ordening die in plannen wordt vastgelegd, moet gericht zijn op een duurzame ruimtelijke ontwikkeling waarbij

ruimte beheerd wordt ten behoeve van

huidige generatie, zonder dat

behoeften van

toekomstige generaties in het gedrang gebracht worden. Daarbij worden

ruimtelijke behoeften van

verschillende maatschappelijke activiteiten gelijktijdig tegen elkaar afgewogen. Er wordt rekening gehouden met

ruimtelijke draagkracht,

gevolgen voor het leefmilieu en

culturele, economische, esthetische en sociale gevolgen. Op

ze manier wordt gestreefd naar ruimtelijke kwaliteit’. Dit impliceert dat milieukwaliteitsnormen ook bindend zijn bij

vaststelling van ruimtelijke uitvoeringsplannen.

Europese grenswaarden inzake luchtkwaliteit opgenomen in VLAREM II vormen aldus een dwingend toetsingskader bij

opmaak van ruimtelijke uitvoeringsplannen. D.1.1.

  1. Fijn stof: Gezondheidseffecten en oorzaken
  2. Fijn stof (PM) is een verzamelnaam voor zeer kleine vervuilende stofdeeltjes in

lucht, kleiner dan een honderdste van een millimeter. Juist omdat die stofdeeltjes zo klein zijn en diep in onze longen kunnen doordringen, zijn ze gevaarlijk. Bij een korte blootstelling aan luchtvervuiling met fijn stof worden bestaande gezondheidsproblemen zoals luchtweginfecties en astma erger. Tevens neemt het aantal spoedopnames door luchtwegklachten en hartaandoeningen toe, evenals het aantal acute sterfgevallen, vooral bij ouderen met een zwakkere gezondheid. Volgens het uitgebreid onderzoek van onder meer

wereldgezondheidsorganisatie (hierna ‘WGO’) zorgt fijn stof op lange termijn voor een vermindering van

longfunctie, een toename van chronische luchtwegaandoeningen, een toename van hart- en vaatziekten, een toename van het aantal kankers en meer algemeen een kortere levensverwachting (...). Volgens het milieurapport Vlaanderen (MIRA-T 2004) werd berekend dat bij een ongewijzigde situatie iedereen in Vlaanderen in zijn leven gemiddeld X-13.209 en 13.210-15/43 een

rde van een gezond levensjaar zal verliezen door blootstelling aan fijn stof. In 2003 liepen

externe gezondheidskosten voor PM10 (met een grootte van 10 micrometer) en PM2,5 (met een grootte van 2,5 micrometer) op tot 1,1 miljard euro voor Vlaanderen (...). 22.

belangrijkste bron voor

uitstoot van fijn stof is het autoverkeer. Vooral

uitlaatgassen van dieselmotoren bevatten veel stof. Zeker in een stad heeft autoverkeer het hoogste aandeel, omdat auto’s in het stedelijk verkeer meer remmen, stilstaan en optrekken, wat extra vervuilend is. In

stad wordt ook meer ‘koud’ gereden. Een katalysator werkt immers pas na enkele kilometers wanneer

motor is opgewarmd. Om het fijn stof probleem op te kunnen lossen is volgens

WGO een combinatie van maatregelen nodig. Zo moet via technische ingrepen gewerkt worden aan het verbeteren van

uitstoot van het wegverkeer, bijvoorbeeld door roetfilters te plaatsen op dieselwagens. Volgens

WGO zullen

rgelijke technische ingrepen op zich niet volstaan, omdat

milieuwinst die daarmee geboekt wordt teniet zal gaan door

groei van het autoverkeer (...). Daarom zijn volgens

WGO ook maatregelen nodig die

groei van het autoverkeer in

hand houden, samen met maatregelen voor een betere doorstroming en meer openbaar vervoer.

WGO wijst specifiek op

noodzaak om bij ruimtelijke plannen (‘urban planning’) terdege rekening te houden met

problematiek van luchtvervuiling (...). D.1.1.5. Overschrijding van

grenswaarden: schending van

wettelijke bepalingen 23.

verwezenlijking van het GRUP Gent Sint-Pieters en

stedenbouwkundige vergunningen Stationscomplex en R4-link zullen zorgen voor een aanzienlijke toename van het fijn stof in

lucht.

ondergrondse parking en

verbindingsweg zullen volgens het MER een sterk aanzuigende werking van het verkeer hebben, meer bepaald van 1.575 wagens per uur, of bijna 10.000 wagens per dag. Daar komt nog het verkeer bij voor

kantoren en

woningen. In het oostelijk

el van

Koningin Fabiolalaan bijvoorbeeld zal

verkeersintensiteit toenemen van 131 wagens per uur per richting vandaag naar 618 wagens per uur en per richting in

toekomst. Ook in heel wat andere straten rond het station zal het autoverkeer gevoelig drukker worden. Dat verkeer zal volgens het MER onvermijdelijk extra luchtvervuiling veroorzaken in

woonbuurten rond het station. Uit het MER blijkt zwart op wit dat hierdoor

luchtkwaliteitsnormen voortdurend zullen overschreden worden. Uit het MER blijkt immers dat zowel voor NOx (stikstofoxiden) als voor PM10 (fijn stof)

toepasselijke grenswaarden niet worden bereikt. Wat stikstofoxiden betreft wordt

jaargrenswaarde voor

bescherming van

vegetatie (jaargemiddelde van 30 :g/m³) overschreden (gemiddelde van 33,08 :g/m³) (...). Wat fijn stof betreft wordt

jaargrenswaarde voor

bescherming van

gezondheid van

mens, zoals van toepassing vanaf 1 januari 2005 (gemiddelde van 40 :g/m³) thans overschreden (een gemiddelde waarde van 46.25 :g/m³). 24. Hierna wordt meer specifiek ingegaan op

overschrijding van

grenswaarden inzake fijn stof. In het MER wordt hieraan, gezien het belang ervan, een afzonderlijk luik gewijd (...). 25. X-13.209 en 13.210-16/43 Zoals reeds uiteengezet, bedraagt

grenswaarde voor fijn stof 50 :g/m³ als daggemiddelde.

ze grenswaarde mag vanaf 1 januari 2005 maximaal 35 keer per jaar overschreden worden (jaargemiddelde van 40 :g/m³) (vanaf 1 januari 2010 is dat zelfs maximaal 7 keer en geldt 20 :g/m³ als jaargemiddelde). 26.

emissies werden in het MER gemodelleerd met behulp van het CAR-model. Op

ze wijze wordt

berekening gemaakt op straatniveau.

beschouwde straten zijn

ze waar in het hoofdstuk Mobiliteit verkeersintensiteiten zijn berekend (...). Ter illustratie wordt hieronder een schets gegeven van

berekeningen van

huidige en toekomstige overschrijdingen van

fijn stof norm, zoals in het MER weergegeven: Straat Overschrijdingen Overschrijdingen 2004 2015 St-

nijslaan West 48 50(+2) St-

nijslaan Oost 49 68(+19) Kon. Fabiolalaan 42 57(+15) Rijsenbergstraat ? 48 (?) Kon. Boudewijnstr. 44 62(+18) Kon. Albertlaan 62 69(+7) Voskenslaan 92 62(-30) (...) Hierbij is nog geen rekening gehouden met (i)

emissies van het verkeer dat erbij komt voor

kantoren en

woningen in

zones B en C, waar er aparte parkeerplaatsen worden voorzien en met

ontwikkeling van Flanders Expo.

berekeningen zijn dus een onderschatting en geven geen totaal beeld van

impact van het volledige project op

luchtkwaliteit. Niettegenstaande

ze onderschatting blijkt overduidelijk uit

straatmodellering dat er een opmerkelijke toename optreedt van

overschrijdingen van

fijnstof - normen. Enkel

Voskenslaan zou beter scoren dan vandaag, aangezien het autoverkeer hier zal afnemen door het afsluiten van

tunnel. Niettemin betreft het ook in 2015 nog om een aanzienlijke overschrijding van het toegelaten aantal inbreuken. 27. Het weze nog opgemerkt dat in het MER

waarden worden getoetst aan

vandaag geldende dag- en jaargrenswaarden, terwijl een verscherping van

grenswaarden zal optreden met ingang van 1 januari 2010. Het MER vergelijkt slechts met

grenswaarde voor fijn stof die geldt vanaf 1 januari 2005 tot 1 januari 2010, met name 50 :g/m³ PM10 als daggemiddelde en die maximaal 35 keer per jaar mag overschreden worden (jaargemiddelde van 40 PM10). Echter, vanaf 1 januari 2010 zal

strengere norm van 50 :g/m³ PM10 die slechts maximaal 7 keer per jaar mag worden overschreden van toepassing zijn (jaargemiddelde van 20 :g/m³ PM10). Men had dan ook een vergelijking dienen te maken met

norm die geldt vanaf 1 januari 2010 om

situatie in het jaar 2015 correct te kunnen beoordelen. D.I.1.6. Besluit 28.

bestreden besluiten schenden

aangehaalde wettelijke bepalingen omdat ze: • wat betreft het GRUP Gent Sint-Pieters goedkeuring verleent aan een ruimtelijke ontwikkeling die voor gevolg heeft dat

grenswaarden X-13.209 en 13.210-17/43 inzake PM10, NOx en NO2 in

stationsbuurt op blijvende wijze zullen overschreden worden. • wat betreft

stedenbouwkundige vergunningen, rechts(t)reeks als gevolg zullen hebben dat

grenswaarden inzake PM10, NOx en NO2 in

stationsbuurt op blijvende wijze zullen overschreden worden. • geen concrete maatregelen bevatten die waarborgen dat

grenswaarden op

data dat zij van toepassing zijn, zullen worden geëerbiedigd, door bijvoorbeeld saneringsmaatregelen te treffen ten aanzien van andere bronnen die bijdragen tot luchtverontreiniging in

buurt, zodat globaal genomen

grenswaarden zullen in acht genomen worden”. 4.2.1.2. Ontvankelijkheid van het middel 4.2.1.2.1.

rde en

vierde tussenkomende partij werpen op dat het middel zich niet leent tot een prima facie beoordeling in kort geding, gezien het gaat om een complex en technisch middel. Zoals hiervoor reeds is gesteld is ook het eerste middel voldoende precies omschreven om vatbaar te zijn voor een prima facie beoordeling.

exceptie kan niet worden aangenomen. 4.2.1.2.2.

eerste tussenkomende partij voert aan dat

verzoekende partijen geen belang hebben bij het middel.

vijfde tussenkomende partij werpt op dat

verzoekende partijen hun belang bij het middel niet aantonen. Vooralsnog bestaat er geen noodzaak om over

ze excepties uitspraak te doen. Een onderzoek van en een uitspraak over

ze excepties zou zich slechts opdringen indien zou komen vast te staan dat het middel ernstig wordt bevonden, hetgeen, zoals hierna zal blijken, niet het geval is. 4.2.1.3. Onderzoek van

ernst van het middel 4.2.1.3.1. In een eerste middel voeren

verzoekende partijen

schending aan van “

wettelijke normen voor fijn stof en stikstofoxiden”. 4.2.1.3.2.

