tection="none"> Print
ze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 26 mei 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.183.357 Rolnummer: Zaak: Arrest 183357 - Stedenbouw en ruimtelijke ordening - Reglementen - 26/05/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-05-30 Raadplegingen: 60 - laatst gezien 2026-06-29 08:05 Fiche Arrest nr 183.357 van 26 mei 2008 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Stedenbouw en ruimtelijke ordening - Reglementen Beslissing : Verwerping Samenvoeging Inwilliging tussenkomst Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van
beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 183.357 van 26 mei 2008 in
zaken A. 181.635/X-13.209 (I.) A. 181.636/X-13.210 (II.). In zake : I.
v.z.w. BOND BETER LEEFMILIEU, II.
v.z.w. GENTS MILIEUFRONT, die woonplaats kiezen bij advocaat T. BIENSTMAN, kantoor houdende te 9051 GENT,
rbystraat 309, Maaltecenter Blok G tegen : I. + II. het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door
Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat P. AERTS, kantoor houdende te 9000 GENT, Coupure 5. tussenkomende partijen : I. + II. 1.
Vlaamse Vervoermaatschappij
LIJN, die woonplaats kiest bij advocaat D. LINDEMANS, kantoor houdende te 1000 BRUSSEL, Keizerslaan 3, 2.
n.v. INFRABEL, die woonplaats kiest bij advocaten D. RYCKBOST en E. RYCKBOST, kantoor houdende te 8400 OOSTENDE, E. Beernaertstraat 80, 3.
n.v. NMBS HOLDING, 4.
n.v. EUROSTATION, die woonplaats kiezen bij advocaat P. FLAMEY, kantoor houdende te 2018 ANTWERPEN, Jan Van Rijswijcklaan 16, 5.
stad GENT. D E R A A D V A N S T A T E, Xe K A M E R, I. Gezien het verzoekschrift dat
v.z.w. BOND BETER LEEFMILIEU op 9 maart 2007 heeft ingediend om
schorsing van
tenuitvoerlegging te vorderen van: X-13.209 en 13.210-1/43 1. het besluit van 15
cember 2006 van
Vlaamse regering houdende
finitieve vaststelling van het gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan “stationsomgeving Gent Sint-Pieters - Koningin Fabiolalaan”, bij uittreksel bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 12 januari 2007, 2. het besluit van 19
cember 2006 van
gewestelijk stedenbouwkundig ambtenaar waarbij aan
n.v. INFRABEL
stedenbouwkundige vergunning wordt verleend voor het bouwen van een vernieuwd stationscomplex “Gent Sint-Pieters” met tram- en busstation, tunnel en parking en bijhorende elementen op gronden, gelegen aan het Koningin Maria Hendrikaplein te Gent, kadastraal bekend sectie I, nrs. 647/t, 649/59c, 649/58b, 649/59f, 649/52f, 649/52e, 649/53a, 649/52c en 649/59g, en 3. het besluit van 19
cember 2006 van
gewestelijk stedenbouwkundig ambtenaar waarbij aan
Administratie Wegen en Verkeer Oost-Vlaanderen
stedenbouwkundige vergunning wordt verleend voor het aanleggen van een verbindingsweg vanaf
Sint-
nijslaan (stationssite) naar
R4 Grote Ring Noord te Gent; II. Gezien het verzoekschrift dat
v.z.w. GENTS MILIEUFRONT op
zelfde datum heeft ingediend om
schorsing van
tenuitvoerlegging te vorderen van
zelfde drie besluiten; Gezien
nota’s van
verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur A. EYLENBOSCH; Gelet op
kennisgeving van het verslag aan partijen; Gelet op
beschikking van 26 juni 2007 waarbij
terechtzitting bepaald wordt op 28 september 2007; Gehoord het verslag van staatsraad J. BOVIN; Gehoord
opmerkingen van advocaat T. BIENSTMAN, die verschijnt voor
verzoekende partijen, van advocaat P. AERTS, die verschijnt voor
verwerende partij, van advocaat T. EYSKENS die loco advocaat D. LINDEMANS verschijnt voor
eerste tussenkomende partij, van advocaat D. RYCKBOST, die verschijnt voor
tweede tussenkomende partij, van advocaten X-13.209 en 13.210-2/43 P. FLAMEY en K. MAN, die verschijnen voor
rde en
vierde tussenkomende partij, en van advocaat S. KEMPINAIRE, die verschijnt voor
vijfde tussenkomende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur A. EYLENBOSCH; Gelet op
artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van
wetten op
Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Gelet op artikel 90, §1, vierde lid van
wetten op
Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; OVERWEEGT WAT VOLGT : 1. Rechtspleging 1.1. In beide zaken hebben
Vlaamse Vervoermaatschappij
LIJN,
n.v. INFRABEL,
n.v. NMBS HOLDING en
n.v. EUROSTATION, en
stad GENT met verzoeken van 3 april 2007, respectievelijk 6 april 2007, 11 april 2007 en 24 april 2007 gevraagd om in het administratief kort geding te mogen tussenkomen. Er is grond om
ze verzoeken in te willigen. 1.2. In
beide zaken vorderen
verzoekende partijen
schorsing van
tenuitvoerlegging van
zelfde drie besluiten op grond van
zelfde middelen. Er is bijgevolg reden om
zaken te voegen. 2.
feiten 2.1.1. In het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen (hierna: RSV) is Gent geselecteerd als “grootstedelijk gebied” (
el 2: Gewenste Ruimtelijke Structuur - richtinggevend gedeelte, III.1.
stedelijke gebieden, 3.1. Selectie en afbakening van stedelijke gebieden). In grootstedelijke gebieden moeten luidens het RSV bestaande en toekomstige stedelijke potenties maximaal worden benut.
ze gebieden hebben steeds volgens het RSV
potentie om een groot
el van
groei inzake woongelegenheid, voorzieningen en economische activiteiten op te vangen. Het RSV geeft ook ontwikkelingsperspectieven aan (III.1., 4. Ontwikkelings- perspectieven), waarvan enkele rechtstreeks van toepassing zijn op
omgeving van het Sint-Pietersstation te Gent. X-13.209 en 13.210-3/43 In het provinciaal ruimtelijk structuurplan van
provincie Oost- Vlaanderen,
finitief vastgesteld op 10
cember 2003 en door
Vlaamse regering goedgekeurd op 18 februari 2004, wordt een hogere dichtheid van kantoren nagestreefd rond het Sint-Pietersstation te Gent. In het gemeentelijk ruimtelijk structuurplan Gent,
finitief vastgesteld door
gemeenteraad van
stad Gent op 27 januari 2003 en goedgekeurd door
Vlaamse minister bevoegd voor Ruimtelijke Ordening op 9 april 2003, wordt het Sint-Pietersstation genoemd als één van
knooppunten van het stedelijk openbaar vervoer. Samen met het station Dampoort is het Sint-Pietersstation een ontwikkelingspool voor gemengd wonen en kantoren.
westelijke torenrij vormt
beeldbepalende westelijke rand van
stad. 2.1.2.
ruimtelijke inzichten, oppervlaktesimulaties en beelden die het resultaat zijn van
verschillende voorstudies, zijn verzameld in één bundel, met name het synthesedocument “Ontwikkeling Sint-Pietersstation Gent” van maart 2005. 2.1.3. In overleg met
cel MER -afdeling algemeen milieu- en natuurbeleid van AMINAL- wordt een plan/project-MER opgemaakt. Het kennisgevingsdossier is door
cel MER volledig verklaard op 17 maart 2004. Het werd van 23 maart 2004 tot en met 23 april 2004 ter inzage gelegd op het stadhuis van Gent. Op 29 maart 2004 en 5 april 2004 werden informatieavonden over het project georganiseerd in het Koninklijk Atheneum te Gent. Gelijktijdig werden bij
administraties en openbare besturen
adviezen gevraagd.
richtlijnen voor
opmaak van het MER worden uitgevaardigd op 22 juni 2004. Na aanpassing van een eerste ontwerp keurt
cel MER het plan-MER op 27 oktober 2005 goed. 2.1.4. Het project voor
ontwikkeling van
Stationsomgeving Gent- Sint-Pieters bestaat uit vier
elprojecten: 2.1.4.1.
elproject 1: bouwwerken tot omvorming van het station Gent- Sint-Pieters
ze bouwwerken omvatten
herinrichting van het station zelf: het vervangen van
bestaande perronconstructie en
bestaande tunnels door een betonnen draagconstructie met, naast een technische ruimte, plaats voor X-13.209 en 13.210-4/43 fietsenstallingen, stationsfuncties en concessies, sporen en perrons en luifels. Gekoppeld hieraan wordt het sporencomplex tussen
Snepkaai en
Kortrijksesteenweg aangepast en gerationaliseerd en wordt voorzien in
oprichting van een Logistiek Centrum Infrastructuur (LCI). 2.1.4.2.
elproject 2: bouwwerken tot verbetering van het multimodaal knooppunt voor openbaar vervoer Dit
elproject omvat
oprichting van een nieuw tram- en busstation ter vervanging van het bestaande. Tevens wordt voorzien in
verbreding van het profiel van
Koningin Fabiolalaan, en
vervanging van
verbinding tussen
Voskenslaan en het Maria Hendrikaplein door een tunnel onder
sporen. 2.1.4.3.
elproject 3: projectontwikkeling langs
Fabiolalaan en langs
Sint-
nijslaan (Sint-
nijsplein) Dit
elproject omvat
bouw van een parking, kantoren, woonruimten, handelsruimten en buurtvoorzieningen langs
Fabiolalaan en in beperktere mate langs
Sint-
nijslaan. Hiertoe worden een reeks bestaande NMBS-gebouwen langs
Fabiolalaan en ook het bestaande postgebouw gesloopt. Het
elproject aan
Fabiolalaan omvat in zone A
realisatie van een ondergrondse parking.
hoofdingang is voorzien via een tunnel onder
sporen en sluit aan op
verbindingsweg naar
R4. Voor
dimensionering ervan is rekening gehouden met volgende gebruikersgroepen: pendelparking, bewonersparking, bedrijven en personeel van winkels en publieke parking. In zones B en C zijn kleinere ondergrondse parkings voorzien. Om
projectontwikkeling langs het Sint-
nijsplein te kunnen realiseren worden 7 panden met cafés en appartementen aan
Sint-
nijslaan en 5 panden met woningen aan
Ganzendries gesloopt. 2.1.4.4.
elproject 4: verbindingsweg R4 Er wordt een verbindingsweg aangelegd tussen het aansluitingscomplex R4/B402 en een tunnel onder
sporen.
verbindingsweg loopt door het natuurgebied Overmeers en verbindt tevens
scholencampus Hogeschool Gent met
R4. X-13.209 en 13.210-5/43 2.1.4.5.
verschillende
elprojecten zullen worden gerealiseerd in fasen (2005-2015). 2.1.5.
verzoekende partijen zijn milieuverenigingen die ijveren voor
bescherming van het leefmilieu. Het werkingsgebied van
v.z.w. BOND BETER LEEFMILIEU situeert zich binnen het Vlaamse Gewest. Het werkingsgebied van
v.z.w. GENTS MILIEUFRONT situeert zich binnen
stad Gent en
buurtgemeenten. Beide v.z.w.’s kanten zich tegen
bijkomende ontsluitingsweg vanaf
Gentse ring en
bouw van
ondergrondse parking. 2.1.6. Om
ontwikkelingen in
stationsomgeving mogelijk te maken en
ontsluitingsweg in verbinding met
R4 te kunnen realiseren is een herbestemming en herinrichting van verschillende zones binnen het plangebied vereist. Met het oog daarop wordt besloten tot
opmaak van een gewestelijk ruimtelijk uitvoeringplan “Stationsomgeving Gent Sint-Pieters - Koningin Fabiolalaan” genaamd (Bijlage III Toelichtingsnota,
Vlaamse regering van 27 januari 2006 wordt het ontwerp van gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan “stationsomgeving Gent Sint- Pieters - Koningin Fabiolalaan”, voorlopig vastgesteld. 2.1.
provincieraad van Oost-Vlaanderen advies uit. 2.1.11. Op 24 april 2006 brengt
gemeenteraad van
stad Gent advies uit. X-13.209 en 13.210-6/43 2.1.12. In zitting van 27 juni 2006 brengt
VLACORO een gunstig advies uit over het ontwerp van ruimtelijk uitvoeringsplan mits wordt voldaan aan
erin gestelde voorwaarden en opmerkingen. 2.1.13. Op 13 oktober 2006 beslist
Vlaamse regering
vervaltermijn voor
finitieve vaststelling van het gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan “stationsomgeving Gent Sint-Pieters - Koningin Fabiolalaan” met 60 dagen te verlengen. 2.1.14. Op 23 november 2006 brengt
Raad van State, afdeling wetgeving, advies uit met toepassing van artikel 84, § 1, eerste lid, 1/ van
gecoördineerde wetten op
Raad van State. 2.1.15. Bij besluit van
Vlaamse regering van 15
cember 2006 wordt het gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan (GRUP) “stationsomgeving Gent Sint- Pieters - Koningin Fabiolalaan”
finitief vastgesteld. Dit besluit wordt bij uittreksel bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 12 januari 2007. Dit is het eerste bestreden besluit in
beide zaken. 2.2.1. Op 22 maart 2006 dient
n.v. INFRABEL bij
gewestelijk stedenbouwkundig ambtenaar een aanvraag in om stedenbouwkundige vergunning voor een vernieuwd stationscomplex “Gent Sint-Pieters” met tram- en busstation, tunnel en parking en bijhorende elementen op gronden gelegen aan het Koningin Maria Hendrikaplein te Gent, kadastraal bekend 9e afdeling, sectie I, nrs. 647/t, 649/59c, 649/58b, 649/59f, 649/52f, 649/52e, 649/53a, 649/52c, 649/59g, omvattende “onder meer: S een vernieuwd stationscomplex met tram- en busstation aan het Koningin Maria Hendrikaplein; S het vernieuwen van
keermuur onder
sporen langsheen
Sint-
nijslaan; S een ontsluitingstunnel vanaf
Sint-
nijslaan naar
parking; S een ondergrondse parking langsheen
Koningin Fabiolalaan; S tijdelijke containers voor NMBS-personeel en een tijdelijke goederenloods voor
NMBS op
vroegere NMBS terreinen langsheen
Koningin Fabiolalaan; S tijdelijke fietsenstallingen aan
Sint-
nijslaan en
Koningin Fabiolalaan; S
herlocalisatie van zendmasten die momenteel op het dak van het bestaande, maar af te breken postgebouw staan; X-13.209 en 13.210-7/43 S het slopen van het postgebouw en
goederenloodsen die aan
westelijke zijde van het Koningin Maria Hendrikaplein staan, en verder
voorlopige NMBS-parking die recent in gebruik is genomen; S een voorafgaandelijke tunnel voor tram, bus, fietsers en voetgangersverkeer; S
aanleg van wegenis vanaf
ontsluitingstunnel naar
Koningin Fabiolalaan toe, via een omweg zoals aangeduid op het plan”.
