← België

Arrest 183475 - Stedenbouw en ruimtelijke ordening - Reglementen - 27/05/2008

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 27 mei 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.183.475 Rolnummer: A. 96906/X-9803 Zaak: Arrest 183475 - Stedenbouw en ruimtelijke ordening - Reglementen - 27/05/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-06-09 Raadplegingen: 58 - laatst gezien 2026-06-29 08:07 Fiche Arrest nr 183.475 van 27 mei 2008 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Stedenbouw en ruimtelijke ordening - Reglementen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 183.475 van 27 mei 2008 in de zaak A. 96.906/X-

  1. In zake : de n.v. INTERNATIONAL MANAGEMENT COMPANY, die woonplaats kiest bij advocaat C. SERVAIS, kantoor houdende te 2600 ANTWERPEN, Roderveldlaan 3 tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat H. SEBREGHTS, kantoor houdende te 2018 ANTWERPEN, Mechelsesteenweg
  2. tussenkomende partij : de Tussengemeentelijke Maatschappij der Vlaanderen voor Watervoorziening (TMVW), die woonplaats kiest bij advocaat P. DEVERS, kantoor houdende te 9000 GENT, Kouter 71-
  3. D E R A A D V A N S T A T E, Xe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat de n.v. INTERNATIONAL MANAGEMENT COMPANY op 27 oktober 2000 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van de Vlaamse regering van 26 mei 2000 houdende definitieve vaststelling van het plan tot gedeeltelijke wijziging van het gewestplan Mechelen op het grondgebied van de gemeenten Duffel, Lier, Mechelen en Willebroek; Gelet op het arrest nr. 98.167 van 6 augustus 2001 waarbij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing wordt verworpen; X-9803-1/21 Gelet op het arrest nr. 171.616 van 29 mei 2007 waarbij de afstand van het geding wordt vastgesteld in hoofde van de oorspronkelijke vijfde, zesde en zevende verzoekende partijen, het beroep wordt verworpen in zoverre het is ingesteld door de oorspronkelijke eerste, tweede en vierde verzoekende partijen, de debatten worden heropend in hoofde van de oorspronkelijke derde verzoekende partij, het door de auditeur-generaal aangewezen lid van het auditoraat wordt gelast met het aanvullend onderzoek, de kosten van het geding worden begroot in hoofde van de oorspronkelijke eerste, tweede, vierde, vijfde, zesde en zevende verzoekende partijen en de uitspraak over de bijdragen in de betaling van de kosten van het geding wordt uitgesteld ten aanzien van de oorspronkelijke derde verzoekende partij en van de tussenkomende partij; Gezien het aanvullend verslag opgemaakt door auditeur A. VAN MINGEROET; Gelet op de kennisgeving van het aanvullend verslag aan partijen en gezien de laatste memories; Gelet op de beschikking van 9 oktober 2007 waarbij de terecht- zitting bepaald wordt op 26 oktober 2007; Gehoord het verslag van staatsraad J. BOVIN; Gehoord de opmerkingen van advocaat J. NEUTS, die loco advocaat C. SERVAIS verschijnt voor de verzoekende partij, van advocaat F. SEBREGHTS, die loco advocaat H. SEBREGHTS verschijnt voor de verwerende partij, en van advocaat A. VERMEIRE, die loco advocaat P. DEVERS verschijnt voor de tussenkomende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur A. VAN MINGEROET; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; OVERWEEGT WAT VOLGT : X-9803-2/21
  4. Rechtspleging De verzoekende partij heeft met een schrijven van 25 oktober 2007 een “nota” overgemaakt aan de Raad van State. De mogelijkheid tot het indienen van een dergelijke nota is niet voorzien in het procedurereglement. Zij wordt om deze reden uit de debatten geweerd.
  5. De feiten De feitelijke gegevens van de zaak zijn uiteengezet in het arrest nr. 171.616 van 29 mei 2007 waarbij in hoofde van de alsdan derde verzoekende partij de debatten werden heropend. Er kan hierbij worden volstaan met een verwijzing naar de uiteenzetting in dat arrest.
  6. Ten gronde 3.
  7. Eerste middel 3.1.
  8. Standpunt van de partijen 3.1.1.
  9. Een eerste middel is afgeleid uit de schending van artikel 32 van de Grondwet, artikel 21 van het decreet van 18 mei 1999 betreffende de openbaarheid van bestuur en het beginsel van behoorlijk bestuur, met name het zorgvuldigheidsbeginsel. Dit middel is gesteld als volgt: “Artikel 32 van de gecoördineerde Grondwet van 1994 bepaalt dat iedere burger het recht heeft elk bestuursdocument te raadplegen en er een afschrift van te krijgen, behoudens in de gevallen bepaald door de wet. Het Arbitragehof oordeelde (arrest van 25 maart 1997 met nr. 17/97) dat het begrip ‘bestuursdocument’ van artikel 32 Grondwet zeer ruim dient geïnterpreteerd te worden. Artikel 21 van het decreet van 18 mei 1994 betreffende de openbaarheid van bestuur bepaalt dat de administratieve overheden de verplichting hebben de bevolking systematisch tijdig en in begrijpelijke vorm voor te lichten over het beleid, de decreten, de besluiten en andere regelgeving, alsook over de dienstverlening en over de informatie die bij hen beschikbaar is. Uit voorgaande wettelijke bepalingen halen verzoekers de verplichting voor het Vlaamse Gewest alsook voor elke administratieve overheid om ervoor te zorgen dat de burgers op een degelijke manier worden voorgelicht over het gevoerde beleid. Verzoekers willen in dit middel aantonen dat zij in onderhavig dossier niet over een voldoende informatie konden beschikken naar aanleiding van de genomen beslissing van de Vlaamse regering. X-9803-3/21 De grafische voorschriften van het oude Gewestplan van Mechelen verhinderde de uitvoering van de werken van de watertransportleiding, waardoor het plan, waarop het tracé van de waterleiding diende aangegeven te worden, diende gewijzigd te worden. Dit blijkt zeer duidelijk uit het verslag van de gemeenteraad van 21 december 1999 van de Gemeente Willebroek. Een gewestplanwijziging bestaat uit plannen met bijhorende legende en verklarende teksten. Deze teksten kunnen opgedeeld worden in normatieve en niet-normatieve delen. Zoals blijkt uit het schrijven van 30 augustus 2000 van de Afdeling Ruimtelijke Planning van het Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap aan het College van Burgemeester en Schepenen te Willebroek, dienden de normatieve delen permanent ter inzage van de bevolking te liggen in het gemeentehuis. ‘Deze normatieve delen van het gewestplan bestaan uit het bestemmingsplan en de bijhorende planologische voorschriften.’ De niet-normatieve delen, met name de bestaande fysische en juridische toestand, dienden ten informatieve titel ook beschikbaar te zijn voor het publiek. Wanneer verzoekers zich naar het gemeentehuis te Willebroek begaven om er de nodige informatie bijeen te garen aangaande de gewestplanwijziging, konden zij vaststellen dat inderdaad het bestemmingsplan en de bijhorende planologische voorschriften ter inzage lagen. Tot hun grote verbazing stelden verzoekers vast dat het bestemmingsplan enkel de aanleg van het nieuwe tracé van de watertransportleiding aanduidde. De bijhorende planologische voorschriften bestonden louter uit een kopie van het KB van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerpgewestplannen en gewestplannen. Op het bestemmingsplan werd aldus niet duidelijk aangeduid, aan de hand van de tekst van het KB van 1972, welke bestemming nu eigenlijk de gronden van verzoekers gingen krijgen. Zelfs de milieuambtenaar ter plaatse kon uit de aanwezige plannen met voorschriften niet afleiden welke bestemming er ging gegeven worden aan de gronden die de watertransportleiding kruisten. Door deze gebrekkige informatie, weten verzoekers tot op vandaag de dag nog altijd niet welke bestemming hun gronden gaan toegewezen krijgen. Hierdoor begaat het Vlaams Gewest een manifeste schending van de plicht tot het verlenen van een behoorlijke informatie, waarvan de juridische basis kan teruggevonden worden in hoger vermelde juridische teksten. Verzoekers worden dus in het ongewisse gelaten over de toestand van de bestemming van hun gronden, waardoor het bestuur eveneens het zorgvuldigheidsbeginsel schendt. Op het bestuur rust immers de verplichting om haar beslissingen niet alleen zorgvuldig voor te bereiden, maar ook om deze zorgvuldig uit te voeren. Het verstrekken van de juiste en correcte informatie omtrent haar beleid, valt dan ook onder dit beginsel. In subsidiaire orde willen verzoekers erop wijzen dat deze gebrekkige uitvoering van het beleid van het Vlaamse Gewest, er tevens voor zorgt dat verzoekers niet konden nagaan of dat de Vlaamse overheid wel verplicht was om een advies te vragen aan de Afdeling Wetgeving van de Raad van State. Verzoekers hebben immers niet kunnen achterhalen of dat er bijkomende aanvullende reglementaire voorschriften bij het nieuwe Gewestplan zijn opgenomen. Deze verplichting van artikel 3 op de Gecoördineerde Wetten op de Raad van State, kan niet zomaar op lichtzinnige wijze worden afgewimpeld. Echter de houding die het Vlaams Gewest aan de dag heeft gelegd, maakt het onmogelijk voor verzoekers om deze verplichting met de realiteit te toetsen. Het is dan ook duidelijk dat de houding van het Vlaamse Gewest het zorgvuldigheidsbeginsel heeft geschonden”. X-9803-4/21 3.1.1.
