id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 26 mei 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.183.365 Rolnummer: A. 156735/X-12102 Zaak: Arrest 183365 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 26/05/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-06-06 Raadplegingen: 56 - laatst gezien 2026-06-29 08:06 Fiche Arrest nr 183.365 van 26 mei 2008 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 183.365 van 26 mei 2008 in de zaak A. 156.735/X-12.102. In zake : 1. Michel HELLAWEL, 2. de n.v. CIEL, die woonplaats kiezen bij advocaat A. BEELEN, kantoor houdende te 3580 BERINGEN, Scheigoorstraat 5 tegen : de deputatie van de provincieraad van VLAAMS-BRABANT, die woonplaats kiest bij advocaat M. van DIEVOET, kantoor houdende te 1000 BRUSSEL, Boomstraat 14, bus 3. tussenkomende partij : 1. Stephanie RENTIERS, 2. Quentin RENTIERS, 3. Philippe MONSEU, die woonplaats kiezen bij advocaat K. RONSE, kantoor houdende te 1050 BRUSSEL, G. Macaulaan 33. D E R A A D V A N S T A T E, Xe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Michel HELLAWEL en de n.v. CIEL op 21 oktober 2004 hebben ingediend om de nietigverklaring te vorderen van de beslissing van 8 juli 2004 van de bestendige deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant houdende inwilliging van het door de consorten Rentiers ingestelde beroep tegen het besluit van 22 september 2003 van het college van burgemeester en schepenen van Linkebeek waarbij de vergunning voorwaardelijk wordt verleend voor het verkavelen van een perceel grond aan de Villalaan te Linkebeek, kadastraal bekend sectie B, nr. 95/a; Gezien het verzoekschrift tot tussenkomst, op 30 december 2004 ingediend door Stephanie RENTIERS, Quentin RENTIERS en Philippe MONSEU; X-12.102-1/12 Gelet op de beschikking van 26 januari 2005 die de tussenkomst van Stephanie RENTIERS, Quentin RENTIERS en Philippe MONSEU toelaat; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd F. DE BUEL; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; Gelet op de beschikking van 13 maart 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 25 april 2008; Gehoord het verslag van staatsraad P. LEFRANC; Gehoord de opmerkingen van advocaat W. MERTENS, die loco advocaat A. BEELEN verschijnt voor de verzoekende partijen, van advocaat F. van DIEVOET, die loco advocaat M. van DIEVOET verschijnt voor de verwerende partij, en van advocaat J. BOSQUET, die loco advocaten K. RONSE, P. FLAMEY en J. VERVOORT verschijnt voor de tussenkomende partijen; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd F. DE BUEL; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; OVERWEEGT WAT VOLGT : 1. De feiten 1.1. Op 25 juni 2003 (datum ontvangstbewijs) vragen “de consoorten” Rentiers en Monseu een vergunning aan voor het verkavelen van een perceel grond aan de Villalaan te Linkebeek in drie loten voor gesloten bebouwing. 1.2. Het perceel is volgens het bij koninklijk besluit van 7 maart 1977 vastgesteld gewestplan Halle-Vilvoorde-Asse gelegen in een woongebied. X-12.102-2/12 1.3. Ter gelegenheid van het openbaar onderzoek worden drie bezwaarschriften ingediend, waaronder één van de eerste verzoeker. 1.4. Gevraagd om advies geeft de GECORO op 26 juni 2003 onder meer de volgende opmerking bij “de vooropgestelde stedenbouwkundige voorschriften”: “(...) Alsook is de raad van mening de aanvrager niet te verplichten tot het plaatsen van een garage in de woning, dit zou tot gevolg hebben dat er enkel met een bel-etage kan gewerkt worden, in geval van parkeerproblemen is er nog altijd de parking aan de hoeve ’t Holleken.”. 