← België

Arrest 183453 - Examenbetwistingen en weigeringen tot inschrijving - 27/05/2008

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 27 mei 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.183.453 Rolnummer: A. 186905/XII-5330 Zaak: Arrest 183453 - Examenbetwistingen en weigeringen tot inschrijving - 27/05/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-06-09 Raadplegingen: 60 - laatst gezien 2026-06-29 08:06 Fiche Arrest nr 183.453 van 27 mei 2008 Onderwijs en cultuur - Examenbetwistingen en weigeringen tot inschrijving Beslissing : Verwerping Depersonalisatie Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 183.453 van 27 mei 2008 in de zaak A. 186.905/XII-

  1. In zake : XXXX, tegen : de UNIVERSITEIT GENT, die woonplaats kiest bij advocaat J. Goethals, kantoor houdende te Ardooie, Brugstraat
  2. --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXXX op 1 februari 2008 heeft ingediend om de schorsing te vorderen van de tenuitvoerlegging van : “twee definitieve beslissingen van de Universiteit Gent, de eerste bij monde van de Decaan van de faculteit Economie en Bedrijfskunde van 14 december 2007 waarin de keuze voor de twee opleidingsonderdelen ‘Elektrotechniek en elektronica’ (1e keuze) en ‘Milieutechnologie’ (2e keuze) op het curriculum geweigerd wordt, en vervolgens, ná een goedgekeurd alternatief voorstel met de twee alternatieve keuzevakken ‘Inleiding tot het EU Recht’ (1e keuze) en ‘Hedendaagse Sociale en Economische Geschiedenis’ (2e keuze) op 19 december 2007, een tweede beslissing bij monde van de heer P. Ruyssinck in een schrijven van 17 januari 2008 waarvan kennisname op 21 januari waarin te kennen wordt gegeven dat voor deze twee alternatieve vakken geen examens meer mogen worden afgelegd in de eerste examenperiode van het academiejaar en dat het zelfs ‘volstrekt overbodig is dat verzoekende partij zich zou aanmelden bij de titularissen om de examens af te leggen’”; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door adjunct-auditeur J. Neuts; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; Gelet op de beschikking van 9 april 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 29 april 2008; XII-5330-1/7 Gehoord het verslag van staatsraad G. van Haegendoren; Gehoord de opmerkingen van verzoeker, en van advocaat S. Lust, die loco advocaat J. Goethals verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur D. Mareen; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, OVERWEEGT WAT VOLGT : De feitelijke gegevens van de zaak 1.
  3. Verzoeker is werkstudent en volgt de opleiding tot licentiaat Economische Wetenschappen aan de Universiteit Gent. Op 12 oktober 2007 laat verwerende partij aan verzoeker weten dat, wegens de invoering van de “BaMa-structuur”, de licentieprogramma’s in het academiejaar 2007-2008 niet langer bestaan. Volgens de algemene overgangs- maatregelen van de Universiteit Gent moeten studenten die in het academiejaar 2006-2007 niet slaagden in de tweede licentie, zich in het academiejaar 2007-2008 formeel opnieuw inschrijven in de tweede licentie, zodat zij alsnog kunnen afstuderen als licentiaat. De faculteiten moeten daarbij voor elk van deze studenten een aangepast programma vastleggen omdat de licentieprogramma’s niet meer worden aangeboden. Alle opleidingsonderdelen uit de oude structuur waarvoor verzoeker niet geslaagd was in het academiejaar 2006-2007 dienen bijgevolg in het curriculum te worden vervangen door alternatieve opleidingsonderdelen uit de “BaMa-structuur”. 1.
  4. Er ontspint zich dan een discussie, met heel wat brieven over en weer, over het zogenaamde transitprogramma van verzoeker, waarbij hij zelf ook een voorstel formuleert. 1.
  5. Op 21 november 2007 legt de faculteitsraad eenzijdig een transitprogramma aan verzoeker op. Er wordt hem de kans gegeven nogmaals een eigen voorstel in te dienen, binnen de perken door de faculteitsraad gesteld. XII-5330-2/7 Op 28 november 2007 formuleert verzoeker nogmaals een eigen voorstel. Tegelijkertijd stelt hij beroep in tegen de beslissing van de faculteitsraad. De decaan beslist op 14 december 2007 dat het aanvankelijk voorstel van transitprogramma van verzoeker niet aanvaardbaar is. De faculteitsraad beslist op 19 december 2007 in te gaan op het alternatief voorstel van verzoeker dat hij formuleerde op 28 november
  6. 1.