  10. De verwerende partij beantwoordt dit middel als volgt: “In het eerste middel gaan verzoekers uit van een verkeerde premisse. Zij verwijten verwerende partij onzorgvuldigheid en een gebrek aan actieve openbaarheid van bestuur, omdat in de documenten die tijdens het openbaar onderzoek ter beschikking van het publiek zijn gesteld, niet zou zijn aangegeven in welke bestemmingszone de gronden die op het traject van de geplande leidingstraat gelegen zijn, zullen komen te liggen door de definitieve vaststelling van de gedeeltelijke wijziging van het gewestplan Mechelen. De vergissing van verzoekers ligt hem in het feit dat de bestemmingszone van de betrokken percelen niet wordt gewijzigd. Deze percelen behouden hun zonale bestemming zoals die blijkt uit het gewestplan zoals dat bestond op de dag voor de aanvang van de procedure van gedeeltelijke wijziging. Zowel de grondkleur als de eventuele overdrukkleur blijven ongewijzigd. Enkel wordt door het bestreden besluit een hoofdverkeersvoorziening aangeduid op het gewestplan, namelijk een nog aan te leggen leidingstraat. Gelet op de beperkte draagwijdte van de wijziging die definitief vastgesteld wordt door het bestreden besluit, was het niet nodig om kaarten in kleurendruk, met aanduiding van de verschillende bestemmingszones, voor te leggen aan het publiek. Dat zou enkel maar verwarrend geweest zijn. Op de kaartbladen die aan het publiek zijn voorgelegd, wordt enerzijds de - bestaande toestand aangegeven en anderzijds de geplande wijziging. Door kennisname van deze 2 soorten kaartbladen kan elke geïnteresseerde burger zich een duidelijk beeld vormen van de draagwijdte van de voorlopig vastgestelde gewestplanwijziging en zijn opmerkingen en bezwaren laten gelden. Het feit dat het enkel gaat om het aanduiden van een aan te leggen leidingstraat is trouwens ondubbelzinnig aangegeven in het besluit van 8 juni 1999 houdende voorlopige vaststelling 39 . Dat een milieu-ambtenaar van een gemeente hiervan niet op de hoogte zou zijn geweest (hetgeen een loutere bewering van verzoekers is), kan de Vlaamse regering niet worden verweten. De Vlaamse regering is dus niet tekort geschoten in haar informatieplicht. Verzoekers vragen zich ook af of er al dan niet nieuwe reglementaire voorschriften in het voorlopig vastgestelde plan waren opgenomen, die eventueel voorafgaandelijk voor advies aan de Raad van State, afdeling Wetgeving dienden voorgelegd. Het is duidelijk dat geen advies aan de Raad van State diende gevraagd te worden, nu de enige wijziging van het bestaande gewestplan bestond in het voorzien van een tracé voor een aan te leggen leidingstraat, wat een onderdeel van een gewestplan vormt dat is voorzien in het KB van 28 december 1972, namelijk in artikel 4, rubriek 12.
  11. De Raad van State heeft zijn advies kunnen geven over alle bepalingen van genoemd KB, zodat dit niet bij elke nieuwe gewestplanwijziging dient gevraagd. Verzoekers stellen bovendien zelf in de toelichting bij het middel dat een kopie van het KB van 28 december 1972 gevoegd was bij de documentatie die ter beschikking lag van het publiek. Uit de brief van het ministerie aan de gouverneur van de provincie Antwerpen blijkt dat ook de legende van het gewestplan Mechelen` bij de ter beschikking gestelde documentatie was. Niemand kon zich redelijkerwijs vergissen over de draagwijdte van de geplande wijziging”. 3.1.1.
  12. In de memorie van wederantwoord herhaalt de verzoekende partij de inhoud van haar verzoekschrift. 3.1.1.
  13. In de laatste memorie van de verzoekende partij wordt niet teruggekomen op het eerste middel. X-9803-5/21 3.1.1.
  14. De verwerende partij verwijst in haar laatste memorie naar hetgeen zij reeds heeft uiteengezet in de memorie van antwoord en in haar laatste memorie in de vorige procedure. 3.1.1.
  15. In haar laatste memorie voegt de tussenkomende partij niets meer toe aan hetgeen reeds werd uiteengezet. 3.1.
  16. Onderzoek van het middel 3.1.2.
  17. Het middel is gesteund op de premisse dat het bestreden besluit de gewestplanbestemming van de betrokken percelen door de aanduiding van de reservatiestrook voor de aanleg van een hoofdtransportleiding voor drinkwater wijzigt, terwijl het bestemmingsplan enkel de aanleg van het nieuwe tracé van de watertransportleiding aanduidde, maar op dat plan “niet duidelijk (werd) aangeduid, aan de hand van de tekst van het KB van 1972, welke bestemming nu eigenlijk de gronden van verzoekers gingen krijgen”. 3.1.2.
  18. Luidens artikel 4.12.
  19. van het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en gewestplannen geeft het plan ook de hoofdverkeersvoorzieningen aan, waaronder de “aan te leggen leidingstraten”. Artikel 18.7.
  20. van hetzelfde besluit bepaalt dat de reservatie- en erfdienstbaarheidsgebieden die gebieden zijn “waar perken kunnen worden opgesteld aan de handelingen en werken, ten einde de nodige ruimten te reserveren voor de uitvoering van werken van openbaar nut, of om deze werken te beschermen of in stand te houden”. In tegenstelling tot hetgeen de verzoekende partij voorhoudt, wordt de bestemming van de betrokken percelen niet gewijzigd door de aanduiding van een leidingstraat. Het middel, dat is gesteund op een onjuiste premisse, dient te worden verworpen. 3.