zonering volgens het -op het ogenblik van
aanvraag in opmaak zijnde- gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan “stationsomgeving Gent Sint- Pieters - Koningin Fabiolalaan” is
els “stationsomgeving Gent Sint-Pieters”,
els “wegenis”,
els “stationsplaats”,
els “LCI”,
els “ondergrondse parkeerruimte met pendelparking”,
els “interne ontsluitingsweg”. Het westelijk en zuidoostelijk
el van het vernieuwde station reikt tot iets buiten
zone voor “stationsplaats” van het ruimtelijk uitvoeringsplan, en situeert zich volgens het gewestplan Gentse en Kanaalzone, vastgesteld bij koninklijk besluit van 14 september 1977, in een gebied voor gemeenschapsvoorzieningen en openbare nutsvoorzieningen.
aan te passen wegenis aan
westkant van het Koningin Maria Hendrikaplein en
aanpassing van het kruispunt van
Sint-
nijslaan, evenals
tijdelijke fietsenstalling en
er op aansluitende werfzone aan
zuidkant van het station situeren zich
els buiten het ruimtelijk uitvoeringsplan en liggen volgens het gewestplan in woongebied. 2.2.2. Tijdens het openbaar onderzoek, dat wordt gehouden van 27 maart 2006 tot 26 april 2006, wordt onder meer door
verzoekende partijen een bezwaarschrift ingediend. 2.2.3.
afdeling Wegen en Verkeer Oost-Vlaanderen verleent op 28 maart 2006 gunstig advies.
afdeling Monumenten en Landschappen verleent op 4 april 2006 voorwaardelijk gunstig advies. In zitting van 12 oktober 2006 adviseert het stadsbestuur van Gent
aanvraag gunstig mits aanbevelingen in
zin van het opleggen van bijzondere voorwaarden in
stedenbouwkundige vergunning.
cel Onroerend Erfgoed van het agentschap R-O Vlaanderen in Gent stelt in een advies van 23 november 2006 dat er voor het aspect beschermd onroerend erfgoed geen bezwaren zijn. X-13.209 en 13.210-8/43 2.2.4. Bij besluit van 19
cember 2006 verleent
gewestelijk stedenbouwkundig ambtenaar aan
n.v. INFRABEL
gevraagde stedenbouwkundige vergunning mits naleving van
volgende voorwaarden: “(...) S
graafwerken moeten archeologisch worden opgevolgd. Hiervoor moet voor
aanvang van
werken contact worden opgenomen met
bevoegde dienst en worden voldaan aan zowel
voorwaarden van het hierboven vermelde advies van
afdeling Monumenten en Landschappen dd. 4 april 2006, als aan
specifieke milderende maatregelen in het MER daaromtrent. S Het grondwater dat onttrokken wordt bij bronbemaling die eventueel noodzakelijk blijkt voor het realiseren van
bouwkundige werken moet, in zoverre dit met toepassing van best beschikbare technieken mogelijk is, zoveel mogelijk terug in
grond worden ingebracht buiten
onttrekkingszone. Hiervoor kan gebruik gemaakt worden van infiltratieputten, infiltratiebekkens of infiltratiegrachten. Indien dit technisch onmogelijk is, moet het water geloosd worden in het openbare of private waterlopennet.
infiltratie of
lozing van het opgepompte grondwater mag geen wateroverlast voor
rden veroorzaken. Het lozen in
openbare riolering is slechts toegestaan wanneer het technisch onmogelijk is zich op een andere manier van dit water te ontdoen. Volumes hoger dan 10 m³ per uur mogen niet geloosd worden in
openbare rioleringen aangesloten op een rioolwaterzuiveringsinstallatie (zuiveringszone A) behoudens
uitdrukkelijke schriftelijke toestemming van
exploitant van
ze installatie (Aquafin) en
rioolbeheerder. Bronbemaling die technisch noodzakelijk is voor ofwel
verwezenlijking van bouwkundige werken, ofwel
aanleg van openbare nutsvoorzieningen is volgens Vlarem (...) indelingsplichtig en dient gemeld (...) (...) S Alle milderende maatregelen zoals beschreven in het hierboven bedoelde MER Masterplan Station Gent-Sint-Pieters en omgeving dienen in acht genomen te worden, en dit zowel tijdens
fase van
werkzaamheden als erna. S
uitblaasmonden van
parkingventilatie dienen te worden voorzien van specifieke filters om het fijn stof zoveel als mogelijk te capteren en voorzien van
nodige geluiddemping. (...)”. Dit is het tweede bestreden besluit in
beide zaken. 2.3.1. Op 22 maart 2006 dient
Administratie Wegen en Verkeer Oost- Vlaanderen bij
gewestelijk stedenbouwkundig ambtenaar een aanvraag in om stedenbouwkundige vergunning voor het aanleggen van een verbindingsweg vanaf
Sint-
nijslaan (stationssite) naar
R4 Grote Ring Noord te Gent op gronden gelegen ten zuiden van
Sint-
nijslaan, kadastraal bekend 9e afdeling, sectie I, nrs. 344/d, 341/d en e, 336/a, 340/c en 339/b en c, omvattende
volgende werken: X-13.209 en 13.210-9/43 “- een tweevaksbaan verbindingsweg vanaf
stationssite naar
R4, vanaf
inrit van
toekomstige ondergrondse parking onder
stationssite tot aan
bestaande, vrije nieuwe brug over
Ringvaart, in het verlengde van
Pégoudlaan (site Flanders Expo); - een rond punt ter aansluiting op
bestaande op- en afrit van voormelde brug; - een dubbelrichting fietspad aan
westelijke zijde van
verbindingsweg; - een ‘groene’ geluidswand tussen het fietspad en
weg; - een fietsersonderdoorgang onder
aftakking van voormeld rond punt; - een fietspad dat
scholencampus verbindt; - verplaatsen van het bestaande rioleringstelsel buiten
wegeniswerken; - aanleg van een rioleringstelsel en baangrachten voor hemelwateropvang; - natuurcompensatie in het gebied ‘Overmeers’”. 2.3.2. Volgens
bestemmingsvoorschriften van het -op het ogenblik van
aanvraag in opmaak zijnde- gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan “stationsomgeving Gent Sint-Pieters - Koningin Fabiolalaan” is
betrokken verbindingsweg gelegen in zone voor “wegenis”.
aanzet van een “aantakking” naar
site van
scholencampus is volgens
bestemmingsvoorschriften van het gewestplan Gentse en Kanaalzone, vastgesteld bij koninklijk besluit van 14 september 1977, gelegen in een gebied voor gemeenschapsvoorzieningen en openbare nutsvoorzieningen.
“aantakking” naar
Roosakker is volgens
bestemmingsvoorschriften van hetzelfde gewestplan gelegen in woongebied. 2.3.3. Tijdens het openbaar onderzoek, dat wordt gehouden van 27 maart 2006 tot 26 april 2006 worden meerdere bezwaarschriften ingediend. 2.3.4.
aanvraag omvat een gedeeltelijke ontbossing (1,4 ha).
afdeling Bos en Groen - Oost-Vlaanderen adviseert op 29 maart 2006 gunstig “mits
compensatiemaatregelen COMP-06-0037-OV worden uitgevoerd binnen
termijnen gesteld in het Besluit van
Vlaamse regering dd. 16 februari 2001 tot vaststelling van nadere regels inzake compensatie van ontbossing en ontheffing van het verbod op (ontbossing)”. Het zuidelijke
el van
verbindingsweg doorkruist een gebied dat op het gewestplan is bestemd tot natuurgebied.
afdeling Natuur Oost- Vlaanderen verstrekt hieromtrent op 4 april 2006 het volgende advies: X-13.209 en 13.210-10/43 “(...) Door
aanleg van
verbindingsweg, verdwijnt een strook natuurgebied en ‘verboden te wijzigen vegetatie’. Dit moet volgens het natuurdecreet gecompenseerd worden.
inname op zich is relatief beperkt, maar het versnipperingseffect en barrière-effect is groot. In het Gemeentelijk Ruimtelijk Structuurplan Gent is het gebied Overmeers opgenomen als kleiner natuurgebied van
‘groene ring’ langs
Ringvaart. Het is dus belangrijk het overblijvend gebied te optimaliseren. In
loop van het proces is er dan ook voor geopteerd om ter plaatse te compenseren en
nog bestaande ecologische potenties te optimaliseren. Het bureau WES heeft hiervoor al een richtinggevend inrichtingsplan voor het natuurpark Overmeers uitgewerkt. Bij
opmaak van het MER is aangegeven dat door het uitgraven van
parking, er mogelijk een verstoring zal zijn op
kwelstroom in Overmeers.
verstoring van
ze kwel kan een zeer negatief effect hebben op
waardevolle broekbossen die voorkomen in Overmeers. In het MER is dan ook voorgesteld om gedurende 1 jaar het grondwater op te meten aan
hand van peilbuizen.
resultaten van
ze studie moeten voorgelegd worden aan
afdeling Natuur. ADVIES Gunstig advies onder volgende voorwaarden: S afdeling Natuur wordt verder betrokken bij
opmaak van het inrichtingsplan van het gebied en moet haar goedkeuring geven voor het plan. S
compensatie moet uitgevoerd zijn tegen
cember 2008. S
resultaten van grondwatermetingen aan
hand van peilbuizen voorgelegd zijn aan afdeling Natuur”.
afdeling Monumenten en Landschappen verleent op 4 april 2006 een voorwaardelijk gunstig advies.
cel Monumenten en Landschappen van
afdeling ROHM - Oost-Vlaanderen stelt in een advies van 13 april 2006 dat er gelet op
milderende maatregelen geen bezwaren zijn tegen
verbindingsweg.
afdeling Wegen en Verkeer Oost-Vlaanderen verleent op 27 juni 2006 een gunstig advies. In zitting van 12 oktober 2006 adviseert het college van burgemeester en schepenen van
stad Gent
aanvraag gunstig mits aanbevelingen in
zin van het opleggen van bijzondere voorwaarden in
stedenbouwkundige vergunning. 2.3.5.
vergunningsplichtige werken die
inrichting van het natuurpark Overmeers met zich mee brengen, maken het voorwerp uit van een afzonderlijke aanvraag. X-13.209 en 13.210-11/43 2.3.6. Bij het bestreden besluit van 19
cember 2006 verleent
gewestelijk stedenbouwkundig ambtenaar
gevraagde stedenbouwkundige vergunning, onder
volgende voorwaarden: “(...) S Het grondwater dat onttrokken wordt bij bronbemaling die eventueel noodzakelijk blijkt voor het realiseren van
bouwkundige werken moet, in zoverre dit met toepassing van best beschikbare technieken mogelijk is, zoveel mogelijk terug in
grond worden ingebracht buiten
onttrekkingszone. Hiervoor kan gebruik gemaakt worden van infiltratieputten, infiltratiebekkens of infiltratiegrachten. Indien dit technisch onmogelijk is, moet het water geloosd worden in het openbare of private waterlopennet.
infiltratie of
lozing van het opgepompte grondwater mag geen wateroverlast voor
rden veroorzaken. Het lozen in
openbare riolering is slechts toegestaan wanneer het technisch onmogelijk is zich op een andere manier van dit water te ontdoen. Volumes hoger dan 10 m³ per uur mogen niet geloosd worden in
openbare rioleringen aangesloten op een rioolwaterzuiveringsinstallatie (zuiveringszone A) behoudens
uitdrukkelijke schriftelijke toestemming van
exploitant van
ze installatie (Aquafin) en
rioolbeheerder. Bronbemaling die technisch noodzakelijk is voor ofwel
verwezenlijking van bouwkundige werken, ofwel
aanleg van openbare nutsvoorzieningen is volgens Vlarem (...) indelingsplichtig en dient gemeld (...) S
voorwaarden uit het advies van
afdeling Wegen en Verkeer Oost- Vlaanderen dd. 27 juni 2006 (...) moeten worden nageleefd. S Alle milderende maatregelen zoals beschreven in het hierboven bedoelde MER Masterplan Station Gent Sint-Pieters en omgeving dienen in acht genomen te worden, en dit zowel tijdens
fase van
werkzaamheden als erna. S
vergunning voor
ontbossing wordt verleend op grond van artikel 90bis § 5,
rde lid, van het bosdecreet en onder
voorwaarden zoals opgenomen in het hierbij gevoegde compensatieformulier (...) S In functie van
compensatie van het natuurgebied dat doorkruist wordt,
aanhorigheden aan
weg zoals
afwateringsgrachten, op een natuurtechnische wijze aanleggen en tegelijk of aansluitend met
verkeerskundige werken, het natuurpark Overmeers inrichten. S Het geluidsscherm ten westen van
verbindingsweg verhogen tot een hoogte van 4m ten opzichte van het wegniveau. Die extra meter kan worden bekomen door een verhoging van het geplande betonnen scherm tot 4m hoogte ofwel door het bovenste
el uit te voeren met een doorzichtig, voldoende geluidsbufferend scherm. S Langs
toegangsweg, waar mogelijk, straatbomen aanplanten.
straatbomen sluiten aan bij
bomen langs
R4”. Dit is het
rde bestreden besluit in
beide zaken. X-13.209 en 13.210-12/43 3. Ontvankelijkheid van
vordering
verwerende partij evenals
eerste,
tweede,
rde,
vierde en
vijfde tussenkomende partij betwisten
ontvankelijkheid van
vordering. Er bestaat vooralsnog geen noodzaak om over
opgeworpen excepties uitspraak te doen. Een onderzoek van en een uitspraak over
ze excepties dringt zich immers slechts op indien zou blijken dat aan
grondvoorwaarden om
schorsing van
tenuitvoerlegging te kunnen bevelen is voldaan, hetgeen te
zen, zoals hierna zal blijken, niet het geval is. 4. Wat
grond van
vordering tot schorsing betreft 4.1. Krachtens artikel 17, § 2 van
gecoördineerde wetten op
Raad van State kan slechts tot
schorsing van
tenuitvoerlegging worden besloten onder
dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die
vernietiging van
aangevochten beslissing kunnen verantwoorden en dat
onmiddellijke tenuitvoerlegging van
bestreden beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen. In het verzoekschrift tot schorsing zijn
aangevoerde middelen voldoende precies omschreven om vatbaar te zijn voor een prima facie onderzoek.
ter zake door
vijfde tussenkomende partij opgeworpen exceptie kan niet worden aangenomen. 4.2. Over
aangevoerde middelen In
beide zaken worden drie identiek geformuleerde middelen aangevoerd. 4.2.
verzoekende partijen
schending aan “van
wettelijke normen voor fijn stof en stikstofoxiden”. Zij zetten dit middel uiteen als volgt: “D.l.l. Inhoud van
wettelijke bepalingen D.1.1.
relevante bepalingen inzake luchtkwaliteit opgenomen in VLAREM II en die in het volgende punt worden uiteengezet, vormen
omzetting van Europese regelgeving.