juridische grondslag voor het kwaliteitsbeleid inzake lucht in

Europese Unie is

Richtlijn 96/62/EG van

Raad van 27 september 1996 inzake

beoordeling en het beheer van

luchtkwaliteit, samen met vier dochterrichtlijnen. Voor stikstofdioxide en stikstofoxiden (NO2 en NOx) en fijn stof (PM10) werden normen bepaald in

Richtlijn 1999/30/EG van

Raad van 22 april X-13.209 en 13.210-18/43 1999 betreffende grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, zwevende

eltjes en lood in

lucht. In voormelde dochterrichtlijn 1999/30/EG wordt niet enkel een grenswaarde, maar worden ook

overschrijdingsmarges bepaald.

overschrijdingsmarge is het percentage waarmee

grenswaarde onder

in

Richtlijn 96/62/EG vastgelegde voorwaarden kan worden overschreden.

overschrijdingsmarge neemt lineair af vanaf

startdatum tot 0% op

datum waarop aan

grenswaarde moet worden voldaan, zijnde 1 januari 2005 voor PM10 en 1 januari 2010 voor NO2. Artikel 7.1. van

Richtlijn 96/62/EG van

Raad van 27 september 1996 inzake

beoordeling en het beheer van

luchtkwaliteit bepaalt: “

Lid-Staten nemen

nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat

grenswaarden worden nageleefd”. Artikel 7.3. bepaalt: “

Lid-Staten stellen actieplannen op, waarin wordt vermeld welke maatregelen bij een dreigende overschrijding van

grenswaarden en/of

alarmdrempels op korte termijn moeten worden genomen om het risico van overschrijding te verkleinen en

duur ervan te beperken. Al naar gelang van het geval behelzen

ze plannen controlemaatregelen en, zo nodig, schorsing van

activiteiten die bijdragen tot overschrijding van

grenswaarden, met inbegrip van het gemotoriseerde verkeer”. Artikel 8 van

zelfde richtlijn bepaalt

maatregelen die van toepassing zijn in zones waar

niveaus hoger liggen dan

grenswaarde, met name: “1.

Lid-Staten stellen

lijst op van zones en agglomeraties waar

niveaus van een of meer verontreinigende stoffen

grenswaarde, verhoogd met

overschrijdingsmarge, overschrijden. Wanneer voor een bepaalde verontreinigende stof geen overschrijdingsmarge is vastgesteld, worden

zones en agglomeraties waar het niveau van

ze verontreinigende stof

grenswaarde overschrijdt, gelijkgesteld met

in

vorige alinea bedoelde zones en agglomeraties en zijn

leden 3 tot en met 5 erop van toepassing. 2.

Lid-Staten stellen

lijst op van

zones en agglomeraties waar

niveaus van een of meer verontreinigende stoffen tussen

grenswaarde en

met

overschrijdingsmarge verhoogde grenswaarde liggen. 3. In

in lid 1 bedoelde zones en agglomeraties treffen

Lid-Staten maatregelen om ervoor te zorgen dat er een plan of programma wordt opgesteld en uitgevoerd dat ertoe leidt dat binnen

daarvoor gestelde termijn aan

grenswaarde wordt voldaan. Dit plan of programma, waartoe het publiek toegang dient te krijgen, bevat ten minste

in bijlage IV vermelde informatie. 4. In

in lid 1 bedoelde zones en agglomeraties waar het niveau van meer dan één verontreinigende stof hoger ligt dan

grenswaarden, zorgen

Lid-Staten voor een geïntegreerd plan voor alle betrokken verontreinigende stoffen. X-13.209 en 13.210-19/43 5.

Commissie controleert regelmatig

uitvoering van

krachtens lid 3 ingediende plannen of programma’s door na te gaan hoe

ze vorderen en hoe

luchtverontreiniging zich ontwikkelt. 6. Wanneer het niveau van een verontreinigende stof ten gevolge van een significante verontreiniging vanuit een andere Lid-Staat boven

met

overschrijdingsmarge verhoogde grenswaarde of, in voorkomend geval,

alarmdrempel ligt of dreigt te komen, plegen

betrokken Lid-Staten overleg met elkaar om een oplossing te vinden.

Commissie kan dat overleg bijwonen”. 4.2.1.3.3. Het besluit van

Vlaamse regering van 18 januari 2002 tot wijziging van het besluit van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne (hierna : VLAREM II), waarbij aan hoofdstuk 2.5. een afdeling 2.5.4. werd toegevoegd, zet voormelde richtlijnen om in het interne Belgische recht.

betrokken bepalingen van VLAREM II luiden als volgt: “AFDELING 2.5.4. - Beoordeling en beheer van zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, zwevende

eltjes en lood. Onderafdeling 2.5.4.

  1. Zwaveldioxide. Art. 2.5.4.
  2. § 1.

minister neemt

nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat

concentraties van zwaveldioxide in

lucht, zoals beoordeeld overeenkomstig artikel 2.5.4.5, met ingang van

in bijlage 2.5.5.1,

el I, vermelde data

daarin bepaalde grenswaarden niet overschrijden.

in bijlage 2.5.5.1,

el I, bepaalde overschrijdingsmarges zijn van toepassing overeenkomstig artikel 2.5.3.7. § 2.

alarmdrempel voor

concentraties van zwaveldioxide in

lucht is bepaald in bijlage 2.5.5.1,

el II. § 3. Om

Commissie bij te staan bij

opstelling van haar verslaggeving registreert

Vlaamse Milieumaatschappij, indien mogelijk, tot en met 31

cember 2003 gegevens over zwaveldioxideconcentraties, waarop een tienminutenmiddeling is toegepast, die ze ontvangt van een aantal meetstations die geselecteerd zijn als representatief voor

luchtkwaliteit in woongebieden in

nabijheid van

bronnen en die uurconcentraties meten. Gelijktijdig met

gegevens over

uurconcentraties rapporteert

Vlaamse Milieumaatschappij, via

geëigende kanalen, aan

Europese Commissie voor

ze geselecteerde meetstations het aantal tienminutenconcentraties van meer dan 500 mug/m3, het aantal dagen waarop die grens in het kalenderjaar werd overschreden, het aantal dagen waarop tegelijkertijd

uurconcentraties zwaveldioxide 350 mug/m3 werden overschreden, en

hoogste geregistreerde tienminutenconcentratie. § 4.

minister mag zones of agglomeraties aanwijzen waar

in bijlage 2.5.5.1,

el I, bedoelde grenswaarden voor zwaveldioxide als gevolg van

aanwezigheid van concentraties van zwaveldioxide van natuurlijke oorsprong in

lucht worden overschreden.

minister verstrekt

Europese Commissie overeenkomstig artikel 2.5.3.10 een lijst van al

ze zones of agglomeraties en geeft haar informatie over

daar aanwezige concentraties en bronnen van zwaveldioxide, samen met

nodige bewijzen dat

ze overschrijdingen aan natuurlijke bronnen te wijten zijn. In

ze zones of agglomeraties is

minister X-13.209 en 13.210-20/43 alleen verplicht actieplannen op te stellen als

grenswaarden voor zwaveldioxide (SO2) vanwege antropogene emissies worden overschreden. Onderafdeling 2.5.4.2. - Stikstofdioxide en stikstofoxiden. Art. 2.5.4.2. § 1.

minister neemt

nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat

concentraties in

lucht van stikstofdioxide en, waar van toepassing, van stikstofoxiden, zoals beoordeeld overeenkomstig artikel 2.5.4.5, met ingang van

in bijlage 2.5.5.2,

el I, vermelde data

daarin bepaalde grenswaarden niet overschrijden.

in bijlage 2.5.5.2,

el I, bepaalde overschrijdingsmarges zijn van toepassing overeenkomstig artikel 2.5.3.7. § 2.

alarmdrempel voor

concentraties van stikstofdioxide in

lucht is bepaald in bijlage 2.5.5.2,

el II. Onderafdeling 2.5.4.3. - Zwevende

eltjes. Art. 2.5.4.3. § 1.

minister neemt

nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat

concentraties van PM10 in

lucht, zoals beoordeeld overeenkomstig artikel 2.5.4.5, met ingang van

in bijlage 2.5.5.3 vermelde data

daarin bepaalde grenswaarden niet overschrijden.

in bijlage 2.5.5.3 bepaalde overschrijdingsmarges zijn van toepassing overeenkomstig artikel 2.5.3.7. § 2.

Vlaamse Milieumaatschappij zorgt voor

installatie en werking van meetstations die gegevens over PM2,5-concentraties verstrekken. Het aantal stations waar PM2,5 wordt gemeten en

ligging ervan, worden zo gekozen dat die stations representatief zijn voor

PM2,5-concentraties in Vlaanderen. Als het mogelijk is, moeten

monsternemingspunten samenvallen met

stations waar PM10 wordt gemeten.

Vlaamse Milieumaatschappij

elt

Europese Commissie via

geëigende kanalen jaarlijks, uiterlijk negen maanden na afloop van elk jaar, het rekenkundig gemiddelde,

mediaan, het 98-percentiel en

maximale concentratie mee, berekend op basis van

PM2,5-metingen over 24 uur gedurende dat jaar. Het 98-percentiel wordt berekend volgens

procedure die is beschreven in bijlage I, punt 4, van beschikking 97/101/EG van

Raad van 27 januari 1997 tot invoering van een regeling voor

onderlinge uitwisseling van informatie over en gegevens van meetnetten en meetstations voor luchtverontreiniging in

lidstaten. § 3. In

krachtens artikel 2.5.3.7 opgestelde actieplannen voor PM10 en

algemene strategieën om

PM10-concentraties terug te dringen, wordt ook naar een vermindering van

PM2,5-concentraties gestreefd. § 4. Als

in bijlage 2.5.5.3 bedoelde grenswaarden voor PM10 worden overschreden doordat er concentraties van PM10 in

lucht aanwezig zijn ingevolge natuurverschijnselen waardoor er concentraties voorkomen die significante overschrijdingen van

normale achtergrondniveaus van natuurlijke oorsprong inhouden, stelt

minister

Europese Commissie via

geëigende kanalen daarvan overeenkomstig artikel 2.5.3.10 in kennis met

nodige bewijzen dat

rgelijke overschrijdingen aan natuurverschijnselen te wijten zijn. In

rgelijke gevallen is

minister alleen verplicht om overeenkomstig artikel 2.5.3.7, § 2, actieplannen uit te voeren wanneer

in

bijlage 2.5.5.3, FASE 1, bedoelde grenswaarden om andere redenen worden overschreden dan door natuurverschijnselen. § 5.

minister kan zones of agglomeraties aanwijzen waar

in

bijlage 2.5.5.3, FASE 1, bedoelde grenswaarden voor PM10 worden overschreden als gevolg van PM10-concentraties in

lucht die ontstaan als, bij het strooien van zand op wegen, in

winter opwerveling van

eltjes optreedt.

