← België

Arrêt / Arrest 183479 - Divers (fonction publique) / Varia (openbaar ambt) - 27/05/2008

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 27 mei 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.183.479 Rolnummer: A. 152438/AGAV-98 Zaak: Arrêt / Arrest 183479 - Divers (fonction publique) / Varia (openbaar ambt) - 27/05/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-06-04 Raadplegingen: 84 - laatst gezien 2026-06-29 08:07 Versie(s): Versie FR Fiche Arrest nr 183.479 van 27 mei 2008 Openbaar ambt - Varia (openbaar ambt) Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing Nederlandse tekst (titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973) RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. Nr. 183.479 van 27 mei 2008 A. 152.438/g-98 In zake: BAERT Marylène, die woonplaats heeft gekozen bij Mr. Marc UYTTENDAELE en Mr. Philippe SCHAFFNER, advocaten, Bronstraat 68 1000 Brussel, tegen: de gemeente Sint-Agatha-Berchem, die woonplaats heeft gekozen bij Mr. Jean BOURTEMBOURG, advocaat, Zwitserlandstraat 24 1060 Brussel. DE RAAD VAN STATE, ALGEMENE VERGADERING VAN DE AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK, Gezien het op 4 juni 2004 ingediende verzoekschrift, waarbij Marylène BAERT de nietigverklaring vordert van de beslissing van het Rechtscollege van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest van 1 april 2004, waarbij "het kastekort van 16.182,98 euro, waarvoor ze als gemeenteontvanger op het ogenblik van de feiten aansprakelijk is, haar wordt aangerekend"; Gelet op arrest nr. 179.579 van 14 februari 2008 waarbij wordt besloten de debatten te heropenen, de zaak voor te leggen aan de eerste voorzitter en de beslissing over de kosten in beraad te houden; Gelet op de kennisgeving van het arrest aan de partijen; Gelet op de beschikking waarbij zaak nr. A.152.438/VIII-4580 wordt onttrokken aan de VIIIe kamer en verwezen wordt naar de algemene vergadering van de afdeling Bestuursrechtspraak; g- 98 - 1/6 Gelet op de beschikking van 13 maart 2008, waarvan aan de partijen kennis is gegeven, en waarbij bepaald wordt dat de zaak voorkomt op de terechtzitting van de algemene vergadering van de afdeling Bestuursrechtspraak van 8 april 2008 om 14.30 uur; Gehoord het verslag van mevrouw S. GEHLEN, staatsraad; Gehoord de opmerkingen van Mr. E. MARON, advocaat, loco Mr. M. UYTTENDAELE en Mr. Ph. SCHAFFNER, advocaten, die voor de verzoekende partij verschijnen en van Mr. N. FORTEMPS, advocaat, loco Mr. J. BOURTEMBOURG, advocaat, die voor de verwerende partij verschijnt; Gehoord het advies van de heer M. CUVELIER, auditeur; Gelet op de artikelen 17 en 18 en op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat de gegevens die dienstig zijn voor het onderzoek van het verzoekschrift uiteengezet zijn in arrest nr. 179.579 van 14 februari 2008; Overwegende dat de eerste auditeur-rapporteur ambtshalve een middel ontleent aan schending van de algemene rechtsbeginselen van onafhankelijkheid en onpartijdigheid , van het beginsel "justice must not only be done, but also be seen to be done" en van het beginsel dat de correcte samenstelling van een rechtscollege een essentiële voorwaarde is wil het rechtsgeldig kunnen beslissen; dat hij erop wijst dat de bijzondere wet van 12 januari 1989 met betrekking tot de Brusselse Instellingen die, wat betreft het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, de rechtsprekende taken van de bestendige deputatie toekent aan een rechtscollege, bepaalt dat voor de leden van dit college dezelfde onverenigbaarheden gelden als voor de leden van de bestendige deputatie in de provincies; dat hij stelt dat, aangezien de provincieraad de leden van de bestendige deputatie uit zijn midden kiest, de onverenigbaarheden die voor de leden van het rechtscollege