Richtlijn 96/62/EG van
Raad van 27 september 1996 inzake
beoordeling en het beheer van
luchtkwaliteit, schetst een globaal kader waarmee
EU in
toekomst
luchtkwaliteit niet enkel wenst te beoordelen en te beheren (hierna ‘
Kaderrichtlijn Luchtkwaliteit’).
ze Kaderrichtlijn Luchtkwaliteit vormt samen met een aantal dochterrichtlijnen
basis voor het kwaliteitsbeleid lucht binnen
Europese Unie. In
ze dochterrichtlijnen worden voor een 13-tal polluenten luchtkwaliteitsnormen (grenswaarden en in een aantal gevallen alarmdrempels) vastgelegd. Een van
ze dochterrichtlijnen is
Richtlijn 1999/30/EG van
Raad van 22 april 1999 betreffende
grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide, zwevende
eltjes en lood in
lucht (hierna “
Richtlijn Grenswaarden”). D.1.1.
Vlaamse Regering ter bescherming van het milieu milieukwaliteitsnormen vast die bepalen aan welke kwaliteitseisen
onderdelen van het milieu moeten voldoen binnen
termijnen die zij bepaalt. Milieukwaliteitsnormen bepalen
maximaal toelaatbare hoeveelheden verontreinigingsfactoren in
atmosfeer, het water en
bodem. Artikel 2.2.4 DABM geeft aan dat bovenvermelde milieukwaliteitsnormen kunnen worden vastgelegd in
vorm van grenswaarden en richtwaarden. Verder bevat dit artikel een
finitie van het begrip grenswaarde: ‘Grenswaarden mogen, behoudens in geval van overmacht, niet worden overschreden. Onverminderd
overige bepalingen van dit
creet, bepalen
verordeningen die ze vaststellen
maatregelen die door
daartoe aangewezen overheden moeten worden getroffen bij overschrijding of dreigende overschrijding ervan, teneinde
erdoor beschermde belangen te beveiligen’.
milieukwaliteitsnormen inzake
luchtkwaliteit zijn opgenomen in het Besluit van
Vlaamse Regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne (hierna “VLAREM II”). Artikel 2.1.l., §1 VLAREM II stelt dat
in het besluit opgenomen milieukwaliteitsnormen
kwaliteitseisen bepalen waaraan het betrokken onderdeel van het milieu (in casu lucht) in heel het Vlaamse Gewest moet voldoen. 19.
artikelen 2.5.4.2, § 1 en 2.5.4.3, § 1 VLAREM II bepalen dat
overheid
nodige maatregelen neemt om ervoor te zorgen dat
concentraties in
lucht van enerzijds stikstofdioxide en stikstofoxiden (NO2 en NOx) en anderzijds zwevende
eltjes (PM10) niet worden overschreden. In Bijlage 2.5.5.2 van VLAREM II zijn
grenswaarden inzake stikstofoxiden en stikstofdioxide vastgesteld op (i) een jaargrenswaarde voor
bescherming van vegetatie van 30 :g/m³ NOx (geen overgangsperiode) en (ii) een jaargrenswaarde voor
bescherming van
gezondheid van
mens die bepaald is op 40 :g/m³ NO2 vanaf 1 januari 2010 (en gradueel te bereiken in
periode tussen 1 januari 2001 en 1 januari 2010). In Bijlage 2.5.5.3 van VLAREM II zijn
grenswaarden voor zwevende
eltjes vastgesteld in een eerste fase op een daggemiddelde voor
bescherming van
gezondheid van
mens van 50 :g/m³ PM10 vanaf 1 januari 2005 die maximaal 35 keer per jaar mag worden overschreden en een jaargemiddelde grenswaarde voor
bescherming van
gezondheid van 40 :g/m³ PM10 met ingang van 1 januari 2005. X-13.209 en 13.210-14/43 In een tweede fase zijn
grenswaarden vastgesteld op een daggemiddelde van 50 :g/m³ PM10 vanaf 1 januari 2010 die maximaal 7 keer per jaar mag worden overschreden en een jaargemiddelde grenswaarde 20 :g/m³ PM10 met ingang van 1 januari 2010 (gradueel te bereiken in
periode tussen 1 januari 2005 en 1 januari 2010). D.1.1.
grenswaarden, behoudens overmacht, geenszins mogen worden overschreden. Het begrip grenswaarde is tevens omschreven in
Europese Richtlijnen als ‘een niveau dat op basis van wetenschappelijke kennis is vastgesteld teneinde schadelijke gevolgen voor
gezondheid van
mens en/of voor het milieu in zijn geheel te voorkomen, te verhinderen of te verminderen en dat binnen een bepaalde termijn moet worden bereikt en, als het eenmaal is bereikt, niet meer mag worden overschreden’. Artikel 2.1.2. VLAREM II (bepaalt) immers dat
milieukwaliteitsnormen, vastgelegd in
vorm van grenswaarden, door
overheid worden gehanteerd bij het plannen en bij het realiseren van haar beleid. Artikel 1.2.l., §3 DABM bepaalt daarenboven: ‘
in §1 en §2 bepaalde doelstellingen en beginselen moeten in het bepalen en uitvoeren van het beleid van het Vlaamse Gewest op andere gebieden worden geïntegreerd. Bij
uitvoering van het beleid wordt rekening gehouden met
sociaal-economische aspecten,
internationale dimensie en
beschikbare wetenschappelijke en technische gegevens’. Artikel 4 van het
creet van 18 mei 1999 houdende
organisatie van
ruimtelijke ordening geeft tot slot duidelijk aan dat ‘
ordening die in plannen wordt vastgelegd, moet gericht zijn op een duurzame ruimtelijke ontwikkeling waarbij
ruimte beheerd wordt ten behoeve van
huidige generatie, zonder dat
behoeften van
toekomstige generaties in het gedrang gebracht worden. Daarbij worden
ruimtelijke behoeften van
verschillende maatschappelijke activiteiten gelijktijdig tegen elkaar afgewogen. Er wordt rekening gehouden met
ruimtelijke draagkracht,
gevolgen voor het leefmilieu en
culturele, economische, esthetische en sociale gevolgen. Op
ze manier wordt gestreefd naar ruimtelijke kwaliteit’. Dit impliceert dat milieukwaliteitsnormen ook bindend zijn bij
vaststelling van ruimtelijke uitvoeringsplannen.
Europese grenswaarden inzake luchtkwaliteit opgenomen in VLAREM II vormen aldus een dwingend toetsingskader bij
opmaak van ruimtelijke uitvoeringsplannen. D.1.1.
lucht, kleiner dan een honderdste van een millimeter. Juist omdat die stofdeeltjes zo klein zijn en diep in onze longen kunnen doordringen, zijn ze gevaarlijk. Bij een korte blootstelling aan luchtvervuiling met fijn stof worden bestaande gezondheidsproblemen zoals luchtweginfecties en astma erger. Tevens neemt het aantal spoedopnames door luchtwegklachten en hartaandoeningen toe, evenals het aantal acute sterfgevallen, vooral bij ouderen met een zwakkere gezondheid. Volgens het uitgebreid onderzoek van onder meer
wereldgezondheidsorganisatie (hierna ‘WGO’) zorgt fijn stof op lange termijn voor een vermindering van
longfunctie, een toename van chronische luchtwegaandoeningen, een toename van hart- en vaatziekten, een toename van het aantal kankers en meer algemeen een kortere levensverwachting (...). Volgens het milieurapport Vlaanderen (MIRA-T 2004) werd berekend dat bij een ongewijzigde situatie iedereen in Vlaanderen in zijn leven gemiddeld X-13.209 en 13.210-15/43 een
rde van een gezond levensjaar zal verliezen door blootstelling aan fijn stof. In 2003 liepen
externe gezondheidskosten voor PM10 (met een grootte van 10 micrometer) en PM2,5 (met een grootte van 2,5 micrometer) op tot 1,1 miljard euro voor Vlaanderen (...). 22.
belangrijkste bron voor
uitstoot van fijn stof is het autoverkeer. Vooral
uitlaatgassen van dieselmotoren bevatten veel stof. Zeker in een stad heeft autoverkeer het hoogste aandeel, omdat auto’s in het stedelijk verkeer meer remmen, stilstaan en optrekken, wat extra vervuilend is. In
stad wordt ook meer ‘koud’ gereden. Een katalysator werkt immers pas na enkele kilometers wanneer
motor is opgewarmd. Om het fijn stof probleem op te kunnen lossen is volgens
WGO een combinatie van maatregelen nodig. Zo moet via technische ingrepen gewerkt worden aan het verbeteren van
uitstoot van het wegverkeer, bijvoorbeeld door roetfilters te plaatsen op dieselwagens. Volgens
WGO zullen
rgelijke technische ingrepen op zich niet volstaan, omdat
milieuwinst die daarmee geboekt wordt teniet zal gaan door
groei van het autoverkeer (...). Daarom zijn volgens
WGO ook maatregelen nodig die
groei van het autoverkeer in
hand houden, samen met maatregelen voor een betere doorstroming en meer openbaar vervoer.
WGO wijst specifiek op
noodzaak om bij ruimtelijke plannen (‘urban planning’) terdege rekening te houden met
problematiek van luchtvervuiling (...). D.1.1.5. Overschrijding van
grenswaarden: schending van
wettelijke bepalingen 23.
verwezenlijking van het GRUP Gent Sint-Pieters en
stedenbouwkundige vergunningen Stationscomplex en R4-link zullen zorgen voor een aanzienlijke toename van het fijn stof in
lucht.
ondergrondse parking en
verbindingsweg zullen volgens het MER een sterk aanzuigende werking van het verkeer hebben, meer bepaald van 1.575 wagens per uur, of bijna 10.000 wagens per dag. Daar komt nog het verkeer bij voor
kantoren en
woningen. In het oostelijk
el van
Koningin Fabiolalaan bijvoorbeeld zal
verkeersintensiteit toenemen van 131 wagens per uur per richting vandaag naar 618 wagens per uur en per richting in
toekomst. Ook in heel wat andere straten rond het station zal het autoverkeer gevoelig drukker worden. Dat verkeer zal volgens het MER onvermijdelijk extra luchtvervuiling veroorzaken in
woonbuurten rond het station. Uit het MER blijkt zwart op wit dat hierdoor
luchtkwaliteitsnormen voortdurend zullen overschreden worden. Uit het MER blijkt immers dat zowel voor NOx (stikstofoxiden) als voor PM10 (fijn stof)
toepasselijke grenswaarden niet worden bereikt. Wat stikstofoxiden betreft wordt
jaargrenswaarde voor
bescherming van
vegetatie (jaargemiddelde van 30 :g/m³) overschreden (gemiddelde van 33,08 :g/m³) (...). Wat fijn stof betreft wordt
jaargrenswaarde voor
bescherming van
gezondheid van
mens, zoals van toepassing vanaf 1 januari 2005 (gemiddelde van 40 :g/m³) thans overschreden (een gemiddelde waarde van 46.25 :g/m³). 24. Hierna wordt meer specifiek ingegaan op
overschrijding van
grenswaarden inzake fijn stof. In het MER wordt hieraan, gezien het belang ervan, een afzonderlijk luik gewijd (...). 25. X-13.209 en 13.210-16/43 Zoals reeds uiteengezet, bedraagt
grenswaarde voor fijn stof 50 :g/m³ als daggemiddelde.
ze grenswaarde mag vanaf 1 januari 2005 maximaal 35 keer per jaar overschreden worden (jaargemiddelde van 40 :g/m³) (vanaf 1 januari 2010 is dat zelfs maximaal 7 keer en geldt 20 :g/m³ als jaargemiddelde). 26.
emissies werden in het MER gemodelleerd met behulp van het CAR-model. Op
ze wijze wordt
berekening gemaakt op straatniveau.
beschouwde straten zijn
ze waar in het hoofdstuk Mobiliteit verkeersintensiteiten zijn berekend (...). Ter illustratie wordt hieronder een schets gegeven van
berekeningen van
huidige en toekomstige overschrijdingen van
fijn stof norm, zoals in het MER weergegeven: Straat Overschrijdingen Overschrijdingen 2004 2015 St-
nijslaan West 48 50(+2) St-
nijslaan Oost 49 68(+19) Kon. Fabiolalaan 42 57(+15) Rijsenbergstraat ? 48 (?) Kon. Boudewijnstr. 44 62(+18) Kon. Albertlaan 62 69(+7) Voskenslaan 92 62(-30) (...) Hierbij is nog geen rekening gehouden met (i)
emissies van het verkeer dat erbij komt voor
kantoren en
woningen in
zones B en C, waar er aparte parkeerplaatsen worden voorzien en met
ontwikkeling van Flanders Expo.
berekeningen zijn dus een onderschatting en geven geen totaal beeld van
impact van het volledige project op
luchtkwaliteit. Niettegenstaande
ze onderschatting blijkt overduidelijk uit
straatmodellering dat er een opmerkelijke toename optreedt van
overschrijdingen van
fijnstof - normen. Enkel
Voskenslaan zou beter scoren dan vandaag, aangezien het autoverkeer hier zal afnemen door het afsluiten van
tunnel. Niettemin betreft het ook in 2015 nog om een aanzienlijke overschrijding van het toegelaten aantal inbreuken. 27. Het weze nog opgemerkt dat in het MER
waarden worden getoetst aan
vandaag geldende dag- en jaargrenswaarden, terwijl een verscherping van
grenswaarden zal optreden met ingang van 1 januari 2010. Het MER vergelijkt slechts met
grenswaarde voor fijn stof die geldt vanaf 1 januari 2005 tot 1 januari 2010, met name 50 :g/m³ PM10 als daggemiddelde en die maximaal 35 keer per jaar mag overschreden worden (jaargemiddelde van 40 PM10). Echter, vanaf 1 januari 2010 zal
strengere norm van 50 :g/m³ PM10 die slechts maximaal 7 keer per jaar mag worden overschreden van toepassing zijn (jaargemiddelde van 20 :g/m³ PM10). Men had dan ook een vergelijking dienen te maken met
norm die geldt vanaf 1 januari 2010 om
situatie in het jaar 2015 correct te kunnen beoordelen. D.I.1.6. Besluit 28.
bestreden besluiten schenden
aangehaalde wettelijke bepalingen omdat ze: • wat betreft het GRUP Gent Sint-Pieters goedkeuring verleent aan een ruimtelijke ontwikkeling die voor gevolg heeft dat
grenswaarden X-13.209 en 13.210-17/43 inzake PM10, NOx en NO2 in
stationsbuurt op blijvende wijze zullen overschreden worden. • wat betreft
stedenbouwkundige vergunningen, rechts(t)reeks als gevolg zullen hebben dat
grenswaarden inzake PM10, NOx en NO2 in
stationsbuurt op blijvende wijze zullen overschreden worden. • geen concrete maatregelen bevatten die waarborgen dat
grenswaarden op
data dat zij van toepassing zijn, zullen worden geëerbiedigd, door bijvoorbeeld saneringsmaatregelen te treffen ten aanzien van andere bronnen die bijdragen tot luchtverontreiniging in
buurt, zodat globaal genomen
grenswaarden zullen in acht genomen worden”. 4.2.1.2. Ontvankelijkheid van het middel 4.2.1.2.1.
rde en
vierde tussenkomende partij werpen op dat het middel zich niet leent tot een prima facie beoordeling in kort geding, gezien het gaat om een complex en technisch middel. Zoals hiervoor reeds is gesteld is ook het eerste middel voldoende precies omschreven om vatbaar te zijn voor een prima facie beoordeling.
exceptie kan niet worden aangenomen. 4.2.1.2.2.