minister verstrekt

Europese Commissie een lijst van al

ze zones of agglomeraties en tevens informatie over

daar aanwezige PM10-concentraties en -bronnen. Wanneer

minister

Europese Commissie daarvan overeenkomstig artikel 2.5.3.10 in kennis stelt, levert hij

nodige bewijzen dat

ze overschrijdingen X-13.209 en 13.210-21/43 aan

rgelijke opwervelende

eltjes te wijten zijn, en dat in redelijke mate is getracht om die overschrijdingen te verlagen. In

ze zones of agglomeraties is

minister alleen verplicht actieplannen overeenkomstig artikel 2.5.3.7, § 2, uit te voeren, als

in bijlage 2.5.5.3, FASE 1, bedoelde grenswaarden worden overschreden vanwege andere PM10-niveaus dan die welke te wijten zijn aan het strooien van zand op wegen in

winter”. Artikel 2.1.2. VLAREM II bepaalt dat

vastgestelde milieukwaliteitsnormen door

overheid moeten worden gehanteerd bij zowel het plannen als het realiseren van het beleid. 4.2.1.3.4. Het middel gaat ervan uit dat het bestreden gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan er

oorzaak van is dat

grenswaarden inzake PM10, NOx en NO2 in

onmiddellijke omgeving van het station blijvend zullen worden overschreden. Dit uitgangspunt kan op het eerste gezicht niet worden bijgetreden. Een ruimtelijk uitvoeringsplan bepaalt enkel op een passieve wijze

bestemming van een welomschreven gebied. Op zich is het niet

oorzaak van

uitstoot van PM10, NOx of NO2. Luidens voormeld artikel 2.5.4.1., § 1 van VLAREM II neemt

minister -d.i. te

zen

met

uitvoering van dit besluit belaste Vlaamse minister bevoegd voor Leefmilieu (hierna:

minister)-

nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat

concentraties van zwaveldioxide in

lucht, zoals beoordeeld overeenkomstig artikel 2.5.4.5., met ingang van

in bijlage 2.5.5.1.,

el I vermelde data,

daarin bepaalde grenswaarden niet overschrijden, en zijn

in bijlage 2.5.5.1.,

el I, bepaalde overschrijdingsmarges van toepassing overeenkomstig artikel 2.5.3.7. Luidens voormeld artikel 2.5.4.2., § 1 van VLAREM II neemt

minister

nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat

concentraties in

lucht van stikstofdioxide en, waar van toepassing, van stikstofoxiden, zoals beoordeeld overeenkomstig artikel 2.5.4.5., met ingang van

in bijlage 2.5.5.2.,

el I vermelde data,

daarin bepaalde grenswaarden niet overschrijden, en zijn

in bijlage 2.5.5.2.,

el I bepaalde overschrijdingsmarges van toepassing overeenkomstig artikel 2.5.3.7. Luidens voormeld artikel 2.5.4.3., § 1 van VLAREM II neemt

minister

nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat

concentraties van PM10 in

lucht, zoals beoordeeld overeenkomstig artikel 2.5.4.5., met ingang van

in bijlage 2.5.5.3. vermelde data

daarin bepaalde grenswaarden niet overschrijden, X-13.209 en 13.210-22/43 en zijn

in bijlage 2.5.5.

  1. bepaalde overschrijdingsmarges van toepassing overeenkomstig artikel 2.5.3.
  2. Artikel 2.5.3.6., § 1 van VLAREM II bepaalt dat

nodige maatregelen worden getroffen om ervoor te zorgen dat

grenswaarden worden nageleefd.

§ 3

van hetzelfde artikel bepaalt dat

maatregelen die bij een dreigende overschrijding van

grenswaarden en/of

alarmdrempels op korte termijn moeten worden genomen om het risico van overschrijding te verkleinen en

duur ervan te beperken, vermeld zijn in

respectieve actieplannen vastgesteld door dit besluit, inzonderheid in

afdelingen 2.5.6. en 4.4.5., en dat al naar gelang van het geval voormelde actieplannen controlemaatregelen behelzen en, zo nodig, schorsing van

activiteiten die bijdragen tot overschrijding van

grenswaarden, met inbegrip van het gemotoriseerde verkeer. Luidens artikel 2.5.3.7., § 1 van VLAREM II stelt

Vlaamse Milieumaatschappij op basis van

resultaten van haar meetnet van

verontreiniging van

omgevingslucht

lijst op 1/ van zones en agglomeraties waar

niveaus van één of meer verontreinigende stoffen

grenswaarde, verhoogd met

overschrijdingsmarge, overschrijden, en 2/ van

zones en agglomeraties waar

niveaus van één of meer verontreinigende stoffen tussen

grenswaarde en met

overschrijdingsmarge verhoogde grenswaarde liggen. Wanneer voor een bepaalde verontreinigende stof geen overschrijdingsmarge is vastgesteld, worden

zones en agglomeraties waar het niveau van

ze verontreinigende stof

grenswaarde overschrijdt, gelijkgesteld met

sub 1/ bedoelde zones en agglomeraties en zijn

§§ 2

tot en met 4 van dit artikel hierop van toepassing.

§§ 2

en 3 van hetzelfde artikel bepalen dat in

bedoelde zones en agglomeraties

minister maatregelen treft om ervoor te zorgen dat er een plan of programma wordt opgesteld en uitgevoerd dat ertoe leidt dat binnen

daarvoor gestelde termijn aan

grenswaarde wordt voldaan, en in geval het niveau van meer dan één verontreinigende stof hoger ligt dan

grenswaarden,

minister zorgt voor een geïntegreerd plan voor alle betrokken verontreinigende stoffen.

§ 4

bepaalt dat wanneer het niveau van een verontreinigende stof ten gevolge van een significante verontreiniging vanuit een andere Lid-Staat of Gewest boven

met

overschrijdingsmarge verhoogde grenswaarde of, in voorkomend geval,

alarmdrempel ligt of dreigt te komen,

minister met

betrokken Lid-Staat of het betrokken Gewest overleg pleegt om een oplossing te vinden, en dat

Europese Commissie via

geëigende kanalen hiervan op

hoogte wordt gesteld en dit overleg kan bijwonen. X-13.209 en 13.210-23/43 In uitvoering van voormelde bepalingen werd het “Saneringsplan fijn stof voor

zones met overschrijding in 2003 en aanpak fijn stofproblematiek in Vlaanderen - Plan in uitvoering van

richtlijnen 96/62/EG en 1999/30/EG” van 23

cember 2005 opgesteld door

cel Lucht van het

partement Leefmilieu en Infrastructuur van het Ministerie van

Vlaamse Gemeenschap. Onder punt “7. Maatregelen” wordt ter inleiding gesteld wat volgt: “Uit voorgaande hoofdstukken blijken er in Vlaanderen overschrijdingen vastgesteld te worden van

vanaf 1 januari 2005 geldende PM10 grenswaarde; in 2003 zelfs op alle meetpunten voor

daggemiddelde grenswaarde. In 2005 doen zich eveneens nog overschrijdingen van

luchtkwaliteitsnormen voor. Modellering in Vlaanderen geeft aan dat in 2010

problemen vermoedelijk niet opgelost zullen zijn. Overschrijdingen worden niet enkel in verkeersdrukke zones, maar ook in industrie-, woon- en zelfs landelijkere regio’s waargenomen en verwacht. Internationale modellering toont aan dat Vlaanderen voor wat

antropogene emissies betreft tot

‘hot spot’-gebieden van Europa behoort, ook in

toekomst

(2020).

ze hoge fijn stof concentraties en overschrijdingen in Vlaanderen zijn te wijten aan eigen, lokale emissies, maar evenzeer doordat

luchtkwaliteit in Vlaanderen in hoge mate bepaald wordt door emissies van buitenaf.

buitenlandse bijdrage door menselijk handelen bedraagt, zoals aangegeven in 6.2, 70 - 80% aan

fijn stofconcentraties. Maatregelen die alleen in Vlaanderen worden getroffen, zijn over het algemeen niet voldoende om

luchtvervuiling gemiddeld over Vlaanderen terug te dringen. Een gecoördineerde Europese aanpak is onontbeerlijk;

problemen voor fijn stof zijn grootschalig en vrijwel onoplosbaar voor Vlaanderen alleen”. Vervolgens worden in het plan

maatregelen opgesomd die reeds genomen zijn, gepland zijn of worden en/of extra wenselijk zijn.

ze maatregelen worden onderverdeeld in 3 categorieën, met name “7.1. Generieke maatregelen”, zijnde generieke maatregelen die over het ganse Vlaamse grondgebied genomen kunnen worden ter algemene reductie van

hoge stofconcentraties, “7.

  1. Generieke maatregelen naar verontreinigde zones” en “7.
  2. Zonespecifieke maatregelen” met een specifieke aanpak van verschillende verontreinigde zones. 4.2.1.3.
  3. Volgens

regelgeving vervat in VLAREM II is het

Vlaamse minister bevoegd voor Leefmilieu die

nodige maatregelen moet nemen om ervoor te zorgen dat

in

richtlijnen bepaalde, en in VLAREM II overgenomen, grenswaarden en/of overschrijdingsmarges niet worden overschreden, en dit middels saneringsmaatregelen op internationaal, Vlaams of lokaal niveau. Uit

bepaling van artikel 2.1.2. VLAREM II dat

vastgestelde milieukwaliteitsnormen door

overheid moeten worden gehanteerd bij zowel het X-13.209 en 13.210-24/43 plannen als het realiseren van het “beleid” kan op het eerste gezicht niet worden afgeleid dat het vaststellen van een ruimtelijk uitvoeringsplan niet mogelijk is indien zou blijken dat bij

realisatie van

in dit plan voorziene bestemmingen op zichzelf genomen

overschrijding van één of meer grenswaarden mogelijk is. Het “beleid” in

zin van voormelde bepaling dient op het eerste gezicht immers zo te worden opgevat dat alle maatregelen die bij het plannen en het realiseren van het beleid worden getroffen als één geheel dienen te worden beschouwd, inbegrepen ook

maatregelen die

minister verplicht is te nemen in toepassing van

voormelde artikelen 2.5.4.1., § 1, 2.5.4.2., § 1 en 2.5.4.3., § 1 van VLAREM II. 4.2.1.3.6. Artikel 4 van het

creet van 18 mei 1999 houdende

organisatie van

ruimtelijke ordening (hierna : DRO), dat

el uitmaakt van “Hoofdstuk I. Doelstellingen en begrippen” van “Titel I. Inleidende bepalingen”, luidt als volgt: “

ruimtelijke ordening is gericht op een duurzame ruimtelijke ontwikkeling waarbij

ruimte beheerd wordt ten behoeve van

huidige generatie, zonder dat

behoeften van

toekomstige generaties in het gedrang gebracht worden. Daarbij worden

ruimtelijke behoeften van

verschillende maatschappelijke activiteiten gelijktijdig tegen elkaar afgewogen. Er wordt rekening gehouden met

ruimtelijke draagkracht,

gevolgen voor het leefmilieu en

culturele, economische, esthetische en sociale gevolgen. Op

ze manier wordt gestreefd naar ruimtelijke kwaliteit”. Artikel 4 DRO bevat op het eerste gezicht enkel een intentieverklaring met betrekking tot