  7. Op 17 januari 2008 schrijft het afdelingshoofd van de afdeling studentenadministratie en studieprogramma’s aan verzoeker : “Van Decaan Paemeleire ontving ik kopie van zijn aangetekende brief dd. 3 januari 2008 waarin u toestemming wordt verleend om u laattijdig in te schrijven voor het academiejaar 2007-
  8. Tot op heden meldde u zich niet aan bij de afdeling studentenadministratie met voormelde brief en uw herinschrijvingsformulier, zodat u nog steeds niet bent ingeschreven voor het lopende academiejaar. Indien u nog steeds de intentie hebt verder te studeren aan de UGent, verzoek ik u vriendelijk de daartoe vereiste formaliteiten zo spoedig mogelijk te vervullen. Ik vestig in dit verband uw bijzondere aandacht op artikel 41, § 1, van het Onderwijs- en examenreglement dat voorziet dat voor inschrijvingen na 1 januari

(2008)daarenboven de toestemming van de Rector vereist is om te kunnen worden ingeschreven. Voormelde bepaling voorziet ook dat studenten die zich laattijdig inschrijven voor opleidingsonderdelen geprogrammeerd in het eerste semester, één van de twee examenkansen (m.n. die in de loop van de maand januari 2008) verliezen”. De ontvankelijkheid van de vordering
  1. Vooralsnog bestaat er geen noodzaak om over de door de verwerende partij opgeworpen ontvankelijkheidsexcepties uitspraak te doen. Een onderzoek van en een uitspraak over die excepties zou alleen nodig zijn indien zou komen vast te staan dat de grondvoorwaarden voor het toewijzen van de vordering tot schorsing vervuld zijn, wat, zoals hierna zal blijken, niet het geval is. De schorsingsvoorwaarden
  2. Krachtens artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden en dat de XII-5330-3/7 onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen. Beoordeling van de tweede schorsingsvoorwaarde
  3. Verzoeker doet in het inleidend verzoekschrift als nadeel gelden wat volgt : “Betreffende de eerste beslissing: stukken 1 a, b en c Het moeten volgen van teveel studiepunten of opleidingsonderdelen hetzij via een te groot curriculum, hetzij via het weigeren van een vrijstelling (stuk 3) zorgt voor extra kosten (inschrijvingsgeld wordt per te volgen studiepunt berekend, cursussen en boeken moeten gekocht worden) en extra studiedruk die nuttiger kan gebruikt worden. Betreffende de tweede beslissing: stuk 2 Verzoekende partij is tewerkgesteld als A Fiskaal Deskundige bij de Bijzondere Belastinginspectie en gaat over naar de graad van Inspecteur van zodra het diploma is ingediend. (zie stuk 30). Verzoekende partij heeft slechts 2, of zelfs helemaal géén vakken af te leggen naar gelang de beoordeling van het curriculum en de vrijstellingsaanvraag, en had dus tussentijds kunnen gedelibereerd worden na de januari examens (art 64 OER). De instelling heeft in het verleden zelfs al eens de 5de zelfde weigering van dezelfde vrijstelling als ‘nieuw feit’ aangehaald om te kunnen delibereren. Een nieuw feit is dus blijkbaar vlug gevonden. Elke dag vertraging kost inkomen, anciënniteit edm. Door de weigering nog examens te mogen afleggen in januari 2008 kan er slechts in september 2008, dus na 9 maanden, opnieuw examen afgelegd worden. De weigering gaat dan ook de facto gepaard met een zeer strenge sanctie en zelfs de onmogelijkheid om nog voor 22 juni 2008 aan te melden. Op dat moment wordt de schade zelfs zeer groot”.
