id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 26 mei 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.183.371 Rolnummer: A. 99818/X-10066 Zaak: Arrest 183371 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 26/05/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-06-06 Raadplegingen: 58 - laatst gezien 2026-06-29 08:06 Fiche Arrest nr 183.371 van 26 mei 2008 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 183.371 van 26 mei 2008 in de zaak A. 99.818/X-10.
- In zake : de n.v. PRINTING INTERNATIONAL, die woonplaats kiest bij advocaat J. VAN OVERBERGHE, kantoor houdende te 9800 DEINZE, Guido Gezellelaan 109, bus
- tegen : de deputatie van de provincieraad van OOST-VLAANDEREN. D E R A A D V A N S T A T E, Xe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat de n.v. PRINTING INTERNATIONAL op 25 januari 2001 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van de beslissing van 10 augustus 2000 van de bestendige deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen waarbij haar beroep niet wordt ingewilligd tegen het besluit van 8 mei 2000 van het college van burgemeester en schepenen van Aalter waarbij haar de vergunning wordt geweigerd tot het uitbreiden van een industriegebouw aan de Ambachtenlaan te Aalter, kadastraal gekend sectie B, nr. 637/n; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur P. BARRA; Gelet op de beschikking van 27 oktober 2004 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memorie van de verzoekende partij; Gelet op de beschikking van 21 maart 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 25 april 2008; X-10.066-1/8 Gehoord het verslag van staatsraad J. VAN NIEUWENHOVE; Gehoord de opmerkingen van advocaat P. ROTSAERT, die loco advocaat J. VAN OVERBERGHE verschijnt voor de verzoekende partij, en van bestuurssecretaris M.-A. DE GEEST, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur P. BARRA; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; OVERWEEGT WAT VOLGT :
- De feiten 1.
- De verzoekende partij dient op 10 december 1999 een aanvraag in voor het bekomen van een vergunning voor het uitbreiden van een industriegebouw, meer bepaald voor het slopen van het metalen afdak achteraan het terrein, het uitbreiden van de bestaande werkhallen met een gebouw van 30,72 bij 12 m (oppervlakte 368 m², volume 1.843 m³) voor de opslag van verpakking, een spuitcabine, een inktlabo, opslag van brandbare producten en een niet nader gespecifieerde ruimte van 5 bij 3,50 m. Deze uitbreiding is voorzien van een plat dak en heeft een kroonlijsthoogte van 5 m. Voorts voorzien de plannen in de aanleg van een brandweerweg aan de achterzijde van het perceel langs de nieuwe uitbreiding, aansluitend op de bestaande weg langs de rechterperceelgrens. In de nota gevoegd bij de aanvraag wordt vermeld dat het betrokken terrein gelegen is in industriegebied. 1.
- Het betrokken terrein is volgens de bestemmingsvoorschriften van het gewestplan Eeklo-Aalter, vastgesteld bij koninklijk besluit van 24 maart 1978, ten dele gelegen in industriegebied - meer bepaald gebied voor ambachtelijke bedrijven en voor kleine en middelgrote ondernemingen - en ten dele in buffergebied. Het terrein is niet gelegen in het beheersingsgebied van een behoorlijk vergunde, niet vervallen verkaveling en evenmin in het beheersingsgebied van een door de regering goedgekeurd bijzonder plan van aanleg. X-10.066-2/8 1.
- Het college van burgemeester en schepenen stuurt de aanvraag op 20 december 1999 naar de gemachtigde ambtenaar met een gunstig preadvies en vermeldt daarbij dat het terrein in ambachtelijke zone ligt. 1.
- De gemachtigde ambtenaar geeft op 21 april 2000 een ongunstig advies. Hierin stelt hij dat de voorgenomen werken gelegen zijn in buffergebied, overeenkomstig de vaststellingen door een beëdigd landmeter van het bestuur. De aanvraag is derhalve in strijd met het van kracht zijnde gewestplan, omdat in een bufferzone geen industriële constructies zijn toegelaten. 1.5 Op grond van dit ongunstige advies weigert het college van burgemeester en schepenen op 8 mei 2007 de stedenbouwkundige vergunning. 1.
