← België

Arrest 183368 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 26/05/2008

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 26 mei 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.183.368 Rolnummer: A. 82458/X-8722 Zaak: Arrest 183368 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 26/05/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-06-06 Raadplegingen: 63 - laatst gezien 2026-06-29 08:06 Fiche Arrest nr 183.368 van 26 mei 2008 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Vernietiging Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 183.368 van 26 mei 2008 in de zaak A. 82.458/X-

  1. In zake :
  2. de gemeente DENDERLEEUW,
  3. het college van burgemeester en schepenen van de gemeente DENDERLEEUW, die woonplaats kiezen bij advocaat D. LINDEMANS, kantoor houdende te 1000 BRUSSEL, Keizerslaan 3 tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat S. DE WOLF, kantoor houdende te 9270 LAARNE, Kouterstraat
  4. D E R A A D V A N S T A T E, Xe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat de gemeente DENDERLEEUW en het college van burgemeester en schepenen van de gemeente DENDERLEEUW op 12 februari 1999 hebben ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 18 december 1998 van de Vlaamse minister van Openbare Werken, Vervoer en Ruimtelijke Ordening waarbij, enerzijds, het ministerieel besluit van 25 augustus 1998, houdende de inwilliging van het beroep van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Denderleeuw tegen de beslissing van 27 november 1997 van de bestendige deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen tot toekenning aan de b.v.b.a. DE DRUIVELAAR van een voorwaardelijke vergunning voor de bouw van een frituur aan de Steenweg te Denderleeuw, kadastraal bekend sectie B, nr. 740/a, wordt ingetrokken en waarbij, anderzijds, het beroep van het college van burgemeester en schepenen tegen de beslissing van de bestendige deputatie wordt verworpen; Gelet op het arrest nr. 81.408 van 29 juni 1999 waarbij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing wordt verworpen; X-8722-1/11 Gezien het verzoekschrift tot voortzetting, op 23 juli 1999 ingediend door de verzoekende partijen; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur T. DE WAELE; Gelet op de beschikking van 21 november 2003 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; Gelet op de beschikking van 22 november 2007 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 7 december 2007; Gehoord het verslag van kamervoorzitter R. STEVENS; Gehoord de opmerkingen van advocaat F. DE PRETER, die loco advocaat D. LINDEMANS verschijnt voor de verzoekende partijen; Gehoord het eensluidend advies van auditeur T. DE WAELE; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; OVERWEEGT WAT VOLGT :
  5. Feiten 1.
  6. Een aanvraag van de b.v.b.a. DE DRUIVELAAR bij het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Denderleeuw om langs de Steenweg een frituur op te richten, wordt door het college van burgemeester en schepenen van Denderleeuw in vergadering van 4 september 1997 geweigerd. 1.
  7. De aanvrager tekent tegen deze weigeringsbeslissing administratief beroep aan, en bij besluit van 27 november 1997 willigt de bestendige deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen dit beroep in. X-8722-2/11 1.
