id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 27 mei 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.183.454 Rolnummer: A. 186829/XII-5323 Zaak: Arrest 183454 - Reglementen (onderwijs en cultuur) - 27/05/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-06-11 Raadplegingen: 57 - laatst gezien 2026-06-29 08:06 Fiche Arrest nr 183.454 van 27 mei 2008 Onderwijs en cultuur - Reglementen (onderwijs en cultuur) Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 183.454 van 27 mei 2008 in de zaak A. 186.829/XII-
- In zake : Irina SPIRIDONOVA, die woonplaats kiest bij advocaat Ph. Declercq, kantoor houdende te Leuven, J.P. Minckelersstraat 33 tegen : de VLAAMSE GEMEENSCHAP, die woonplaats kiest bij Juridische Cel afdeling “Advies en Ondersteuning onderwijs - personeel”, kantoor houdende te Brussel, Koning Albert II-laan 15, Kamer 1C
- --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Irina Spiridonova op 25 januari 2008 heeft ingediend om de schorsing te vorderen van de tenuitvoerlegging van de beslissing van onbekende datum, haar meegedeeld op 23 oktober en 29 november 2007, waarbij het agentschap voor Onderwijsdiensten, scholen secundair onderwijs en deeltijds kunstonderwijs, het door haar op 30 juni 2005 behaald Russisch diploma gelijkwaardigheid verleent met het getuigschrift van de tweede graad en het oriënteringsattest A van het eerste leerjaar van de derde graad secundair onderwijs - algemeen secundair onderwijs en weigert om gelijkwaardigheid te verlenen met het diploma secundair onderwijs; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd R. Van Der Gucht; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; Gelet op de beschikking van 7 april 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 29 april 2008; XII-5323-1/8 Gehoord het verslag van staatsraad G. van Haegendoren; Gehoord de opmerkingen van advocaat Ph. Declercq, die verschijnt voor de verzoekster, en van adjunct van de directeur M. Broucke, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur- afdelingshoofd R. Van Der Gucht; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, OVERWEEGT WAT VOLGT : De feitelijke gegevens van de zaak
- Op 21 september 2007 dient verzoekster een aanvraag in tot gelijkwaardigheid van haar te Saratov (Russische federatie) behaalde studiebewijzen met het Vlaams diploma hoger secundair onderwijs. Op 22 oktober 2007 adviseert de inspectie secundair onderwijs van de Vlaamse Gemeenschap de gelijkwaardigheidsverklaring met getuigschrift tweede graad en oriënteringsattest A, eerste leerjaar derde graad ASO. Op 23 oktober 2007 deelt een adjunct van de directeur van het agentschap voor Onderwijsdiensten van het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, afdeling Scholen Secundair Onderwijs en DKO, aan verzoekster mee dat “beslist werd aan het Russisch diploma ‘fin d’études secondaires générales’, uitgereikt op 30.06.2005, een gelijkwaardigheid te verlenen met het getuigschrift van de tweede graad en het oriënteringsattest A van het eerste leerjaar van de derde graad van het secundair onderwijs - Algemeen Secundair Onderwijs”. Dezelfde adjunct van de directeur herhaalt deze mededeling woordelijk in een brief van 29 november
- Daarin preciseert zij nog dat er geen gelijkwaardigheid verleend kan worden met een Vlaams diploma secundair onderwijs : “De totale duur van het genoten onderwijs (nl. 11 jaar) verschilt negatief van de totale duur in Vlaanderen (12 jaar). Het vakkenpakket is niet in overeenstemming met de in Vlaanderen verplichte basisvorming. Zo ontbreekt er een tweede vreemde taal. Bovendien blijkt uit vakliteratuur XII-5323-2/8 (Britisch Council) dat het Russische einddiploma (na 11 jaar onderwijs) qua niveau overeenstemt met het niveau van de tweede graad van het secundair onderwijs in Vlaanderen”. De schorsingsvoorwaarden
- Krachtens artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen. Beoordeling van de eerste schorsingsvoorwaarde 3.