1.5. Het college van burgemeester en schepenen verleent op 28 juli 2003 een ongunstig advies onder meer op grond van volgende overweging: “Gelet omtrent het eerste bezwaar de GECORO van mening is dat er geen garage per woning dient te worden voorzien maar naar onze mening het gebrek aan parkeergelegenheid reëel is en er toch in elke woning een garage of parkeerplaats dient te worden voorzien”. Het besluit onder meer: “De aanvrager zou een nieuw ontwerp moeten indienen waarbij het perceel verkaveld wordt in 2 loten en rekening wordt gehouden met de opmerkingen van de GECORO omtrent de stedenbouwkundige voorschriften maar een garage of parkeerplaats dient te worden voorzien”. 1.6. De gemachtigde ambtenaar verleent op 5 september 2003 een voorwaardelijk gunstig advies waarin hij de bezwaren ongegrond verklaart onder meer omdat “wat betreft de parkeerproblemen kan gesteld worden dat de omgeving voldoende capaciteit heeft zoals ook vermeld in het advies van de Gecoro” en de volgende beschrijving geeft van de bouwplaats, de omgeving en het project: “Door de reeds bestaande bebouwing en de reeds aanwezige infrastructuur, is de structuur van het gebied gekend. Het perceel maakt deel uit van een dicht bebouwd bouwblok. De bebouwing in de omgeving bestaat hoofdzakelijk uit gesloten bebouwing op smalle en kleine percelen. Het project voorziet het verkavelen van een perceel in 3 loten bestemd voor eengezinswoningen in gesloten verband. De oppervlakte van de ontworpen kavels bedraagt 1a60ca à 1a70ca. De breedte aan de straat bedraagt telkens 6m”. De beoordeling van de goede ruimtelijke ordeing luidt als volgt: “Het voorgestelde project is in overeenstemming met de goede plaatselijke ordening. De voorgestelde breedte en oppervlakte van de gevormde loten komen overeen met de bestaande perceelsconfiguratie in de omgeving. Het voorstel van gesloten bebouwing staat in relatie tot de omringende bebouwing. Er kan aangesloten worden op de bestaande wachtgevels. De voorgestelde X-12.102-3/12 bouwdieptes komen overeen met de algemeen geldende en gangbare stedenbouwkundige regels. Er wordt een grote woondichtheid gerealiseerd waardoor een optimaal ruimtegebruik gegarandeerd wordt. Mits eerbiediging van de opgelegde voorwaarden (zie verder) zal de toekomstige bebouwing zich integreren in de omgeving en er harmoniëren met de bestaande omliggende gebouwen. De verkaveling brengt de goede ordening en ontwikkeling van het gebied niet in het gedrang”. Als “bijzonder stedenbouwkundige voorwaarde” voorziet de gemachtigde ambtenaar onder meer dat “het vereiste aantal autostaanplaatsen in hoofdgebouw mag ondergebracht worden op straatniveau en met toegang naar de straatzijde”. 1.7. Het college van burgemeester en schepenen verleent op 22 september 2003 de verkavelingsvergunning mits de voorwaarde “de bijgevoegde stedenbouwkundige voorschriften (in vervanging van de voorgestelde) van de gemachtigde ambtenaar na te leven mits aanpassing door onderstaande tekst: het vereiste aantal autostaanplaatsen moet in het hoofdgebouw ondergebracht worden op straatniveau en met toegang naar de straatzijde”. Het college motiveert zijn standpunt als volgt: “Gelet op het ongunstig advies (...) door het College (...) van 28 juli 2003; Gelet op het gunstig advies van de gemachtigde ambtenaar (...); Gelet door het vervangen van de stedenbouwkundige voorschriften door de gemachtigde ambtenaar (...) gedeeltelijk tegemoet gekomen wordt aan de voornaamste bezwaren van het College; Gelet niettgenstaande het advies van de gecoro, het College overtuigd is van het gebrek aan parkeermogelijkheden in de nabije omgeving daar de openbare weg beperkt is tot de wegzate en het voetpad van de verkaveling en de andere kant is volledig op privé-eigendom gelegen waardoor er geen openbare parkeerplaats bestaat; Gelet het College het overwegend en beschikkend gedeelte van het advies van de Gemachtigde Ambtenaar, het zijne maakt op voorwaarde dat (...) de stedenbouwkundige voorschriften aangepast worden als volgt (...)”. 