  8. Op 12 januari 1998 tekent de gemeente Denderleeuw tegen deze vergunningsbeslissing administratief beroep aan bij de minister. Op 25 augustus 1998 wordt een ministerieel besluit houdende inwilliging van het door de gemeente ingestelde beroep genomen. Dit besluit bevat de volgende motivering : “Overwegende dat het ontwerp strekt tot het oprichten van een frituur; dat de bestendige deputatie het ingestelde beroep heeft ingewilligd onder meer om reden dat de oprichting van een frituur geschiedt in een daartoe geëigende zone conform de bestemmingsvoorschriften; omdat frituren inrichtingen zijn die inherent zijn aan een woonzone; omdat de inplanting van de frituur op het perceel dermate gekozen is dat maximaal gestreefd wordt naar veiligheid en privacy en eventuele geluidshinder tot een minimum beperkt worden en omdat nopens de in- en uitrit (met eigen parkeermogelijkheid) door de Administratie Wegeninfrastructuur en Verkeer op 21 april 1997 gunstig advies werd verleend; dat door de bestendige deputatie aan deze inwilligingsbeslissing wel twee voorwaarden werden gekoppeld, te weten het gebouw op te richten in baksteenmetselwerk in plaats van hout en een passend groenscherm met streekeigen beplanting aan te leggen in overleg met de technische dienst van de gemeente, en dit uiterlijk het eerste plantseizoen volgend op de ingebruikname van de frituur; dat door het betrokken college van burgemeester en schepenen tegen deze voorwaardelijke inwilligingsbeslissing hoger beroep werd ingesteld omdat, naast de materiaalkeuze, de frituur eveneens storend is in een residentiële woonbuurt; omdat, gezien de geringe perceelsafstand achteraan, het groenscherm op een niettoereikende wijze wordt aangelegd; omdat het college van burgemeester en schepenen bekommerd is om de veiligheid van de zwakke weggebruiker en omdat, wat de privacy en de geluidshinder betreft, de aandacht wordt gevestigd op de aanwezigheid van de bejaardenwoningen van het O.C.M.W, ter hoogte van de achterste perceelsgrens; Overwegende dat het betrokken terrein volgens de bepalingen van het bij koninklijk besluit d.d. 30 mei 1978 vastgesteld gewestplan Aalst-Ninove-Geraardsbergen-Zottegem is gelegen in een woongebied; dat luidens de bepalingen van artikel 5 van het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en de gewestplannen de woongebieden bestemd zijn voor wonen, alsmede voor handel, dienstverlening, ambacht en kleinbedrijf voor zover deze taken van bedrijf om redenen van goede ruimtelijke ordening niet in een daartoe aangewezen gebied moeten worden afgezonderd, voor groene ruimten, voor sociaal-culturele inrichtingen, voor openbare nutsvoorzieningen, voor toeristische voorzieningen, voor agrarische bedrijven; dat deze bedrijven, voorzieningen en inrichtingen echter maar worden toegestaan voor zover ze verenigbaar zijn met de onmiddellijke omgeving; dat het betrokken terrein niet is begrepen binnen de grenzen van een goedgekeurd bijzonder plan van aanleg of van een behoorlijk vergunde en niet vervallen verkaveling, zodat op dit vlak geen specifieke stedebouwkundige voorschriften gelden; dat, ook wanneer het project in se in overeenstemming is met een dusdanige bestemming, het de taak blijft van de daartoe bevoegde overheid, te waken over een degelijke ruimtelijke ordening van het gebied; Overwegende dat de betrokken constructie een oppervlakte heeft van 12 meter op 4,85 meter en bedekt wordt met een plat dak met een hoogte van 2,60 meter; dat het gebouw wordt ingeplant op 26 meter van de linkerperceelsgrens, op 12 meter van de rechterperceelsgrens, op 8 meter vanaf de rooilijn van de gewestweg N405 en op minimaal 10 meter van de achterste X-8722-3/11 perceelsgrens; dat vooraan een gezamenlijke in-en uitrit met een breedte van 6 meter wordt voorzien; dat voor het gebouw ook een verharding wordt aangelegd met een oppervlakte van 18 meter op 8 meter voor het aanbrengen van 16 parkeerplaatsen; dat rondom nog een groenscherm wordt voorzien; dat in het gebouw zelf naast de eetruimte ook nog een keuken, sanitair, berging en stockage zijn gepland; Overwegende dat op basis van de kenmerken van