  4. Het ernstig en moeilijk te herstellen karakter waaraan het aangevoerde nadeel moet voldoen opdat aan de besproken schorsingsvoorwaarde wordt voldaan, moet door de verzoekende partij in haar inleidende akte aan de hand van precieze en concrete gegevens aannemelijk worden gemaakt. Dit nadeel moet ook een voldoende rechtstreeks verband houden met de tenuitvoerlegging van de bestreden handelingen. De uiteenzetting van verzoeker schiet op die eisen tekort. Wat de extra studiekosten en het gederfde inkomen betreft, laat verzoeker na enige becijfering te geven. In de regel is een financieel nadeel steeds herstelbaar, en verzoeker doet geen poging de Raad ervan te overtuigen waarom dat in zijn geval anders moet zijn. Bovendien legt verzoeker die kosten ook in verband XII-5330-4/7 met “het weigeren van een vrijstelling”, hetgeen in het huidige geschil niet aan de orde is. Ook de “extra studiedruk” wordt door verzoeker niet nader gespecificeerd. Zijn referentie aan het weigeren van een vrijstelling laat echter uitschijnen dat niet de studiedruk van het ene of het andere transitprogramma in se hem nadeel bezorgt, maar wel zijn ijdel geworden hoop om dank zij een weloverwogen samenstelling van het transitprogramma aanspraak te kunnen maken op vrijstellingen die dan de globale studiedruk kunnen verlichten. Hij laat daar echter in zijn uiteenzetting over het nadeel verder het raden naar, en alleszins steunt dit nadeel slechts op hypothetische en toekomstige beslissingen. Even hypothetisch is de bewering van verzoeker dat hij overgaat naar een andere graad “van zodra het diploma is ingediend”. Uit stuk 30 waaraan verzoeker zonder nadere toelichting refereert, leert de Raad van State enkel dat hij als nummer 41 is opgenomen in een rangschikking van Selor voor de selectie van fiscale controleurs - fiscaal dossierbeheerders die geldig blijft tot 22 juni
  5. Uit het door verzoeker aangebrachte schrijven van Selor blijkt niet dat als toelaatbaarheidsvoorwaarde is gesteld dat hij over een diploma van licentiaat in de Economische Wetenschappen zou beschikken; hij laat ook na aan te tonen dat hij op een nuttige plaats staat om als fiscaal controleur of fiscaal dossierbeheerder aangesteld te worden, en wel vóór het verval van de geldigheidsduur van de wervingsreserve. Het aflopen van de geldigheidsduur van deze lijst is ook geen gevolg dat voortvloeit uit de thans bestreden beslissingen. Ten slotte merkt de Raad van State nog op dat verzoeker het ook zichzelf moet verwijten als hij niet mag deelnemen aan de examens in de januarizittijd. Hij preciseert alleszins niet waarom het hem niet mogelijk was om zich tijdig, dit wil zeggen voor 1 januari 2008, in te schrijven. Met zijn uiteenzetting maakt verzoeker niet aannemelijk dat hij door de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissingen een moeilijk te herstellen ernstig nadeel lijdt in de zin van artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State. Het door hem ingeroepen nadeel mist ten dele ernst, staat ten dele niet in oorzakelijk verband met de bestreden beslissingen en is, ten slotte, ten dele herstelbaar. XII-5330-5/7 Er is niet voldaan aan ten minste één van de voorwaarden gesteld in artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State die cumulatief vervuld moeten zijn wil een vordering tot schorsing worden toegewezen.
  6. Anders dan verwerende partij meent, volstaat het niet dat een verzoeker faalt om een moeilijk te herstellen ernstig nadeel aan te tonen, opdat hem een boete wegens kennelijk onrechtmatig beroep zou moeten worden opgelegd. Op die suggestie van verwerende partij in haar nota met opmerkingen wordt niet ingegaan. Dat verwerende partij het “hemeltergend” vindt dat verzoeker zich niet kan neerleggen bij interne beslissingen en de Raad van State volgens haar zelfs zonder rechtsmacht is, noopt niet tot een ander besluit. Verzoek tot depersonalisatie
  7. Met toepassing van artikel 2 van het koninklijk besluit van 7 juli 1997 betreffende de publicatie van de arresten en de beschikkingen van niet- toelaatbaarheid van de Raad van State vraagt verzoeker dat bij de publicatie van het arrest zijn identiteit niet wordt opgenomen. Dit verzoek tot depersonalisatie wordt ingewilligd. XII-5330-6/7 OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
  8. De vordering tot schorsing wordt verworpen. Artikel
  9. De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld. Artikel
  10. Bij de publicatie van dit arrest zal de identiteit van de verzoekende partij niet worden opgenomen. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zevenentwintig mei 2008, door : de HH. G. VAN HAEGENDOREN, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, F. BONTINCK, griffier. De griffier, De voorzitter, F. BONTINCK. G. VAN HAEGENDOREN. XII-5330-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.183.453 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2011:ARR.215.389 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.