eerste tussenkomende partij voert aan dat
verzoekende partijen geen belang hebben bij het middel.
vijfde tussenkomende partij werpt op dat
verzoekende partijen hun belang bij het middel niet aantonen. Vooralsnog bestaat er geen noodzaak om over
ze excepties uitspraak te doen. Een onderzoek van en een uitspraak over
ze excepties zou zich slechts opdringen indien zou komen vast te staan dat het middel ernstig wordt bevonden, hetgeen, zoals hierna zal blijken, niet het geval is. 4.2.1.3. Onderzoek van
ernst van het middel 4.2.1.3.1. In een eerste middel voeren
verzoekende partijen
schending aan van “
wettelijke normen voor fijn stof en stikstofoxiden”. 4.2.1.3.2.
juridische grondslag voor het kwaliteitsbeleid inzake lucht in
Europese Unie is
Richtlijn 96/62/EG van
Raad van 27 september 1996 inzake
beoordeling en het beheer van
luchtkwaliteit, samen met vier dochterrichtlijnen. Voor stikstofdioxide en stikstofoxiden (NO2 en NOx) en fijn stof (PM10) werden normen bepaald in
Richtlijn 1999/30/EG van
Raad van 22 april X-13.209 en 13.210-18/43 1999 betreffende grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, zwevende
eltjes en lood in
lucht. In voormelde dochterrichtlijn 1999/30/EG wordt niet enkel een grenswaarde, maar worden ook
overschrijdingsmarges bepaald.
overschrijdingsmarge is het percentage waarmee
grenswaarde onder
in
Richtlijn 96/62/EG vastgelegde voorwaarden kan worden overschreden.
overschrijdingsmarge neemt lineair af vanaf
startdatum tot 0% op
datum waarop aan
grenswaarde moet worden voldaan, zijnde 1 januari 2005 voor PM10 en 1 januari 2010 voor NO2. Artikel 7.1. van
Richtlijn 96/62/EG van
Raad van 27 september 1996 inzake
beoordeling en het beheer van
luchtkwaliteit bepaalt: “
Lid-Staten nemen
nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat
grenswaarden worden nageleefd”. Artikel 7.3. bepaalt: “
Lid-Staten stellen actieplannen op, waarin wordt vermeld welke maatregelen bij een dreigende overschrijding van
grenswaarden en/of
alarmdrempels op korte termijn moeten worden genomen om het risico van overschrijding te verkleinen en
duur ervan te beperken. Al naar gelang van het geval behelzen
ze plannen controlemaatregelen en, zo nodig, schorsing van
activiteiten die bijdragen tot overschrijding van
grenswaarden, met inbegrip van het gemotoriseerde verkeer”. Artikel 8 van
zelfde richtlijn bepaalt
maatregelen die van toepassing zijn in zones waar
niveaus hoger liggen dan
grenswaarde, met name: “1.
Lid-Staten stellen
lijst op van zones en agglomeraties waar
niveaus van een of meer verontreinigende stoffen
grenswaarde, verhoogd met
overschrijdingsmarge, overschrijden. Wanneer voor een bepaalde verontreinigende stof geen overschrijdingsmarge is vastgesteld, worden
zones en agglomeraties waar het niveau van
ze verontreinigende stof
grenswaarde overschrijdt, gelijkgesteld met
in
vorige alinea bedoelde zones en agglomeraties en zijn
leden 3 tot en met 5 erop van toepassing. 2.
Lid-Staten stellen
lijst op van
zones en agglomeraties waar
niveaus van een of meer verontreinigende stoffen tussen
grenswaarde en
met
overschrijdingsmarge verhoogde grenswaarde liggen. 3. In
in lid 1 bedoelde zones en agglomeraties treffen
Lid-Staten maatregelen om ervoor te zorgen dat er een plan of programma wordt opgesteld en uitgevoerd dat ertoe leidt dat binnen
daarvoor gestelde termijn aan
grenswaarde wordt voldaan. Dit plan of programma, waartoe het publiek toegang dient te krijgen, bevat ten minste
in bijlage IV vermelde informatie. 4. In
in lid 1 bedoelde zones en agglomeraties waar het niveau van meer dan één verontreinigende stof hoger ligt dan
grenswaarden, zorgen
Lid-Staten voor een geïntegreerd plan voor alle betrokken verontreinigende stoffen. X-13.209 en 13.210-19/43 5.
Commissie controleert regelmatig
uitvoering van
krachtens lid 3 ingediende plannen of programma’s door na te gaan hoe
ze vorderen en hoe
luchtverontreiniging zich ontwikkelt. 6. Wanneer het niveau van een verontreinigende stof ten gevolge van een significante verontreiniging vanuit een andere Lid-Staat boven
met
overschrijdingsmarge verhoogde grenswaarde of, in voorkomend geval,
alarmdrempel ligt of dreigt te komen, plegen
betrokken Lid-Staten overleg met elkaar om een oplossing te vinden.
Commissie kan dat overleg bijwonen”. 4.2.1.3.3. Het besluit van
Vlaamse regering van 18 januari 2002 tot wijziging van het besluit van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne (hierna : VLAREM II), waarbij aan hoofdstuk 2.5. een afdeling 2.5.4. werd toegevoegd, zet voormelde richtlijnen om in het interne Belgische recht.
betrokken bepalingen van VLAREM II luiden als volgt: “AFDELING 2.5.4. - Beoordeling en beheer van zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, zwevende
eltjes en lood. Onderafdeling 2.5.4.
minister neemt
nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat
concentraties van zwaveldioxide in
lucht, zoals beoordeeld overeenkomstig artikel 2.5.4.5, met ingang van
in bijlage 2.5.5.1,
el I, vermelde data
daarin bepaalde grenswaarden niet overschrijden.
in bijlage 2.5.5.1,
el I, bepaalde overschrijdingsmarges zijn van toepassing overeenkomstig artikel 2.5.3.7. § 2.
alarmdrempel voor
concentraties van zwaveldioxide in
lucht is bepaald in bijlage 2.5.5.1,
el II. § 3. Om
Commissie bij te staan bij
opstelling van haar verslaggeving registreert
Vlaamse Milieumaatschappij, indien mogelijk, tot en met 31
cember 2003 gegevens over zwaveldioxideconcentraties, waarop een tienminutenmiddeling is toegepast, die ze ontvangt van een aantal meetstations die geselecteerd zijn als representatief voor
luchtkwaliteit in woongebieden in
nabijheid van
bronnen en die uurconcentraties meten. Gelijktijdig met
gegevens over
uurconcentraties rapporteert
Vlaamse Milieumaatschappij, via
geëigende kanalen, aan
Europese Commissie voor
ze geselecteerde meetstations het aantal tienminutenconcentraties van meer dan 500 mug/m3, het aantal dagen waarop die grens in het kalenderjaar werd overschreden, het aantal dagen waarop tegelijkertijd
uurconcentraties zwaveldioxide 350 mug/m3 werden overschreden, en
hoogste geregistreerde tienminutenconcentratie. § 4.
minister mag zones of agglomeraties aanwijzen waar
in bijlage 2.5.5.1,
el I, bedoelde grenswaarden voor zwaveldioxide als gevolg van
aanwezigheid van concentraties van zwaveldioxide van natuurlijke oorsprong in
lucht worden overschreden.
minister verstrekt
Europese Commissie overeenkomstig artikel 2.5.3.10 een lijst van al
ze zones of agglomeraties en geeft haar informatie over
daar aanwezige concentraties en bronnen van zwaveldioxide, samen met
nodige bewijzen dat
ze overschrijdingen aan natuurlijke bronnen te wijten zijn. In
ze zones of agglomeraties is
minister X-13.209 en 13.210-20/43 alleen verplicht actieplannen op te stellen als
grenswaarden voor zwaveldioxide (SO2) vanwege antropogene emissies worden overschreden. Onderafdeling 2.5.4.2. - Stikstofdioxide en stikstofoxiden. Art. 2.5.4.2. § 1.
minister neemt
nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat
concentraties in
lucht van stikstofdioxide en, waar van toepassing, van stikstofoxiden, zoals beoordeeld overeenkomstig artikel 2.5.4.5, met ingang van
in bijlage 2.5.5.2,
el I, vermelde data
daarin bepaalde grenswaarden niet overschrijden.
in bijlage 2.5.5.2,
el I, bepaalde overschrijdingsmarges zijn van toepassing overeenkomstig artikel 2.5.3.7. § 2.
alarmdrempel voor
concentraties van stikstofdioxide in
lucht is bepaald in bijlage 2.5.5.2,
el II. Onderafdeling 2.5.4.3. - Zwevende
eltjes. Art. 2.5.4.3. § 1.
minister neemt
nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat
concentraties van PM10 in
lucht, zoals beoordeeld overeenkomstig artikel 2.5.4.5, met ingang van
in bijlage 2.5.5.3 vermelde data
daarin bepaalde grenswaarden niet overschrijden.
in bijlage 2.5.5.3 bepaalde overschrijdingsmarges zijn van toepassing overeenkomstig artikel 2.5.3.7. § 2.
Vlaamse Milieumaatschappij zorgt voor
installatie en werking van meetstations die gegevens over PM2,5-concentraties verstrekken. Het aantal stations waar PM2,5 wordt gemeten en
ligging ervan, worden zo gekozen dat die stations representatief zijn voor
PM2,5-concentraties in Vlaanderen. Als het mogelijk is, moeten
monsternemingspunten samenvallen met
stations waar PM10 wordt gemeten.
Vlaamse Milieumaatschappij
elt
Europese Commissie via
geëigende kanalen jaarlijks, uiterlijk negen maanden na afloop van elk jaar, het rekenkundig gemiddelde,
mediaan, het 98-percentiel en
maximale concentratie mee, berekend op basis van
PM2,5-metingen over 24 uur gedurende dat jaar. Het 98-percentiel wordt berekend volgens
procedure die is beschreven in bijlage I, punt 4, van beschikking 97/101/EG van
Raad van 27 januari 1997 tot invoering van een regeling voor
onderlinge uitwisseling van informatie over en gegevens van meetnetten en meetstations voor luchtverontreiniging in
lidstaten. § 3. In
krachtens artikel 2.5.3.7 opgestelde actieplannen voor PM10 en
algemene strategieën om
PM10-concentraties terug te dringen, wordt ook naar een vermindering van
PM2,5-concentraties gestreefd. § 4. Als
in bijlage 2.5.5.3 bedoelde grenswaarden voor PM10 worden overschreden doordat er concentraties van PM10 in
lucht aanwezig zijn ingevolge natuurverschijnselen waardoor er concentraties voorkomen die significante overschrijdingen van
normale achtergrondniveaus van natuurlijke oorsprong inhouden, stelt
minister
Europese Commissie via
geëigende kanalen daarvan overeenkomstig artikel 2.5.3.10 in kennis met
nodige bewijzen dat
rgelijke overschrijdingen aan natuurverschijnselen te wijten zijn. In
rgelijke gevallen is
minister alleen verplicht om overeenkomstig artikel 2.5.3.7, § 2, actieplannen uit te voeren wanneer
in
bijlage 2.5.5.3, FASE 1, bedoelde grenswaarden om andere redenen worden overschreden dan door natuurverschijnselen. § 5.
minister kan zones of agglomeraties aanwijzen waar
in
bijlage 2.5.5.3, FASE 1, bedoelde grenswaarden voor PM10 worden overschreden als gevolg van PM10-concentraties in
lucht die ontstaan als, bij het strooien van zand op wegen, in
winter opwerveling van
eltjes optreedt.
minister verstrekt
Europese Commissie een lijst van al
ze zones of agglomeraties en tevens informatie over
daar aanwezige PM10-concentraties en -bronnen. Wanneer
minister
Europese Commissie daarvan overeenkomstig artikel 2.5.3.10 in kennis stelt, levert hij
nodige bewijzen dat
ze overschrijdingen X-13.209 en 13.210-21/43 aan
rgelijke opwervelende
eltjes te wijten zijn, en dat in redelijke mate is getracht om die overschrijdingen te verlagen. In
ze zones of agglomeraties is
minister alleen verplicht actieplannen overeenkomstig artikel 2.5.3.7, § 2, uit te voeren, als
in bijlage 2.5.5.3, FASE 1, bedoelde grenswaarden worden overschreden vanwege andere PM10-niveaus dan die welke te wijten zijn aan het strooien van zand op wegen in
winter”. Artikel 2.1.2. VLAREM II bepaalt dat
vastgestelde milieukwaliteitsnormen door
overheid moeten worden gehanteerd bij zowel het plannen als het realiseren van het beleid. 4.2.1.3.4. Het middel gaat ervan uit dat het bestreden gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan er
oorzaak van is dat
grenswaarden inzake PM10, NOx en NO2 in
onmiddellijke omgeving van het station blijvend zullen worden overschreden. Dit uitgangspunt kan op het eerste gezicht niet worden bijgetreden. Een ruimtelijk uitvoeringsplan bepaalt enkel op een passieve wijze
bestemming van een welomschreven gebied. Op zich is het niet
oorzaak van
uitstoot van PM10, NOx of NO2. Luidens voormeld artikel 2.5.4.1., § 1 van VLAREM II neemt
minister -d.i. te
zen
met
uitvoering van dit besluit belaste Vlaamse minister bevoegd voor Leefmilieu (hierna:
minister)-
nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat
concentraties van zwaveldioxide in
lucht, zoals beoordeeld overeenkomstig artikel 2.5.4.5., met ingang van
in bijlage 2.5.5.1.,
el I vermelde data,
daarin bepaalde grenswaarden niet overschrijden, en zijn
in bijlage 2.5.5.1.,
el I, bepaalde overschrijdingsmarges van toepassing overeenkomstig artikel 2.5.3.7. Luidens voormeld artikel 2.5.4.2., § 1 van VLAREM II neemt
minister
nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat
concentraties in
lucht van stikstofdioxide en, waar van toepassing, van stikstofoxiden, zoals beoordeeld overeenkomstig artikel 2.5.4.5., met ingang van
in bijlage 2.5.5.2.,
el I vermelde data,
daarin bepaalde grenswaarden niet overschrijden, en zijn
in bijlage 2.5.5.2.,
el I bepaalde overschrijdingsmarges van toepassing overeenkomstig artikel 2.5.3.7. Luidens voormeld artikel 2.5.4.3., § 1 van VLAREM II neemt
minister
nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat
concentraties van PM10 in
lucht, zoals beoordeeld overeenkomstig artikel 2.5.4.5., met ingang van
in bijlage 2.5.5.3. vermelde data
daarin bepaalde grenswaarden niet overschrijden, X-13.209 en 13.210-22/43 en zijn
in bijlage 2.5.5.
nodige maatregelen worden getroffen om ervoor te zorgen dat
grenswaarden worden nageleefd.