  21. Vierde middel 3.2.
  22. Standpunt van de partijen 3.2.1.
  23. Een vierde middel is afgeleid uit de schending van artikel 19 van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening, van het besluit van 23 september 1997 van de Vlaamse regering houdende X-9803-6/21 definitieve vaststelling van het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen en van het decreet van 17 december 1997 houdende bekrachtiging van de bindende bepalingen van het besluit van de Vlaamse regering van 23 september 1997 houdende defintieve vaststelling van het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen, alsook van het rechtszekerheidsbeginsel als beginsel van behoorlijk bestuur. Dit middel is gesteld als volgt: “Artikel 19 van het Decreet van 18 mei 2000 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening bepaalt dat: ‘( ... ) het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen een bindend, richtinggevend en een informatief gedeelte bevat. Bij het opmaken van een ruimtelijk structuurplan duidt de instantie die het plan definitief vaststelt de onderdelen ervan aan die bindend zijn. Voor het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen zijn deze onderdelen bindend voor het Vlaamse Gewest, de diensten van het Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, de instellingen die ressorteren onder het Vlaamse Gewest en de besturen die onder het administratief toezicht staan van het Vlaams Gewest en de vennootschappen die een erkenning hebben van de instellingen die ressorteren onder het Vlaams Gewest.’ Het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen werd in de loop van 1997 definitief vastgesteld bij Besluit van de Vlaamse regering d.d. 23 september 1997 en het Decreet van 17 december 1997 houdende bekrachtiging van de bindende bepalingen van het Besluit van 23 september
  24. Op basis van bindende, richtinggevende en informatieve bepalingen werd de gewenste ruimtelijke structuur in Vlaanderen in een structuurplan vertaald. De bindende bepalingen van het RSV hebben betrekking op vier structuurbepalende componenten: - stedelijke gebieden, - buitengebieden, - concentratiegebieden voor economische activiteiten en - lijninfrastructuren. Een van de belangrijkste uitgangspunten van het Decreet op de Ruimtelijke Ordening, in concreto het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen, is het optimaal gebruik van (bestaande) infrastructuur. Van deze bindende bepalingen kan, in tegenstelling met de richtinggevende bepalingen van het RSV, NIET afgeweken worden. Verzoekers zijn dan ook de mening toegedaan dat het Vlaamse Gewest, door dit basisprincipe van het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen naast zich te hebben neergelegd, daar zij immers voor de aanleg van de hoofdwatertransportleiding, de bestaande lijninfrastructuur niet heeft gevolgd, het RSV heeft geschonden, daar zij nochtans door deze bindende bepalingen gebonden was. Zoals reeds opgemerkt, hebben de verzoekers in het openbaar onderzoek een waardig alternatief voor het definitief vastgestelde tracé voorgesteld. Dit voorstel, dat conform de bindende bepalingen van het RSV werd opgemaakt, behelsde een tracé dat de 150 kilovolt hoogspanningslijn, zijnde een bestaande lijninfrastructuur, volgde in het gebied te Heindonk en Heffen. Ook de Regionale Commissie van Advies van de Provincie Antwerpen stelde dit tracé voor. Verzoekers verwijten de Vlaamse regering dat zij met miskenning van één van de basisprincipes van het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen, een tracé heeft goedgekeurd dat bovendien naar de toekomst toe voor de nodige onzekerheid zal zorgen. X-9803-7/21 Immers, de Vlaamse regering heeft in haar besluit verwezen naar het bundelingprincipe. Zoals in het Besluit van 26.05.00 vermeld, heeft zij dit principe in de mate van het mogelijke proberen te realiseren. Verzoekers zijn echter de mening toegedaan dat dit bundelingprincipe de Vlaamse overheid een vrijgeleide geeft voor de aanleg van andere nutsleidingen. Verzoekers zullen immers onteigend worden over een strook van minstens 30 m die hun eigendommen dwarst. Hierdoor kunnen zij geen integraal gebruik meer maken van hun eigendom waardoor de mogelijkheid wordt gegeven aan andere administraties om deze voorziene strook nog verder te gaan benutten, waardoor verzoekers op hun beurt nog meer zullen worden gehinderd in hun eigendom. De toepassing van dit bundelingprincipe zorgt dan ook voor een onzekere toestand voor verzoekers naar de toekomst toe, waardoor het Vlaamse Gewest een onzekere toestand creëert voor verzoekers. De aanleg van de watertransportlijn zal voor verzoekers hinder meebrengen. De aanleg van bijkomende nutsvoorzieningen zal uiteraard dan ook voor minstens evenveel hinder zorgen. In welke mate dit zich zal voordoen, is voor verzoekers eveneens een raadsel. Door deze optie open te houden, creëert het Vlaamse Gewest een onzekere situatie die indruist tegen het rechtszekerheidsbeginsel”. 3.2.1.
  25. De verwerende partij beantwoordt dit middel als volgt: “
  26. Er is verwerende partij geen decreet van 18 mei 2000 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening bekend. Verwerende partij gaat ervan uit dat het in dit middel gaat om het decreet van 18 mei 1999 met dezelfde naam.
  27. In de toelichting bij het vierde middel stellen verzoekers dat het bestreden besluit een inbreuk vormt op de bindende bepalingen van het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen (RVS), aangezien één van de belangrijkste uitgangspunten van het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen het optimaal gebruik van de (bestaande) infrastructuur zou zijn en de Vlaamse regering niet vermocht van dit vermeend bindend principe af te wijken, nu de als bindend vastgestelde bepalingen een verplichtend karakter hebben voor met name het Vlaams Gewest. Aan de basis van de ruimtelijke structuurplanning liggen thans de artikel 19 e.v. van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening. Krachtens artikel 19, §1 van dit decreet bevat ieder ruimtelijk structuurplan een bindend, een richtinggevend en een informatief gedeelte. Voor wat betreft het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen is het de Vlaamse regering die de bindende bepalingen van het plan aanduidt. Die bindende bepalingen zijn bindend voor met name het Vlaams Gewest en de diensten van het Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap. Het bindend gedeelte van het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen wordt bij decreet bekrachtigd door het Vlaams Parlement. De bindende bepalingen zijn bewust beperkt gehouden, omdat overdaad in dit geval zou schaden, namelijk door de slagkracht van het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen aan te tasten. Bij de keuze van de bindende bepalingen heeft de vereiste van toetsbaarheid voorgelegen. Zoals verzoekers terecht opmerken hebben de bindende bepalingen van het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen betrekking op de 4 structuurbepalende componenten, zoals die in het informatief en richtinggevend gedeelte van het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen worden behandeld. Meer bepaald gaat het om de stedelijke gebieden, het buitengebied, de gebieden voor economische X-9803-8/21 activiteiten en tenslotte de lijninfrastructuren. Het gedeelte in verband met de bindende bepalingen inzake lijninfrastructuren blijft echter beperkt tot 3 subcomponenten: wegeninfrastructuur, spoorweginfrastructuur en waterwegeninfrastructuur. Over transportleidingen (pijpleidingen en elektriciteitsleidingen) zeggen de bindende bepalingen van het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen niets! De stelling van verzoekers als zou het bestreden besluit één of andere bindende bepaling van het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen schenden, is dan ook op grandioze wijze ongegrond.