gelden zowel die zijn voorgeschreven voor de leden van de provincieraden, als die voorgeschreven voor de leden van de bestendige deputatie; dat hij in dat verband verwijst naar de artikelen 25 en 27 van de provinciekieswet; dat hij vaststelt dat Simonne CREYF, die op 1 april 2004 als ondervoorzitter in het Rechtscollege zitting gehad heeft, op die datum lid was van de Kamer van volksvertegenwoordigers; dat hij daaruit afleidt dat het Rechtscollege niet regelmatig samengesteld was en tot cassatie van de bestreden handeling besluit; g- 98 - 2/6 Overwegende dat de verwerende partij in haar laatste memorie het bezwaar oppert dat de handeling waarbij een lid van het Rechtscollege wordt aangewezen, een persoonsgerichte handeling is, dat geen beroep is ingesteld tegen de aanstelling van Simonne CREYF en dat die aanstelling bijgevolg onherroepelijk geworden is; dat zij daaruit afleidt dat "de mogelijke onregelmatigheid van de aanstelling van een lid van een administratief rechtscollege in zulke omstandigheden niet met goed gevolg kan worden aangevoerd tot staving van een beroep ingesteld tegen een beslissing van dat administratieve rechtscollege"; dat de verwerende partij, uiterst subsidiair, betoogt dat de onverenigbaarheden strikt behoren te worden geïnterpreteerd en dat, wanneer in een tekst wordt bepaald dat op de leden van het Rechtscollege dezelfde onverenigbaarheden toepasselijk zijn als die welke gelden voor de leden van de bestendige deputatie in de provincies, die onregelmatigheden uitsluitend die zijn welke gelden voor de leden van de bestendige deputaties en die noodzakelijkerwijs specifiek zijn; dat volgens haar, mocht de wetgever de bedoeling gehad hebben om de leden van het Rechtscollege te onderwerpen aan de onverenigbaarheden die gelden voor de leden van de provincieraad, hij dit ongetwijfeld wel zou hebben gepreciseerd; dat ze benadrukt dat een lid van de Kamer van volksvertegenwoordigers of van de Senaat niet tegelijkertijd provincieraadslid mag zijn, zodat men zich niet hoeft af te vragen of de onverenigbaarheden die gelden voor provincieraadsleden op dat lid van toepassing zijn; dat ze concludeert dat "het overigens aanvaardbaar was om alleen die onverenigbaarheden die gelden voor het lid van de bestendige deputatie, toe te passen op het lid van het Rechtscollege, aangezien laatstgenoemd lid, in tegenstelling tot het eerstgenoemde lid, geen enkel politiek mandaat uitoefent en niet noodzakelijkerwijze een verkozene is"; Overwegende dat in arrest nr. 179.579 van 14 februari 2008 reeds het argument onderzocht is dat ontleend is aan de onherroepelijkheid van de aanstelling van Simonne CREYF als lid van het Rechtscollege, en dat dit argument verworpen is; Overwegende dat vaststaat dat S. CREYF meegewerkt heeft aan de totstandkoming van de bestreden beslissing, ook al was ze terzelfder tijd lid van de Kamer van volksvertegenwoordigers; Overwegende dat de oprichting van het Rechtscollege een gevolg is van het feit dat, bij de splitsing van de provincie Brabant, het administratief arrondissement Brussel-Hoofdstad volgens artikel 5, eerste lid, van de Grondwet, onttrokken is aan de indeling in provincies en dat in dat arrondissement bijgevolg geen provincieraad, noch bestendige deputatie bestaat; dat op basis van artikel 163, tweede lid, van de Grondwet de bijzondere wetgever, wat betreft de uitoefening van de bevoegdheden van de g- 98 - 3/6 provincies in het tweetalig gebied Brussel-Hoofdstad, ervoor gekozen heeft een onderscheid te maken tussen taken van algemeen bestuur of medebeheer en de rechtsprekende taken, die in de provincies worden vervuld door de bestendige deputatie; dat in artikel 83quinquies, § 2, van de bijzondere wet met betrekking tot de Brusselse Instellingen bepaald wordt dat de rechtsprekende taken