← België

Arrest 183364 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 26/05/2008

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 26 mei 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.183.364 Rolnummer: A. 53268/X-9449 Zaak: Arrest 183364 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 26/05/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-06-06 Raadplegingen: 62 - laatst gezien 2026-06-29 08:06 Fiche Arrest nr 183.364 van 26 mei 2008 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 183.364 van 26 mei 2008 in de zaak A. 53.268/X-

  1. In zake :
  2. Marcel DUYVEJONCK,
  3. André VERMOORTELE, die woonplaats kiezen bij advocaat J. GHYSELS, kantoor houdende te 1170 BRUSSEL, Terhulpsesteenweg 187 tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaten P. VANDECASTEELE en R. BACKAERT, kantoor houdende te 8530 HARELBEKE, Noordstraat
  4. D E R A A D V A N S T A T E, Xe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Marcel DUYVEJONCK en André VERMOORTELE op 12 augustus 1993 hebben ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 14 juni 1993 van de Vlaamse minister van Openbare Werken, Ruimtelijke Ordening en Binnenlandse Aangelegenheden waarbij de vergunning wordt geweigerd tot het verkavelen van een perceel grond gelegen te Ingelmunster, Meulebekestraat, kadastraal gekend sectie B, nr. 1232/d; Gelet op het arrest nr. 169.627 van 30 maart 2007 waarbij de debatten worden heropend en aan het Grondwettelijk Hof de volgende prejudiciële vraag wordt gesteld : “Schendt artikel 2 van het Gecoördineerde Stedenbouwdecreet (het vroegere artikel 87, vierde lid van de Stedenbouwwet, zoals ingevoerd bij decreet van 23 juni 1993 en gewijzigd bij decreet van 13 juli 1994) de artikelen 10, 11 en 16 van de Grondwet en artikel 1 EP EVRM door de opvullingsregel (artikel 23, 1/ koninklijk besluit van 28 december 1972) af te schaffen zonder dat vooraf een openbaar onderzoek werd georganiseerd en met uitsluiting van de vergoeding voor planschade, terwijl, zoals blijkt uit de getuigenis van Prof. Marc Boes (M. Boes en S. Verbist, ‘Plannen en verordeningen in de rechtspraak van het Arbitragehof’, in S. Lust (ed.), Het Arbitragehof en het ruimtelijke ordeningsrecht, Brugge, die Keure, 2006,