- Verzoeker voert in een eerste middel de schending aan van artikel 2, § 2, van het koninklijk besluit van 20 juli 1971 tot vaststelling van de voorwaarden tot en de procedure van het verlenen van de gelijkwaardigheid van buitenlandse diploma’s en studiegetuigschriften, doordat de bestreden beslissing genomen is door een adjunct van de directeur terwijl volgens het genoemde artikel enkel de minister of zijn gemachtigde over de gelijkwaardigheid van diploma’s kan beslissen. Verzoeker verwijst naar de arresten Cloet, nr. 94.149, van 20 maart 2001 en Raes, nr. 165.304, van 30 november
- Zolang verwerende partij niet een tijdig in het Belgisch Staatsblad bekendgemaakt en zo aan verzoekster tegenstelbaar delegatiebesluit kan voorleggen, dient volgens verzoekster dan ook besloten te worden tot de onbevoegdheid van de steller van de bestreden beslissingen. 3.
- Vooreerst moet worden vastgesteld dat in de huidige zaak enkel kennisgevingsbrieven zijn overgelegd waarin aan verzoekster wordt meegedeeld dat “beslist werd” om een bepaalde gelijkwaardigheid te verlenen, respectievelijk te weigeren. De beslissing over de gelijkwaardigheid zelf lijkt aldus in het administratief dossier te ontbreken, zodat niet met zekerheid kan worden vastgesteld van wie de beslissing uitgaat. Verwerende partij ontkent echter niet dat die beslissing is genomen door dezelfde ambtenaar die ook tot tweemaal toe de kennisgeving er van deed aan verzoekster. Wat daar ook van weze, verwerende partij legt in het administratief dossier wel twee delegatiebesluiten over -een ministerieel besluit van XII-5323-3/8 1 april 2006 houdende delegatie van sommige bevoegdheden inzake onderwijs aan ambtenaren van het Vlaams ministerie van Onderwijs en Vorming en een besluit van 14 maart 2007 van de administrateur-generaal van het agentschap voor Onderwijsdiensten. Zij wijst er op dat die besluiten de machtiging behelzen aan de ambtenaren van rang A1, om beslissingen te treffen met betrekking tot de gelijkwaardigheden als bedoeld in artikel 2, § 2, van het koninklijk besluit van 20 juli 1971 en dat ze zijn bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 25 oktober 2006 en van 22 mei 2007 “zodat beide besluiten aan verzoekster tegenstelbaar waren op het ogenblik dat de bestreden beslissingen werden genomen”. Zoals de zaak zich aandient zijn dan ook wel degelijk tijdig bekend gemaakte en aldus aan verzoekster tegenstelbare delegatiebesluiten voorhan- den. Verzoekster argumenteert nergens dat deze besluiten op zich onwettig zouden zijn maar houdt het er enkel op -onterecht, zo blijkt- dat ze onbestaande of haar bij gebrek aan publicatie niet tegenstelbaar zouden zijn. Zoals het middel is aangevoerd is het bij gebrek aan feitelijke grondslag niet ernstig. 4.
- Als tweede middel voert verzoekster de schending aan van artikel 4 van hetzelfde koninklijk besluit van 20 juli 1971 en van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurs- handelingen, doordat er in de bestreden beslissing geen gewag gemaakt is van enig advies van de bevoegde inspectie. 4.
- De bevoegde inspectie heeft op 22 oktober 2007 advies gegeven, zoals vereist bij artikel 4 van het koninklijk besluit van 20 juli
- Blijkens de meegedeelde beslissing is dit advies ook gevolgd. Van schending van de formele- motiveringsplicht zou slechts sprake zijn, zo lijkt, indien de bestreden beslissing zelf niet afdoende zou zijn gemotiveerd, welke vraag met de volgende middelen aan de orde wordt gebracht. Het middel is niet ernstig. 5.
- In een derde middel noemt verzoekster de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 andermaal geschonden doordat de bestreden beslissing overweegt dat de totale duur van het genoten onderwijs negatief verschilt van de XII-5323-4/8 totale duur in Vlaanderen, terwijl dit geen deugdelijk motief is blijkens het arrest Feyaerts, nr. 72.716 van 25 maart
- Mocht het duurverschil op zich als motief volstaan, zo voegt verzoekster er nog aan toe, dan zouden alle opleidingen die minder lang duren dan een Vlaamse opleiding niet in aanmerking komen voor gelijkwaardigheid wat in strijd is met de in Vlaanderen ook erkende mogelijkheid om via de examencommissie van de Vlaamse Gemeenschap een diploma te verwerven. Ook in een vierde middel noemt verzoekster dezelfde formele- motiveringswet geschonden, ditmaal doordat in de beslissing wordt overwogen dat het vakkenpakket niet in overeenstemming is met de in Vlaanderen verplichte basisvorming omdat een tweede taal ontbreekt. Het vakkenpakket van een in een vreemd land gevolgde opleiding kan immers nooit in overeenstemming zijn, aldus verzoekster, met de in Vlaanderen verplichte basisvorming. Indien haar opleiding twaalf jaar had geduurd zou de vraag naar het basispakket zelfs niet zijn gesteld. Het vakkenpakket is op zich geen criterium om de gevraagde gelijkwaardigheid te weigeren, zo besluit verzoekster. 5.