van hetzelfde artikel bepaalt dat
maatregelen die bij een dreigende overschrijding van
grenswaarden en/of
alarmdrempels op korte termijn moeten worden genomen om het risico van overschrijding te verkleinen en
duur ervan te beperken, vermeld zijn in
respectieve actieplannen vastgesteld door dit besluit, inzonderheid in
afdelingen 2.5.6. en 4.4.5., en dat al naar gelang van het geval voormelde actieplannen controlemaatregelen behelzen en, zo nodig, schorsing van
activiteiten die bijdragen tot overschrijding van
grenswaarden, met inbegrip van het gemotoriseerde verkeer. Luidens artikel 2.5.3.7., § 1 van VLAREM II stelt
Vlaamse Milieumaatschappij op basis van
resultaten van haar meetnet van
verontreiniging van
omgevingslucht
lijst op 1/ van zones en agglomeraties waar
niveaus van één of meer verontreinigende stoffen
grenswaarde, verhoogd met
overschrijdingsmarge, overschrijden, en 2/ van
zones en agglomeraties waar
niveaus van één of meer verontreinigende stoffen tussen
grenswaarde en met
overschrijdingsmarge verhoogde grenswaarde liggen. Wanneer voor een bepaalde verontreinigende stof geen overschrijdingsmarge is vastgesteld, worden
zones en agglomeraties waar het niveau van
ze verontreinigende stof
grenswaarde overschrijdt, gelijkgesteld met
sub 1/ bedoelde zones en agglomeraties en zijn
tot en met 4 van dit artikel hierop van toepassing.
en 3 van hetzelfde artikel bepalen dat in
bedoelde zones en agglomeraties
minister maatregelen treft om ervoor te zorgen dat er een plan of programma wordt opgesteld en uitgevoerd dat ertoe leidt dat binnen
daarvoor gestelde termijn aan
grenswaarde wordt voldaan, en in geval het niveau van meer dan één verontreinigende stof hoger ligt dan
grenswaarden,
minister zorgt voor een geïntegreerd plan voor alle betrokken verontreinigende stoffen.
bepaalt dat wanneer het niveau van een verontreinigende stof ten gevolge van een significante verontreiniging vanuit een andere Lid-Staat of Gewest boven
met
overschrijdingsmarge verhoogde grenswaarde of, in voorkomend geval,
alarmdrempel ligt of dreigt te komen,
minister met
betrokken Lid-Staat of het betrokken Gewest overleg pleegt om een oplossing te vinden, en dat
Europese Commissie via
geëigende kanalen hiervan op
hoogte wordt gesteld en dit overleg kan bijwonen. X-13.209 en 13.210-23/43 In uitvoering van voormelde bepalingen werd het “Saneringsplan fijn stof voor
zones met overschrijding in 2003 en aanpak fijn stofproblematiek in Vlaanderen - Plan in uitvoering van
richtlijnen 96/62/EG en 1999/30/EG” van 23
cember 2005 opgesteld door
cel Lucht van het
partement Leefmilieu en Infrastructuur van het Ministerie van
Vlaamse Gemeenschap. Onder punt “7. Maatregelen” wordt ter inleiding gesteld wat volgt: “Uit voorgaande hoofdstukken blijken er in Vlaanderen overschrijdingen vastgesteld te worden van
vanaf 1 januari 2005 geldende PM10 grenswaarde; in 2003 zelfs op alle meetpunten voor
daggemiddelde grenswaarde. In 2005 doen zich eveneens nog overschrijdingen van
luchtkwaliteitsnormen voor. Modellering in Vlaanderen geeft aan dat in 2010
problemen vermoedelijk niet opgelost zullen zijn. Overschrijdingen worden niet enkel in verkeersdrukke zones, maar ook in industrie-, woon- en zelfs landelijkere regio’s waargenomen en verwacht. Internationale modellering toont aan dat Vlaanderen voor wat
antropogene emissies betreft tot
‘hot spot’-gebieden van Europa behoort, ook in
toekomst
ze hoge fijn stof concentraties en overschrijdingen in Vlaanderen zijn te wijten aan eigen, lokale emissies, maar evenzeer doordat
luchtkwaliteit in Vlaanderen in hoge mate bepaald wordt door emissies van buitenaf.
buitenlandse bijdrage door menselijk handelen bedraagt, zoals aangegeven in 6.2, 70 - 80% aan
fijn stofconcentraties. Maatregelen die alleen in Vlaanderen worden getroffen, zijn over het algemeen niet voldoende om
luchtvervuiling gemiddeld over Vlaanderen terug te dringen. Een gecoördineerde Europese aanpak is onontbeerlijk;
problemen voor fijn stof zijn grootschalig en vrijwel onoplosbaar voor Vlaanderen alleen”. Vervolgens worden in het plan
maatregelen opgesomd die reeds genomen zijn, gepland zijn of worden en/of extra wenselijk zijn.
ze maatregelen worden onderverdeeld in 3 categorieën, met name “7.1. Generieke maatregelen”, zijnde generieke maatregelen die over het ganse Vlaamse grondgebied genomen kunnen worden ter algemene reductie van
hoge stofconcentraties, “7.
regelgeving vervat in VLAREM II is het
Vlaamse minister bevoegd voor Leefmilieu die
nodige maatregelen moet nemen om ervoor te zorgen dat
in
richtlijnen bepaalde, en in VLAREM II overgenomen, grenswaarden en/of overschrijdingsmarges niet worden overschreden, en dit middels saneringsmaatregelen op internationaal, Vlaams of lokaal niveau. Uit
bepaling van artikel 2.1.2. VLAREM II dat
vastgestelde milieukwaliteitsnormen door
overheid moeten worden gehanteerd bij zowel het X-13.209 en 13.210-24/43 plannen als het realiseren van het “beleid” kan op het eerste gezicht niet worden afgeleid dat het vaststellen van een ruimtelijk uitvoeringsplan niet mogelijk is indien zou blijken dat bij
realisatie van
in dit plan voorziene bestemmingen op zichzelf genomen
overschrijding van één of meer grenswaarden mogelijk is. Het “beleid” in
zin van voormelde bepaling dient op het eerste gezicht immers zo te worden opgevat dat alle maatregelen die bij het plannen en het realiseren van het beleid worden getroffen als één geheel dienen te worden beschouwd, inbegrepen ook
maatregelen die
minister verplicht is te nemen in toepassing van
voormelde artikelen 2.5.4.1., § 1, 2.5.4.2., § 1 en 2.5.4.3., § 1 van VLAREM II. 4.2.1.3.6. Artikel 4 van het
creet van 18 mei 1999 houdende
organisatie van
ruimtelijke ordening (hierna : DRO), dat
el uitmaakt van “Hoofdstuk I. Doelstellingen en begrippen” van “Titel I. Inleidende bepalingen”, luidt als volgt: “
ruimtelijke ordening is gericht op een duurzame ruimtelijke ontwikkeling waarbij
ruimte beheerd wordt ten behoeve van
huidige generatie, zonder dat
behoeften van
toekomstige generaties in het gedrang gebracht worden. Daarbij worden
ruimtelijke behoeften van
verschillende maatschappelijke activiteiten gelijktijdig tegen elkaar afgewogen. Er wordt rekening gehouden met
ruimtelijke draagkracht,
gevolgen voor het leefmilieu en
culturele, economische, esthetische en sociale gevolgen. Op
ze manier wordt gestreefd naar ruimtelijke kwaliteit”. Artikel 4 DRO bevat op het eerste gezicht enkel een intentieverklaring met betrekking tot
“doelstellingen” van
ruimtelijke ordening. Uit
ze bepaling lijkt aldus niet te kunnen worden afgeleid dat “milieukwaliteitsnormen ook bindend zijn bij
vaststelling van ruimtelijke uitvoeringsplannen”. 4.2.1.3.7. Artikel 1.2.1., § 3 van het
creet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid (hierna : DABM), dat
el uitmaakt van “Hoofdstuk II. Doelstellingen en beginselen” van “Titel I. Algemene bepalingen”, luidt als volgt: “§ 3.
in § 1 en § 2 bepaalde doelstellingen en beginselen moeten in het bepalen en uitvoeren van het beleid van het Vlaamse Gewest op andere gebieden worden geïntegreerd. Bij
uitvoering van het beleid wordt rekening gehouden met
sociaal-economische aspecten,
internationale dimensie en
beschikbare wetenschappelijke en technische gegevens”. X-13.209 en 13.210-25/43 Ook
ze bepaling, die eveneens een algemene doelstelling verwoordt, lijkt geen wettelijke verplichting in te houden voor
overheid om een ruimtelijk uitvoeringsplan niet vast te stellen en/of goed te keuren indien zou blijken dat
realisatie van
in dit plan voorziene bestemmingen op zich een overschrijding van
in VLAREM II vastgestelde grenswaarden en/of overschrijdingsmarges tot gevolg zou kunnen hebben. 4.2.1.3.8. Er bestaat
rhalve op het eerste gezicht op grond van VLAREM II voor
betrokken overheid geen wettelijke verplichting om in een
rgelijk geval een ruimtelijk uitvoeringsplan niet vast te stellen en/of goed te keuren, of
afgifte van een stedenbouwkundige vergunning te weigeren. Zodanige verplichting lijkt ook niet vervat in
Europese regelgeving. 4.2.1.3.
verzoekende partijen aan dat “
bestreden beslissingen zijn vastgesteld op basis van een wettelijk ontoereikend milieueffectenrapport”. Zij zetten dit middel uiteen als volgt: “D.2.
milieueffecten die gepaard gaan met
uitvoering van het nulalternatief: ‘een beschrijving van
bestaande toestand van het milieu (met inbegrip van
milieukenmerken van gebieden waarvoor
gevolgen aanzienlijk kunnen zijn en van alle bestaande milieuproblemen), voorzover
tenuitvoerlegging van het voorgenomen plan of programma of van één van
onderzochte alternatieven daarvoor gevolgen kan hebben, en een beschrijving van
te verwachten ontwikkeling van dat milieu indien noch het voorgenomen plan, noch één van
alternatieven wordt uitgevoerd’ (...). D.2.1.
doelstelling van milieueffectenrapportage, bij
besluitvorming over acties die aanzienlijke milieueffecten kunnen veroorzaken, gelegen is in het toekennen van een evenwaardige plaats aan het milieubelang, naast
sociale, economische en andere maatschappelijke belangen. Om
ze doelstelling te realiseren bepaalt X-13.209 en 13.210-26/43 artikel 4.1.4, §2, 1/ DABM dat
milieueffectenrapportage als essentieel kenmerk heeft: ‘
systematische en wetenschappelijk verantwoorde analyse en evaluatie van
te verwachten, of in het geval van zware ongevallen, mogelijke gevolgen voor mens en milieu, van een voorgenomen actie en van
redelijkerwijze in beschouwing te nemen alternatieven voor
actie of onderdelen ervan, en
beschrijving en evaluatie van
mogelijke maatregelen om
gevolgen van
voorgenomen acties op een samenhangende wijze te vermijden, te beperken, te verhelpen ofte compenseren’ (...). In artikel 4.2.7, §l, l/, c) en d) DABM staat dat een plan-MER onder meer bestaat uit een ‘schets van
beschikbare alternatieven voor het voorgenomen plan of programma of onderdelen ervan; onder meer inzake doelstellingen, locaties en wijze van uitvoering of inzake bescherming van het milieu’ en ‘een vergelijking tussen het voorgenomen plan of programma en
beschikbare alternatieven die redelijkerwijze onderzocht kunnen worden, alsmede
motivatie voor
selectie van
te onderzoeken alternatieven’ (...). Verder in artikel 4.2.7, §l, 2/, b) DABM staat dat het plan-MER een beschrijving en een onderbouwde beoordeling dient te bevatten van
mogelijke aanzienlijke milieueffecten van het voorgenomen plan en programma én van
onderzochte alternatieven. Luidens artikel 4.2.7, §l, 2/, e) DABM moet tevens een globale evaluatie van het voorgenomen plan of programma én
onderzochte alternatieven zijn opgenomen. Uit bovenvermelde artikelen blijkt aldus dat het zoeken naar redelijke alternatieven waaraan mogelijks minder milieueffecten verbonden zijn,
kern vormt van
plan-MER. Welke alternatieven precies onderzocht moeten worden in een plan-MER maakt het voorwerp uit van
richtlijnen waarover
Cel MER beslist op grond van artikel 4.2.5, §l, 2/ DABM. D.2.1.3. Schending van bovenstaande wettelijke bepalingen 31.
verwerende partij heeft het bestreden GRUP Gent Sint-Pieters
finitief vastgesteld op basis van een wettelijk ontoereikend milieueffectenrapport (...): (i) het MER omvat geen volwaardig onderzoek van het nulaltematief voor
elprojecten 1 ‘Omvorming station Gent Sint-Pieters’, 2 ‘Verbetering multimodaal knooppunt voor openbaar vervoer’ en
onderdelen van
elproject 3 die een projectontwikkeling beogen, wordt het nul-alternatief dus niet onderzocht (...). (ii)
tijdens
scoping voorgestelde en voor
buurt als meest milieuvriendelijk gekwalificeerde alternatieven werden zonder onderbouwde verantwoording verworpen (...). Hierna worden
ze twee punten verder geanalyseerd. D.2.1.3.
‘Richtlijnen milieueffectenrapportage: Station Gent St.-Pieters en omgeving’ door
Cel MER aangenomen op 22 juni 2004, wordt uitdrukkelijk aangegeven dat
bestaande toestand van het gebied als referentietoestand moet worden beschreven (...). 33. Zoals reeds aangehaald werd evenwel besloten het nulalternatief niet te onderzoeken voor drie
elprojecten.
reden die in het MER hiervoor wordt gegeven zonder enige grondige uitleg is dat voor
ze
elprojecten ‘het nultarief ingaat tegen
beleidsvisie en dus niet beantwoordt aan
beleidsdoelstellingen’ (...). X-13.209 en 13.210-27/43 Met
ze stelling kan geenszins rekening gehouden worden daar
ze niet kan dienen als verantwoording voor het niet grondig uitwerken van het nulalternatief. Dit maakt immers een schending uit van artikel 4.1.4 DABM, die stelt dat
doelstelling van
milieueffectenrapportage specifiek gelegen is in het toekennen van een evenwaardige plaats aan het milieubelang, naast
sociale, economische en andere maatschappelijke belangen, bij
besluitvorming over acties die aanzienlijke milieueffecten kunnen veroorzaken.
rechtsgeldigheid van het volledige MER wordt hierdoor aangetast, evenals alle navolgende overheidsbeslissingen waarvoor dit MER
onderbouwing moet leveren, inclusief het GRUP zelf. D.2.1.3.
als meest milieuvriendelijk gekwalificeerde alternatieven grondig te onderzoeken en te vergelijken met het voorgenomen plan.
richtlijnen van
Cel MER bepalen dienaangaande dat redelijke alternatieven, bestaande uit een kleinschaliger projectontwikkeling langs
Koningin Fabiolalaan, zonder R4-link en zonder ondergrondse pendelparking, maar met alternatieve P+R aan Flanders Expo, op volwaardige wijze en met
nodige diepgang moeten worden onderzocht (...). 35.
ze alternatieven werden echter niet op systematische en wetenschappelijk verantwoorde manier onderzocht. Evenmin werd een gedegen en objectieve vergelijking gemaakt met het voorgenomen plan. 36. In het MER worden
volgende nadelen m.b.t. het alternatief dat eruit bestaat dat geen pendelparking en/of verbindingsweg zou aangelegd worden (...).