1.8. De aanvragers stellen op 11 oktober 2003 administratief beroep in tegen die beslissing en vragen “elke eigenaar afzonderlijk en vrij zijn keuze te laten bepalen, in het voorzien van een autobergplaats in zijn op te richten woning. Ieder voor zich kan, rekening houdend met zijn gezinstoestand beslissen om het gelijkvloers te gebruiken als garage of als woongelegenheid”. 1.9. Het college van burgemeester en schepenen besluit op 20 oktober 2003 dat “het standpunt van het Schepencollege omtrent de voorwaarde verbonden X-12.102-4/12 aan de verkavelingsvergunning afgeleverd in zitting van 22 september 2003 wordt gehandhaafd”. 1.10. De provinciaal stedenbouwkundige ambtenaar stelt in zijn nota van 30 april 2004 voor om het beroep in te willigen op grond van overwegingen die grotendeels in het thans bestreden besluit worden overgenomen. 1.11. Naar aanleiding van een drietal vragen van de bestendige deputatie maakt de provinciaal stedenbouwkundige ambtenaar een aanvullende nota op: “In vergadering van 13 mei 2004 werden de bestendige deputatie omtrent voorliggend beroep nog de volgende vragen geformuleerd: 1. Kunnen er twee kavels voorzien worden met garage? 2. Wat is de invloed van garages op het algemeen straatbeeld? 3. Wat is het algemeen beleid van de gemeente ten aanzien van deze materie? 1. Het verkavelingsontwerp voorziet drie kavels, bestemd voor woningen in gesloten verband. De percelen hebben een breedte van nagenoeg 6m. De voorziene gebouwen bestaan uit twee bouwlagen en een zadeldak. De totale breedte van het perceel bedraagt 17.94 m. Deze breedte laat vanzelfsprekend ook de indeling in twee kavels toe, waarbij een garage kan worden voorzien. Het is overigens technisch niet onmogelijk om in de thans voorziene drie bouwkavels een garage te integreren in de gebouwen. 2. Het straatbeeld wordt gekenmerkt door rijbebouwing met heterogeen karakter aan de zuidzijde en zeer open bebouwing aan de noordzijde van de weg. Het bouwlint aan zuidzijde bestaat uit verscheiden bouwtype’s, gaande van gebouwen met één bouwlaag en mansardedak, over twee bouwlagen met zadeldak tot drie bouwlagen met plat dak. In sommige gebouwen is er een garagepoort in de voorgevel. Het voorzien van een garage heeft tot gevolg dat de woningen zullen worden opgevat als bel-étage-type, dit is een gebouw dat bestaat uit een gelijkvloers met garage, trappenhal, bergingen en technische ruimte, een woonlaag op de eerste verdieping en een nachtgedeelte op de tweede verdieping. Gelet op het voorgeschreven profiel van twee bouwlagen met zadeldak, zal de tweede verdieping onder dak, worden uitgerust met dakkapellen. De door Arohm voorgeschreven beperking van de afwijking van dakhelling tot 25% van het dakoppervlak, kan in dat geval beter worden opgetrokken tot minimaal 50% van het dakoppervlak. Gelet op het heterogeen karakter van de gebouwenrij en de hoogte van bepaalde bestaande gebouwen, is deze optie integreerbaar in het straatbeeld. 3. De gemeente beschikt niet over een goedgekeurde verordening omtrent het parkeren. Evenmin is er een beleidsbeslissing die betrekking heeft op deze materie”. 1.12. Bij het bestreden besluit van 8 juli 2004 willigt de bestendige deputatie het beroep van de aanvragers in. X-12.102-5/12 2. De ontvankelijkheid van het beroep - belang Ten onrechte betwist de tussenkomende partij het belang van de verzoekers omdat zij slechts “een louter hypothetisch nadeel aanvoeren dat bovendien door de verzoekende partijen zelf ongedaan kan worden gemaakt”. Uit de niet betwiste gegevens van het dossier en de procedurestukken blijkt immers dat de eerste verzoeker eigenaar is van twee onroerende goederen waarvan hij er één bewoont, die “zich recht tegenover deze percelen” bevinden en de tweede verzoekster haar exploitatiezetel heeft op het voormelde onroerend goed van de eerste verzoeker dat hijzelf niet bewoont. Daardoor alleen al doen de verzoekers blijken van het naar recht vereiste belang. De exceptie wordt verworpen. Het beroep is ontvankelijk. 