- Zoals verzoekster kon lezen in het door haar genoemde arrest Feyaerts over de door haar ingeroepen wet van 29 juli 1991, “[is] het doel van die wet [...] degene ten aanzien van wie een beslissing genomen is een zodanig inzicht te geven in de motieven van de beslissing dat hij in staat is terdege te oordelen of het zin heeft zich tegen de beslissing op het stuk van haar motieven te verweren met de middelen die het recht hem ter beschikking stelt; [...] dit impliceert dat een verzoeker het recht heeft volledig geïnformeerd te zijn vooraleer zich tot de Raad van State te wenden, zodat hij geen vrede moet nemen met de mededeling van de motieven van een beslissing nadat ertegen beroep bij de Raad van State is ingesteld”. Dit arrest beveelt de schorsing van een weigeringsbeslissing om gelijkwaardigheid te verlenen omdat aan de daar verzoekende partij geen enkel motief is meegedeeld alvorens zij haar vordering instelde. De Raad van State ziet niet hoe op grond van dit schorsingsmotief ernstig kan worden beweerd dat de totale duur van het genoten onderwijs in geen geval in de beoordeling van de gelijkwaardigheid mag worden betrokken. XII-5323-5/8 In de voorliggende zaak is anders dan in de zaak Feyaerts aan verzoekster wel degelijk op een nuttig ogenblik meegedeeld dat de weigering is gestoeld op het negatief verschil in tijdsduur en op het ontbreken van een tweede vreemde taal in de opleiding. Aldus weet verzoekster met minimale maar voldoende zekerheid waarop de weigering is gesteund. Uit formeel oogpunt lijkt de beslissing dan ook naar behoren te zijn gemotiveerd. Of die motieven de bestreden weigering in rechte schragen, lijkt veeleer een zaak te zijn van materiële dan van formele motivering. Nog daargelaten of het ene of het andere motief “op zich”, zoals verzoekster telkens uitdrukkelijk schrijft, een wettige weigeringsgrond vormt, wordt in de huidige stand van de procedure aangenomen dat verwerende partij die motieven niet “op zich” heeft aangevoerd, maar de gelijkwaardigheid heeft geweigerd op grond van de beide motieven in hun onderlinge samenhang. Verzoekster spreekt niet tegen dat de motieven feitelijk juist zijn, en zij laat na concreet aan te tonen waarom haar opleiding een inhoud heeft waardoor het buiten de grenzen van de beoordelingsvrijheid van de overheid zou vallen om een opleiding die een jaar minder lang duurt dan in Vlaanderen én waarin slechts één vreemde taal wordt onderwezen niet gelijkwaardig te achten met een Vlaams diploma secundair onderwijs. Enkel de vaststelling dat beide motieven samen genomen niet de noodzakelijke grondslag kunnen leveren om tot de bestreden beslissing te besluiten zou tot de gevraagde schorsing aanleiding kunnen geven. Tot dergelijke kritiek komt verzoekster niet. Het derde en het vierde middel zijn niet ernstig.
- In een vijfde middel, alweer geput uit de formele- motiveringsplicht, geeft verzoekster kritiek op de verwijzing, als motief, naar de vakliteratuur van de British Council. Gelet op de bespreking van het derde en het vierde middel, neemt de Raad vooralsnog aan dat de verwijzing naar die vakliteratuur een overtollig motief is. Het middel kan dus niet tot de gevraagde schorsing leiden.
- Er is niet voldaan aan ten minste één van de voorwaarden gesteld in artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State die cumulatief vervuld moeten zijn wil een vordering tot schorsing worden toegewezen. XII-5323-6/8 OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
- De vordering tot schorsing wordt verworpen. Artikel
- De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld. XII-5323-7/8 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zevenentwintig mei 2008, door : de HH. G. VAN HAEGENDOREN, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, F. BONTINCK, griffier. De griffier, De voorzitter, F. BONTINCK. G. VAN HAEGENDOREN. XII-5323-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.183.454 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.188.797 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.