  28. Elk ruimtelijk structuurplan bevat ook een richtinggevend gedeelte. Van dit gedeelte mag de overheid bij het nemen in bepaalde gevallen afwijken, namelijk omwille van onvoorziene ontwikkelingen van de ruimtelijke behoeften van de verschillende maatschappelijke activiteiten of omwille van dringende sociale, economische of budgettaire redenen. De beslissing die afwijkt van de richtinggevende bepalingen moet uitgebreid worden gemotiveerd. Het bundelingsprincipe waarnaar verzoekers in de toelichting bij het middel verwijzen (‘optimaal gebruik van (bestaande) infrastructuur’), is opgenomen in het richtinggevend gedeelte van het RVS, onder het hoofdstuk over de gewenste ruimtelijke structuur inzake lijninfrastructuur, meer bepaald de ontwikkelingsperspectieven voor pijpleidingen en elektriciteitsleidingen. Dit principe is als volgt verwoord: ‘In functie van een efficiënt ruimtegebruik en om te verhinderen dat de toename van pijpleidingen en elektriciteitsleidingen de onbebouwde ruimte verder versnippert, de ruimtelijke kwaliteit vermindert en tot aantasting van het fysisch systeem en het ecologisch functioneren leidt, wordt voor de toekomstige ontwikkeling een maximale bundeling met lijninfrastructuren van Vlaams niveau vooropgesteld [ ...]’ (...). Uit de libellering van dit principe blijkt dat het niet het nec plus ultra van de ruimtelijke planning is. Enerzijds is het niet de bedoeling een totale bundeling tot stand te brengen, maar slechts een maximale, dus voor zover het mogelijk en redelijk is. Anderzijds dient het principe op een doelgerichte wijze toegepast: één van de grondslagen van het principe is de zorg om de verdere versnippering van de onbebouwde ruimte te vermijden. Aldus wordt een brug geslagen naar het eveneens richtinggevend princiep krachtens hetwelk de versnippering van het buitengebied moet worden tegengegaan: ‘Om het buitengebied te vrijwaren voor de structuurbepalende functies moet de versnippering van het buitengebied en de verbrokkeling van haar structuur door bebouwing en infrastructuren tegengegaan worden. Door gerichte structuurondersteunende maatregelen , zowel naar natuur, bos en landbouw als naar de woon- en werkfunctie toe, moet de eigenheid van het buitengebied gevrijwaard worden’. In veel gevallen zal de toepassing van het bundelingsprincipe de versnippering van de open ruimte juist helpen tegengaan en is er dus geen contrapositie tussen beide. Maar voor het deel van het tracé dat hier ter discussie staat, heeft de Vlaamse regering geoordeeld dat het bundelen van de leidingstraat met de 150 Kv-hoogspanningslijn de definitieve verbrokkeling van de polder van Heindonk met zich zou brengen. Deze hoogspanningslijn wordt volgens de huidige ruimtelijke inzichten als een anomalie beschouwd, gelet op het voor het overige ongerept en open karakter van dit landschap. Teneinde uitzicht te behouden op het op termijn verdwijnen van genoemde anomalie, heeft de Vlaamse regering ervoor geopteerd de leidingstraat elders aan te leggen. Deze keuze is uitgebreid gemotiveerd, zoals het decreet het ingeval van afwijking van een richtinggevende bepaling voorschrijft: enerzijds wordt de toepassing van het bundelingsprincipe bekeken voor het globale tracé van de leiding van Oelegem naar Brugge; anderzijds wordt de keuze van het tracé voor de polder van Heindonk gemotiveerd: ‘Overwegende dat voor de voorziene verbinding op het gewestplan Mechelen geen infrastructuur van Vlaams niveau voorhanden is waarmee X-9803-9/21 over de gehele lengte van het tracé kan gebundeld worden; dat het tracé, voor zover technisch en ruimtelijk mogelijk is, derhalve voorzien wordt in parallellisme met verschillende bestaande lijninfrastructuren van Vlaams belang, met name met de N16, met de bestaande PIDPA-waterleiding van Walem naar Willebroek en met de 380 kV-hoogspanningslijn Lint-Lier-Massenhoven; dat het tracé op Vlaams niveau een toepassing is van het bundelingsprincipe, overeenkomstig de optie van het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen terzake; Overwegende dat voor die gedeelten van het tracé waar bundeling met lijninfrastructuur van Vlaams niveau niet kan gerealiseerd worden een nieuw tracé is bepaald waarvan de negatieve ruimtelijke impact zo beperkt mogelijk is, dat deze lokale onvolkomen bundeling de geldigheid van het bundelingsprincipe voor het globale tracé van Oelegem naar Gent niet in het gedrang brengt; [ .. ]Overwegende dat de regionale commissie van advies een alternatief voorstelt ter hoogte van de polder van Heindonk; dat dit alternatief omwille van het open en landschappelijk waardevol karakter van de polder vanuit ruimtelijk oogpunt minder aangewezen is; dat een eventueel alternatief tracé bij de definitieve vaststelling niet kan worden aangeduid omdat het gelegen is buiten de perimeter van het voorlopig vastgestelde gewestplan; dat op dit punt niet ingegaan kan worden op het voorstel van de regionale commissie’. Omdat een tracé in de polder van Heindonk voor dit project niet kon worden vermeden, is onderzocht of een tracé mogelijk was waarbij het open karakter van de polder zoveel mogelijk gevrijwaard kon worden. De hoogspanningslijn die de polder doorkruist, tast het open karakter van deze polder aan. Het aanduiden van een leidingstraat op het tracé van de elektriciteitsleiding zou op termijn aanleiding kunnen geven tot een verdergaande aantasting van het open karakter. Er kan immers nu al voorzien worden dat deze polder als een open en onbebouwd gebied moet behouden blijven. Daarom is er voor geopteerd het gebied niet verder te belasten met infrastructuur. Dit blijkt duidelijk uit de hierboven geciteerde motivering van het bestreden besluit.
  29. in het middel wordt ook een schending van het rechtszekerheidsbeginsel opgeworpen. De onzekerheid waarmee verzoekers te kampen zouden hebben, zou het gevolg zijn van het voorzien van een nog aan te leggen leidingstraat over hun grond, aangezien, behalve de drinkwaterleiding, ook andere leidingen in deze leidingstraat zouden kunnen aangelegd worden, en dit in toepassing van het bundelingsprincipe. Eerst en vooral dient opgemerkt dat verzoekers niet wars zijn van enige contradictie: langs de ene kant roepen zij in dat het bestreden besluit het bundelingsprincipe niet of niet correct toepast; langs de andere kant stellen zij dat de toekomstige toepassing van het bundelingsprincipe het rechtszekerheidsbeginsel zou schenden. Vervolgens houdt dit onderdeel van het middel geen rechtmatigheidskritiek in op het bestreden besluit, maar behelst het een aanklacht tegen een optie genomen door het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen. Kritiek op het bundelingsprincipe van het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen kan niet leiden tot de vernietiging of vernietiging van het bestreden besluit. Tenslotte moet geenszins naar het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen worden verwezen om in te zien dat in de toekomst nog andere leidingen parallel met de drinkwaterleiding kunnen aangelegd worden. Dat volgt uit het concept zelf van nog aan te leggen leidingstraat, welke een aanduiding van het gewestplan is die is ingevoerd door artikel 4 van het KB van 28 december
  30. Het valt te verwachten dat in de leidingstraat nog andere leidingen hun plaats zullen vinden. Verzoekers weten dus - dès à présent - waaraan ze zich kunnen verwachten. Het rechtszekerheidsbeginsel verzet zich hier geenszins tegen”. X-9803-10/21 3.2.1.
  31. In de memorie van wederantwoord herhaalt de verzoekende partij het middel zoals uiteengezet in het verzoekschrift en voegt hier enkel nog aan toe dat de Vlaamse regering, zoals in haar besluit van 26 mei 2000 vermeld, het bundelingsprincipe slechts “in de mate van het mogelijke (heeft) proberen te realiseren, doch niet in ‘maximale mate’ zoals dit voor het richtinggevende gedeelte van het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen is voorgeschreven”. 3.2.1.
  32. In haar laatste memorie stelt de verzoekende partij nog dat ingeval van nietigverklaring van het bestreden besluit, de verwerende partij een nieuw besluit zal moeten nemen waarbij zij het voordeel van een mogelijke heroverweging zal genieten, ook al heeft het in het middel betrokken tracé geen betrekking op haar eigendom. 3.2.1.
  33. In haar laatste memorie voegt de verwerende partij niets meer toe aan hetgeen zij reeds heeft uiteengezet. 3.2.1.
  34. In haar laatste memorie voegt de tussenkomende partij niets meer toe aan hetgeen reeds werd uiteengezet. 3.2.
  35. Onderzoek van het middel 3.2.2.
  36. Er dient te worden vastgesteld dat de verwerende partij inmiddels bij besluit van 30 september 2005 het bestreden besluit heeft opgeheven wat betreft het gedeelte van de leidingstraat te Heindonk waarvoor het alternatieve tracé was voorgesteld. Daarenboven blijkt dat de percelen, eigendom van de verzoekende partij, zijn gelegen buiten het gebied waarvoor volgens haar wordt afgeweken van het bundelingsprincipe. Zelfs indien de overheid reeds voordien zou zijn tegemoet gekomen aan de desbetreffende bezwaren en zou hebben gekozen voor het alternatieve tracé, dan nog zouden de eigendommen van de verzoekende partij doorkruist zijn geworden door de betrokken leidingstraat. De verzoekende partij heeft derhalve geen belang bij het middel nu het, gelet op de opheffing, niet meer tot de vernietiging kan leiden. 3.