3. Onderzoek van het derde middel 3.1. Het derde middel is genomen uit de schending van artikel 19, laatste lid, van het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en gewestplannen, artikel 4 van het decreet van 18 mei 1999 houdende organisatie van de ruimtelijke ordening, artikel 544 en 1382 van het Burgerlijk Wetboek, artikel 55 en 53, § 3 van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996 (hierna Coördinatiedrecreet), artikel 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen (hierna de Motiveringswet), en het zorgvuldigheids- en redelijkheidsbeginsel. De verzoekers betogen in een eerste onderdeel in essentie dat de bestreden beslissing op het punt van de motiveringsplicht “in gebreke (blijft) want zij bevat niet eens een beschrijving van de concrete plaatselijke toestand en van de onmiddellijke omgeving (geringe breedte van de Villalaan - afwezigheid van parkeerplaatsen op de openbare weg - bijna alle woningen in de onmiddellijke omgeving van de verkaveling beschikken reeds over eigen autostandplaatsen - ...) laat staan dat zij motieven zou bevatten die naar recht verantwoorden dat er in casu, gelet op de plaatselijke toestand en de onmiddellijke omgeving, geen risico voorhanden is dat het verkavelingsproject de goede plaatselijke ordening in het gedrang brengt” en “in essentie enkel aandacht (...) besteed(
- t)aan de vraag of er (een) gemeentelijke dan wel (een) gewestelijke norm bestaat die de eis tot het realiseren van autostandplaatsen ondersteunt”. Voorts stellen zij dat “voor zover (...) in de bestreden beslissing nog wordt overwogen dat de verplichting tot het X-12.102-6/12 verwezenlijken van een autobergplaats niet te rechtvaardigen is in het licht van de actuele trend tot het aanmoedigen van alternatief vervoer, (dit) uiteraard irrelevant is bij de beoordeling van de verplichtingen die de verwerende partij heeft aangaande de goede plaatselijke aanleg” en dat op de verwerende partij een bijzondere motiveringsplicht rustte bij het afwijken van het voormeld advies van het college van 20 oktober 2003. In het tweede onderdeel betogen zij dat de verwerende partij met de overweging in het bestreden besluit dat “de verplichting tot het verwezenlijken van een autobergplaats niet te rechtvaardigen is in het licht van de actuele trend tot het aanmoedigen van alternatief vervoer (...) impliciet toe(geeft) dat er een risico bestond dat de goede plaatselijke ordening in het gedrang werd gebracht” en “verder ook aan(geeft) dat er volgens haar geen voorwaarde kan worden gesteld die tegemoet komt aan de vereiste van de goede plaatselijke ordening en te rechtvaardigen is”. 3.2. De verwerende partij repliceert dat “de verplichting tot het in acht nemen van de stedenbouwkundige beoordeling (...) bij een verkavelingsaanvraag tot een minimum beperkt (wordt)”, “de aanvrager slechts een beperkt beroep ingesteld (heeft), in de mate dat in de verkavelingsvoorschriften de verplichting werd opgenomen om autostaanplaatsen te voorzien”, “de gemachtigde ambtenaar de bouwplaats in voldoende mate (heeft) beschreven en getoetst aan de goede ruimtelijke ordening”, “de verwerende partij bij de beoordeling van de aanvraag in de vergadering van 13.05.2004 (...) bijkomend onderzoek (heeft) gevraagd”, en “bijgevolg (...) de eigen bespreking van de verenigbaarheid van de verkavelingsvergunning met de goede plaatselijke ordening in de bestreden beslissing afdoende is”. 