“doelstellingen” van

ruimtelijke ordening. Uit

ze bepaling lijkt aldus niet te kunnen worden afgeleid dat “milieukwaliteitsnormen ook bindend zijn bij

vaststelling van ruimtelijke uitvoeringsplannen”. 4.2.1.3.7. Artikel 1.2.1., § 3 van het

creet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid (hierna : DABM), dat

el uitmaakt van “Hoofdstuk II. Doelstellingen en beginselen” van “Titel I. Algemene bepalingen”, luidt als volgt: “§ 3.

in § 1 en § 2 bepaalde doelstellingen en beginselen moeten in het bepalen en uitvoeren van het beleid van het Vlaamse Gewest op andere gebieden worden geïntegreerd. Bij

uitvoering van het beleid wordt rekening gehouden met

sociaal-economische aspecten,

internationale dimensie en

beschikbare wetenschappelijke en technische gegevens”. X-13.209 en 13.210-25/43 Ook

ze bepaling, die eveneens een algemene doelstelling verwoordt, lijkt geen wettelijke verplichting in te houden voor

overheid om een ruimtelijk uitvoeringsplan niet vast te stellen en/of goed te keuren indien zou blijken dat

realisatie van

in dit plan voorziene bestemmingen op zich een overschrijding van

in VLAREM II vastgestelde grenswaarden en/of overschrijdingsmarges tot gevolg zou kunnen hebben. 4.2.1.3.8. Er bestaat

rhalve op het eerste gezicht op grond van VLAREM II voor

betrokken overheid geen wettelijke verplichting om in een

rgelijk geval een ruimtelijk uitvoeringsplan niet vast te stellen en/of goed te keuren, of

afgifte van een stedenbouwkundige vergunning te weigeren. Zodanige verplichting lijkt ook niet vervat in

Europese regelgeving. 4.2.1.3.

  1. Het eerste middel is niet ernstig. 4.2.
  2. Tweede middel 4.2.2.
  3. In een tweede middel voeren

verzoekende partijen aan dat “

bestreden beslissingen zijn vastgesteld op basis van een wettelijk ontoereikend milieueffectenrapport”. Zij zetten dit middel uiteen als volgt: “D.2.

  1. Wettelijke bepalingen D.2.1.
  2. Onderzoek nulalternatief
  3. Artikel 4.2.7, §l, l/, f) DABM stelt dat een plan-MER een beschrijving dient te omvatten van

milieueffecten die gepaard gaan met

uitvoering van het nulalternatief: ‘een beschrijving van

bestaande toestand van het milieu (met inbegrip van

milieukenmerken van gebieden waarvoor

gevolgen aanzienlijk kunnen zijn en van alle bestaande milieuproblemen), voorzover

tenuitvoerlegging van het voorgenomen plan of programma of van één van

onderzochte alternatieven daarvoor gevolgen kan hebben, en een beschrijving van

te verwachten ontwikkeling van dat milieu indien noch het voorgenomen plan, noch één van

alternatieven wordt uitgevoerd’ (...). D.2.1.

  1. Onderzoek redelijke alternatieven
  2. Artikel 4.1.4, §1 DABM stelt dat

doelstelling van milieueffectenrapportage, bij

besluitvorming over acties die aanzienlijke milieueffecten kunnen veroorzaken, gelegen is in het toekennen van een evenwaardige plaats aan het milieubelang, naast

sociale, economische en andere maatschappelijke belangen. Om

ze doelstelling te realiseren bepaalt X-13.209 en 13.210-26/43 artikel 4.1.4, §2, 1/ DABM dat

milieueffectenrapportage als essentieel kenmerk heeft: ‘

systematische en wetenschappelijk verantwoorde analyse en evaluatie van

te verwachten, of in het geval van zware ongevallen, mogelijke gevolgen voor mens en milieu, van een voorgenomen actie en van

redelijkerwijze in beschouwing te nemen alternatieven voor

actie of onderdelen ervan, en

beschrijving en evaluatie van

mogelijke maatregelen om

gevolgen van

voorgenomen acties op een samenhangende wijze te vermijden, te beperken, te verhelpen ofte compenseren’ (...). In artikel 4.2.7, §l, l/, c) en d) DABM staat dat een plan-MER onder meer bestaat uit een ‘schets van

beschikbare alternatieven voor het voorgenomen plan of programma of onderdelen ervan; onder meer inzake doelstellingen, locaties en wijze van uitvoering of inzake bescherming van het milieu’ en ‘een vergelijking tussen het voorgenomen plan of programma en

beschikbare alternatieven die redelijkerwijze onderzocht kunnen worden, alsmede

motivatie voor

selectie van

te onderzoeken alternatieven’ (...). Verder in artikel 4.2.7, §l, 2/, b) DABM staat dat het plan-MER een beschrijving en een onderbouwde beoordeling dient te bevatten van

mogelijke aanzienlijke milieueffecten van het voorgenomen plan en programma én van

onderzochte alternatieven. Luidens artikel 4.2.7, §l, 2/, e) DABM moet tevens een globale evaluatie van het voorgenomen plan of programma én

onderzochte alternatieven zijn opgenomen. Uit bovenvermelde artikelen blijkt aldus dat het zoeken naar redelijke alternatieven waaraan mogelijks minder milieueffecten verbonden zijn,

kern vormt van

plan-MER. Welke alternatieven precies onderzocht moeten worden in een plan-MER maakt het voorwerp uit van

richtlijnen waarover

Cel MER beslist op grond van artikel 4.2.5, §l, 2/ DABM. D.2.1.3. Schending van bovenstaande wettelijke bepalingen 31.

verwerende partij heeft het bestreden GRUP Gent Sint-Pieters

finitief vastgesteld op basis van een wettelijk ontoereikend milieueffectenrapport (...): (i) het MER omvat geen volwaardig onderzoek van het nulaltematief voor

elprojecten 1 ‘Omvorming station Gent Sint-Pieters’, 2 ‘Verbetering multimodaal knooppunt voor openbaar vervoer’ en

onderdelen van

elproject 3 die een projectontwikkeling beogen, wordt het nul-alternatief dus niet onderzocht (...). (ii)

tijdens

scoping voorgestelde en voor

buurt als meest milieuvriendelijk gekwalificeerde alternatieven werden zonder onderbouwde verantwoording verworpen (...). Hierna worden

ze twee punten verder geanalyseerd. D.2.1.3.

  1. Onderzoek nulalternatief
  2. Het komt verwerende partij toe om het nulalternatief te onderzoeken. In

‘Richtlijnen milieueffectenrapportage: Station Gent St.-Pieters en omgeving’ door

Cel MER aangenomen op 22 juni 2004, wordt uitdrukkelijk aangegeven dat

bestaande toestand van het gebied als referentietoestand moet worden beschreven (...). 33. Zoals reeds aangehaald werd evenwel besloten het nulalternatief niet te onderzoeken voor drie

elprojecten.

reden die in het MER hiervoor wordt gegeven zonder enige grondige uitleg is dat voor

ze

elprojecten ‘het nultarief ingaat tegen

beleidsvisie en dus niet beantwoordt aan

beleidsdoelstellingen’ (...). X-13.209 en 13.210-27/43 Met

ze stelling kan geenszins rekening gehouden worden daar

ze niet kan dienen als verantwoording voor het niet grondig uitwerken van het nulalternatief. Dit maakt immers een schending uit van artikel 4.1.4 DABM, die stelt dat

doelstelling van

milieueffectenrapportage specifiek gelegen is in het toekennen van een evenwaardige plaats aan het milieubelang, naast

sociale, economische en andere maatschappelijke belangen, bij

besluitvorming over acties die aanzienlijke milieueffecten kunnen veroorzaken.

rechtsgeldigheid van het volledige MER wordt hierdoor aangetast, evenals alle navolgende overheidsbeslissingen waarvoor dit MER

onderbouwing moet leveren, inclusief het GRUP zelf. D.2.1.3.

  1. Onderzoek redelijke alternatieven
  2. Het komt verwerende partij daarenboven toe om overeenkomstig artikel 4.1.4 en artikel 4.2.7 DABM

als meest milieuvriendelijk gekwalificeerde alternatieven grondig te onderzoeken en te vergelijken met het voorgenomen plan.

richtlijnen van

Cel MER bepalen dienaangaande dat redelijke alternatieven, bestaande uit een kleinschaliger projectontwikkeling langs

Koningin Fabiolalaan, zonder R4-link en zonder ondergrondse pendelparking, maar met alternatieve P+R aan Flanders Expo, op volwaardige wijze en met

nodige diepgang moeten worden onderzocht (...). 35.

ze alternatieven werden echter niet op systematische en wetenschappelijk verantwoorde manier onderzocht. Evenmin werd een gedegen en objectieve vergelijking gemaakt met het voorgenomen plan. 36. In het MER worden

volgende nadelen m.b.t. het alternatief dat eruit bestaat dat geen pendelparking en/of verbindingsweg zou aangelegd worden (...).

ze nadelen zijn echter op feitelijk en juridisch vlak op niets (...) gestoeld: (i) Keuzereizigers worden niet aangetrokken

vooronderstelling dat het aantrekken van keuzereizigers gepaard moet gaan met

aanwezigheid van een ondergrondse parking voor ca 3.000 wagens aan het station Gent Sint-Pieters, is niet wetenschappelijk gestaafd aan

hand van onder meer cijfermateriaal. Ook het MER-verslag stelt: ‘Er wordt gesproken over

‘belangrijke groep keuzereizigers’ waarop echter geen getal kan geplakt worden. Dit geldt ook voor

‘restfractie’ die

wagen (moeten) (inderdaad tussen haakjes) gebruiken als voortransport naar het station’ (...). Het MER gaat er gemakshalve van uit, zonder enige wetenschappelijke verantwoording, dat van

2.000 pendelparkeerders er 1.000 zullen blijven proberen hun wagen te parkeren ergens in

buurt van het station, en dat 1.000 reizigers zullen afhaken en

wagen zullen nemen om naar het werk te rijden. Dit laatste zou het equivalent meebrengen van drie km file op een snelweg met drie rijstroken. Als

ze redenering wordt doorgetrokken, stelt zich

vraag welke file niet wordt veroorzaakt indien diezelfde 1.000 reizigers op het spitsuur

parking willen inrijden via slechts een rijbaan? Er is geen rekening gehouden met

reeds bestaande saturatie van

autosnelweg naar Brussel,

toename van

variabele kosten van het autogebruik en andere mobiliteitsmaatregelen (waaronder het Pegasusplan van

Lijn) die ervoor zullen zorgen dat steeds meer reizigers voor het openbaar vervoer kiezen. Onterecht stelt het MER tot slot dat zonder pendelparking

parkeerdruk in

stationsomgeving zal stijgen. Daarbij is echter geen rekening gehouden met het invoeren van het betalend X-13.209 en 13.210-28/43 parkeren in

stationsomgeving, waardoor reizigers eerder opteren om op te stappen in

kleinere stations in

omgeving van Gent. (ii) Geen parking ondermijnt

aantrekkingskracht van het project voor investeerders Dit argument past niet binnen een milieueffectenbeoordeling. Bovendien houdt het geen steek.