het ontwerp kan worden gesteld dat het project in se niet in strijd is met de op het betrokken gewestplan aangeduide bestemming van woongebied; dat echter ook dient verwezen naar de bepalingen van artikel 19 van het bovenvermeld koninklijk besluit van 28 december 1972, die inhouden dat, ook al is de aanvraag niet in strijd met het gewestplan of ontwerpgewestplan, de vergunning evenwel slechts wordt afgegeven zo de uitvoering van de handelingen en werken verenigbaar is met de goede plaatselijke ordening; dat in dit verband de aard en de kenmerken van de bestaande bebouwing in de onmiddellijke omgeving een belangrijk gegeven vormen; dat deze onmiddellijke omgeving een zeer sterk residentieel karakter vertoont en de beoogde frituur als horecazaak in deze context een schril contrast vormt; dat ook de bestendige deputatie in haar inwilligingsbeslissing hierop wijst, wanneer zij stelt dat ‘... de gewestweg N405... gekenmerkt wordt door een overwegend residentiële bebouwing met deels erin ondergebracht vrije beroepen of kleinschalige handelsactiviteiten (dokter, kapsalon, café-frituur, interieurdecoratie, autohandelaars, ...) ...’; dat de bestendige deputatie verder nog stelt dat ‘... dit perceel zich situeert in een bebouwde omgeving met links een kapsalon, rechts residentiële bebouwing, achterliggend een woonproject van het OCMW (bejaardenwoningen) en overliggend residentiële bebouwing en recente woonwijken ...’; dat rekening houdend met deze feitelijke toestand en de onmiddellijk aangrenzende woonwijken, kan worden gesteld dat de beoogde frituur op deze onmiddellijke omgeving en het bestaande woonklimaat eerder negatief inwerkt; dat in dit kader trouwens ook niet mag worden veronachtzaamd dat tijdens het openbaar onderzoek drie schriftelijke bezwaren en een petitie met 49 handtekeningen werden ingediend; Overwegende dat door de particulier in dit verband wordt aangevoerd dat zich in de omgeving nog andere handelszaken bevinden en derhalve toepassing dient gemaakt van het gelijkheidsbeginsel; dat hieraangaande echter dient opgemerkt dat de aangehaalde vergelijkingspunten zich niet allen in de onmiddellijke omgeving bevinden en evenmin ais een gelijkaardige activiteit kunnen worden beschouwd; dat een horecazaak zoals de beoogde frituur door de aard van de activiteiten niet kan worden vergeleken met andere bestaande kleinhandelszaken als een kapsalon of reeds gevestigde vrije beroepen; dat het aldus in casu niet gaat om gelijkaardige gevallen, zodat deze argumentatie van de particulier niet kan worden weerhouden; Overwegende dat echter ook op een andere factor dient gewezen, namelijk een te constateren wanverhouding tussen enerzijds de oppervlakte van het terrein en anderzijds de voorziene bebouwde oppervlakte; dat het perceel zelf, met gemiddelde afmetingen van 50,75 meter op 22 meter, een oppervlakte kent van ongeveer 1.116,50 m², terwijl de betrokken frituur zelf een oppervlakte kent van ongeveer 58 m2 ; dat in deze optiek toch rekening moet worden gehouden met het feit dat het betrokken terrein is gesitueerd in een woongebied en dient gestreefd naar een maximaal stedenbouwkundig aanvaardbare benutting van de beschikbare ruimte; dat door de bovenvermelde wanverhouding van de bebouwde oppervlakte met de totale oppervlakte van het perceel een niet onbelangrijk gedeelte van het terrein aan de woonfunctie wordt onttrokken; dat aldus de primaire doelstelling, namelijk het creëren van woongelegenheid, door de realisatie van dit project wordt gedwarsboomd; dat om alle bovengenoemde redenen - waartegen de overige door de particulier aangevoerde argumenten en de door de bestendige deputatie opgelegde X-8722-4/11 voorwaarden niet kunnen opwegen - dient gesteld dat het project de goede aanleg van de plaats in het gedrang brengt en stedenbouwkundig niet kan worden aanvaard; dat aldus de voorwaardelijke inwilligingsbeslissing van de bestendige deputatie het algemeen belang schaadt en in strijd is met een degelijk beleid inzake ruimtelijke ordening; dat zodoende het hoger beroep van het college van burgemeester en schepenen in aanmerking komt voor inwilliging”. 1.