3.3. De verzoekers dupliceren dat wat betreft het eerste onderdeel van het middel “de overwegingen (...) in de nota d.d. 13.05.2004 (...) niet relevant (zijn)”, “in die nota toch al meer aandacht besteed (wordt) aan de concrete plaatselijke toestand” maar dat de bestreden beslissing er niet naar verwijst, “de problematiek van het voorzien van autostandplaatsen/ voldoende parkeergelegenheid in de onmiddellijke omgeving (...) niet ter sprake (komt) in (...) het advies van de gemachtigde ambtenaar”, “de bestreden beslissing (...) in essentie enkel een onderzoek (behelst) naar de vraag of er een norm bestaat die de eis tot het realiseren van autostandplaatsen ondersteunt” en geen “beschrijving van de concrete plaatselijke situatie bevat (...) laat staan een afdoende motivering dat de goede X-12.102-7/12 plaatselijke ordening ondanks het inwilligen van het beroep (...) is verzekerd”. Wat betreft het tweede onderdeel stellen zij dat “het feit dat er geen specifieke gemeentelijke verordening m.b.t. parkeerplaatsen is, (niet) verhindert (...) dat, wanneer de goede plaatselijke aanleg in het gedrang is, de beslissingnemende overheid, oordelend in graad van beroep (...) ofwel andere voorwaarden had moeten opleggen die aan die problematiek in voldoende mate tegemoetkwamen (...) ofwel, indien zulks mogelijk bleek, de bestreden beslissing van het CBS en de daarin opgenomen voorwaarde had moeten bevestigen”. 3.4. De tussenkomende partijen stellen dat de bestreden beslissing afdoende gemotiveerd werd, “de vergunningverlenende overheid wel degelijk rekening heeft gehouden met de concrete plaatselijke aanleg van de Villalaan en omgeving, minstens dat uit het administratief dossier blijkt dat de bestendige deputatie met kennis van zaken betreffende de plaatselijke aanleg heeft geoordeeld”, “in het gunstige advies van de gemachtigde ambtenaar (...) de goede ruimtelijke ordening reeds uitvoerig (werd) beoordeeld”, “de GECORO op 26 juni 2003 geen bezwaren (heeft) geformuleerd omtrent de goede ruimtelijke ordening”, “de bestendige deputatie een bijkomend concreet onderzoek (heeft) gevoerd (...) naar de invloed van garages op het straatbeeld en de invloed van de kavelverdeling in twee kavels”, en “gelet op deze drie positieve adviezen (...) de bestendige deputatie (kon) volstaan met een summiere motivering aangaande de goede ruimtelijke ordening of plaatselijke aanleg”. 3.5. In de laatste memorie betogen de tussenkomende partijen “dat het derde middel (...) helemaal niet geconstrueerd werd rond een beweerde schending van de devolutieve werking van het hoger beroep, maar wel rond de motivering betreffende de verenigbaarheid met de goede plaatselijke ordening, “de visie dat een bouwvergunning één en ondeelbaar is (...) enigszins moet worden genuanceerd”, “het in casu géén kwestie van beoordelingsbevoegdheid (bepaald door de devolutieve werking van het administratief beroep) betreft, maar wel een kwestie van formele motivering en dat er vanuit deze invalshoek geen reden bestaat om de bestreden beslissing te vernietigen”, de bestendige deputatie “haar beoordeling evenwel geenszins heeft beperkt tot de opgelegde voorwaarde”, “de in het bestreden besluit opgenomen motivering alleszins afdoende is in acht genomen het feit dat het enkele beroep van de aanvragers louter betrekking had op de voorwaarde betreffende de garage en dat het advies van de gemachtigde ambtenaar en GECORO gunstig waren en besloten tot de verenigbaarheid met de goede plaatselijke X-12.102-8/12 ordening, “een beweerd gebrek in de formele motivering (...) niet tot een vernietiging kan leiden wanneer uit het administratief dossier blijkt waarom de bestreden beslissing werd genomen aangezien er in dat geval geen belangenschade voorligt” en te dezen “minstens uit het administratief dossier blijkt dat de verwerende partij zich een concreet beeld heeft gevormd van de plaatselijke ordening en op grond van die correcte gegevens in alle redelijkheid tot het bestreden besluit is kunnen komen” meer bepaald door “het bijkomend onderzoek (dat) gevraagd werd door de bestendige deputatie”. 