vlotte bereikbaarheid van het station voor

restf(r)actie van reizigers die sowieso steeds met

wagen komt, zou volgens het MER een belangrijk aantrekkingspunt zijn voor investeerders. Indien men

parkeerbehoefte zou voorzien op

site Flanders Expo, dan houdt dit volgens het MER een behoorlijk langer, en dus minder aantrekkelijk, reistraject in.

site Flanders Expo is nochtans zeer vlot te bereiken gezien zij onmiddellijk aansluiting heeft met

R4 en

E40. Er is een rechtstreekse en zeer vlotte verbinding (traject van maximum 10 min.; tram in aparte bedding) tussen Flanders Expo en het station.

tram stopt aan

ingang van het station. Men kan dus bij dit alternatief bezwaarlijk spreken van een veel langere reisweg hetgeen investeerders zou afschrikken, laat staan dat dit een afdoende argument kan vormen om een parking van ca 3.000 plaatsen te bouwen aan het station zelf en een verbindingsweg aan te leggen in natuurgebied. (iii) Een park and ride parking ter hoogte van Flanders Expo is geen alternatief

stelling dat

ze P+R geen valabel alternatief is wordt niet hard gemaakt.

stad Gent promoot

ze P+R zelf voor

verplaatsingen van reizigers naar het stadscentrum. Zij kunnen hun wagen daar parkeren en met

tram naar het winkelcentrum rijden. Diezelfde tram heeft als een van

eerste haltes het Sint-Pietersstation. Waarom kan

ze reeds bestaande P+R dan niet worden gebruikt voor

pendelaars? In het MER staat dat er om

7 minuten een tram is van Flanders Expo naar het station en dat

gemiddelde overstaptijd ca 10 minuten bedraagt (3 minuten voor het parkeren, 3,5 minuten wachttijd op bus of tram en 4 minuten overstaptijd in het station zelf). Bovendien zou

reiziger dit psychologisch ervaren als een tijdverbruik van 20 minuten. Het alternatief van

P+R dient te worden vergeleken met het alternatief van

pendelparking. Volgende aspecten zijn daarbij van belang: (i) tijdens het spitsuur komt ook om

5 minuten een tram aan Flanders Expo en (ii) in het scenario met

stationsparking verliest

reiziger tevens enkele minuten tijd met het parkeren van zijn wagen in

ondergrondse parking en met het zich begeven naar het perron. Het MER toont aldus absoluut niet aan dat

P+R zeer sterk in het nadeel zou zijn ten opzichte van

ondergrondse parking.

voordelen van het alternatief van

P+R aan Flanders Expo worden niet onderzocht. In het MER worden een aantal subjectieve ongemakken opgesomd die

reizigers zouden ondervinden wanneer zij met

tram van Flanders Expo naar het station moeten gaan.

ze verbleken evenwel bij

milieu- en gezondheidseffecten die het alternatief van het aanleggen van een megaparking en een tweevaksverbindingweg met zich meebrengen (onder meer aantasting natuurgebied Overmeersen; problematiek fijn stof, waarover verder meer). (iv) Een verder uitgebouwd voorstadstreinnet is vooralsnog evenmin een alternatief

NMBS weigert om te investeren in

uitbouw van een voorstadstreinnet. Dit kan moeilijk worden beschouwd als een sterk onderbouwd milieuargument. (v) Geen verbindingsweg legt hoge verkeersdruk op omliggende wegen Met het alternatief van

P+R aan Flanders Expo en

uitbouw van een voorstadstreinnet zou het probleem van verkeersoverlast in

X-13.209 en 13.210-29/43 stationsomgeving zich niet stellen.

aanleg van

verbindingsweg met

R4 aan het station is dus niet

enige mogelijkheid. In het MER wordt geen afweging gemaakt met andere milieuvriendelijkere alternatieven. (vi) Geen verbindingsweg leidt niet tot verschuiving verkeer van R40 (kleine ring) naar R4 (grote ring) Dit argument toont aan dat

R4-verbindingsweg wordt aanzien als een extra ontsluitingsweg voor het centrum die veel verkeer aantrekt en waarvan

link met

R40 niet gemakkelijk is te maken. Het behoud van

bestaande noordzuid verkeersassen (inclusief verbetering afrit Snepkaai) komt evengoed tegemoet aan

ze doelstelling met minder milieuschade. (vii) Geen verbindingsweg betekent geen suboptimale ontsluiting van

campus BME/CTL Dit argument kan geenszins van doorslaggevende waarde zijn om

verbindingsweg aan te leggen, zeker niet gelet op

ernstige milieueffecten die

aanleg van

ze weg zal meebrengen (aantasting natuurgebied Overmeersen; problematiek fijn stof - zie hierboven). Zoals het MER zelf stelt zou

verbindingsweg er voor zorgen dat er een suboptimale ontsluiting komt voor

schoolcampus. Er bestaat echter reeds een optimale rechtstreekse ontsluiting. (viii) Geen verbindingsweg leidt tot langdurige belasting Sint-

nijslaan door werfverkeer

ze overbelasting tot 2015 weegt niet op tegen

overbelasting die

verbindingsweg zelf zal meebrengen en dit niet tijdelijk, maar permanent (onder meer voor het natuurgebied Overmeersen en

gezondheidseffecten bij overschrijding van

fijn stofnormen). Daarenboven zonder

aanleg van

verbindingsweg en

aanleg van

ondergrondse megaparking zou er al veel minder werfverkeer zijn. (ix) Geen verbindingsweg betekent geen fietsverbinding naar Flanders Expo

realisatie van een fietsverbinding is niet gekoppeld aan het aanleggen van

verbindingsweg. Het leggen van een fietsbrug over

ringvaart en een fietsverbinding langs

rand van

Overmeersen of via

Scholencampus zijn alternatieven die losstaan van

aanleg van

weg. 37. Niet alleen dient vastgesteld te worden dat

nadelen die in het MER aan

alternatieven werden gekoppeld niet correct zijn, daarenboven werden

verschillende milieuvoordelen van bepaalde aspecten van

alternatieven niet of slechts minimaal onderzocht en dus ook niet vergeleken met

effecten van die aspecten van het voorgenomen plan. Zo werden

voordelen van

alternatieven als daar zijn

vrijwaring van het gebied Overmeersen, vermijden van geluidsoverlast in grote

len van het plangebied (Sint-

nijslaan, Roosakker...), sterke vermindering van

fijnstofrisico’s...niet of slechts minimaal onderzocht. Minstens werden ze niet geplaatst met het oog op een vergelijking tegenover

grote nadelen die het voorgenomen plan heeft op

ze aspecten. Verder werd in het MER enkel een scenario onderzocht zonder parking en weg, maar ook zonder voorstedelijk openbaar vervoer als alternatieve verkeersontsluiting. Door het ontbreken van een wetenschappelijke inschatting van

mogelijke verkeerscapaciteit van een voorstedelijk openbaar vervoersnetwerk of van een park and ride vanaf Flanders Expo - met behulp van een mobiliteitsmodel, zoals bij het basisscenario - kan het alternatief niet volwaardig vergeleken worden met het basisscenario. 38. Tot slot en ter bekrachtiging van het hierboven gestelde, kan verwezen worden naar het advies van GECORO dat stelt dat het voorzien van

verbindingsweg met

R4 en een ondergrondse stationsparking als negatief X-13.209 en 13.210-30/43 moet worden beoordeeld gezien

impact op het milieu,

mobiliteit en

leefbaarheid van

stationsomgeving (...): ‘

GECORO meent dat een nieuwe toegangsweg naar het Sint-Pietersstation niet strookt met het principe van

A-locatie die maximaal gericht moet zijn op

bereikbaarheid via het openbaar vervoer. Het in het RSG aan te geven aantal te voorziene parkeerplaatsen moet dan ook

kantoor- en woonfunctie bedienen en niet gebruikt worden als pendelparking. Een nieuwe toegangsweg in functie van een pendelparking impliceert een aanzuigend effect voor het verkeer en een algemene verhoging van het verkeer naar

stad. Bovendien laten

gevoeligheid van

plek en

ecologische waarden (Schoonmeersen- Sint-Pieters-Aaigem) niet toe om een nieuw wegtracé te voorzien. Het moet duidelijk zijn dat

aanpassing van het RSG rekening moet houden met

timing van het op te maken gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan. Om te vermijden dat het RSG voor voldongen feiten zou staan, moet nu reeds het standpunt over

ze toegangsweg meegedeeld worden aan

hogere overheid. ( ... ) Gezien

keuze van

GECORO om

verbindingsweg niet te realiseren en

suggestie om

parking op Flanders Expo als P&R-parking te laten fungeren, zal het autoverkeer niet door het hart van

wijk worden gehaald. Integendeel, door

aanleg van het nieuwe openbaar vervoersknooppunt aan Flanders Expo, met een vlotte tramverbinding naar het Sint-Pietersstation, wordt verkeer weggehaald uit andere (woon)straten. Ook

Voskenslaan kan dan gaan fungeren als een langzaamaan verkeersas’. D.2.1.4. Besluit 39.

bestreden beslissing schendt

wettelijke bepalingen omdat het: • mede steunt op een MER waarin geen volwaardig onderzoek van het nulalternatief heeft plaatsgevonden (Schending van artikel 4.2.7, §l, l/, f DABM); • mede steunt op een MER waarin

tijdens

scopingsfase voorgestelde alternatieven werden beoordeeld op gronden die niet wetenschappelijk verantwoord kunnen worden en die ervan getuigen dat aan het milieubelang geen evenwaardige plaats is toegekend (Schending van artikel 4.1.4 DABM, artikel 4.2.7, §l, l/, c) en d) DABM en artikel 4.2.7, §l, 2/, b) en e) DABM);

verwerende partij kon dan ook, op basis van het wettelijk ontoereikend MER, niet tot

finitieve vaststelling van het GRUP Gent Sint-Pieters overgaan. Aangezien tegen

goedkeuring van het MER geen afzonderlijk rechtsmiddel openstaat, kan

rechtsgeldigheid van het MER door

administratieve rechter slechts getoetst worden tezamen met het plan ten behoeve waarvan het is opgesteld”. 4.2.2.2. Ontvankelijkheid van het middel

rde en

vierde tussenkomende partij werpen op dat

verzoekende partijen geen belang hebben bij het eerste onderdeel van het middel.

vijfde tussenkomende partij werpt op dat

verzoekende partijen hun belang bij het middel niet aantonen. X-13.209 en 13.210-31/43 Vooralsnog bestaat er geen noodzaak om over

ze excepties uitspraak te doen. Een onderzoek van en een uitspraak over

ze excepties zou zich slechts opdringen indien zou komen vast te staan dat het middel ernstig wordt bevonden, hetgeen, zoals hierna zal blijken, niet het geval is. 4.2.2.3. Onderzoek van

ernst van het middel 4.2.2.3.1. In een tweede middel voeren

verzoekende partijen aan dat

bestreden beslissingen zijn vastgesteld op basis van een wettelijk ontoereikend milieueffectenrapport, doordat enerzijds het MER geen volwaardig onderzoek van het nulalternatief omvat voor

elprojecten 1 “omvorming station Gent Sint- Pieters”, en 2 “verbetering multimodaal knooppunt voor openbaar vervoer” en voor onderdelen van

elproject 3 die een projectontwikkeling beogen, en anderzijds

tijdens

scoping voorgestelde en voor

buurt als meest milieuvriendelijk gekwalificeerde alternatieven zonder onderbouwde verantwoording worden verworpen. 4.2.2.3.2. Artikel 4.1.4, § 1 DABM bepaalt: “§ 1.