  37. Vijfde middel 3.3.
  38. Standpunt van de partijen X-9803-11/21 3.3.1.
  39. Een vijfde middel is afgeleid uit de schending van artikel 11 van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996, en de beginselen van behoorlijk bestuur, met name het zorgvuldigheidsbeginsel, het motiveringsbeginsel en het vertrouwensbeginsel. Dit middel is gesteld als volgt: “Verzoekers werpen onder dit vijfde middel op dat de Vlaamse regering bij het uitvaardigen van haar besluit van 26 mei 2000, zich niet voldoende heeft geïnformeerd over de mogelijke gevolgen van de door haar genomen beslissing. De Tussengemeentelijke maatschappij voor Vlaanderen voor Watervoorziening (T.M.V.W.) heeft het door haar geplande project, zijnde het aanleggen van een watertransportleiding tussen Oelegem en Brugge, onderworpen aan een milieueffectenrapport. Dit rapport werd opgesteld door AEOLUS dat een erkend MER deskundigenbureau is. Dit milieueffectenrapport werd afgewerkt op 13 augustus
  40. Het openbaar onderzoek werd georganiseerd na deze datum. In het advies van de Regionale Commissie van het Advies van de Provincie Antwerpen wordt er uitdrukkelijk verwezen naar dit milieueffectenrapport. ‘( ... ) dat de T.M.V.W. het vereiste milieueffectrapport heeft opgemaakt, dat de eensluidendverklaring op 9 oktober 1999 bekomen heeft.’ Echter in het definitief besluit van 26 mei 2000 van de Vlaamse regering, vinden verzoekers geen enkel antwoord terug op de aangehaalde stelling van de MER-deskundigen in hun rapport, laat staan dat er enige verwijzing naar dit rapport werd opgenomen. Enkele belangrijke zinsneden van dit milieueffectenrapport aangaande het aandachtsgebied Heindonk, kunnen als volgt worden weergegeven: - ‘Het grondwater in dit aandachtsgebied is kwetsbaar voor verontreiniging (...).’ - ‘De waterleiding is gepland binnen kadastraalperceel nr. 75, weliswaar aan de rand, dat vroeger gebruikt werd als stortplaats. Volgende effecten kunnen dan ook theoretisch spelen: het ontstaan van verontreinigde restgronden; de laterale verspreiding van stortpercolaat; de bemoeilijking van een latere sanering door de aanwezigheid van de drinkwaterleiding aan de rand van het perceel; de verontreiniging van de drinkwatervoorziening zelf. Het is dan ook van groot belang de voormalige stortplaats te ontwijken. Geconcludeerd wordt dat de stortplaats een belangrijk argument vormt om ter plaatse Heindonk te opteren voor het oostelijk alternatief, dit is het volgen van de hoogspanningsleiding, en het westelijk alternatief uit te sluiten.’ (...). - ‘De geactualiseerde ecotopenkaart voor Heindonk geeft duidelijk weer dat grote stukken groen waardévol tot zeer waardévol ecotoop bevat.’(...) - ‘Het aandachtsgebied te Heindonk is floristisch rijk te noemen. Er zijn dan ook zeldzame soorten van planten die er kunnen gevonden worden.’ (...) - ‘Het gebied Heindonk is ecologisch een uitzonderlijk waardevol gebied. De belangrijkste natuurwaarden zijn gerelateerd aan de weilanden met talrijke waterrijke slootjes enerzijds en aan de zandige Donk anderzijds.’ (...) - ‘Doorgraving van de graslanden met veel waterrijke sloten zorgt voor een volledig verlies van de waardevolle vegetatie, Het effect van de doorkruising van de grote gracht is blijvend en zeer negatief. Het project betekent bijgevolg een belangrijke akoestische verstoring van broedvogels, doortrekkers of overwinteraars.’ (...) - ‘Het vrij jonge bos is ecologisch waardevol en het voorzien van een boorput of ontvangstput in deze zone zou zeer belangrijke negatieve effecten hebben. De doorsnijding van de ecologisch waardevolle tot zeer waardevolle Donk wordt als zeer negatief beoordeeld.’ (...) X-9803-12/21 - ‘De deskundige fauna en flora opteert zeer uitgesproken voor bundeling met de bestaande hoogspanningslijn om volgende redenen: er worden minder sloten gedwarst; het alternatief dwarst slechts twee beken van enige omvang; de meest waardevolle sloten gelegen te Kleine Bergen, worden gespaard; er wordt minder vochtig weiland gedwarst; de zandige Donk wordt gespaard; de effectieve afstand en hiermede de uitvoeringstermijn is veel korter; het traject loopt over méér dan 600m door banale, grotendeels gedraineerde maïsakkers; zeer waardevol structuurrijk vochtig grasland wordt doorsneden.’ (...) - ‘De graslanden en slootjes zijn historisch stabiel en landschapsecologisch rijk. De doorsnijding resulteert in een negatief effect omwille van de blijvende aanwezigheid van markeringspalen, inspectiekamers en oeverversteviging bij de grote grachten en beken. Indien gebundeld wordt met de bestaande hoogspanningsleiding die visueel zeer storend is, kunnen de blijvende effecten van dit project gerelativeerd worden en verdwijnen ze eigenlijk in het niets ten overstaan van deze hoogspanningsleidingen.’ (...) - ‘Bij de afweging van de twee tracé alternatieven kan het oostelijk tracé worden weerhouden, omdat het een bundeling betreft met een infrastructuur die vele malen storender is dan de geplande waterleiding zelf; het tracé is veel korter; de rooiing van de vegetatie is zeer beperkt; het tracé loopt tot ongeveer 600m door banale maïsakkers.’ (...) - ‘De recreatieve ontwikkelingen die geprojecteerd worden ter hoogte van de zandige Donk ondervinden negatieve effecten tengevolge van het project: vermits boven de leiding niet mag gebouwd worden, kan het manegeproject (of feestzaalproject) niet worden gerealiseerd. De leidingstrook betekent een contextverlies voor het natuur- en milieueducatiefcentrum dat bovendien gepland is. (...) - ‘De Bommelaarshoeve wordt door het project het meest getroffen. Het westelijk alternatief heeft een tijdelijke akoestische verstoring van het woonlint Heindonk tot gevolg. Het oostelijk alternatief (onder de hoogspanningsleiding) niet (...). - ‘Vanuit de discipline mens geniet het oostelijk alternatief , dit is de bundeling met de bestaande hoogspanningsleiding eveneens de voorkeur: de recreatieve projecten worden niet gehinderd,- de effecten op de woonfuncties zijn verwaarloosbaar; de effecten op de landbouw zijn tijdelijk en worden vergoed,- er wordt gebundeld met de hoogspanningsleiding waarmee aangesloten wordt bij het Structuurplan Vlaanderen; het tracé is ongeveer 900m korter. (...)’ Verzoekers werpen op dat het milieueffectenrapport duidelijk aantoont dat het Heindonk een landschappelijk waardevol gebied is waardoor er gekozen dient te worden voor de aanleg van de watertransportleiding, langsheen de aanwezige 150 kilovolt hoogspanningsleiding. Door dat het besluit van de Vlaamse regering van 26 mei 2000 géén enkele verwijzing bevat naar dit milieueffectenrapport en géén enkele argumentatie bevat die op een gegronde en gefundeerde manier de stelling name van het MER-rapport kan weerleggen, heeft de Vlaamse regering bij het uitvaardigen van deze beslissing het zorgvuldigheidsbeginsel, het motiveringsbeginsel, het vertrouwensbeginsel en het redelijkheidsbeginsel geschonden. Door haar niet voldoende te informeren over de bestaande toestand te Heindonk, beging de Vlaamse regering een fout. Bovendien motiveerde zij haar beslissing, om het milieueffectenrapport niet te volgen, niet. De Commissie van Advies van de Provincie Antwerpen daarentegen nam wel de stelling van het MER over en stelde dan ook uitdrukkelijk als alternatief het oostelijk tracé, gebundeld aan de hoogspanningsleiding, voor. Doch ook op dit voorstel antwoordde de Vlaamse regering niet behoorlijk. Het enige antwoord dat de Vlaamse regering aanhaalde in haar besluit was dat technische en ruimtelijke redenen dit alternatief niet haalbaar maakt. Dit kan uiteraard niet als een voldoende antwoord worden weerhouden. X-9803-13/21 Door haar definitieve beslissing van 26 mei 2000 uit te vaardigen, zonder voldoende geïnformeerd te zijn, heeft de Vlaamse regering ook het vertrouwensbeginsel geschonden. Het vertrouwen van verzoekers in de Vlaamse regering is dan ook volledig zoek nadat zij haar beslissing van 26 mei heeft uitgevaardigd. Verzoekers kunnen niet aanvaarden dat haar Vlaamse regering een beslissing neemt die duidelijk ingaat tegen een milieueffectenrapport”. 3.3.1.