- De verzoekende partij stelt tegen deze weigeringsbeslissing beroep in bij de bestendige deputatie van de provincie Oost-Vlaanderen. Dit beroep wordt verworpen door de beslissing van de bestendige deputatie van 10 augustus
- In die beslissing stelt de bestendige deputatie dat het perceel deels in industriegebied, deels in bufferzone gelegen is. Omdat de geplande uitbreiding is gelegen in buffergebied, is ze in strijd met deze bestemming. De beslissing overweegt daaromtrent het volgende: “dat volgens de begeleidende nota deze uitbreiding er komt teneinde in overeenstemming met de geldende veiligheids- en milieuvoorschriften de solventen die gebruikt worden om inkten aan te maken, in een aparte ruimte op te slaan, die gecompartimenteerd is van de rest van het bedrijf; dat conform § 1, 4/ lid van artikel 43 van het (decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996) het uitbreiden van een bestaand vergund gebouw met uitzondering van woningbouw toelaatbaar is met een gebouw of vaste inrichting op voorwaarde dat de uitbreiding het noodzakelijk gevolg is van overeenkomstig het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning voorgeschreven algemene sectoriële of bijzondere voorwaarden, strekkende tot het bevorderen van de kwaliteit van het leefmilieu, of het noodzakelijk gevolg van een voorwaarde die betrekking heeft op de gezondheid van de mens opgelegd op advies van de bevoegde administratie naar aanleiding van een in het kader van genoemd decreet verleende vergunning, of het noodzakelijk gevolg van maatregelen voorgeschreven door de sociale inspecteurs die bevoegd zijn in het kader van de wet van 16 november 1972 betreffende de arbeidsinspectie, of het noodzakelijk gevolg van maatregelen voorgeschreven in het kader van de wet van 2 april 1971 betreffende de bestrijding van voor planten en plantaardige producten schadelijke organismen, in het kader van de wet van 24 maart 1987 betreffende de dierengezondheid, of in het kader van de wet van 14 augustus 1986 betreffende de bescherming en het welzijn der dieren; dat deze mogelijkheid enkel geldt voor deze gebouwen die gelegen zijn in een agrarisch gebied, een landschappelijk waardevol agrarisch gebied en/of parkgebied; dat in een X-10.066-3/8 buffergebied geen afwijkingsmogelijkheden mogelijk zijn; dat het beroep niet vatbaar is voor inwilliging”. 1.
- De beslissing van de bestendige deputatie wordt aan de verzoekende partij betekend op 28 augustus
- In de begeleidende brief wordt vermeld dat zij administratief beroep kan instellen bij de Vlaamse Regering. 1.
- Op 21 september 2000 stelt de verzoekende partij administratief beroep in bij de Vlaamse Regering tegen de beslissing van de bestendige deputatie. 1.
- De verwerende partij brengt de verzoekende partij met een brief van 28 november 2000 op de hoogte van het feit dat de vermelding in haar brief van 28 augustus 2000 verkeerd was, nu artikel 53, § 2, tweede lid van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996, zoals gewijzigd door het decreet van 26 april 2000, niet meer voorziet in de mogelijkheid voor de aanvrager om administratief beroep aan te tekenen bij de minister. Zij wijst ook op artikel 19, tweede lid van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, dat bepaalt dat de verjaringstermijn om een beroep aan te tekenen geen aanvang neemt, zolang de juiste beroepsmogelijkheid niet werd betekend en dat beroep open staat bij de Raad van State vanaf de ontvangst van deze brief. 1.
- De verzoekende partij stelt beroep tot nietigverklaring in bij de Raad van State op 25 januari
- Ontvankelijkheid van het beroep 2.
- De verwerende partij voert aan dat het beroep tot vernietiging laattijdig werd ingesteld, omdat de beroepstermijn een aanvang heeft genomen op de datum van de kennisgeving door de verwerende partij van de beroepsmogelijkheid bij de Raad van State. De verzoekende partij zou het verzoekschrift tot nietigverklaring pas op de eenenzestigste dag van die beroepstermijn hebben laten toekomen. 2.
- De verzoekende partij repliceert dat zij het verzoekschrift heeft verzonden op 25 januari 2001 en dat het beroep tot vernietiging bijgevolg tijdig werd ingesteld. X-10.066-4/8 2.
- Overeenkomstig artikel 19, tweede lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State is het beginpunt van de beroepstermijn de dag waarop de verwerende partij de verzoekende partij in kennis heeft gesteld van de juiste beroepsmogelijkheid tegen de bestreden beslissing. De beroepstermijn kon derhalve ten vroegste beginnen lopen de dag na de ontvangst van die kennisgeving door de verzoekende partij. De dag waarop het verzoekschrift tot nietigverklaring wordt verstuurd naar de Raad van State is bepalend voor de tijdigheid van het instellen van een beroep. De verzoekende partij ontving de kennisgeving met de juiste beroepsmogelijkheid ten vroegste op woensdag 29 november 2000, zodat de beroepstermijn niet voor donderdag 30 november is beginnen lopen. Aangezien de verzoekende partij het verzoekschrift heeft verstuurd op 25 januari 2001, is het beroep tot nietigverklaring tijdig ingesteld. 2.
- Het beroep is ontvankelijk.
- Ten gronde 3.1.
- De verzoekende partij voert in een eerste middel de schending aan van de formele motiveringsplicht, van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, van artikel 43 van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996 zoals gewijzigd door het decreet van 26 april 2000 houdende wijziging van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening en van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober
- De verzoekende partij stelt dat de bestreden beslissing niet juist en pertinent is gemotiveerd, aangezien de decretale bepaling waarop zij berust, met name artikel 43 van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996, gewijzigd werd bij het decreet van 26 april 2000 houdende wijziging van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening en van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober
- Vermits die wijziging in werking is getreden op 1 mei 2000, moest de verwerende partij er rekening mee houden bij haar oordeel over het door de verzoekende partij ingestelde beroep. Door de voornoemde decretale wijziging wordt de mogelijkheid verruimd om bij het verlenen van een vergunning onder bepaalde voorwaarden af X-10.066-5/8 te wijken van de gewestplanbestemming, onder meer voor wat betreft gebieden voor ambachtelijke bedrijven en voor kleine en middelgrote ondernemingen. Aangezien de bestreden beslissing het bestaan van die mogelijkheid negeert, is zij gebaseerd op een verkeerd oordeel omtrent de toepasselijke decretale bepalingen en bijgevolg onwettig. 3.1.