milieueffect- en veiligheidsrapportage beoogt, in

besluitvorming over acties die aanzienlijke milieueffecten kunnen veroorzaken en/of die een zwaar ongeval teweeg kunnen brengen, aan het milieubelang en

veiligheid en

gezondheid van

mens een plaats toe te kennen die evenwaardig is aan

sociale, economische en andere maatschappelijke belangen”. Artikel 4.2.7., § 1, 1/, c),

  1. d)en f), en 2/,
  2. b)en
  3. e)en § 2 DABM bepaalt: “§ 1. Tenzij anders is bepaald in

beslissing, bedoeld in artikel 4.2.5, § 1, bestaat het plan-MER ten minste uit

volgende onderdelen : 1/ een algemeen

el dat

volgende informatie bevat : (...) c) een schets van

beschikbare alternatieven voor het voorgenomen plan of programma of onderdelen ervan; onder meer inzake doelstellingen, locaties en wijze van uitvoering of inzake

bescherming van het milieu; d) een vergelijking tussen het voorgenomen plan of programma en

beschikbare alternatieven die redelijkerwijze onderzocht kunnen worden, alsmede

motivatie voor

selectie van

te onderzoeken alternatieven; (...) f) een beschrijving van

bestaande toestand van het milieu (met inbegrip van

milieukenmerken van gebieden waarvoor

gevolgen aanzienlijk kunnen zijn en van alle bestaande milieuproblemen), voorzover

tenuitvoerlegging van het voorgenomen plan of programma of van één van

onderzochte alternatieven daarvoor gevolgen kan hebben, en een X-13.209 en 13.210-32/43 beschrijving van

te verwachten ontwikkeling van dat milieu indien noch het voorgenomen plan of programma, noch één van

alternatieven wordt uitgevoerd; 2/ een

el betreffende

milieueffecten dat

volgende informatie bevat: (...) b) een beschrijving en onderbouwde beoordeling van

mogelijk aanzienlijke milieueffecten van het voorgenomen plan of programma en van

onderzochte alternatieven op of inzake, in voorkomend geval,

gezondheid en veiligheid van

mens,

ruimtelijke ontwikkeling,

biodiversiteit,

fauna en flora,

energie- en grondstoffenvoorraden,

bodem, het water,

atmosfeer,

klimatologische factoren, het geluid, het licht,

stoffelijke goederen, het cultureel erfgoed met inbegrip van het architectonisch en archeologisch erfgoed, het landschap,

mobiliteit, en

samenhang tussen

genoemde factoren;

ze beschrijving van

milieueffecten omvat

directe, en in voorkomend geval

indirecte, secundaire, cumulatieve en synergetische effecten, permanent en tijdelijk, positief en negatief, op korte, middellange en lange termijn van het voorgenomen plan of programma;

beoordeling van

aanzienlijke milieueffecten gebeurt onder meer in het licht van

overeenkomstig Hoofdstuk II van Titel II van dit

creet vastgestelde milieukwaliteitsnormen; (...) e) een globale evaluatie van het voorgenomen plan en programma en

onderzochte alternatieven; (...) § 2. Het plan-MER moet

in § 1 genoemde informatie slechts bevatten : 1/ voorzover ze relevant is voor het stadium van het planningsproces waarin

milieueffectrapportage wordt uitgevoerd en voorzover ze relevant is in het licht van

inhoud en het

tailleringsniveau van het voorgenomen plan of programma; 2/ voorzover

bestaande kennis en

bestaande effectanalyse- en beoordelingsmethodes redelijkerwijze toelaten om

ze informatie te verzamelen en te verwerken; 3/ voorzover

uitvoerigheid van het voorgenomen plan of programma dit redelijkerwijze toelaat”. Een plan-MER dient

rhalve in beginsel ten minste

informatie te verschaffen over alle rubieken die in artikel 4.2.7., § 1 DABM worden vermeld, binnen

grenzen van het in

§ 2bepaalde.

4.2.2.3.3.

cel MER dient krachtens artikel 4.2.5, § 1,

rde lid DABM bij haar beslissing over

inhoud van het plan-MER en

inhoudelijke aanpak van

rapportage, en over

bijzondere richtlijnen voor het opstellen van het plan- MER, rekening te houden met

opmerkingen en commentaren die door

betrokken instanties en het publiek zijn ingediend met betrekking tot

inhoudsafbakening van het rapport, en in het bijzonder met

opmerkingen en commentaren die handelen over te onderzoeken effecten, alternatieven of maatregelen. X-13.209 en 13.210-33/43 Wat het opstellen van het plan-MER betreft, bepaalt artikel 4.2.6. DABM wat volgt: “§ 1. Het plan-MER wordt opgesteld onder

verantwoordelijkheid en op kosten van

initiatiefnemer.

initiatiefnemer moet hiervoor een beroep doen op een erkende MER-coördinator. Hij stelt aan

MER-coördinator alle relevante informatie ter beschikking die voorhanden is. Hij verleent alle medewerking opdat

MER-coördinator zijn taak naar behoren kan vervullen. § 2.

erkende MER-coördinator mag geen belang hebben bij het voorgenomen plan of programma of

alternatieven, noch betrokken worden bij

latere uitvoering van het plan of programma. Hij voert zijn opdracht volledig onafhankelijk uit en geeft in voorkomend geval leiding aan een team van medewerkers dat geheel of gedeeltelijk door

initiatiefnemer ter beschikking wordt gesteld.

erkende MER-coördinator waakt erover dat

samenstelling van het team van medewerkers het mogelijk maakt om het plan-MER op te stellen in overeenstemming met het m.e.r.-richtlijnenboek en met

in artikel 4.2.5, § 1, bedoelde inhoudsafbakening en bijzondere richtlijnen. § 3. Tijdens het opstellen van het plan-MER is

erkende MER-coördinator gehouden tot overleg met

administratie.

MER-coördinator moet in voorkomend geval

aanvullende bijzondere schriftelijke richtlijnen van

administratie, als aanvulling op

afgebakende inhoud en

bijzondere richtlijnen, bedoeld in artikel 4.2.5, § 1, in acht nemen”. Artikel 4.2.8. §§ 1 en 2 DABM, bepaalt wat betreft het onderzoek en het gebruik van het plan-MER, wat volgt: “§ 1.

initiatiefnemer bezorgt het voltooide plan-MER door betekening of tegen ontvangstbewijs aan

administratie. § 2.

administratie toetst het plan-MER inhoudelijk aan : 1/

beslissing, bedoeld in artikel 4.2.5, § 1; 2/ in voorkomend geval,

overeenkomstig artikel 4.2.6, § 3, door haar verstrekte aanvullende bijzondere richtlijnen; 3/

overeenkomstig artikel 4.2.7 vereiste gegevens. Het resultaat van

toetsing wordt opgenomen in het plan-MER-verslag en leidt tot

goed- of afkeuring van het plan-MER. Als

administratie het plan-MER afkeurt, vermeldt het verslag alle punten waarop het plan-MER tekortschiet.

administratie keurt het plan-MER onverwijld en uiterlijk binnen een termijn van vijftig dagen na ontvangst ervan, goed of af”. 4.2.2.3.4. Uit het dossier blijkt dat, na aanpassing van een eerste ontwerp, het plan-MER door

cel MER is goedgekeurd bij beslissing van 27 oktober 2005: “Aan

hand van

criteria die vooropgesteld werden in

betekende richtlijnen van 22 juni 2004 werd dit goedkeuringsverslag opgesteld. Het milieueffectrapport heeft

nodige invulling gegeven aan

richtlijnen die overeenkomstig artikel 4.3.5 § 1 van het

creet betreffende

milieueffect- en veiligheidsrapportage van 18

cember 2002 (...) werden vastgesteld. X-13.209 en 13.210-34/43 Het MER bevat voldoende informatie om het aspect milieu een volwaardige plaats te geven bij

vaststelling van het uitvoeringsplan en

verdere besluitvorming”. 4.2.2.3.5. In het middel betwisten

verzoekende partijen

intrinsieke

gelijkheid van het MER zoals dit door

cel MER is goedgekeurd.

Raad van State, bevoegd voor

toetsing van

wettigheid van een ruimtelijk uitvoeringsplan, kan zijn beoordeling op het punt van

intrinsieke

gelijkheid van een MER niet in

plaats stellen van die van

cel MER. Hij kan enkel nagaan of

cel MER wettig tot haar beslissing is gekomen, m.a.w. op grond van juiste feitelijke gegevens in redelijkheid heeft kunnen beslissen, in casu dat “het MER voldoende informatie bevat om het aspect milieu een volwaardige plaats te geven bij

vaststelling van het uitvoeringsplan en

verdere besluitvorming”. 4.2.2.3.6. Wat het eerste onderdeel van het middel betreft wordt in

“Bijlage III Toelichtingsnota” bij het GRUP onder punt “5.2. mer (milieu-effect- rapportage)” onder meer het volgende gesteld: “In

MER wordt aangegeven, zoals ook hierboven beschreven, dat het onderzochte project een concrete invulling betreft van

ruimtelijke opties zoals vastgelegd in het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen, het Provinciaal Ruimtelijk Structuurplan Oost-Vlaanderen, het gemeentelijk Ruimtelijk Structuurplan Gent en het Mobiliteitsplan Gent.

ze beleidsplannen schetsen een expliciet kader voor

beoogde ontwikkeling van

omgeving van het Gentse Sint-Pietersstation, met inbegrip van

verbindingsweg naar

R4.

beleidskeuzes zoals geformuleerd in

ze beleidsplannen zijn in aanzienlijke mate gebaseerd op milieu-overwegingen.

uitbouw van Gent Sint-Pieters als openbaar vervoersknooppunt ondersteunt

ontwikkeling van een duurzame mobiliteit en heeft een betekenis voor zowel verplaatsingen naar Gent als vanuit of via Gent. Daarnaast worden in

aangehaalde beleidsplannen

potenties van

stationsomgeving, als

uitgelezen locatie voor verdichting, onderkend: op geen enkele andere locatie zijn

mogelijkheden ter vermindering van het wegverkeer zo groot als op locaties gesitueerd aan multimodaal bereikbare knooppunten. alternatieven In

MER worden alternatieven voor het voorgenomen plan of onderdelen ervan onderzocht en ten opzichte van elkaar afgewogen. Een bijzonder alternatief is het nulalternatief. Wat

invulling van het openbaar vervoersknooppunt betreft en

stedelijk(e) ontwikkelingspool met woon- en kantoorfuncties beantwoordt dit nulalternatief echter niet aan

hierboven opgesomde beleidsplannen, op hun beurt gebaseerd op milieu-overwegingen. Bijgevolg wordt dit nulalternatief niet onderzocht. Wel is in