  9. Het blijkt dat vervolgens het initiatief werd genomen om het dossier aan een nieuw onderzoek te onderwerpen. Daartoe werd een kabinetsmedewerker ter plaatse gestuurd, die tot de bevinding kwam “dat de afwegingen in het desbetreffende (ministerieel) besluit niet overeenstemmen met de stedenbouwkundige realiteit”. Aan de administratie wordt vanwege de kabinetschef dan ook gevraagd “een bijgesteld ontwerp MB voor te leggen”. Nadat de administratie aanvankelijk aan de minister te kennen geeft dat zowel vanuit juridisch als vanuit inhoudelijk oogpunt beter niet overgegaan wordt tot het intrekken van het eerste besluit en het nemen van een nieuw tegengesteld besluit, wordt op 18 december 1998 toch een besluit genomen tot, enerzijds, intrekking van het ministerieel besluit van 25 augustus 1998 en, anderzijds, verwerping van het door het gemeentebestuur ingestelde administratief beroep. Dit besluit is als volgt gemotiveerd: “Overwegende dat onderhavig beroep van het college van burgemeester en schepenen bij ministerieel besluit van 25 augustus 1998 na rappelbrief van de betrokkene werd ingewilligd; dat echter naderhand bijgebrachte gegevens, resulterend uit een onderzoek ter plaatse een nieuw licht op deze zaak werpen zodat een heronderzoek zich opdrong; dat dit nieuwe onderzoek leidde tot hierna volgende resultaten en overwegingen; Overwegende dat het ontwerp strekt tot het oprichten van een frituur; dat de bestendige deputatie het ingestelde beroep heeft ingewilligd onder meer om reden dat de oprichting van een frituur geschiedt in een daartoe geëigende zone conform de bestemmingsvoorschriften; omdat frituren inrichtingen zijn die inherent zijn aan een woonzone; omdat de inplanting van de frituur op het perceel dermate gekozen is dat maximaal gestreefd wordt naar veiligheid en privacy en dat eventuele geluidshinder tot een minimum beperkt wordt en omdat nopens de in- en uitrit (met eigen parkeermogelijkheid) door de Administratie Wegeninfrastructuur en Verkeer op 21 april 1997 gunstig advies werd verleend; dat door de bestendige deputatie aan deze inwilligingsbeslissing wel twee voorwaarden werden gekoppeld, te weten het gebouw op te richten in baksteenmetselwerk in plaats van hout en een passend groenscherm met streekeigen beplanting aan te leggen in overleg met de technische dienst van de gemeente, en dit uiterlijk het eerste plantseizoen volgend op de ingebruikname van de frituur; dat door het betrokken college van burgemeester en schepenen tegen deze voorwaardelijke inwilligingsbeslissing hoger beroep werd ingesteld omdat, naast de materiaalkeuze, de frituur eveneens storend is in een residentiële woonbuurt; omdat, gezien de geringe perceelsafstand achteraan, het X-8722-5/11 groenscherm op een niet toereikende wijze wordt aangelegd; omdat het college van burgemeester en schepenen bekommerd is om de veiligheid van de zwakke weggebruiker en omdat, wat de privacy en de geluidshinder betreft, de aandacht wordt gevestigd op de aanwezigheid van de bejaardenwoningen van het O.C.M.W. ter hoogte van de achterste perceelsgrens; Overwegende dat het betrokken terrein volgens de bepalingen van het bij koninklijk besluit d.d. 30 mei 1978 vastgesteld gewestplan Aalst-Ninove-Geraardsbergen-Zottegem is gelegen in een woongebied; dat luidens de bepalingen van artikel 5 van het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en de gewestplannen de woongebieden bestemd zijn voor wonen, alsmede voor handel, dienstverlening, ambacht en kleinbedrijf voor zover deze taken van bedrijf om redenen van goede ruimtelijke ordening niet in een daartoe aangewezen gebied moeten worden afgezonderd, voor groene ruimten, voor sociaal-culturele inrichtingen, voor openbare nutsvoorzieningen, voor toeristische voorzieningen, voor agrarische bedrijven; dat deze bedrijven, voorzieningen en inrichtingen echter maar worden toegestaan voor zover ze verenigbaar zijn met de onmiddellijke omgeving; dat het betrokken terrein niet is begrepen binnen de grenzen van een goedgekeurd bijzonder plan van aanleg of van een behoorlijk vergunde en niet vervallen verkaveling, zodat op dit vlak geen specifieke stedebouwkundige voorschriften gelden; Overwegende