  41. De verwerende partij beantwoordt dit middel als volgt: “
  42. Net zoals in het tweede middel werpen verzoekers op dat het bestreden besluit artikel 11 van het stedenbouwdecreet van 22 oktober 1996 zou schenden. Dit artikel bestaat uit 9 paragrafen en beschrijft de volledige procedure voor het opstellen en uitvaardigen van een gewestplan. In tegenstelling tot wat het geval is voor het tweede middel, geeft de toelichting die verzoekers bij het middel geven, thans geen uitsluitsel over de vraag op welke paragraaf van genoemd artikel 11 het middel betrekking heeft. Het is niet aan verwerende partij om te gaan gissen welke wetsschending in het verzoekschrift wordt opgeworpen: het staat aan verzoekers om de wetsbepaling die zij geschonden achten, duidelijk aan te geven, zeker in een vernietigingsprocedure, waar verwerende partij slechts over een termijn van 8 dagen beschikt om op de middelen te antwoorden. De kwestie wordt des te verwarrender voor verwerende partij, nu het misschien opnieuw gaat over een of andere schimmige ratio legis van genoemd artikel
  43. Verwerende partij ziet zich dan ook genoodzaakt de exceptio obscuri libelli op te werpen voor wat betreft het onderdeel van het vijfde middel dat betrekking heeft op artikel 11 van het stedenbouwdecreet van 22 oktober
  44. Uit de toelichting bij het vijfde middel blijkt dat verzoekers er zich aan storen dat het bestreden besluit niet verwijst naar het milieu-effectrapport (MER) opgemaakt op initiatief van TMVW. Er bestaat echter geen formele relatie tussen een milieu-effectrapport en een gewestplanwijziging. Een MER moet worden opgemaakt voor een aantal projecten die belangrijke milieu-effecten kunnen ressorteren, voorafgaand aan het verlenen van een vergunning (stedenbouwkundige vergunning of milieuvergunning). Dit volgt zeer duidelijk uit artikel 2.1 van de oorspronkelijke MER-richtlijn 62: ‘De Lid-Staten treffen de nodige maatregelen om te verzekeren dat, voordat een vergunning wordt verleend, de projecten die een aanzienlijk milieu-effect kunnen hebben, met name gezien hun aard, omvang of ligging, worden onderworpen aan een beoordeling van die effecten’ (...). Ook het door richtlijn 97/11/EG gewijzigde artikel 2.1 bepaalt dit: ‘De lidstaten treffen de nodige maatregelen om te verzekeren dat een vergunning vereist is voor projecten die een aanzienlijk milieu-effect kunnen hebben, onder meer gezien hun aard, omvang of ligging, en een beoordeling van hun effecten moet plaatsvinden alvorens een vergunning wordt verleend’ (...). De opmaak of de herziening van een ruimtelijk uitvoeringsplan, meer bepaald een gewestplan, is niet MER-plichtig. Er diende derhalve in het bestreden besluit niet verwezen naar het MER. Aangezien het bestreden besluit een reglementaire akte is, moet het niet uitdrukkelijk gemotiveerd worden, tenzij voor het geval de Vlaamse regering afwijkt van het advies van de Regionale Commissie van Advies: hoger is er al uitgebreid op gewezen dat de regering uitgebreid heeft gemotiveerd waarom zij het advies van de commissie niet volgt. In de aanhef van het middel wordt trouwens niet verwezen naar een schending van enige bepaling dat de Vlaamse regering zou verplichten om het X-9803-14/21 bestreden besluit uitdrukkelijk te motiveren 64 . De schending van de formele motiveringsplicht wordt niet opgeworpen in het middel.
  45. Hoger is ook al verduidelijkt welke rol de Regionale Commissie van Advies speelt bij de verwerking van de ingediende bezwaarschriften en de verstrekte adviezen. In essentie komt het erop neer dat de Vlaamse regering niet het werk van de commissie volledig moet overdoen. De commissie bundelt de bezwaren en adviezen, beoordeelt ze op hun merites, weerlegt de niet- gefundeerde aspecten en formuleert een advies op grond van de bezwaren en adviezen die zij wel gegrond acht. De uiteindelijke beslissing komt dan de Vlaamse regering toe. In casu was de Regionale Commissie van Advies van oordeel dat het alternatief tracé, waarvan ook sprake in het MER (daar aangeduid als oostelijk tracé) meer aangewezen was orn ruimtelijke redenen: de andere overwegingen van het MER zijn door de commissie niet weerhouden. Het is dit ruimtelijke aspect dat door de Vlaamse regering, vanuit haar discretionaire maar niet arbitraire bevoegdheid, anders is beoordeeld dan door de commissie, wat de Vlaamse regering ertoe gebracht heeft af te wijken van het door de commissie uitgebrachte advies, na haar keuze uitgebreid en afdoende gemotiveerd te hebben met argumenten die verband houden met ruimtelijke ordening en stedenbouw. Men ziet niet in hoe het zorgvuldigheidsbeginsel of het motiveringsbeginsel in deze zou kunnen geschonden zijn.
  46. Overeenkomstig artikel 3 van de MER-richtlijn beschrijft het op initiatief van TMVW opgemaakte MER de directe en indirecte effecten van het geplande project op een aantal factoren: mens, dier en plant; bodem, water, lucht, klimaat en landschap; materiële goederen en het culturele erfgoed. Naar de concrete uitwerking van het MER toe, wordt het onderzoek verdeeld onder deskundigen met verschillende disciplines: deskundige voor de discipline landschap en mens; deskundige voor de discipline bodem en water; deskundige voor de discipline fauna en flora. In het verzoekschrift worden een aantal bevindingen van de MER-deskundigen aangehaald. Voor wat betreft de disciplines landschap en mens is in het bestreden besluit zelf een duidelijk antwoord te vinden: absolute prioriteit wordt gegeven aan het niet verder aantasten van de open en onbebouwd karakter van de polder van Heindonk. De visie inzake de effecten op het landschap, zoals weergegeven in het MER, wordt door de Vlaamse regering niet gevolgd: daartoe is de regering gerechtigd, aangezien het MER slechts de bedoeling heeft de overheid voor te lichten, maar de uiteindelijke beslissing niet predetermineert. Ook de effecten op de factor mens worden door de regering ondergeschikt gemaakt aan het ruimtelijke aspect. Op dat laatste punt verschilt de regering trouwens niet van mening met de Regionale Commissie van Advies, die in haar advies inderdaad had gesteld Wat de distributie van drinkwater tot de erfdienstbaarheden van openbaar nut behoort en bijgevolg het recht van eigendom kan beperken, zodat het uitvoeren van projecten in het gedrang komt. Het middel is op deze punten ongegrond. Naast de effecten op mens en landschap halen verzoekers nog een aantal bevindingen van het MER aan welke betrekking hebben op de effecten van het voorlopig vastgestelde tracé op natuurwaarden. Er dient vastgesteld dat verzoekers geen belang hebben bij dit onderdeel van het middel. Zij zijn immers particulieren die in het dagelijkse leven geen bijzondere belangstelling aan de dag leggen voor de bescherming en de promotie van de natuur. Het komt hen niet toe in rechte te treden ter behartiging van de belangen van de natuur, welke een onderdeel vormen-van het algemeen belang: nul ne plaide par procureur! Waar dit onderdeel van het middel wel ontvankelijk zou zijn, mocht het zijn opgeworpen door natuurverenigingen, is dat niet het geval voor verzoekers: zij hebben hiertoe eenvoudigweg geen ‘standing’, geen procesbevoegdheid. Dit onderdeel van het middel is dan ook onontvankelijk. X-9803-15/21
  47. in het middel werpen verzoekers ook de schending op van het vertrouwensbeginsel. Zij geven echter aan dit beginsel van behoorlijk bestuur een inhoud die het niet heeft. Zij stellen - ten onrechte trouwens - dat de Vlaamse regering op het moment dat zij het bestreden besluit genomen heeft, onvoldoende geïnformeerd was over alle aspecten van de te nemen beslissing, waardoor het vertrouwen van verzoekers in de Vlaamse regering zou zijn beschaamd. Zelfs als de kritiek van verzoekers inzake het onvoldoende geïnformeerd zijn, gegrond zou zijn, quod non, dan nog zou dit geen schending van het vertrouwensbeginsel uitmaken. Dit beginsel van behoorlijk bestuur is geschonden wanneer de overheid door haar handelen bij de rechtsonderhorige bepaalde verwachtingen wekt, waarop nadien wordt teruggekomen. In casu zijn er geen verwachtingen gewekt bij verzoekers door enig optreden van verwerende partij. Dit onderdeel van het middel is volstrekt ongegrond.
  48. Samengevat komt het er dus op neer dat het onderdeel van het middel dat betrekking heeft op artikel 11 van het stedenbouwdecreet onontvankelijk is, nu met succes de exceptio obscuri libelli kan opgeworpen worden. Waar verzoekers opwerpen dat het bestreden besluit onvoldoende rekening houdt met natuurwaarden of met de bevindingen van het MER dienaangaande, hebben zij onvoldoende belang bij dat onderdeel van het middel, bij gebrek aan standing: dat onderdeel is eveneens onontvankelijk. Voor het overige is de kritiek ongegrond, nu uit het bestreden besluit en uit het advies van de Regionale Commissie van Advies blijkt dat de bezwaren van het MER inzake de disciplines landschap en mens afdoende beantwoord en weerlegd zijn. Een uitdrukkelijke verwijzing naar het MER in het bestreden besluit was niet nodig, aangezien er geen formele relatie tussen beide bestaat”. 3.3.1.