uitgeoefend worden door een college van 9 leden die door het Brussels Hoofdstedelijk Parlement worden aangesteld; Overwegende dat het Rechtscollege een volwaardig administratief rechtscollege is; dat het als louter rechtsprekend orgaan fundamenteel verschilt van de bestendige deputaties, wat tot gevolg heeft dat de eisen van onafhankelijkheid en onpartijdigheid die onontbeerlijk zijn voor de uitoefening van een rechtsprekende functie, ten volle van toepassing zijn op dat College; dat het beginsel dat in artikel 151 van de Grondwet vervat ligt en geldt voor de gewone rechterlijke macht en dat overigens ook moet worden nageleefd krachtens artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ook, als grondslag van een democratische Staat, van toepassing is op de administratieve rechtscolleges bedoeld in artikel 160 van de Grondwet; Overwegende dat de onafhankelijkheid van de rechter veronderstelt dat hij onafhankelijk is van de uitvoerende en de wetgevende macht; dat de omstandigheid dat de politieke overheid niet in de plaats kan treden van de rechter om geschillen te beslechten die tot diens bevoegdheidssfeer behoren, eveneens een waarborg is voor de onafhankelijkheid en onpartijdigheid van de rechter; Overwegende dat het feit dat een volksvertegenwoordiger in functie, die deel uitmaakt van de wetgevende macht en in voorkomend geval handelt als bijzondere wetgever en deel uitmaakt van de afgeleide grondwetgevende macht, zitting heeft in een administratief rechtscollege dat belast is met louter rechtsprekende taken, niet bestaanbaar is met dat beginsel; Overwegende bovendien dat het feit dat een nog actieve politieke mandataris een rechtsprekende taak vervult en geschillen beslecht, noodzakelijkerwijze een vermoeden van partijdigheid doet ontstaan, los van de objectieve onpartijdigheid van S. CREYF die, in casu, niet in twijfel wordt getrokken; dat het feit op zich dat iemand lid is van een wetgevende kamer bij de rechtzoekende een gewettigde twijfel doet ontstaan wat betreft de vraag of zijn zaak met de nodige onpartijdigheid behandeld zal worden door een rechter die tegelijkertijd de twee functies vervult; Overwegende dat het middel om de voorgaande redenen gegrond is, g- 98 - 4/6 BESLUIT: Artikel 1 De beslissing van het Rechtscollege van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest van 1 april 2004, waarbij het kastekort van 16.182,98 euro, waarvoor verzoekster als gemeenteontvanger op het ogenblik van de feiten aansprakelijk is, haar wordt aangerekend, wordt verbroken. Artikel 2 Dit arrest zal worden overgeschreven in de registers van het Rechtscollege van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest en melding ervan zal worden gemaakt op de kant van de verbroken beslissing. Artikel 3 De zaak wordt verwezen naar het anders samengestelde Rechtscollege. Artikel 4. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verwerende partij. g- 98 - 5/6 Aldus uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van de algemene vergadering van de afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State, op zevenentwintig mei 2008, door: de HH. R. ANDERSEN, eerste voorzitter van de Raad van State, J.-Cl. GEUS, kamervoorzitter, D. VERBIEST, kamervoorzitter, A. BEIRLAEN, kamervoorzitter, Mevr. O. DAURMONT, staatsraad, Mevr. S. GEHLEN, staatsraad, de HH. J. LUST, staatsraad, G. VAN HAEGENDOREN, staatsraad, Mevr. D. LANGBEEN, hoofdgriffier. De Hoofdgriffier, De Eerste Voorzitter van de Raad van State, D. LANGBEEN. R. ANDERSEN. g- 98 - 6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.183.479 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.179.579 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

Explication IA à partir du texte officiel de la loi. Indicatif, ne remplace pas un conseil juridique.