dat de betrokken constructie een oppervlakte heeft van 12 meter op 4,85 meter en bedekt wordt met een plat dak met een hoogte van 2,60 meter; dat het gebouw wordt ingeplant op 26 meter van de linkerperceelsgrens, op 12 meter van de rechterperceelsgrens, op 8 meter vanaf de rooilijn van de gewestweg N405 en op minimaal 10 meter van de achterste perceelsgrens; dat vooraan een gezamenlijke in- en uitrit met een breedte van 6 meter wordt voorzien; dat voor het gebouw ook een verharding wordt aangelegd met een oppervlakte van 18 meter op 8 meter voor het aanbrengen van 16 parkeerplaatsen; dat rondom nog een groenscherm wordt voorzien; dat in het gebouw zelf naast de eetruimte ook nog een keuken, sanitair, berging en stockage zijn gepland; Overwegende dat op basis van de kenmerken van het ontwerp kan worden gesteld dat het project niet in strijd is met de op het betrokken gewestplan aangeduide bestemming van woongebied; dat frituren inherent zijn aan een woonzone; dat zich derhalve op planologisch vlak geen bezwaren stellen tegen de geplande oprichting; Overwegende dat uit het onderzoek ter plaatse is gebleken dat de visie van de bestendige deputatie kan worden bijgetreden, wanneer deze stelt dat de inplanting van de frituur dermate is gekozen dat maximaal wordt gestreefd naar veiligheid en privacy en dat eventuele geluidshinder tot een minimum wordt beperkt; dat ook rekening moet worden gehouden met de voorwaarden die op technisch-stedenbouwkundig vlak aan haar inwilligingsbeslissing werden gekoppeld; dat aldus geen storend karakter van deze inrichting in het woongebied kan worden ingeroepen; dat daarenboven uit de verdere gegevens blijkt dat het ontwerp inpasbaar is in de stedenbouwkundige omgeving onder meer door het hoogteverschil met de achterliggende bejaardenvoorzieningen, en dat tenslotte de terreininname binnen de woonzone niet overdreven kan worden geacht; dat op basis van bovenvermelde overwegingen kan worden gesteld dat het project de goede aanleg van de plaats niet in het gedrang brengt en stedenbouwkundig kan worden aanvaard; dat aldus de voorwaardelijke inwilligingsbeslissing van de bestendige deputatie kan worden bijgetreden; dat zodoende de inwilligingsbeslissing van het beroep van het college van burgemeester en schepenen dient te worden ingetrokken en het beroep verworpen”. X-8722-6/11 Dit is het bestreden besluit.
  10. Ontvankelijkheid De tweede verzoekende partij toont geen eigen belang bij de vordering aan. Het beroep is in haar hoofde niet ontvankelijk.
  11. Ten gronde 3.1.
  12. Het eerste middel is genomen “uit de schending van 53, § 2, en § 3, van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996 (hierna: DRO), en wegens onbevoegdheid, doordat de verwerende partij met het bestreden besluit op eigen gezag een beslissing die zij heeft genomen, op grond van artikel 53, § 2 DRO intrekt, terwijl geen enkel artikel uit dat decreet, noch enige andere wettelijke of decretale bepaling aan de minister de bevoegdheid verleent om op eigen gezag een beslissing die hij heeft genomen op grond van artikel 53, § 2 DRO in te trekken om zodoende de gevolgen van het uitblijven van een beroep goed te maken, om de afhandeling van de administratieve procedure te bespoedigen of om enige andere reden die niet is, de vaststelling van de onwettigheid van zijn eigen handelen, waarbij zijn onwettige beslissing niet definitief is geworden. Toelichting (...) Te dezen heeft de aanvrager klaarblijkelijk geoordeeld te moeten berusten in het eerste besluit d.d. 25 augustus 1998: hij heeft géén beroep tot nietigverklaring ingediend, en nog minder middelen aangevoerd die de overheid wettig tot de conclusie konden brengen dat zij met dit besluit de wet had geschonden. Toch heeft de verwerende partij, klaarblijkelijk op eigen initiatief, dit besluit ingetrokken, een plaatsbezoek gebracht en een nieuwe beslissing genomen. Alleen een nieuwe aanvraag om vergunning had de zaak, in hoger beroep, bij de verwerende partij kunnen aanbrengen. Door te oordelen zoals de verwerende partij heeft gedaan heeft zij derhalve de wet geschonden, en meer bepaald heeft de verwerende partij haar bevoegdheid miskend”. 3.1.