  49. In haar memorie van wederantwoord dupliceert de verzoekende partij: “
  50. De exceptio obscuri libelli De tegenpartij stelt dat verzoekers in hun vijfde middel géén uitsluitsel geven over de vraag welke paragraaf van genoemd artikel 11 wordt bedoeld zodat zij dient te gissen welke wetschending wordt opgeworpen. Volgens de tegenpartij dient het onderdeel van het vijfde middel dat betrekking heeft op artikel 11 Decreet 22.10.1996 om deze reden te worden verworpen. Verzoekers kunnen deze stelling hoegenaamd niet aanvaarden. Zij verwijzen hiervoor naar artikel 2, § 1, 2/ van het Regentsbesluit van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling administratie van de Raad van State dat stelt dat het inleidend verzoekschrift behalve het voorwerp van de aanvraag of beroep, een uiteenzetting van feiten en middelen dient te bevatten. In principe kan een middel slechts in aanmerking worden genomen wanneer het een voldoende duidelijke omschrijving geeft van de geschonden geachte rechtsregel en van de wijze waarop die regel naar het oordeel van de verzoeker door de bestreden beslissing is geschonden. Artikel 2, §l, 2/ vereist echter niet dat in het verzoekschrift de wetsbepalingen worden aangegeven die zouden zijn geschonden. Opdat een middel ontvankelijk zou zijn is het nodig, maar voldoende dat summier doch duidelijk de beweerde onregelmatigheid van de aangevochten beslissing wordt aangegeven. Vermits de uiteenzetting van een middel niet vereist dat wordt aangegeven welke wetsbepalingen zijn geschonden, volstaat het dat duidelijk is welke rechtsregel geschonden is (zijn) en waarom. (...). Dit is m.b.t. het vijfde middel van verzoekers duidelijk het geval! De exceptio obscuri libelli dient dan ook te worden verworpen.
  51. X-9803-16/21 Verzoekers werpen onder dit vijfde middel op dat de Vlaamse regering bij het uitvaardigen van haar besluit van 26 mei 2000, zich niet voldoende heeft geïnformeerd over de mogelijke gevolgen van de door haar genomen beslissing. De Tussengemeentelijke maatschappij voor Vlaanderen voor Watervoorziening (T.M.V.W.) heeft het door haar geplande project, zijnde het aanleggen van een watertransportleiding tussen Oelegem en Brugge, onderworpen aan een milieueffectenrapport. Dit rapport werd opgesteld door AEOLUS dat een erkend MER deskundigenbureau is. Dit milieueffectenrapport werd afgewerkt op 13 augustus
  52. Het openbaar onderzoek werd georganiseerd na deze datum. In het advies van de Regionale Commissie van het Advies van de Provincie Antwerpen wordt er uitdrukkelijk verwezen naar dit milieueffectenrapport. ‘(...) dat de T.M.V.W. het vereiste milieueffectrapport heeft opgemaakt, dat de eensluidendverklaring op 9 oktober 1999 bekomen heeft.’ Echter in het definitief besluit van 26 mei 2000 van de Vlaamse regering, vinden verzoekers geen enkel antwoord terug op de aangehaalde stelling van de MERdeskundigen in hun rapport, laat staan dat er enige verwijzing naar dit rapport werd opgenomen zodat de bestreden beslissing ongemotiveerd afwijkt van het advies van de Commissie, waardoor zij artikel 11, §7 Decreet 22.10.1996 schendt. Dat de gewestplanwijziging niet MER-plichtig is, zoals de tegenpartij stelt, is bovendien uiteraard géén argument dat enigszins kan weerhouden worden. De MER-Richtlijn legt immers een MER-verplichting op voor alle werken die ‘een aanzienlijk milieu-effect kunnen hebben, onder meer gezien hun aard, omvang of ligging.’. Dat hieronder ook de aanleg van de watertransportleiding, doorheen heel het Vlaamse landschap, dient begrepen te worden, staat ontegensprekelijk vast. Dat dit gehele project een onvoorstelbaar grote impact zal hebben, zowel qua ruimtelijke ordening als op milieuvlak, is enerzijds bewezen door feit dat de MER nu reeds is opgesteld door de TMVW als door de inhoud van de MER anderzijds. Enkele belangrijke zinsneden van dit milieueffectenrapport aangaande het aandachtsgebied Heindonk, kunnen de impact van de werken dan ook best aantonen: - ‘Het grondwater in dit aandachtsgebied is kwetsbaar voor verontreiniging (...).’ - ‘De waterleiding is gepland binnen kadastraal perceel nr. 75, weliswaar aan de rand, dat vroeger gebruikt werd als stortplaats. Volgende effecten kunnen dan ook theoretisch spelen: het ontstaan van verontreinigde restgronden; de laterale verspreiding van stortpercolaat; de bemoeilijking van een latere sanering door de aanwezigheid van de drinkwaterleiding aan de rand van het perceel; de verontreiniging van de drinkwatervoorziening zelf. Het is dan ook van groot belang de voormalige stortplaats te ontwijken. Geconcludeerd wordt dat de stortplaats een belangrijk argument vormt om ter plaatse Heindonk te opteren voor het oostelijk alternatief, dit is het volgen van de hoogspanningsleiding, en het westelijk alternatief uit te sluiten.’ (...). - ‘De geactualiseerde ecotopenkaart voor Heindonk geeft duidelijk weer dat grote stukken groen waardevol tot zeer waardevol ecotoop bevat.’ (...) - ‘Het aandachtsgebied te Heindonk is floristisch rijk te noemen. Er zijn dan ook zeldzame soorten van planten die er kunnen gevonden worden.’ (...) - ‘Het gebied Heindonk is ecologisch een uitzonderlijk waardevol gebied. De belangrijkste natuurwaarden zijn gerelateerd aan de weilanden met talrijke waterrijke slootjes enerzijds en aan de zandige Donk anderzijds.’ (...) - ‘Doorgraving van de graslanden met veel waterrijke sloten zorgt voor een volledig verlies van de waardevolle vegetatie. Het effect van de doorkruising van de grote gracht is blijvend en zeer negatief. Het project betekent bijgevolg X-9803-17/21 een belangrijke akoestische verstoring van broedvogels, doortrekkers of overwinteraars.’ (...) - ‘Het vrij jonge bos is ecologisch waardevol en het voorzien van een boorput of ontvangstput in deze zone zou zeer belangrijke negatieve effecten hebben. De doorsnijding van de ecologisch waardevolle tot zeer waardevolle Donk wordt als zeer negatief beoordeeld.’ (...) - ‘De deskundige fauna en flora opteert zeer uitgesproken voor bundeling met de bestaande hoogspanningslijn om volgend redenen: er worden minder sloten gedwarst; het alternatief dwarst slechts twee beken van enige omvang; de meest waardevolle sloten gelegen te Kleine Bergen, worden gespaard; er wordt minder vochtig weiland gedwarst; de zandige Donk wordt gespaard; de effectieve afstand en hiermede de uitvoeringstermijn is veel korter; het traject loopt over méér dan 600m door banale, grotendeels gedraineerde maïsakkers; zeer waardevol structuurrijk vochtig grasland wordt doorsneden.’ (...) - ‘De graslanden en slootjes zijn historisch stabiel en landschgsecologisch rijk. De doorsnijding resulteert in een negatief effect omwille van de blijvende aanwezigheid van markeringspalen, inspectiekamers en oeverversteviging bij de grote grachten en beken. Indien gebundeld wordt met de bestaande hoogspanningsleiding die visueel zeer storend is, kunnen de blijvende effecten van dit project gerelativeerd worden en verdwijnen ze eigenlijk in het niets ten overstaan van - deze hoogspanningsleidingen.’ (...) - ‘Bij de afweging van de twee tracé alternatieven kan het oostelijk tracé worden weerhouden, omdat het een bundeling betreft met een infrastructuur die vele malen storender is dan de geplande waterleiding zelf het tracé is veel korter; de rooiing van de vegetatie is zeer beperkt; het tracé loopt tot ongeveer 600m doorbanale maïsakkers.’ (...) - ‘De recreatieve ontwikkelingen die geprojecteerd worden ter hoogte van de zandige Donk ondervinden negatieve effecten tengevolge van het project: vermits boven de leiding niet mag gebouwd worden, kan het manegeproject (of feestzaalproject) niet worden gerealiseerd. De leidingstrook betekent een contextverlies voor het natuur- en milieueducatiefcentrum dat bovendien gepland is. (...) - ‘De Bommelaarshoeve wordt door het project het meest getroffen. Het westelijk alternatief heeft een tijdelijke akoestische verstoring van het woonlint Heindonk tot gevolg. Het oostelijk alternatief (onder de hoogspanningsleiding niet (...). - ‘Vanuit de discipline mens geniet het oostelijk alternatief, dit is de bundeling met de bestaande hoogspanningsleiding eveneens de voorkeur: de recreatieve projecten worden niet gehinderd,- de effecten op de woonfuncties zijn verwaarloosbaar; de effecten op de landbouw zijn tijdelijk en worden vergoed,- er wordt gebundeld met de hoogspanningsleiding waarmee aangesloten wordt bij het Structuurplan Vlaanderen; het tracé is ongeveer 900m korter. (...)’ Verzoekers werpen op dat het milieueffectenrapport duidelijk aantoont dat het Heindonk een landschappelijk waardevol gebied is waardoor er gekozen dient te worden voor de aanleg van de watertransportleiding, langsheen de aanwezige 150 kilovolt hoogspanningsleiding. Het argument van de tegenpartij dat verzoekers géén belang zouden hebben bij het aanhalen van de bevindingen van de MER aangaande de natuurwaarden van het milieu te Heindonk, kan uiteraard niet weerhouden worden. Verzoekers zijn immers allen eigenaar van hun perceel te Heindonk en staan zij op het behoud en het respect van het aanwezige milieu. Dit werd bovendien reeds uitvoerig gepleit op de zitting van Uw Raad in de schorsingsprocedure. Dat verzoekers het belang van de MER en ook de nadelige gevolgen van de waterstraat voor het milieu kunnen aanhalen om de juiste impact van de X-9803-18/21 bestreden beslissing aan te tonen staat dan ook buiten kijf. Verzoekers dienen hier uiteraard niet voor te zijn gegroepeerd in een natuurvereniging! Door dat het besluit van de Vlaamse regering van 26 mei 2000 géén enkele verwijzing bevat naar dit milieueffectenrapport en géén enkele argumentatie bevat die op een gegronde en gefundeerde manier de stelling name van het MER-rapport kan weerleggen, heeft de Vlaamse regering bij het uitvaardigen van deze beslissing het zorgvuldigheidsbeginsel, het motiveringsbeginsel, het vertrouwensbeginsel en het redelijkheidsbeginsel geschonden. Door haar niet voldoende te informeren over de bestaande toestand te Heindonk, beging de Vlaamse regering een fout. Bovendien motiveerde zij haar beslissing, om het milieueffectenrapport niet te volgen, niet. De Commissie van Advies van de Provincie Antwerpen daarentegen nam wel de stelling van het MER over en stelde dan ook uitdrukkelijk als alternatief het oostelijk tracé, gebundeld aan de hoogspanningsleiding, voor. Doch ook op dit voorstel antwoordde de Vlaamse regering niet behoorlijk. Het enige antwoord dat de Vlaamse regering aanhaalde in haar besluit was dat technische en ruimtelijke redenen dit alternatief niet haalbaar maakt. Dit kan uiteraard niet als een voldoende antwoord worden weerhouden. Door haar definitieve beslissing van 26 mei 2000 uit te vaardigen, zonder voldoende geïnformeerd te zijn, heeft de Vlaamse regering ook het vertrouwensbeginsel geschonden. Het vertrouwen van verzoekers in de Vlaamse regering is dan ook volledig zoek nadat zij haar beslissing van 26 mei heeft uitgevaardigd. Verzoekers kunnen immers niet aanvaarden dat haar Vlaamse regering een beslissing neemt die duidelijk ingaat tegen een milieueffectenrapport terwijl verzoekers er wel op mogen vertrouwen, alhoewel de tegenpartij hier een andere mening op nahoudt, dat de Vlaamse Regering zich houdt aan voorliggende stedenbouwkundige en milieuvoorschriften. Verzoekers mogen als Vlaamse onderdanen er juist wel van uitgaan en er op vertrouwen dat de door hen gekozen politieke instanties wel de rechtsregels naleven. Dit vertrouwen wordt immers ook gewekt door de instantie van de Vlaamse Regering”. 3.3.1.
  53. De tussenkomende partij laat met betrekking tot dit middel gelden wat volgt: “
  54. T.M.V.W. wenst op te merken dat de verzoekers het Milieueffectenrapport wel zeer selectief lezen.
  55. In het deelrapport 3 : voorstudie van de MER wordt met betrekking tot Lot 2 aandacht besteed aan het tracé Walem-Tisselt. Het initieel tracé (in het zgn. Basisdossier) voorzag, in het gebied Heindonk, in hoofdzaak een bundeling met de hoogspanningslijn (150kV) tot Hooiendonk. Deze optie werd toen reeds een eerste keer verlaten onder volgend motief: ‘Het gebied Heindonk werd te waardevol bevonden, zodat voor dit deel van het tracé geopteerd werd om aan de rand van het open landschap te blijven.’
  56. Ook het eindrapport, deelrapport 1: tekstdeel van de MER houdt, als eigen conclusie, onder pt. 2.3 Beschrijving van het tracé, de door de Vlaamse regering weerhouden optie aan. Onder de ptn. 7 en 8, p. 53 wordt dat tracé ter hoogte van Heindonk en verder tot de dwarsing van de N16 beschreven. Het (door de verzoekers gewenste) alternatief evenzeer (pt. 2.3.2.3, p. 54). Het M.E.R.-rapport verwerpt, na omstandig afwegen, uiteindelijk dat alternatief op p. 67 in de volgende bewoordingen: ‘Een alternatief tracé bundelt ter hoogte van het gebied Heindonk met de hoogspanningslijn 150kV tot Hooiendonk. Het gebied Heindonk heeft een open X-9803-19/21 landschap en is landschappelijk waardevol volgens het gewestplan. Daarom werd de bundeling met de hoogspanning verlaten ten voordele van het thans voorliggend tracé dat het open landschap van Heindonk grotendeels omzeild. Omdat het gewestplan en het open karakter van het gebied GNOP volgens het college van deskundigen een onvoldoende motivatie vormen om dit alternatief tracé a priori te verwerpen, wordt dit tracé in dit MER als volwaardig alternatief bestudeerd, Het deeltracé is eveneens aangeduid op de kaart in de figuren 2.4 tot 2.7.’ (...)
  57. Wat meebrengt dat de door de Vlaamse regering gemaakte keuze niet afwijkt van de conclusie van de MER, doch slechts het daar aangeboden alternatief niet weerhoudt, overigens om dezelfde reden waarom de Merconclusie dat ook al niet deed.
  58. Zodat het middel feitelijke grondslag mist, minstens geen strijdigheid met het art 11 van het gecoördineerd decreet van 24 oktober 1996 (de exceptie obscuri libelli van het Vlaamse Gewest is overigens terecht) en de in het middel bedoelde beginselen van behoorlijk bestuur kan opleveren”. 3.3.1.
  59. In haar laatste memorie stelt de verzoekende partij nog dat ingeval van nietigverklaring van het bestreden besluit, de verwerende partij een nieuw besluit zal moeten nemen waarbij zij het voordeel van een mogelijke heroverweging zal genieten, ook al heeft het in het middel betrokken tracé geen betrekking op haar eigendom. 3.3.1.
  60. In haar laatste memorie voegt de verwerende partij niets meer toe aan hetgeen zij reeds heeft uiteengezet. 3.3.1.
  61. In haar laatste memorie voegt de tussenkomende partij niets meer toe aan hetgeen reeds werd uiteengezet. 3.3.
  62. Onderzoek van het middel 3.3.2.
  63. Om de redenen hiervoor uiteengezet bij het onderzoek van het vierde middel (punt 3.2.2.1.), heeft de verzoekende partij evenmin belang bij het vijfde middel. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
  64. Het beroep wordt verworpen. X-9803-20/21 Artikel
  65. De kosten van de vordering tot schorsing en van het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 347,06 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. De kosten van de tussenkomst, bepaald op 123,95 euro, komen ten laste van de tussenkomende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zevenentwintig mei 2008, door de Xe kamer, die was samengesteld uit : de HH. R. STEVENS, kamervoorzitter, J. BOVIN, staatsraad, E. BREWAEYS, staatsraad, Mevr. T. TEMMERMAN, griffier. De griffier, De voorzitter, T. TEMMERMAN. R. STEVENS. X-9803-21/21 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.183.475 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2001:ARR.98.167 ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.171.616 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.