3.6. Artikel 53, § 3, van het Coördinatiedecreet, kent aan de bestendige deputatie, wanneer zij oordeelt in hoger beroep, dezelfde beoordelingsbevoegdheid toe als die waarover het college van burgemeester en schepenen beschikt. Die wettelijke bepaling is niet meer dan de uitdrukkelijke bevestiging van één der wezenskenmerken van het georganiseerd administratief beroep, met name dat bij het behandelen van zulk beroep de aanvraag in haar volledigheid, en dus zowel ten aanzien van de rechtmatigheid als ten aanzien van de opportuniteit, wordt onderzocht. Uit het door artikel 53, §§ 1 en 2 van voornoemd decreet ingestelde beroep bij de bestendige deputatie vloeit voor dit bestuursorgaan de verplichting voort om over dat beroep uitspraak te doen. Het effectief instellen van het beroep door de aanvrager, draagt dan ook de beslissingsbevoegdheid over de aanvraag van het college van burgemeester en schepenen naar de bestendige deputatie over en de beslissing van de bestendige deputatie komt in de plaats van de beslissing waartegen het beroep werd ingesteld. Uit het aan de bestreden beslissing voorafgaand onderzoek van de bestendige deputatie, zoals blijkt uit de beide nota's van de provinciaal stedenbouwkundige ambtenaar, en het onderzoek in de bestreden beslissing van de verenigbaarheid met de goede ruimtelijke ordening blijkt dat de verwerende partij de aanvraag in zijn totaliteit en de verenigbaarheid van de aanvraag met de goede plaatselijke ordening heeft onderzocht en beoordeeld. 3.7. De artikelen 2 en 3 van de Motiveringswet bepalen dat eenzijdige rechtshandelingen met individuele strekking die uitgaan van een bestuur en die beogen rechtsgevolgen te hebben voor één of meer bestuurden of voor een ander bestuur, uitdrukkelijk moeten worden gemotiveerd, dat in de akte de juridische en feitelijke overwegingen moeten worden vermeld die aan de beslissing ten grondslag liggen, en dat deze afdoende moeten zijn. Artikel 6 van dezelfde wet bepaalt dat deze “slechts van toepassing (
- is)op de bijzondere regelingen waarbij de X-12.102-9/12 uitdrukkelijke motivering van bepaalde bestuurshandelingen is voorgeschreven, in zoverre deze regelingen minder strenge verplichtingen opleggen”. Uit een en ander volgt dat wat de motiveringsverplichting betreft de Motiveringswet een wet van suppletoire aard is. Artikel 53, § 3 samengelezen met artikel 55, § 1, van het Coördinatiedecreet legt aan de bestendige deputatie, wanneer zij in beroep uitspraak doet over verkavelingsaanvragen, een motiveringsverplichting op die niet minder streng is dan deze voorgeschreven door de Motveringswet. Deze beslissingen vallen derhalve niet onder de toepassing van laatstgenoemde wet. Uit wat voorafgaat volgt dat de ingeroepen schending van de motiveringsverplichting geacht moet worden te zijn afgeleid uit de schending van artikel 53, § 3 van het Coördinatiedecreet. 3.8. Om te voldoen aan voormelde motiveringsverplichting wat betreft de beoordeling van de goede ruimtelijke ordening, moeten in de vergunning duidelijk de met de goede plaatselijke aanleg of ruimtelijke ordening verband houdende redenen worden vermeld die de beslissing verantwoorden, derwijze dat het de aanvrager of de belanghebbende derde mogelijk is met kennis van zaken tegen de bestreden beslissing op te komen en dat de Raad van State de hem opgedragen wettigheidscontrole kan uitoefenen. De opgelegde formele motiveringsverplichting houdt eveneens in dat enkel met de in het besluit vermelde redengeving rekening kan worden gehouden. Ingevolge de devolutieve werking van het georganiseerde administratief beroep doet de overheid die in beroep uitspraak doet over een aanvraag, dit op grond van een eigen beoordeling van de aanvraag en is zij daarbij niet gebonden door argumenten die werden aangewend en adviezen die werden gegeven in de daaraan voorafgaande administratieve procedure. De voormelde motiveringsverplichting houdt wel in dat de opgegeven motivering des te concreter en preciezer moet zijn wanneer de beslissing waartegen het beroep is ingesteld zelf concrete en precieze redenen opgeeft waarom de gevraagde vergunning moet worden geweigerd of, in voorkomend geval, verleend. 