MER nagegaan of

voorziene projectontwikkeling niet in een andere vorm kan worden gerealiseerd, b.v. andere dimensies. Ook is het nulalternatief op een volwaardige wijze onderzocht voor het onderdeel ‘ondergrondse parking’ en ‘verbindingsweg R4’. Met andere woorden, in

MER worden

effecten onderzocht van het niet realiseren en het niet aanwezig zijn van zowel

X-13.209 en 13.210-35/43 ondergrondse parking als

verbindingsweg met

R4. Als variante is ook

situatie waarbij wel een ondergrondse parking wordt gerealiseerd, maar geen verbindingsweg, beschouwd. Naast het vermelde nulalternatief en

variante worden in

MER een aantal inrichtings- en locatiealternatieven besproken, ondermeer: -

aantakking van

verbindingsweg op het aansluitingscomplex R4/B402: met een twee-strooksrotonde of een lichtengeregeld kruispunt; -

inrichting en het tracé van

verbindingsweg: een tracé dichterbij of verder weg van

scholencampus, een fietstracé door heen

scholencampus,

verbindingsweg in sleuf of

els ondergronds of bovengronds, met een minimaal wegprofiel, het fietspad aan oostelijke of westelijke zijde, met of zonder geluidsafscherming; - het aantal bouwlagen in

projectontwikkeling aan het Sint-

nijsplein”.

verantwoording dat

elprojecten, andere dan

ondergrondse parking en

verbindingsweg R4, ook mede zijn ingegeven door milieuoverwegingen wordt als zodanig door

verzoekende partijen niet betwist. In het licht van

doelstelling geformuleerd in artikel 4.1.4. DABM, met name het toekennen van een evenwaardige plaats aan het milieubelang, naast

sociale, economische en andere maatschappelijke belangen, is het daarom niet kennelijk onredelijk

bestaande toestand niet op zijn milieueffecten te beschrijven en als referentietoestand enkel te weerhouden het project zonder het onderdeel ondergrondse parking en verbindingsweg er naar toe. 4.2.2.3.7. In een tweede onderdeel betwisten

verzoekende partijen in wezen

beoordeling van het MER dat het project met parking en verbindingsweg

meeste milieuvoordelen biedt. Daartoe geven zij een opsomming van

volgens het MER aan het nulalternatief -dit is het project zonder parking en verbindingsweg- verbonden milieuvoordelen en betwisten zij

feitelijke en juridische onderbouwing van

motieven ten voordele van het weerhouden project. Vooreerst dient te worden vastgesteld dat, zoals blijkt uit het dossier,

overheid op het eerste gezicht terecht, gelet op het richtinggevend gedeelte van het RSV, waarin verdichting van stationsomgevingen een uitdrukkelijke optie is en waarbij het station Gent Sint-Pieters uitdrukkelijk wordt vermeld als een hoofdstation waarvan

vooropgestelde perimeter van ca. 1.000m van het gebied waar een hogere dichtheid en

lokalisatie van personenvervoergerichte activiteiten wordt nagestreefd, kan worden uitgebreid (RSV,

el 2: Gewenste Ruimtelijke Structuur - richtinggevend gedeelte, III.

  1. Lijninfrastructuur, 4.2.
  2. Verdichting in stationsomgevingen),

omgeving van het Sint-Pietersstation niet op schaalniveau van het gebied zelf heeft geëvalueerd, maar op schaalniveau Vlaanderen. X-13.209 en 13.210-36/43 Onder punt “ 8. Afweging alternatieven” van

“Niet technische samenvatting” van het MER worden

milieueffecten van het nulalternatief “geen verbindingsweg met

R4 en geen ondergrondse parking” toegelicht en een afweging gemaakt met het voorgestelde concept: “8.1.1. Voordelen nul-alternatief Het nul-alternatief biedt volgende voordelen ten opzichte van het voorliggende projectvoorstel: . voornamelijk doordat

ondergrondse parking niet wordt gerealiseerd ontstaan beduidend minder grondoverschotten, en daardoor ook beduidend minder werfverkeer; .

impact van bemaling is aanzienlijk minder (invloedszone beperkter) maar toch blijven belangrijke effecten op het grondwaterpeil bestaan (bemaling ten behoeve van andere

elingrepen); .

bewoners ter hoogte van Roosakker en

zuidelijke zijstraten van

Sint-

nijslaan die uitlopen tot in het gebied Overmeers worden niet blootgesteld aan hogere geluidsniveau’s; .

huidige ecologische waarde van het natuurgebied Overmeers wordt niet aangetast door het project (geen inname ecotopen, geen toename van

verstoring, geen verdere versnippering); .

landschappelijke en belevingswaarde van het gebied Overmeers blijft behouden. (volgt een nadere toelichting van

ze voordelen, punt per punt) 8.1.2. Nadelen nul-alternatief Het nulalternatief biedt volgende nadelen ten opzichte van het voorliggende projectvoorstel: . Keuzereizigers worden niet aangetrokken .Geen parking ondermijnt aantrekkingskracht projectontwikkeling voor investeerders . Een P + R parking ter hoogte van Flanders Expo is geen alternatief . Een verder uitgebouwd voorstadstreinnet is vooralsnog evenmin een alternatief . Geen verbindingsweg legt hoge verkeersdruk op omliggende wegen . Geen verbindingsweg leidt niet tot verschuiving verkeer van R40 naar R4 . Geen verbindingsweg betekent geen oplossing voor

suboptimale ontsluiting van

campus BME/CTL . Geen verbindingsweg leidt tot langdurige belasting Sint-

nijslaan door werfverkeer . Geen verbindingsweg betekent geen directe fietsverbinding naar Flanders Expo (volgt een nadere toelichting van

ze nadelen, punt per punt)” om dan te besluiten: “Ondanks het feit dat het nul-alternatief ontegensprekelijk belangrijke milieuvoordelen biedt wegen

ze niet op tegen

milieuvoordelen van het projectvoorstel. Men moet hierbij steeds het uitgangspunt en

basisdoelstelling van het project duidelijk voor ogen houden, met name het concentreren van grootschalige woon- en kantooractiviteiten in stedelijke gebieden (via verdichting) op knooppunten van openbaar vervoer. Hierdoor spaart men grote oppervlakten open ruimte en bevordert men

modal split, meer bepaald het aandeel van het openbaar vervoer in het woon-werkverkeer, X-13.209 en 13.210-37/43 wat zeer gunstige effecten heeft op vlak van uitstoot van emissies, geluidshinder, verkeersveiligheid, verkeersdoorstroming, etc.. Om meer keuzereizigers te kunnen aantrekken zijn

bereikbaarheid en

mogelijkheid om er te parkeren essentiële randvoorwaarden. Een parking is trouwens ook een absolute noodzaak wil men investeerders overhalen om te participeren in het project. Het achterwege laten van

verbindingsweg leidt tot overbelasting van

Sint-

nijslaan en

Voskenslaan en hypothekeert er

doorstroming van het openbaar vervoer (snelle tramverbinding).

parking én

verbindingsweg zijn in dit geval dan ook essentiële voorwaarden om

hogere milieudoelstelling te kunnen verwezenlijken”.

argumenten die door

verzoekende partijen in

uiteenzetting van het middel worden aangevoerd zijn op het eerste gezicht niet van aard om te besluiten dat

ze beoordeling -gezien op schaalniveau Vlaanderen- kennelijk niet afdoende is ter verwezenlijking van

doelstelling gesteld in artikel 4.1.4. DABM.

omstandigheid dat

GECORO in haar advies over het ruimtelijk structuurplan Gent heeft gesteld dat het voorzien van een nieuwe toegangsweg en een uitgebreide parking als negatief moet worden beoordeeld, lijkt aan het voorgaande geen afbreuk te doen. Geen enkele

cretale bepaling, noch beginsel van behoorlijk bestuur lijkt

Vlaamse regering op te leggen in haar beoordeling en besluitvorming rekening te houden met adviezen die zijn uitgebracht door een adviesorgaan naar aanleiding van een procedure tot opmaak van een structuurplan op een lager niveau. 4.2.2.3.8. Het tweede middel is niet ernstig. 4.2.3.

rde middel 4.2.3.1. In een

rde middel voeren

verzoekende partijen aan dat het milieueffectenrapport niet doorwerkt tot in

bestreden beslissingen. Zij zetten dit middel uiteen als volgt: “D.3. l. Inhoud van

wettelijke bepalingen 40. Artikel 4.1.7 DABM bepaalt het volgende: ‘

overheid houdt bij haar beslissing over

voorgenomen actie, en in voorkomend geval ook bij

uitwerking ervan, rekening met het goedgekeurde rapport of

goedgekeurde r(a)pporten en met

opmerkingen en commentaren die daarover werden uitgebracht’. Aldus, zowel bij het nemen van

beslissing over het plan, als bij

daadwerkelijke uitwerking daarvan kan

overheid het milieueffectenrapport X-13.209 en 13.210-38/43 niet naast zich neerleggen. Zij dient rekening te houden met

inhoud van het rapport en

bijkomende opmerkingen. Daarenboven dient er nog gewezen te worden op

motiveringsverplichting

welke door artikel 4.1.7 DABM wordt opgelegd aan

overheid: ‘Zij motiveert elke beslissing over

voorgenomen actie in het bijzonder: 1)

keuze voor

voorgenomen actie, een bepaald alternatief of bepaalde

elalternatieven, behalve dan voor wat het omgevingsveiligheidsrapport betreft; 2)

aanvaardbaarheid van

te verwachten of mogelijke gevolgen voor mens of milieu van het gekozen alternatief; 3)

in het rapport of

rapporten voorgestelde maatregelen’

ze motiveringsplicht is bedoeld om te verzekeren dat

informatie die door het MER wordt aangereikt daadwerkelijk wordt gebruikt bij het nemen van

beslissing over

voorgenomen actie. D.3.2. Schending van

wettelijke bepalingen 41. Verwerende partij heeft het GRUP Gent Sint-Pieters

finitief vastgesteld zonder enige specifieke motivering inzake

keuze voor één of meerdere

elalternatieven en/of

aanvaardbaarheid van

te verwachten of mogelijke gevolgen voor mens en milieu en/of

in het MER voorgestelde maatregelen. Slechts

volgende overweging heeft meegespeeld: ‘Overwegende dat

MER conform is verklaard op 27 oktober 2005, zodat er moet worden van uitgegaan dat alle alternatieven die op planniveau moesten onderzocht worden, daadwerkelijk en voldoende onderzocht werden; dat heel wat milderende maatregelen uit