  13. De verwerende partij repliceert: “(...) 1.1.
  14. Bestuurshandelingen kunnen slechts onder bepaalde voorwaarden worden ingetrokken. Zo kan een onregelmatige administratieve rechtshandeling worden ingetrokken wanneer het gaat om een zogeheten ‘onbestaande’ handeling, zijnde een handeling die door een zodanige grove en manifeste onregelmatigheid is aangetast dat zij voor onbestaande moet worden gehouden. In casu bestond de onregelmatigheid erin dat hij niet correct was geïnformeerd over de werkelijke toedracht van de feitelijke situatie in onderhavige zaak. 1.1.
  15. Zulks blijkt afdoende uit de overweging op p. 2 van het Ministerieel Besluit dd. 18.12.1998: X-8722-7/11 ‘Overwegende dat onderhavig beroep van het College van Burgemeester en Schepenen bij Ministerieel Besluit van 25 augustus 1998 na rappelbrief van de betrokkene werd ingewilligd; dat echter naderhand bijgebrachte gegevens, resulterend uit een onderzoek ter plaatse een nieuw licht op deze zaak werpen zodat een heronderzoek zich opdrong; dat dit nieuwe onderzoek leidde tot hierna volgende resultaten en overwegingen’. 1.1.
  16. Met name is uit het onderzoek ter plaatse gebleken: ‘... dat de visie van de Bestendige Deputatie kan worden bijgetreden, wanneer deze stelt dat de inplanting van de frituur dermate is gekozen dat maximaal wordt gestreefd naar veiligheid en privacy en dat eventuele geluidshinder tot een minimum wordt beperkt; dat ook rekening moet worden gehouden met de voorwaarden die op technisch - stedebouwkundig vlak aan haar inwilligingsbeslissing werden gekoppeld; dat aldus geen storend karakter van deze inrichting in het woongebied kan worden ingeroepen; dat daarenboven uit de verdere gegevens blijkt dat het ontwerp inpasbaar is in de stedebouwkundige omgeving onder meer door het hoogteverschil met de achterliggende bejaardenvoorzieningen en dat tenslotte de terreininname binnen de woonzone niet overdreven kan worden geacht; dat op basis van bovenvermelde overwegingen kan worden gesteld dat het project de goede aanleg van de plaats niet in het gedrang brengt en stedebouwkundig kan worden aanvaard; dat aldus de voorwaardelijke inwilligingsbeslissing van de Bestendige Deputatie kan worden bijgetreden; dat zodoende de inwilligingsbeslissing van het beroep van het College van Burgemeester en Schepenen dient te worden ingetrokken en het beroep verworpen’. 1.1.
  17. Uit het administratief dossier blijkt verder dat volgende elementen/gegevens de Minister ertoe brachten tot een andere conclusie te komen dan deze vervat in het Ministerieel Besluit van 25.08.
  18. Uit een plaatsbezoek was gebleken dat volgende afwegingen in het Ministerieel Besluit van 25.08.1998 niet overeenstemden met de stedebouwkundige realiteit: a) inzake het storend karakter van de inrichting in het woongebied; b) het ontwerp inpasbaar is in de stedebouwkundige omgeving; c) de potentiële woonkavel geen overdreven terreininname impliceert. Het zijn precies deze determinerende feiten - niet aanwezig bij de beoordeling van het oorspronkelijk Ministerieel Besluit dd. 25.08.1998 die de Minister bracht tot zijn conclusie in het Ministerieel Besluit van 18.12.