ze nadelen zijn echter op feitelijk en juridisch vlak op niets (...) gestoeld: (i) Keuzereizigers worden niet aangetrokken
vooronderstelling dat het aantrekken van keuzereizigers gepaard moet gaan met
aanwezigheid van een ondergrondse parking voor ca 3.000 wagens aan het station Gent Sint-Pieters, is niet wetenschappelijk gestaafd aan
hand van onder meer cijfermateriaal. Ook het MER-verslag stelt: ‘Er wordt gesproken over
‘belangrijke groep keuzereizigers’ waarop echter geen getal kan geplakt worden. Dit geldt ook voor
‘restfractie’ die
wagen (moeten) (inderdaad tussen haakjes) gebruiken als voortransport naar het station’ (...). Het MER gaat er gemakshalve van uit, zonder enige wetenschappelijke verantwoording, dat van
2.000 pendelparkeerders er 1.000 zullen blijven proberen hun wagen te parkeren ergens in
buurt van het station, en dat 1.000 reizigers zullen afhaken en
wagen zullen nemen om naar het werk te rijden. Dit laatste zou het equivalent meebrengen van drie km file op een snelweg met drie rijstroken. Als
ze redenering wordt doorgetrokken, stelt zich
vraag welke file niet wordt veroorzaakt indien diezelfde 1.000 reizigers op het spitsuur
parking willen inrijden via slechts een rijbaan? Er is geen rekening gehouden met
reeds bestaande saturatie van
autosnelweg naar Brussel,
toename van
variabele kosten van het autogebruik en andere mobiliteitsmaatregelen (waaronder het Pegasusplan van
Lijn) die ervoor zullen zorgen dat steeds meer reizigers voor het openbaar vervoer kiezen. Onterecht stelt het MER tot slot dat zonder pendelparking
parkeerdruk in
stationsomgeving zal stijgen. Daarbij is echter geen rekening gehouden met het invoeren van het betalend X-13.209 en 13.210-28/43 parkeren in
stationsomgeving, waardoor reizigers eerder opteren om op te stappen in
kleinere stations in
omgeving van Gent. (ii) Geen parking ondermijnt
aantrekkingskracht van het project voor investeerders Dit argument past niet binnen een milieueffectenbeoordeling. Bovendien houdt het geen steek.
vlotte bereikbaarheid van het station voor
restf(r)actie van reizigers die sowieso steeds met
wagen komt, zou volgens het MER een belangrijk aantrekkingspunt zijn voor investeerders. Indien men
parkeerbehoefte zou voorzien op
site Flanders Expo, dan houdt dit volgens het MER een behoorlijk langer, en dus minder aantrekkelijk, reistraject in.
site Flanders Expo is nochtans zeer vlot te bereiken gezien zij onmiddellijk aansluiting heeft met
R4 en
E40. Er is een rechtstreekse en zeer vlotte verbinding (traject van maximum 10 min.; tram in aparte bedding) tussen Flanders Expo en het station.
tram stopt aan
ingang van het station. Men kan dus bij dit alternatief bezwaarlijk spreken van een veel langere reisweg hetgeen investeerders zou afschrikken, laat staan dat dit een afdoende argument kan vormen om een parking van ca 3.000 plaatsen te bouwen aan het station zelf en een verbindingsweg aan te leggen in natuurgebied. (iii) Een park and ride parking ter hoogte van Flanders Expo is geen alternatief
stelling dat
ze P+R geen valabel alternatief is wordt niet hard gemaakt.
stad Gent promoot
ze P+R zelf voor
verplaatsingen van reizigers naar het stadscentrum. Zij kunnen hun wagen daar parkeren en met
tram naar het winkelcentrum rijden. Diezelfde tram heeft als een van
eerste haltes het Sint-Pietersstation. Waarom kan
ze reeds bestaande P+R dan niet worden gebruikt voor
pendelaars? In het MER staat dat er om
7 minuten een tram is van Flanders Expo naar het station en dat
gemiddelde overstaptijd ca 10 minuten bedraagt (3 minuten voor het parkeren, 3,5 minuten wachttijd op bus of tram en 4 minuten overstaptijd in het station zelf). Bovendien zou
reiziger dit psychologisch ervaren als een tijdverbruik van 20 minuten. Het alternatief van
P+R dient te worden vergeleken met het alternatief van
pendelparking. Volgende aspecten zijn daarbij van belang: (i) tijdens het spitsuur komt ook om
5 minuten een tram aan Flanders Expo en (ii) in het scenario met
stationsparking verliest
reiziger tevens enkele minuten tijd met het parkeren van zijn wagen in
ondergrondse parking en met het zich begeven naar het perron. Het MER toont aldus absoluut niet aan dat
P+R zeer sterk in het nadeel zou zijn ten opzichte van
ondergrondse parking.
voordelen van het alternatief van
P+R aan Flanders Expo worden niet onderzocht. In het MER worden een aantal subjectieve ongemakken opgesomd die
reizigers zouden ondervinden wanneer zij met
tram van Flanders Expo naar het station moeten gaan.
ze verbleken evenwel bij
milieu- en gezondheidseffecten die het alternatief van het aanleggen van een megaparking en een tweevaksverbindingweg met zich meebrengen (onder meer aantasting natuurgebied Overmeersen; problematiek fijn stof, waarover verder meer). (iv) Een verder uitgebouwd voorstadstreinnet is vooralsnog evenmin een alternatief
NMBS weigert om te investeren in
uitbouw van een voorstadstreinnet. Dit kan moeilijk worden beschouwd als een sterk onderbouwd milieuargument. (v) Geen verbindingsweg legt hoge verkeersdruk op omliggende wegen Met het alternatief van
P+R aan Flanders Expo en
uitbouw van een voorstadstreinnet zou het probleem van verkeersoverlast in
X-13.209 en 13.210-29/43 stationsomgeving zich niet stellen.
aanleg van
verbindingsweg met
R4 aan het station is dus niet
enige mogelijkheid. In het MER wordt geen afweging gemaakt met andere milieuvriendelijkere alternatieven. (vi) Geen verbindingsweg leidt niet tot verschuiving verkeer van R40 (kleine ring) naar R4 (grote ring) Dit argument toont aan dat
R4-verbindingsweg wordt aanzien als een extra ontsluitingsweg voor het centrum die veel verkeer aantrekt en waarvan
link met
R40 niet gemakkelijk is te maken. Het behoud van
bestaande noordzuid verkeersassen (inclusief verbetering afrit Snepkaai) komt evengoed tegemoet aan
ze doelstelling met minder milieuschade. (vii) Geen verbindingsweg betekent geen suboptimale ontsluiting van
campus BME/CTL Dit argument kan geenszins van doorslaggevende waarde zijn om
verbindingsweg aan te leggen, zeker niet gelet op
ernstige milieueffecten die
aanleg van
ze weg zal meebrengen (aantasting natuurgebied Overmeersen; problematiek fijn stof - zie hierboven). Zoals het MER zelf stelt zou
verbindingsweg er voor zorgen dat er een suboptimale ontsluiting komt voor
schoolcampus. Er bestaat echter reeds een optimale rechtstreekse ontsluiting. (viii) Geen verbindingsweg leidt tot langdurige belasting Sint-
nijslaan door werfverkeer
ze overbelasting tot 2015 weegt niet op tegen
overbelasting die
verbindingsweg zelf zal meebrengen en dit niet tijdelijk, maar permanent (onder meer voor het natuurgebied Overmeersen en
gezondheidseffecten bij overschrijding van
fijn stofnormen). Daarenboven zonder
aanleg van
verbindingsweg en
aanleg van
ondergrondse megaparking zou er al veel minder werfverkeer zijn. (ix) Geen verbindingsweg betekent geen fietsverbinding naar Flanders Expo
realisatie van een fietsverbinding is niet gekoppeld aan het aanleggen van
verbindingsweg. Het leggen van een fietsbrug over
ringvaart en een fietsverbinding langs
rand van
Overmeersen of via
Scholencampus zijn alternatieven die losstaan van
aanleg van
weg. 37. Niet alleen dient vastgesteld te worden dat
nadelen die in het MER aan
alternatieven werden gekoppeld niet correct zijn, daarenboven werden
verschillende milieuvoordelen van bepaalde aspecten van
alternatieven niet of slechts minimaal onderzocht en dus ook niet vergeleken met
effecten van die aspecten van het voorgenomen plan. Zo werden
voordelen van
alternatieven als daar zijn
vrijwaring van het gebied Overmeersen, vermijden van geluidsoverlast in grote
len van het plangebied (Sint-
nijslaan, Roosakker...), sterke vermindering van
fijnstofrisico’s...niet of slechts minimaal onderzocht. Minstens werden ze niet geplaatst met het oog op een vergelijking tegenover
grote nadelen die het voorgenomen plan heeft op
ze aspecten. Verder werd in het MER enkel een scenario onderzocht zonder parking en weg, maar ook zonder voorstedelijk openbaar vervoer als alternatieve verkeersontsluiting. Door het ontbreken van een wetenschappelijke inschatting van
mogelijke verkeerscapaciteit van een voorstedelijk openbaar vervoersnetwerk of van een park and ride vanaf Flanders Expo - met behulp van een mobiliteitsmodel, zoals bij het basisscenario - kan het alternatief niet volwaardig vergeleken worden met het basisscenario. 38. Tot slot en ter bekrachtiging van het hierboven gestelde, kan verwezen worden naar het advies van GECORO dat stelt dat het voorzien van
verbindingsweg met
R4 en een ondergrondse stationsparking als negatief X-13.209 en 13.210-30/43 moet worden beoordeeld gezien
impact op het milieu,
mobiliteit en
leefbaarheid van
stationsomgeving (...): ‘
GECORO meent dat een nieuwe toegangsweg naar het Sint-Pietersstation niet strookt met het principe van
A-locatie die maximaal gericht moet zijn op
bereikbaarheid via het openbaar vervoer. Het in het RSG aan te geven aantal te voorziene parkeerplaatsen moet dan ook
kantoor- en woonfunctie bedienen en niet gebruikt worden als pendelparking. Een nieuwe toegangsweg in functie van een pendelparking impliceert een aanzuigend effect voor het verkeer en een algemene verhoging van het verkeer naar
stad. Bovendien laten
gevoeligheid van
plek en
ecologische waarden (Schoonmeersen- Sint-Pieters-Aaigem) niet toe om een nieuw wegtracé te voorzien. Het moet duidelijk zijn dat
aanpassing van het RSG rekening moet houden met
timing van het op te maken gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan. Om te vermijden dat het RSG voor voldongen feiten zou staan, moet nu reeds het standpunt over
ze toegangsweg meegedeeld worden aan
hogere overheid. ( ... ) Gezien
keuze van
GECORO om
verbindingsweg niet te realiseren en
suggestie om
parking op Flanders Expo als P&R-parking te laten fungeren, zal het autoverkeer niet door het hart van
wijk worden gehaald. Integendeel, door
aanleg van het nieuwe openbaar vervoersknooppunt aan Flanders Expo, met een vlotte tramverbinding naar het Sint-Pietersstation, wordt verkeer weggehaald uit andere (woon)straten. Ook
Voskenslaan kan dan gaan fungeren als een langzaamaan verkeersas’. D.2.1.4. Besluit 39.
bestreden beslissing schendt
wettelijke bepalingen omdat het: • mede steunt op een MER waarin geen volwaardig onderzoek van het nulalternatief heeft plaatsgevonden (Schending van artikel 4.2.7, §l, l/, f DABM); • mede steunt op een MER waarin
tijdens
scopingsfase voorgestelde alternatieven werden beoordeeld op gronden die niet wetenschappelijk verantwoord kunnen worden en die ervan getuigen dat aan het milieubelang geen evenwaardige plaats is toegekend (Schending van artikel 4.1.4 DABM, artikel 4.2.7, §l, l/, c) en d) DABM en artikel 4.2.7, §l, 2/, b) en e) DABM);
verwerende partij kon dan ook, op basis van het wettelijk ontoereikend MER, niet tot
finitieve vaststelling van het GRUP Gent Sint-Pieters overgaan. Aangezien tegen
goedkeuring van het MER geen afzonderlijk rechtsmiddel openstaat, kan
rechtsgeldigheid van het MER door
administratieve rechter slechts getoetst worden tezamen met het plan ten behoeve waarvan het is opgesteld”. 4.2.2.2. Ontvankelijkheid van het middel
rde en
vierde tussenkomende partij werpen op dat
verzoekende partijen geen belang hebben bij het eerste onderdeel van het middel.
vijfde tussenkomende partij werpt op dat
verzoekende partijen hun belang bij het middel niet aantonen. X-13.209 en 13.210-31/43 Vooralsnog bestaat er geen noodzaak om over
ze excepties uitspraak te doen. Een onderzoek van en een uitspraak over
ze excepties zou zich slechts opdringen indien zou komen vast te staan dat het middel ernstig wordt bevonden, hetgeen, zoals hierna zal blijken, niet het geval is. 4.2.2.3. Onderzoek van
ernst van het middel 4.2.2.3.1. In een tweede middel voeren
verzoekende partijen aan dat
bestreden beslissingen zijn vastgesteld op basis van een wettelijk ontoereikend milieueffectenrapport, doordat enerzijds het MER geen volwaardig onderzoek van het nulalternatief omvat voor
elprojecten 1 “omvorming station Gent Sint- Pieters”, en 2 “verbetering multimodaal knooppunt voor openbaar vervoer” en voor onderdelen van
elproject 3 die een projectontwikkeling beogen, en anderzijds
tijdens
scoping voorgestelde en voor
buurt als meest milieuvriendelijk gekwalificeerde alternatieven zonder onderbouwde verantwoording worden verworpen. 4.2.2.3.2. Artikel 4.1.4, § 1 DABM bepaalt: “§ 1.