MER en aanbevelingen in het MER-verslag niet kunnen worden opgenomen in

stedenbouwkundige voorschriften of

grafische aanduiding van het ruimtelijk uitvoeringsplan maar doorwerking moeten krijgen op projectniveau, dit wil zeggen bij het uitwerken of beoordelen van stedenbouwkundige vergunningsaanvragen of milieuvergunningsaanvragen’ (...). 42. Op grond van artikel 4.1.7 DABM dient

overheid bij haar beslissing over het plan, alsook bij

uitwerking ervan rekening te houden met

inhoud van het MER en

opmerkingen daarover. Dit wordt door

Cel MER ook bevestigd in haar richtlijnen (...). Aan

overheid wordt expliciet

verplichting opgelegd om m.b.t.

voorgenomen actie elke beslissing uitdrukkelijk te motiveren inzonderheid betreffende

1) keuze voor

voorgenomen actie of een bepaald alternatief, 2)

aanvaardbaarheid van

te verwachten gevolgen voor mens en milieu en 3)

maatregelen voorgesteld in het MER. Het blijkt dan ook dat niet aan

ze motiveringsplicht is voldaan, inzonderheid niet wat

keuze voor

voorgenomen actie (en aldus het verwerpen van

alternatieven) betreft en

aanvaardbaarheid van

milieueffecten en gevolgen voor

menselijke gezondheid. Bovendien bevat het MER een opsomming van een ganse reeks milderende maatregelen (...). Uit bovenvermelde bepaling volgt dat in het besluit tot vaststelling van het GRUP

ze milderende maatregelen systematisch moeten worden besproken en dat daarin nagegaan moet worden of

ze aanleiding kunnen geven tot een aanpassing van het plan, dan wel dienen opgelegd te worden in

projectfase, naar aanleiding van

beoordeling van onder meer

stedenbouwkundige vergunningen.

loutere vermelding dat ‘heel wat milderende maatregelen uit

MER en aanbevelingen in het MER-verslag niet kunnen worden opgenomen in

stedenbouwkundige voorschriften of

grafische aanduiding van het ruimtelijk X-13.209 en 13.210-39/43 uitvoeringsplan maar doorwerking moeten krijgen op projectniveau, dit wil zeggen bij het uitwerken of beoordelen van stedenbouwkundige vergunningsaanvragen of milieuvergunningsaanvragen’ laat absoluut niet toe na te gaan of

overheid

voorgestelde milderende maatregelen al dan niet daadwerkelijk heeft onderzocht en nagegaan heeft in welke fase van

besluitvorming zij kunnen, dan wel dienen opgelegd te worden. D.3.3. Besluit 43.

bestreden beslissing schendt

wettelijke bepalingen omdat het: • geen verantwoording bevat voor

keuze voor het voorgenomen alternatief, noch terzake van

aanvaardbaarheid van

te verwachten of mogelijke gevolgen voor mens of milieu van het gekozen alternatief, noch een onderzoek van

in het rapport voorgestelde milderende maatregelen, in strijd met

motiveringsplicht (schending van artikel 4.1.7. DABM).

verwerende partij kon dan ook, zonder behoorlijke motivering, niet tot

finitieve vaststelling van het GRUP Gent Sint-Pieters overgaan”. 4.2.3.2. Ontvankelijkheid van het middel

vijfde tussenkomende partij werpt op dat

verzoekende partijen hun belang bij het middel niet aantonen. Vooralsnog bestaat er geen noodzaak om over

ze exceptie uitspraak te doen. Een onderzoek van en een uitspraak over

ze exceptie zou zich slechts opdringen indien zou komen vast te staan dat het middel ernstig wordt bevonden, hetgeen, zoals hierna zal blijken, niet het geval is. 4.2.3.3. Onderzoek van

ernst van het middel 4.2.3.3.1. In een

rde middel voeren

verzoekende partijen aan dat het milieueffectenrapport niet doorwerkt in

bestreden besluiten. Het middel wordt genomen uit

schending van artikel 4.1.

  1. DABM. 4.2.3.3.
  2. Artikel 4.1.
  3. DABM luidt als volgt: “

overheid houdt bij haar beslissing over

voorgenomen actie, en in voorkomend geval ook bij

uitwerking ervan, rekening met het goedgekeurde rapport of

goedgekeurde rapporten en met

opmerkingen en commentaren die daarover werden uitgebracht. Zij motiveert elke beslissing over

voorgenomen actie in het bijzonder op volgende punten: 1/

keuze voor

voorgenomen actie, een bepaald alternatief of bepaalde

elalternatieven, behalve dan voor wat het omgevingsveiligheidsrapport betreft; 2/

aanvaardbaarheid van te verwachten of mogelijke gevolgen voor mens of milieu van het gekozen alternatief; 3/

in het rapport of

rapporten voorgestelde maatregelen”. X-13.209 en 13.210-40/43 4.2.3.3.3. Uit

uiteenzetting van het middel blijkt dat

verzoekende partijen

schending van

ze bepaling aanvoeren met betrekking tot

vaststelling van het gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan “stationsomgeving Gent Sint-Pieters - Koningin Fabiolalaan”. 4.2.3.3.4. Artikel 4.1.7. DABM lijkt niet op te leggen dat

opgelegde motivering opgenomen dient te zijn in het besluit houdende

finitieve vaststelling van het gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan zelf, met uitsluiting van

bijlagen die bij dat ruimtelijk uitvoeringsplan zijn gevoegd. 4.2.3.3.5. In casu wordt in

“Bijlage III , Toelichtingsnota”, gevoegd als één van

niet-normatieve

len bij het GRUP, onder

hoofding “

  1. acties ter realisatie van het uitvoeringsplan”, “5.
  2. mer (milieu-effect-rapportage)”, onder meer gesteld wat volgt: “In

MER wordt aangegeven, zoals ook hierboven beschreven, dat het onderzochte project een concrete invulling betreft van

ruimtelijke opties zoals vastgelegd in het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen, het Provinciaal Ruimtelijk Structuurplan Oost-Vlaanderen, het gemeentelijk Ruimtelijk Structuurplan Gent en het Mobiliteitsplan Gent.

ze beleidsplannen schetsen een expliciet kader voor

beoogde ontwikkeling van

omgeving van het Gentse Sint-Pietersstation, met inbegrip van

verbindingsweg naar

R4.

beleidskeuzes zoals geformuleerd in

ze beleidsplannen zijn in aanzienlijke mate gebaseerd op milieu-overwegingen.

uitbouw van Gent Sint-Pieters als openbaar vervoersknooppunt ondersteunt

ontwikkeling van een duurzame mobiliteit en heeft een betekenis voor zowel verplaatsingen naar Gent als vanuit of via Gent. Daarnaast worden in

aangehaalde beleidsplannen

potenties van

stationsomgeving, als

uitgelezen locatie voor verdichting, onderkend: op geen enkele andere locatie zijn

mogelijkheden ter vermindering van het wegverkeer zo groot als op locaties gesitueerd aan multimodaal bereikbare knooppunten”. Voorts wordt, na een beknopte weergave van

inhoud van het MER (alternatieven, milieueffectbeoordeling wat betreft mobiliteitseffecten, trillingshinder, effect op

luchtkwaliteit, grondwaterpeil, oppervlaktewater, fauna en flora en mens-ruimtelijke aspecten), met betrekking tot

“milderende maatregelen” het volgende gesteld: “In

MER worden een aantal maatregelen naar voor geschoven die bij

realisatie van

projecten

te verwachten negatieve effecten kunnen milderen.

ze milderende maatregelen zijn weergegeven per discipline. In wat volgt worden

milderende maatregelen opgesomd. Hierbij gaat

aandacht naar

aanbevelingen naar voorliggend ruimtelijk uitvoeringsplan en hoe

doorvertaling in het RUP gebeurde. Immers, bij lezing van

milderende maatregelen blijkt duidelijk dat

aard en

graad van

taillering voor X-13.209 en 13.210-41/43 sommige van

maatregelen van die aard zijn, dat zij niet thuishoren binnen

context van het RUP en

bijhorende verordenende stedenbouwkundige voorschriften. Zij kunnen bijvoorbeeld beter worden vertaald en geconcretiseerd in een inrichtingsstudie en/of worden opgelegd als bijzondere voorwaarde in

stedenbouwkundige vergunning”. waarna een tabel volgt met een opsomming van enerzijds

“milderende maatregelen per discipline volgens

MER” en anderzijds

“aspecten uit

milderende maatregel die doorwerken op plan en/of voorschriften”. Ten slotte wordt nog gesteld dat

natuurcompensatie ingevolge

inname van natuurgebied bij

aanleg van

verbindingsweg R4-station, gekoppeld wordt aan

stedenbouwkundige vergunning voor

aanleg van

ze verbindingsweg, en worden

redenen vermeld waarom niet wordt ingegaan op het MER-verslag met betrekking tot

afwijking van

45/-regel voor

toren C1. Het standpunt van

verzoekende partijen dat het bestreden vaststellingsbesluit, door te overwegen dat “

MER conform is verklaard op 27 oktober 2005, zodat er moet worden van uitgegaan dat alle alternatieven die op planniveau moesten onderzocht worden, daadwerkelijk en voldoende onderzocht werden; dat heel wat milderende maatregelen uit

MER en aanbevelingen in het MER-verslag niet kunnen worden opgenomen in

stedenbouwkundige voorschriften of

grafische aanduiding van het ruimtelijk uitvoeringsplan maar doorwerking moeten krijgen op projectniveau, dit wil zeggen bij het uitwerken of beoordelen van stedenbouwkundige vergunningsaanvragen of milieuvergunnings- aanvragen”, artikel 4.1.7. DABM zou schenden, kan op grond van hetgeen hiervoor uiteengezet, op het eerste gezicht niet worden aangenomen. 4.2.3.3.6. Het

rde middel is niet ernstig. 4.3. Er is niet voldaan aan één van

bij artikel 17, § 2 van

gecoördineerde wetten op

Raad van State opgelegde voorwaarden om

schorsing van

tenuitvoerlegging van

bestreden besluiten te kunnen bevelen. Die vaststelling volstaat om

vorderingen af te wijzen. OM DIE REDENEN BESLIST

RAAD VAN STATE : X-13.209 en 13.210-42/43 Artikel 1.

zaken A. 181.635/X-13.209 en A. 181.636/X-13.210 worden gevoegd. Artikel 2.

verzoeken tot tussenkomst van

Vlaamse Vervoermaatschappij

LIJN,

n.v. INFRABEL,

n.v. NMBS HOLDING en

n.v. EUROSTATION, en

stad GENT in het administratief kort geding worden ingewilligd. Artikel 3.

vorderingen tot schorsing worden verworpen. Artikel 4.

uitspraak over

bijdrage in

betaling van

kosten van

vorderingen tot schorsing wordt uitgesteld.

kosten van

tussenkomsten in

schorsingsprocedure, bepaald op 1250 euro, komen ten laste van

tussenkomende partijen, ieder voor een vijfde. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zesentwintig mei 2008, door

Xe kamer, die was samengesteld uit :

HH. R. STEVENS, kamervoorzitter, J. BOVIN, staatsraad, D. MOONS, staatsraad, Mevr. G. SCHEVENEELS, toegevoegd griffier.

griffier,

voorzitter, G. SCHEVENEELS. R. STEVENS. X-13.209 en 13.210-43/43 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.183.357 Print

ze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.