- De verwerende partij stelt dat de wijziging door het decreet van 26 april 2000 pas van toepassing is op vergunningsaanvragen die dateren van na de datum van inwerkingtreding van het decreet, zodat de bestreden beslissing terecht uitgaat van de toepasselijkheid van de oude decretale bepaling en derhalve geen rekening mocht houden met de wijziging door het decreet van 26 april
- Bovendien betreft die wijziging enkel gebieden voor ambachtelijke bedrijven en voor kleine en middelgrote ondernemingen en geen buffergebieden. 3.1.
- Artikel 57 van het decreet van 26 april 2000 houdende wijziging van het decreet van 18 mei 1999 houdende organisatie van de ruimtelijke ordening en van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996 brengt een aantal wijzigingen aan in artikel 43 van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober
- Die wijzigingen zijn overeenkomstig artikel 64 van het decreet van 26 april 2000 in werking getreden op 1 mei
- Overeenkomstig artikel 67 van hetzelfde decreet zijn die wijzigingen slechts van toepassing op de aanvragen waarvan het ontvangstbewijs dateert van na 1 mei
- Aangezien het ontvangstbewijs van de vergunningsaanvraag dateert van 10 december 1999, zijn de betrokken decretale wijzigingen niet toepasselijk op de vergunningsaanvraag en mocht de overheid er ook geen rekening mee houden. 3.1.
- De vergunningsaanvraag moest derhalve worden beoordeeld volgens artikel 43 van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996, zoals gewijzigd bij het decreet van 18 mei
- Overeenkomstig artikel 43, § 2, zesde lid van dit decreet kunnen de gemachtigde ambtenaar en het college van burgemeester en schepenen gedurende een periode van vijf jaar na de inwerkingtreding van de betrokken bepaling (op 18 juni 1999) bij het verlenen van een vergunning onder bepaalde voorwaarden afwijken van de voorschriften van het gewestplan. Het zevende lid beperkt deze mogelijkheid X-10.066-6/8 evenwel tot gebouwen die gelegen zijn in agrarisch gebied, landschappelijk waardevol agrarisch gebied of parkgebied. De bestreden beslissing past de betrokken decretale bepaling derhalve correct toe. 3.1.
- Dat de bestaande bedrijfsgebouwen ten dele gelegen zijn in gebied voor ambachtelijke bedrijven en voor kleine en middelgrote ondernemingen en ten dele in buffergebied, zoals de verzoekende partij opmerkt, is in dezen niet relevant. Evenmin is van belang dat de beoogde uitbreiding aansluit bij de bestaande bebouwing, de bestaande bouwlijn aanhoudt en is ingegeven door de bekommernis om aan de van kracht zijnde milieubepalingen te voldoen, zoals de verzoekende partij betoogt. Deze overwegingen kunnen immers geen overheidsbeslissing verantwoorden die zou ingaan tegen de decretale bepalingen zoals die gelden op het ogenblik van het indienen van de vergunningsaanvraag. 3.1.
- Het eerste middel is ongegrond. 3.2.
- De verzoekende partij voert in een tweede middel de schending aan van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, met name van de zorgvuldigheidsplicht. Zij voert aan dat de overheid geen rekening hield met de wijzigingen die werden aangebracht door het decreet van 26 april 2000 houdende wijziging van het decreet van 18 mei 1999 houdende organisatie van de ruimtelijke ordening en van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996 en dat derhalve geen ernstig onderzoek is gebeurd van de toepasselijke wetgeving. Aangezien bij de vermelding van de toepasselijke decretale bepalingen het decreet van 26 april 2000 wel werd vermeld, is de motivering van de beslissing tegenstrijdig en niet met de nodige zorgvuldigheid opgesteld. Bovendien moest de overheid de verschillende elementen van het dossier afwegen, waaronder “de gebruikelijke inzichten en noden betreffende een goede ruimtelijke ordening”. 3.2.
- In de mate dat het middel betrekking heeft op de toepasselijkheid van het decreet van 26 april 2000, kan worden verwezen naar de overwegingen met betrekking tot het eerste middel. X-10.066-7/8 Daarenboven kan de overheid geen rekening houden met andere elementen van het dossier wanneer die haar er toe zouden brengen om toepasselijke decretale bepalingen te miskennen. 3.2.
- Het tweede middel is ongegrond. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
- Het beroep wordt verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zesentwintig mei 2008, door de Xe kamer, die was samengesteld uit : de HH. R. STEVENS, kamervoorzitter, J. BOVIN, staatsraad, J. VAN NIEUWENHOVE, staatsraad, Mevr. A. TRUYENS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. TRUYENS. R. STEVENS. X-10.066-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.183.371 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div