milieueffect- en veiligheidsrapportage beoogt, in
besluitvorming over acties die aanzienlijke milieueffecten kunnen veroorzaken en/of die een zwaar ongeval teweeg kunnen brengen, aan het milieubelang en
veiligheid en
gezondheid van
mens een plaats toe te kennen die evenwaardig is aan
sociale, economische en andere maatschappelijke belangen”. Artikel 4.2.7., § 1, 1/, c),
beslissing, bedoeld in artikel 4.2.5, § 1, bestaat het plan-MER ten minste uit
volgende onderdelen : 1/ een algemeen
el dat
volgende informatie bevat : (...) c) een schets van
beschikbare alternatieven voor het voorgenomen plan of programma of onderdelen ervan; onder meer inzake doelstellingen, locaties en wijze van uitvoering of inzake
bescherming van het milieu; d) een vergelijking tussen het voorgenomen plan of programma en
beschikbare alternatieven die redelijkerwijze onderzocht kunnen worden, alsmede
motivatie voor
selectie van
te onderzoeken alternatieven; (...) f) een beschrijving van
bestaande toestand van het milieu (met inbegrip van
milieukenmerken van gebieden waarvoor
gevolgen aanzienlijk kunnen zijn en van alle bestaande milieuproblemen), voorzover
tenuitvoerlegging van het voorgenomen plan of programma of van één van
onderzochte alternatieven daarvoor gevolgen kan hebben, en een X-13.209 en 13.210-32/43 beschrijving van
te verwachten ontwikkeling van dat milieu indien noch het voorgenomen plan of programma, noch één van
alternatieven wordt uitgevoerd; 2/ een
el betreffende
milieueffecten dat
volgende informatie bevat: (...) b) een beschrijving en onderbouwde beoordeling van
mogelijk aanzienlijke milieueffecten van het voorgenomen plan of programma en van
onderzochte alternatieven op of inzake, in voorkomend geval,
gezondheid en veiligheid van
mens,
ruimtelijke ontwikkeling,
biodiversiteit,
fauna en flora,
energie- en grondstoffenvoorraden,
bodem, het water,
atmosfeer,
klimatologische factoren, het geluid, het licht,
stoffelijke goederen, het cultureel erfgoed met inbegrip van het architectonisch en archeologisch erfgoed, het landschap,
mobiliteit, en
samenhang tussen
genoemde factoren;
ze beschrijving van
milieueffecten omvat
directe, en in voorkomend geval
indirecte, secundaire, cumulatieve en synergetische effecten, permanent en tijdelijk, positief en negatief, op korte, middellange en lange termijn van het voorgenomen plan of programma;
beoordeling van
aanzienlijke milieueffecten gebeurt onder meer in het licht van
overeenkomstig Hoofdstuk II van Titel II van dit
creet vastgestelde milieukwaliteitsnormen; (...) e) een globale evaluatie van het voorgenomen plan en programma en
onderzochte alternatieven; (...) § 2. Het plan-MER moet
in § 1 genoemde informatie slechts bevatten : 1/ voorzover ze relevant is voor het stadium van het planningsproces waarin
milieueffectrapportage wordt uitgevoerd en voorzover ze relevant is in het licht van
inhoud en het
tailleringsniveau van het voorgenomen plan of programma; 2/ voorzover
bestaande kennis en
bestaande effectanalyse- en beoordelingsmethodes redelijkerwijze toelaten om
ze informatie te verzamelen en te verwerken; 3/ voorzover
uitvoerigheid van het voorgenomen plan of programma dit redelijkerwijze toelaat”. Een plan-MER dient
rhalve in beginsel ten minste
informatie te verschaffen over alle rubieken die in artikel 4.2.7., § 1 DABM worden vermeld, binnen
grenzen van het in
4.2.2.3.3.
cel MER dient krachtens artikel 4.2.5, § 1,
rde lid DABM bij haar beslissing over
inhoud van het plan-MER en
inhoudelijke aanpak van
rapportage, en over
bijzondere richtlijnen voor het opstellen van het plan- MER, rekening te houden met
opmerkingen en commentaren die door
betrokken instanties en het publiek zijn ingediend met betrekking tot
inhoudsafbakening van het rapport, en in het bijzonder met
opmerkingen en commentaren die handelen over te onderzoeken effecten, alternatieven of maatregelen. X-13.209 en 13.210-33/43 Wat het opstellen van het plan-MER betreft, bepaalt artikel 4.2.6. DABM wat volgt: “§ 1. Het plan-MER wordt opgesteld onder
verantwoordelijkheid en op kosten van
initiatiefnemer.
initiatiefnemer moet hiervoor een beroep doen op een erkende MER-coördinator. Hij stelt aan
MER-coördinator alle relevante informatie ter beschikking die voorhanden is. Hij verleent alle medewerking opdat
MER-coördinator zijn taak naar behoren kan vervullen. § 2.
erkende MER-coördinator mag geen belang hebben bij het voorgenomen plan of programma of
alternatieven, noch betrokken worden bij
latere uitvoering van het plan of programma. Hij voert zijn opdracht volledig onafhankelijk uit en geeft in voorkomend geval leiding aan een team van medewerkers dat geheel of gedeeltelijk door
initiatiefnemer ter beschikking wordt gesteld.
erkende MER-coördinator waakt erover dat
samenstelling van het team van medewerkers het mogelijk maakt om het plan-MER op te stellen in overeenstemming met het m.e.r.-richtlijnenboek en met
in artikel 4.2.5, § 1, bedoelde inhoudsafbakening en bijzondere richtlijnen. § 3. Tijdens het opstellen van het plan-MER is
erkende MER-coördinator gehouden tot overleg met
administratie.
MER-coördinator moet in voorkomend geval
aanvullende bijzondere schriftelijke richtlijnen van
administratie, als aanvulling op
afgebakende inhoud en
bijzondere richtlijnen, bedoeld in artikel 4.2.5, § 1, in acht nemen”. Artikel 4.2.8. §§ 1 en 2 DABM, bepaalt wat betreft het onderzoek en het gebruik van het plan-MER, wat volgt: “§ 1.
initiatiefnemer bezorgt het voltooide plan-MER door betekening of tegen ontvangstbewijs aan
administratie. § 2.
administratie toetst het plan-MER inhoudelijk aan : 1/
beslissing, bedoeld in artikel 4.2.5, § 1; 2/ in voorkomend geval,
overeenkomstig artikel 4.2.6, § 3, door haar verstrekte aanvullende bijzondere richtlijnen; 3/
overeenkomstig artikel 4.2.7 vereiste gegevens. Het resultaat van
toetsing wordt opgenomen in het plan-MER-verslag en leidt tot
goed- of afkeuring van het plan-MER. Als
administratie het plan-MER afkeurt, vermeldt het verslag alle punten waarop het plan-MER tekortschiet.
administratie keurt het plan-MER onverwijld en uiterlijk binnen een termijn van vijftig dagen na ontvangst ervan, goed of af”. 4.2.2.3.4. Uit het dossier blijkt dat, na aanpassing van een eerste ontwerp, het plan-MER door
cel MER is goedgekeurd bij beslissing van 27 oktober 2005: “Aan
hand van
criteria die vooropgesteld werden in
betekende richtlijnen van 22 juni 2004 werd dit goedkeuringsverslag opgesteld. Het milieueffectrapport heeft
nodige invulling gegeven aan
richtlijnen die overeenkomstig artikel 4.3.5 § 1 van het
creet betreffende
milieueffect- en veiligheidsrapportage van 18
cember 2002 (...) werden vastgesteld. X-13.209 en 13.210-34/43 Het MER bevat voldoende informatie om het aspect milieu een volwaardige plaats te geven bij
vaststelling van het uitvoeringsplan en
verdere besluitvorming”. 4.2.2.3.5. In het middel betwisten
verzoekende partijen
intrinsieke
gelijkheid van het MER zoals dit door
cel MER is goedgekeurd.
Raad van State, bevoegd voor
toetsing van
wettigheid van een ruimtelijk uitvoeringsplan, kan zijn beoordeling op het punt van
intrinsieke
gelijkheid van een MER niet in
plaats stellen van die van
cel MER. Hij kan enkel nagaan of
cel MER wettig tot haar beslissing is gekomen, m.a.w. op grond van juiste feitelijke gegevens in redelijkheid heeft kunnen beslissen, in casu dat “het MER voldoende informatie bevat om het aspect milieu een volwaardige plaats te geven bij
vaststelling van het uitvoeringsplan en
verdere besluitvorming”. 4.2.2.3.6. Wat het eerste onderdeel van het middel betreft wordt in
“Bijlage III Toelichtingsnota” bij het GRUP onder punt “5.2. mer (milieu-effect- rapportage)” onder meer het volgende gesteld: “In
MER wordt aangegeven, zoals ook hierboven beschreven, dat het onderzochte project een concrete invulling betreft van
ruimtelijke opties zoals vastgelegd in het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen, het Provinciaal Ruimtelijk Structuurplan Oost-Vlaanderen, het gemeentelijk Ruimtelijk Structuurplan Gent en het Mobiliteitsplan Gent.
ze beleidsplannen schetsen een expliciet kader voor
beoogde ontwikkeling van
omgeving van het Gentse Sint-Pietersstation, met inbegrip van
verbindingsweg naar
R4.
beleidskeuzes zoals geformuleerd in
ze beleidsplannen zijn in aanzienlijke mate gebaseerd op milieu-overwegingen.
uitbouw van Gent Sint-Pieters als openbaar vervoersknooppunt ondersteunt
ontwikkeling van een duurzame mobiliteit en heeft een betekenis voor zowel verplaatsingen naar Gent als vanuit of via Gent. Daarnaast worden in
aangehaalde beleidsplannen
potenties van
stationsomgeving, als
uitgelezen locatie voor verdichting, onderkend: op geen enkele andere locatie zijn
mogelijkheden ter vermindering van het wegverkeer zo groot als op locaties gesitueerd aan multimodaal bereikbare knooppunten. alternatieven In
MER worden alternatieven voor het voorgenomen plan of onderdelen ervan onderzocht en ten opzichte van elkaar afgewogen. Een bijzonder alternatief is het nulalternatief. Wat
invulling van het openbaar vervoersknooppunt betreft en
stedelijk(e) ontwikkelingspool met woon- en kantoorfuncties beantwoordt dit nulalternatief echter niet aan
hierboven opgesomde beleidsplannen, op hun beurt gebaseerd op milieu-overwegingen. Bijgevolg wordt dit nulalternatief niet onderzocht. Wel is in
MER nagegaan of
voorziene projectontwikkeling niet in een andere vorm kan worden gerealiseerd, b.v. andere dimensies. Ook is het nulalternatief op een volwaardige wijze onderzocht voor het onderdeel ‘ondergrondse parking’ en ‘verbindingsweg R4’. Met andere woorden, in
MER worden
effecten onderzocht van het niet realiseren en het niet aanwezig zijn van zowel
X-13.209 en 13.210-35/43 ondergrondse parking als
verbindingsweg met
R4. Als variante is ook
situatie waarbij wel een ondergrondse parking wordt gerealiseerd, maar geen verbindingsweg, beschouwd. Naast het vermelde nulalternatief en
variante worden in
MER een aantal inrichtings- en locatiealternatieven besproken, ondermeer: -
aantakking van
verbindingsweg op het aansluitingscomplex R4/B402: met een twee-strooksrotonde of een lichtengeregeld kruispunt; -
inrichting en het tracé van
verbindingsweg: een tracé dichterbij of verder weg van
scholencampus, een fietstracé door heen
scholencampus,
verbindingsweg in sleuf of
els ondergronds of bovengronds, met een minimaal wegprofiel, het fietspad aan oostelijke of westelijke zijde, met of zonder geluidsafscherming; - het aantal bouwlagen in
projectontwikkeling aan het Sint-
nijsplein”.
verantwoording dat
elprojecten, andere dan
ondergrondse parking en
verbindingsweg R4, ook mede zijn ingegeven door milieuoverwegingen wordt als zodanig door
verzoekende partijen niet betwist. In het licht van
doelstelling geformuleerd in artikel 4.1.4. DABM, met name het toekennen van een evenwaardige plaats aan het milieubelang, naast
sociale, economische en andere maatschappelijke belangen, is het daarom niet kennelijk onredelijk
bestaande toestand niet op zijn milieueffecten te beschrijven en als referentietoestand enkel te weerhouden het project zonder het onderdeel ondergrondse parking en verbindingsweg er naar toe. 4.2.2.3.7. In een tweede onderdeel betwisten
verzoekende partijen in wezen
beoordeling van het MER dat het project met parking en verbindingsweg
meeste milieuvoordelen biedt. Daartoe geven zij een opsomming van
volgens het MER aan het nulalternatief -dit is het project zonder parking en verbindingsweg- verbonden milieuvoordelen en betwisten zij
feitelijke en juridische onderbouwing van
motieven ten voordele van het weerhouden project. Vooreerst dient te worden vastgesteld dat, zoals blijkt uit het dossier,
overheid op het eerste gezicht terecht, gelet op het richtinggevend gedeelte van het RSV, waarin verdichting van stationsomgevingen een uitdrukkelijke optie is en waarbij het station Gent Sint-Pieters uitdrukkelijk wordt vermeld als een hoofdstation waarvan
vooropgestelde perimeter van ca. 1.000m van het gebied waar een hogere dichtheid en
lokalisatie van personenvervoergerichte activiteiten wordt nagestreefd, kan worden uitgebreid (RSV,
el 2: Gewenste Ruimtelijke Structuur - richtinggevend gedeelte, III.
omgeving van het Sint-Pietersstation niet op schaalniveau van het gebied zelf heeft geëvalueerd, maar op schaalniveau Vlaanderen. X-13.209 en 13.210-36/43 Onder punt “ 8. Afweging alternatieven” van
“Niet technische samenvatting” van het MER worden
milieueffecten van het nulalternatief “geen verbindingsweg met
R4 en geen ondergrondse parking” toegelicht en een afweging gemaakt met het voorgestelde concept: “8.1.1. Voordelen nul-alternatief Het nul-alternatief biedt volgende voordelen ten opzichte van het voorliggende projectvoorstel: . voornamelijk doordat
ondergrondse parking niet wordt gerealiseerd ontstaan beduidend minder grondoverschotten, en daardoor ook beduidend minder werfverkeer; .
impact van bemaling is aanzienlijk minder (invloedszone beperkter) maar toch blijven belangrijke effecten op het grondwaterpeil bestaan (bemaling ten behoeve van andere
elingrepen); .
bewoners ter hoogte van Roosakker en
zuidelijke zijstraten van
Sint-
nijslaan die uitlopen tot in het gebied Overmeers worden niet blootgesteld aan hogere geluidsniveau’s; .
huidige ecologische waarde van het natuurgebied Overmeers wordt niet aangetast door het project (geen inname ecotopen, geen toename van
verstoring, geen verdere versnippering); .
landschappelijke en belevingswaarde van het gebied Overmeers blijft behouden. (volgt een nadere toelichting van
ze voordelen, punt per punt) 8.1.2. Nadelen nul-alternatief Het nulalternatief biedt volgende nadelen ten opzichte van het voorliggende projectvoorstel: . Keuzereizigers worden niet aangetrokken .Geen parking ondermijnt aantrekkingskracht projectontwikkeling voor investeerders . Een P + R parking ter hoogte van Flanders Expo is geen alternatief . Een verder uitgebouwd voorstadstreinnet is vooralsnog evenmin een alternatief . Geen verbindingsweg legt hoge verkeersdruk op omliggende wegen . Geen verbindingsweg leidt niet tot verschuiving verkeer van R40 naar R4 . Geen verbindingsweg betekent geen oplossing voor
suboptimale ontsluiting van
campus BME/CTL . Geen verbindingsweg leidt tot langdurige belasting Sint-
nijslaan door werfverkeer . Geen verbindingsweg betekent geen directe fietsverbinding naar Flanders Expo (volgt een nadere toelichting van
ze nadelen, punt per punt)” om dan te besluiten: “Ondanks het feit dat het nul-alternatief ontegensprekelijk belangrijke milieuvoordelen biedt wegen
ze niet op tegen
milieuvoordelen van het projectvoorstel. Men moet hierbij steeds het uitgangspunt en
basisdoelstelling van het project duidelijk voor ogen houden, met name het concentreren van grootschalige woon- en kantooractiviteiten in stedelijke gebieden (via verdichting) op knooppunten van openbaar vervoer. Hierdoor spaart men grote oppervlakten open ruimte en bevordert men
modal split, meer bepaald het aandeel van het openbaar vervoer in het woon-werkverkeer, X-13.209 en 13.210-37/43 wat zeer gunstige effecten heeft op vlak van uitstoot van emissies, geluidshinder, verkeersveiligheid, verkeersdoorstroming, etc.. Om meer keuzereizigers te kunnen aantrekken zijn
bereikbaarheid en
mogelijkheid om er te parkeren essentiële randvoorwaarden. Een parking is trouwens ook een absolute noodzaak wil men investeerders overhalen om te participeren in het project. Het achterwege laten van
verbindingsweg leidt tot overbelasting van
Sint-
nijslaan en
Voskenslaan en hypothekeert er
doorstroming van het openbaar vervoer (snelle tramverbinding).