  19. Het eerste middel faalt derhalve”. 3.1.
  20. De eerste verzoekende partij repliceert: “Het argument van de verwerende partij overtuigt in het geheel niet. Uit de vergelijking tussen de twee beslissingen blijkt duidelijk dat de overheid, na een bezoek ter plaatse gewoon van standpunt is veranderd. Na een eerste onderzoek van het dossier oordeelde zij dat het project in strijd was met de goede plaatselijke ordening; na een tweede onderzoek oordeelde zij dat dit niet het geval was. Zij gaat dus, in het kader van de discretionaire bevoegdheid, de tweede keer meer belang hechten aan bepaalde elementen die bij het eerste onderzoek ook al bekend waren. Het is duidelijk dat een dergelijk verandering van standpunt in het geheel niet wijst op een dergelijke onregelmatigheid, die er toe zou leiden dat de administratieve rechtshandeling voor onbestaande moet worden gehouden. Een rechtshandeling kan enkel voor onbestaande worden gehouden indien de onregelmatigheden waarmee de rechtshandeling is behept, van die aard zijn dat het voor ieder weldenkend mens duidelijk is dat de rechtshandeling onrechtmatig is. Het is duidelijk dat dit in casu niet het geval is. X-8722-8/11 De minister stelt trouwens op geen enkel ogenblik de onwettigheid van de beslissing vast. Het middel is dan ook gegrond”. 3.2.
  21. Een administratieve rechtshandeling die rechten heeft doen ontstaan kan slechts ingetrokken worden, ofwel indien een uitdrukkelijke wetsbepaling zulks toelaat, ofwel indien de onregelmatigheid van de beslissing kan worden aangetoond, in welk laatste geval de intrekking moet plaatsvinden binnen de termijn van 60 dagen voor het instellen van een annulatieberoep bij de Raad van State (of vóór het sluiten der debatten indien dergelijk beroep ook effectief werd ingesteld). 3.2.
  22. De intrekking van het besluit van 25 augustus 1998 waarbij het administratief beroep van de eerste verzoekende partij tegen de door de bestendige deputatie, in beroep tegen de aanvankelijke weigeringsbeslissing van de eerste verzoekende partij verleende vergunning, werd ingewilligd, raakt aan de rechten van die partij. 3.2.
  23. Het bestreden besluit is genomen buiten de voormelde te eerbiedigen termijn van 60 dagen, en er werd tegen het ingetrokken besluit geen annulatieberoep ingesteld. 3.2.
  24. Uit de feitenuiteenzetting evenals uit de motivering van het bestreden besluit blijkt dat de minister niet is overgegaan tot de intrekking omwille van enige “onregelmatigheid” van de aanvankelijke weigeringsbeslissing. De intrekking is het resultaat van een “nieuw onderzoek”, middels een “onderzoek ter plaatse”, dat een “nieuw licht” op de zaak zou geworpen hebben, meer bepaald aangaande de inpasbaarheid van de ontworpen frituur in het woongebied en de wijze waarop dit ter plaatse aangelegd is. Met ander woorden is de minister overgegaan tot een nieuwe feitelijke appreciatie. Er kan dan ook niet worden aangenomen dat de intrekking gestoeld was op de stelling dat de ingetrokken beslissing “onbestaande” was. Het middel is gegrond. X-8722-9/11 OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
  25. Het beroep wordt verworpen in hoofde van de tweede verzoekende partij. Artikel
  26. Vernietigd wordt het besluit van 18 december 1998 van de Vlaamse minister van Openbare Werken, Vervoer en Ruimtelijke Ordening waarbij, enerzijds, het ministerieel besluit van 25 augustus 1998, houdende de inwilliging van het beroep van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Denderleeuw tegen de beslissing van 27 november 1997 van de bestendige deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen tot toekenning aan de b.v.b.a. DE DRUIVELAAR van een voorwaardelijke vergunning voor de bouw van een frituur aan de Steenweg te Denderleeuw, kadastraal bekend sectie B, nrs. 470/a, wordt ingetrokken en waarbij, anderzijds, het beroep van het college van burgemeester en schepenen tegen de beslissing van de bestendige deputatie wordt verworpen. Artikel
  27. De kosten van de vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 694,12 euro, komen voor de helft ten laste van de verwerende partij, en voor de helft ten laste van de tweede verzoekende partij. X-8722-10/11 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zesentwintig mei 2008, door de Xe kamer, die was samengesteld uit : de HH. R. STEVENS, kamervoorzitter, J. BOVIN, staatsraad, E. BREWAEYS, staatsraad, Mevr. A. TRUYENS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. TRUYENS. R. STEVENS. X-8722-11/11 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.183.368 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:1999:ARR.81.408 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.