(41), 52) als nauw betrokkene bij het opmaken van de gewestplannen volgt dat de opvullingsregel X-9449-1/5 een geschreven regel is van het gewestplan, met dezelfde reglementaire kracht als de grafische regels en die dus samen met de grafische regels de bestemming bepaalt, zodat zoals voor iedere gewestplanwijziging een openbaar onderzoek moet gebeuren en planschade dient te worden toegekend en terwijl er geen objectief criterium is om de eigenaars van gronden waarvan de bestemming mede bepaald wordt door de opvullingsregel bij de wijziging van die bestemming anders te behandelen dan de eigenaars van wie de bestemming van hun gronden enkel bepaald worden door de grafische voorschriften van het plan, dat het criterium dat het bestuur veel te veel toepassing maakt van de opvullingsregel, terzake alleszins geen deugdelijk criterium van onderscheid is en terwijl het uitsluiten van de planschade bij de afschaffing van de opvullingsregel onevenredige gevolgen heeft voor de eigenaars van de goederen waar deze regel toepassing vond, omdat op het ogenblik van de afschaffing van de opvullingsregel de mogelijkheid om planschade te vragen, zoals ten deze (gewestplan Roeselare-Tielt K.B. 17 december 1979) verjaard is en de betrokken eigenaar voor die afschaffing gelet op de gelding van de opvullingsregel niet over het vereiste belang beschikte om planschade te vragen?”. Gelet op het arrest nr. 29/2008 van 28 februari 2008 van het Grondwettelijk Hof; Gelet op de beschikking van 7 april 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 25 april 2008; Gehoord het verslag van staatsraad P. LEFRANC; Gehoord de opmerkingen van advocaat G. VERMEIRE, die loco advocaat J. GHYSELS verschijnt voor de verzoekers, en van advocaat G. HAVET, die loco advocaten P. VANDECASTEELE en R. BACKAERT verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur D. MAREEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; OVERWEEGT WAT VOLGT :
  1. De feiten werden uiteengezet in het voormelde arrest nr. 169.627 van 30 maart
  2. X-9449-2/5
  3. Het eerste middel is genomen uit de schending van “de Stedenbouwwet, onder meer de art. 2, 12, 55, § 3 en 57, § 1 van het K.B. van 28 december 1972 (betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp- gewestplannen en de gewestplannen), onder meer art. 23, 1/, van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, onder meer de artt. 2 en 3 en uit de afwezigheid van de rechtens vereiste feitelijke grondslag”. Het tweede middel is genomen uit de schending van “de Stedenbouwwet, onder meer de artt. 9 en 13, van het K.B. van 28 december 1972, onder meer art. 23, 1/ en van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen”. Het derde middel is genomen uit de schending van “de artt. 6 en 6bis van de Grondwet, van de Stedenbouwwet, onder meer de art. 2, 12, 55, § 3 en 57, § 1, van het K.B. van 28 december 1972 (betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en de gewestplannen), onder meer art. 23, 1/, van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, onder meer de artt. 2 en 3 en van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, onder meer het vertrouwenssbeginsel”.
  4. De drie middelen komen er op neer dat de verwerende partij zich bij de toetsing van de aanvraag van de verzoekers aan artikel 23, 1/ van het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en de gewestplannen (de zogenaamde opvullingsregel), heeft vergist en hun zodoende ten onrechte het voordeel van de uitzonderings-regeling waarin de bepaling voorziet, heeft onthouden.
  5. De betrokken uitzonderingsregeling werd opgeheven bij het decreet van 23 juni 1993 houdende aanvulling met een artikel 87 van de wet van 29 maart 1962 houdende organisatie van de ruimtelijke ordening en van de stedenbouw, zoals gewijzigd door het decreet van 13 juli
  6. Het besluit van de Vlaamse regering van 15 september 1993 tot uitvoering van het decreet van 23 juni 1993 heft het artikel 23, 1/, van het koninklijk besluit van 28 december 1972 op en heeft zodoende die bepaling formeel uit het rechtsverkeer genomen. X-9449-3/5
  7. Het Grondwettelijk Hof heeft bij arrest nr. 29/2008 van 28 februari 2008 de bij voormeld arrest nr. 169.627 gestelde prejudiciële vraag ontkennend beantwoord.
  8. De Raad van State moet, desnoods ambtshalve, onderzoeken of een verzoeker doet blijken van het rechtens vereiste actueel belang. Dit laatste is niet het geval wanneer de vergunningverlenende overheid in geval van vernietiging van het bestreden besluit, hoe dan ook verplicht is de gevraagde vergunning opnieuw te weigeren.
  9. Uit de niet betwiste gegevens van de zaak blijkt dat het perceel dat het voorwerp uitmaakt van de verkavelingsaanvraag volgens de bestemmings- voorschriften van het bij koninklijk besluit van 17 december 1979 vastgestelde gewestplan Roeselare-Tielt gelegen is in agrarisch gebied. Artikel 11.4.
  10. van het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en gewestplannen, bepaalt wat volgt : “De agrarische gebieden zijn bestemd voor de landbouw in de ruime zin. Behoudens bijzondere bepalingen mogen de agrarische gebieden enkel bevatten de voor het bedrijf noodzakelijke gebouwen, de woning van de exploitanten, benevens verblijfsgelegenheid voor zover deze een integrerend deel van een leefbaar bedrijf uitmaakt, en eveneens para-agrarische bedrijven”. Dit bestemmingsvoorschrift laat niet toe dat voor het betrokken perceel een verkavelingsvergunning wordt verleend. Artikel 171, laatste lid van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening heeft de uitzonderingsregeling vervat in de bepaling van artikel 87 van de wet van 29 maart 1962 houdende organisatie van de ruimtelijke ordening en de stedenbouw, zoals gewijzigd bij het decreet van 13 juli 1994, die samen met andere wijzigings-, overgangs-, en opheffingsbepalingen, almede reeds voorbijgestreefde bepalingen als bijlage 2 was gevoegd bij het besluit van de Vlaamse regering van 22 oktober 1996 tot wijziging van het besluit van de Vlaamse regering van 24 september 1996 tot coördinatie van de wet van 29 maart 1962 houdende organisatie van de ruimtelijke ordening en van de stedenbouw, opgeheven met ingang van 1 mei
  11. De verzoekers stellen niet dat enige wettelijke bepaling zou toelaten voor het verlenen van een verkavelingsvergunning van voormeld bestemmingsvoorschrift af te wijken. Zoals de verzoekers zelf betogen, is de vergunningverlenende overheid, wanneer zij uitspraak doet over een X-9449-4/5 verkavelingsaanvraag, niet gebonden door de regelgeving die van toepassing was op de datum van de aanvraag maar is zij integendeel als orgaan van het actief bestuur ertoe gehouden de regelgeving toe te passen die geldt op het ogenblik dat zij over de aanvraag uitspraak doet. De vergunningverlenende overheid is, gelet op de planologische bestemming van het perceel, in geval van vernietiging van het bestreden besluit, in de huidige stand van de regelgeving hoe dan ook verplicht de gevraagde verkavelingsvergunning opnieuw te weigeren. Om de hiervoor uiteen- gezette reden moet ambtshalve worden vastgesteld dat de verzoekers niet doen blijken van het naar recht vereiste belang. Het beroep is niet ontvankelijk. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
  12. Het beroep wordt verworpen. Artikel
  13. De kosten van het beroep, bepaald op 198,32 euro, komen ten laste van de verzoekers, ieder voor de helft. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zesentwintig mei 2008, door de Xe kamer, die was samengesteld uit : de HH. R. STEVENS, kamervoorzitter, J. BOVIN, staatsraad, P. LEFRANC, staatsraad, Mevr. A. TRUYENS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. TRUYENS. R. STEVENS. X-9449-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.183.364 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.169.627 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.