parking én
verbindingsweg zijn in dit geval dan ook essentiële voorwaarden om
hogere milieudoelstelling te kunnen verwezenlijken”.
argumenten die door
verzoekende partijen in
uiteenzetting van het middel worden aangevoerd zijn op het eerste gezicht niet van aard om te besluiten dat
ze beoordeling -gezien op schaalniveau Vlaanderen- kennelijk niet afdoende is ter verwezenlijking van
doelstelling gesteld in artikel 4.1.4. DABM.
omstandigheid dat
GECORO in haar advies over het ruimtelijk structuurplan Gent heeft gesteld dat het voorzien van een nieuwe toegangsweg en een uitgebreide parking als negatief moet worden beoordeeld, lijkt aan het voorgaande geen afbreuk te doen. Geen enkele
cretale bepaling, noch beginsel van behoorlijk bestuur lijkt
Vlaamse regering op te leggen in haar beoordeling en besluitvorming rekening te houden met adviezen die zijn uitgebracht door een adviesorgaan naar aanleiding van een procedure tot opmaak van een structuurplan op een lager niveau. 4.2.2.3.8. Het tweede middel is niet ernstig. 4.2.3.
rde middel 4.2.3.1. In een
rde middel voeren
verzoekende partijen aan dat het milieueffectenrapport niet doorwerkt tot in
bestreden beslissingen. Zij zetten dit middel uiteen als volgt: “D.3. l. Inhoud van
wettelijke bepalingen 40. Artikel 4.1.7 DABM bepaalt het volgende: ‘
overheid houdt bij haar beslissing over
voorgenomen actie, en in voorkomend geval ook bij
uitwerking ervan, rekening met het goedgekeurde rapport of
goedgekeurde r(a)pporten en met
opmerkingen en commentaren die daarover werden uitgebracht’. Aldus, zowel bij het nemen van
beslissing over het plan, als bij
daadwerkelijke uitwerking daarvan kan
overheid het milieueffectenrapport X-13.209 en 13.210-38/43 niet naast zich neerleggen. Zij dient rekening te houden met
inhoud van het rapport en
bijkomende opmerkingen. Daarenboven dient er nog gewezen te worden op
motiveringsverplichting
welke door artikel 4.1.7 DABM wordt opgelegd aan
overheid: ‘Zij motiveert elke beslissing over
voorgenomen actie in het bijzonder: 1)
keuze voor
voorgenomen actie, een bepaald alternatief of bepaalde
elalternatieven, behalve dan voor wat het omgevingsveiligheidsrapport betreft; 2)
aanvaardbaarheid van
te verwachten of mogelijke gevolgen voor mens of milieu van het gekozen alternatief; 3)
in het rapport of
rapporten voorgestelde maatregelen’
ze motiveringsplicht is bedoeld om te verzekeren dat
informatie die door het MER wordt aangereikt daadwerkelijk wordt gebruikt bij het nemen van
beslissing over
voorgenomen actie. D.3.2. Schending van
wettelijke bepalingen 41. Verwerende partij heeft het GRUP Gent Sint-Pieters
finitief vastgesteld zonder enige specifieke motivering inzake
keuze voor één of meerdere
elalternatieven en/of
aanvaardbaarheid van
te verwachten of mogelijke gevolgen voor mens en milieu en/of
in het MER voorgestelde maatregelen. Slechts
volgende overweging heeft meegespeeld: ‘Overwegende dat
MER conform is verklaard op 27 oktober 2005, zodat er moet worden van uitgegaan dat alle alternatieven die op planniveau moesten onderzocht worden, daadwerkelijk en voldoende onderzocht werden; dat heel wat milderende maatregelen uit
MER en aanbevelingen in het MER-verslag niet kunnen worden opgenomen in
stedenbouwkundige voorschriften of
grafische aanduiding van het ruimtelijk uitvoeringsplan maar doorwerking moeten krijgen op projectniveau, dit wil zeggen bij het uitwerken of beoordelen van stedenbouwkundige vergunningsaanvragen of milieuvergunningsaanvragen’ (...). 42. Op grond van artikel 4.1.7 DABM dient
overheid bij haar beslissing over het plan, alsook bij
uitwerking ervan rekening te houden met
inhoud van het MER en
opmerkingen daarover. Dit wordt door
Cel MER ook bevestigd in haar richtlijnen (...). Aan
overheid wordt expliciet
verplichting opgelegd om m.b.t.
voorgenomen actie elke beslissing uitdrukkelijk te motiveren inzonderheid betreffende
1) keuze voor
voorgenomen actie of een bepaald alternatief, 2)
aanvaardbaarheid van
te verwachten gevolgen voor mens en milieu en 3)
maatregelen voorgesteld in het MER. Het blijkt dan ook dat niet aan
ze motiveringsplicht is voldaan, inzonderheid niet wat
keuze voor
voorgenomen actie (en aldus het verwerpen van
alternatieven) betreft en
aanvaardbaarheid van
milieueffecten en gevolgen voor
menselijke gezondheid. Bovendien bevat het MER een opsomming van een ganse reeks milderende maatregelen (...). Uit bovenvermelde bepaling volgt dat in het besluit tot vaststelling van het GRUP
ze milderende maatregelen systematisch moeten worden besproken en dat daarin nagegaan moet worden of
ze aanleiding kunnen geven tot een aanpassing van het plan, dan wel dienen opgelegd te worden in
projectfase, naar aanleiding van
beoordeling van onder meer
stedenbouwkundige vergunningen.
loutere vermelding dat ‘heel wat milderende maatregelen uit
MER en aanbevelingen in het MER-verslag niet kunnen worden opgenomen in
stedenbouwkundige voorschriften of
grafische aanduiding van het ruimtelijk X-13.209 en 13.210-39/43 uitvoeringsplan maar doorwerking moeten krijgen op projectniveau, dit wil zeggen bij het uitwerken of beoordelen van stedenbouwkundige vergunningsaanvragen of milieuvergunningsaanvragen’ laat absoluut niet toe na te gaan of
overheid
voorgestelde milderende maatregelen al dan niet daadwerkelijk heeft onderzocht en nagegaan heeft in welke fase van
besluitvorming zij kunnen, dan wel dienen opgelegd te worden. D.3.3. Besluit 43.
bestreden beslissing schendt
wettelijke bepalingen omdat het: • geen verantwoording bevat voor
keuze voor het voorgenomen alternatief, noch terzake van
aanvaardbaarheid van
te verwachten of mogelijke gevolgen voor mens of milieu van het gekozen alternatief, noch een onderzoek van
in het rapport voorgestelde milderende maatregelen, in strijd met
motiveringsplicht (schending van artikel 4.1.7. DABM).
verwerende partij kon dan ook, zonder behoorlijke motivering, niet tot
finitieve vaststelling van het GRUP Gent Sint-Pieters overgaan”. 4.2.3.2. Ontvankelijkheid van het middel
vijfde tussenkomende partij werpt op dat
verzoekende partijen hun belang bij het middel niet aantonen. Vooralsnog bestaat er geen noodzaak om over
ze exceptie uitspraak te doen. Een onderzoek van en een uitspraak over
ze exceptie zou zich slechts opdringen indien zou komen vast te staan dat het middel ernstig wordt bevonden, hetgeen, zoals hierna zal blijken, niet het geval is. 4.2.3.3. Onderzoek van
ernst van het middel 4.2.3.3.1. In een
rde middel voeren
verzoekende partijen aan dat het milieueffectenrapport niet doorwerkt in
bestreden besluiten. Het middel wordt genomen uit
schending van artikel 4.1.
overheid houdt bij haar beslissing over
voorgenomen actie, en in voorkomend geval ook bij
uitwerking ervan, rekening met het goedgekeurde rapport of
goedgekeurde rapporten en met
opmerkingen en commentaren die daarover werden uitgebracht. Zij motiveert elke beslissing over
voorgenomen actie in het bijzonder op volgende punten: 1/
keuze voor
voorgenomen actie, een bepaald alternatief of bepaalde
elalternatieven, behalve dan voor wat het omgevingsveiligheidsrapport betreft; 2/
aanvaardbaarheid van te verwachten of mogelijke gevolgen voor mens of milieu van het gekozen alternatief; 3/
in het rapport of
rapporten voorgestelde maatregelen”. X-13.209 en 13.210-40/43 4.2.3.3.3. Uit
uiteenzetting van het middel blijkt dat
verzoekende partijen
schending van
ze bepaling aanvoeren met betrekking tot
vaststelling van het gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan “stationsomgeving Gent Sint-Pieters - Koningin Fabiolalaan”. 4.2.3.3.4. Artikel 4.1.7. DABM lijkt niet op te leggen dat
opgelegde motivering opgenomen dient te zijn in het besluit houdende
finitieve vaststelling van het gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan zelf, met uitsluiting van
bijlagen die bij dat ruimtelijk uitvoeringsplan zijn gevoegd. 4.2.3.3.5. In casu wordt in
“Bijlage III , Toelichtingsnota”, gevoegd als één van
niet-normatieve
len bij het GRUP, onder
hoofding “
MER wordt aangegeven, zoals ook hierboven beschreven, dat het onderzochte project een concrete invulling betreft van
ruimtelijke opties zoals vastgelegd in het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen, het Provinciaal Ruimtelijk Structuurplan Oost-Vlaanderen, het gemeentelijk Ruimtelijk Structuurplan Gent en het Mobiliteitsplan Gent.
ze beleidsplannen schetsen een expliciet kader voor
beoogde ontwikkeling van
omgeving van het Gentse Sint-Pietersstation, met inbegrip van
verbindingsweg naar
R4.
beleidskeuzes zoals geformuleerd in
ze beleidsplannen zijn in aanzienlijke mate gebaseerd op milieu-overwegingen.
uitbouw van Gent Sint-Pieters als openbaar vervoersknooppunt ondersteunt
ontwikkeling van een duurzame mobiliteit en heeft een betekenis voor zowel verplaatsingen naar Gent als vanuit of via Gent. Daarnaast worden in
aangehaalde beleidsplannen
potenties van
stationsomgeving, als
uitgelezen locatie voor verdichting, onderkend: op geen enkele andere locatie zijn
mogelijkheden ter vermindering van het wegverkeer zo groot als op locaties gesitueerd aan multimodaal bereikbare knooppunten”. Voorts wordt, na een beknopte weergave van
inhoud van het MER (alternatieven, milieueffectbeoordeling wat betreft mobiliteitseffecten, trillingshinder, effect op
luchtkwaliteit, grondwaterpeil, oppervlaktewater, fauna en flora en mens-ruimtelijke aspecten), met betrekking tot
“milderende maatregelen” het volgende gesteld: “In
MER worden een aantal maatregelen naar voor geschoven die bij
realisatie van
projecten
te verwachten negatieve effecten kunnen milderen.
ze milderende maatregelen zijn weergegeven per discipline. In wat volgt worden
milderende maatregelen opgesomd. Hierbij gaat
aandacht naar
aanbevelingen naar voorliggend ruimtelijk uitvoeringsplan en hoe
doorvertaling in het RUP gebeurde. Immers, bij lezing van
milderende maatregelen blijkt duidelijk dat
aard en
graad van
taillering voor X-13.209 en 13.210-41/43 sommige van
maatregelen van die aard zijn, dat zij niet thuishoren binnen
context van het RUP en
bijhorende verordenende stedenbouwkundige voorschriften. Zij kunnen bijvoorbeeld beter worden vertaald en geconcretiseerd in een inrichtingsstudie en/of worden opgelegd als bijzondere voorwaarde in
stedenbouwkundige vergunning”. waarna een tabel volgt met een opsomming van enerzijds
“milderende maatregelen per discipline volgens
MER” en anderzijds
“aspecten uit
milderende maatregel die doorwerken op plan en/of voorschriften”. Ten slotte wordt nog gesteld dat
natuurcompensatie ingevolge
inname van natuurgebied bij
aanleg van
verbindingsweg R4-station, gekoppeld wordt aan
stedenbouwkundige vergunning voor
aanleg van
ze verbindingsweg, en worden
redenen vermeld waarom niet wordt ingegaan op het MER-verslag met betrekking tot
afwijking van
45/-regel voor
toren C1. Het standpunt van
verzoekende partijen dat het bestreden vaststellingsbesluit, door te overwegen dat “
MER conform is verklaard op 27 oktober 2005, zodat er moet worden van uitgegaan dat alle alternatieven die op planniveau moesten onderzocht worden, daadwerkelijk en voldoende onderzocht werden; dat heel wat milderende maatregelen uit
MER en aanbevelingen in het MER-verslag niet kunnen worden opgenomen in
stedenbouwkundige voorschriften of
grafische aanduiding van het ruimtelijk uitvoeringsplan maar doorwerking moeten krijgen op projectniveau, dit wil zeggen bij het uitwerken of beoordelen van stedenbouwkundige vergunningsaanvragen of milieuvergunnings- aanvragen”, artikel 4.1.7. DABM zou schenden, kan op grond van hetgeen hiervoor uiteengezet, op het eerste gezicht niet worden aangenomen. 4.2.3.3.6. Het
rde middel is niet ernstig. 4.3. Er is niet voldaan aan één van
bij artikel 17, § 2 van
gecoördineerde wetten op
Raad van State opgelegde voorwaarden om
schorsing van
tenuitvoerlegging van
bestreden besluiten te kunnen bevelen. Die vaststelling volstaat om
vorderingen af te wijzen. OM DIE REDENEN BESLIST
RAAD VAN STATE : X-13.209 en 13.210-42/43 Artikel 1.
zaken A. 181.635/X-13.209 en A. 181.636/X-13.210 worden gevoegd. Artikel 2.
verzoeken tot tussenkomst van
Vlaamse Vervoermaatschappij
LIJN,
n.v. INFRABEL,
n.v. NMBS HOLDING en
n.v. EUROSTATION, en
stad GENT in het administratief kort geding worden ingewilligd. Artikel 3.
vorderingen tot schorsing worden verworpen. Artikel 4.
uitspraak over
bijdrage in
betaling van
kosten van
vorderingen tot schorsing wordt uitgesteld.
kosten van
tussenkomsten in
schorsingsprocedure, bepaald op 1250 euro, komen ten laste van
tussenkomende partijen, ieder voor een vijfde. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zesentwintig mei 2008, door
Xe kamer, die was samengesteld uit :
HH. R. STEVENS, kamervoorzitter, J. BOVIN, staatsraad, D. MOONS, staatsraad, Mevr. G. SCHEVENEELS, toegevoegd griffier.
griffier,
voorzitter, G. SCHEVENEELS. R. STEVENS. X-13.209 en 13.210-43/43 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.183.357 Print
ze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.