3.9. Het behoort tot de wettelijk toegekende appreciatiebevoegdheid van de vergunningverlenende overheid om, binnen de grenzen van de door het gewestplan opgelegde bestemmingsvoorschriften, te oordelen of de verkavelingsaanvraag al dan niet verenigbaar is met de eisen van de goede plaatselijke aanleg of ruimtelijke ordening. De Raad van State mag zijn beoordeling X-12.102-10/12 van de eisen van de plaatselijke aanleg of ruimtelijke ordening niet in de plaats stellen van die van de bevoegde administratieve overheid. In de uitoefening van zijn wettigheidstoezicht op een voor hem aangevochten bouwvergunning is hij enkel bevoegd om na te gaan of de bevoegde overheid bij het verlenen van die vergunning is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij die correct heeft beoordeeld en of zij op grond ervan in redelijkheid tot het besluit is kunnen komen dat de uitvoering van de te vergunnen bouwwerken overeenkomstig de bij de aanvraag gevoegde plannen niet onverenigbaar is met de eisen van een goede plaatselijke aanleg of een behoorlijke ruimtelijke ordening. 3.10. De bestreden vergunning situeert “het te verkavelen perceel” in woongebied en stelt vast dat de “creatie van bouwpercelen voor woningen beantwoordt aan de bestemmingsvoorschriften voor het gebied”. Voorts situeert de bestreden vergunning dat perceel “in de wijk ’t Holleken, aan de zuidwestzijde van de Villalaan” en overweegt het dat “de plaats is gekenmerkt door residentiële bebouwing in gesloten verband”. Deze feitelijke gegevens worden niet betwist door de verzoekers en blijken uit de gegevens van het dossier. Wanneer zoals te dezen, de beroepen beslissing van het college van burgemeester en schepenen ook de gevraagde verkavelingsvergunning verleende, evenwel mits de voorwaarde van een autostaanplaats in het hoofdgebouw, en op het vlak van de beoordeling van de verenigbaarheid met de eisen van de goede plaatselijke ordening “het gebrek aan parkeermogelijkheden in de nabije omgeving” aanvoerde omdat “de openbare weg beperkt is tot de wegzate en het voetpad van de verkaveling en de andere kant (...) volledig op privé-eigendom (
- is)gelegen”, moet worden aangenomen dat de bestreden beslissing ter verantwoording de met de goede plaatselijke aanleg of ruimtelijke ordening verband houdende redenen niet vermeldt louter door aan te nemen dat “er (...) geen verordening (
- is)op gemeentelijk, noch op gewestelijk vlak die de eis tot het realiseren van autostandplaatsen ondersteunt” en dat “de verplichting tot het verwezenlijken van een autobergplaats in iedere woning (...) niet te rechtvaardigen (
- is)in het licht van de actuele trend tot het aanmoedigen van alternatief vervoer”. Het eerste onderdeel van het middel is in de aangegeven mate gegrond. X-12.102-11/12 OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel 1. Vernietigd wordt de beslissing van 8 juli 2004 van de bestendige deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant houdende inwilliging van het door de consorten Rentiers ingestelde beroep tegen het besluit van 22 september 2003 van het college van burgemeester en schepenen van Linkebeek waarbij de vergunning voorwaardelijk wordt verleend voor het verkavelen van een perceel grond aan de Villalaan te Linkebeek, kadastraal bekend sectie B, nr. 95/a. Artikel 2. De kosten van het beroep, bepaald op 350 euro, komen ten laste van de verzoekende partijen, ieder voor de helft. De kosten van de tussenkomst, bepaald op 375 euro, komen ten laste van de tussenkomende partijen, ieder voor een derde. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zesentwintig mei 2008, door de Xe kamer, die was samengesteld uit : de HH. R. STEVENS, kamervoorzitter, J. BOVIN, staatsraad, P. LEFRANC, staatsraad, Mevr. A. TRUYENS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. TRUYENS. R. STEVENS. X-12.102-12/12 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.183.365 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div