id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 27 mei 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.183.480 Rolnummer: Zaak: Arrêt / Arrest 183480 - Divers (fonction publique) / Varia (openbaar ambt) - 27/05/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-06-09 Raadplegingen: 87 - laatst gezien 2026-06-29 08:07 Versie(s): Versie FR Fiche Arrest nr 183.480 van 27 mei 2008 Openbaar ambt - Varia (openbaar ambt) Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 183.480 van 27 mei 2008 in de zaken A. 161.208/G-
- (I.) A. 164.394/G-
- (II.) A. 168.636/G-
- (III.) In zake : I. + II. + III. Patsy SLABBAERT, die woonplaats kiest bij advocaten D. Lindemans en T. Eyskens, kantoor houdende te 1000 Brussel, Keizerslaan 3 tegen : I. + II.
- het OPENBAAR CENTRUM VOOR MAATSCHAPPELIJK WELZIJN VAN SINT-JOOST-TEN-NODE, dat woonplaats kiest bij advocaten J. Bouckaert en L. De Vuyst, kantoor houdende te 1000 Brussel, Loksumstraat
- III.
- het OPENBAAR CENTRUM VOOR MAATSCHAPPELIJK WELZIJN VAN SINT-JOOST-TEN-NODE,
- A. S. MOUZON,
- C. DE MAAT,
- J. DESTERCKE,
- P. DREZE,
- E. COLLINET,
- A. M. DE RAET,
- J. DESMET,
- H. DE VASCONCELOS FELIX-ALVES,
- F. KESSAS,
- E. JASSIN,
- R. LECLERE,
- R. ROX, die woonplaats kiezen bij advocaat J. Bouckaert, kantoor houdende te 1000 Brussel, Loksumstraat
- --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, ALGEMENE VERGADERING VAN DE AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK, Gezien het verzoekschrift dat Patsy Slabbaert op 25 maart 2005 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het tussenvonnis van 20 januari 2005 van het rechtscollege, bedoeld in artikel 83quinquies, § 2, van de Ag-99-1\12 bijzondere wet van 12 januari 1989 met betrekking tot de Brusselse Instellingen (hierna: het rechtscollege), waarbij het rechtscollege zich bevoegd verklaart om te oordelen over het door haar op 2 november 2004 ingestelde beroep (zaak A. 161.208/G-99); Gezien het verzoekschrift dat Patsy Slabbaert op 18 juli 2005 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het tussenvonnis van 12 mei 2005, waarbij het rechtscollege zich bevoegd verklaart om te oordelen over het door haar op 23 februari 2005 ingestelde beroep (zaak A. 164.394/G-100); Gezien het verzoekschrift dat Patsy Slabbaert op 15 december 2005 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het vonnis van 22 september 2005, waarbij het rechtscollege haar als gewezen ontvanger van het Openbaar Centrum voor Maatschappelijk Welzijn van Sint-Joost-ten-Node aansprakelijk stelt voor een tekort dat wordt vastgesteld op 30.817,77 euro (zaak A. 168.636/G-101); Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord in de drie zaken; Gezien het verslag in de drie zaken, opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd R. Vander Elstraeten; Gelet op de beschikkingen van 6 februari 2007 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van de dossiers gelasten; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memories in de drie zaken; Gelet op de beschikkingen van 27 februari 2008, waarbij de voorzitter van de Raad van State de XIIe kamer ontlast van de zaken en de zaken verwijst naar de algemene vergadering van de afdeling bestuursrechtspraak; Gelet op de beschikkingen van 4 maart 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 8 april 2008; Gehoord het verslag van staatsraad G. van Haegendoren; Ag-99-2\12 Gehoord de opmerkingen van advocaat T. Eyskens, die verschijnt voor verzoekster, en van advocaten J. Bouckaert en T. Gernaey, die verschijnen voor de verwerende partijen; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur- afdelingshoofd R. Vander Elstraeten; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, OVERWEEGT WAT VOLGT : De gegevens van de zaken 1.
- Verzoekster is voltijds en vastbenoemd ontvanger van het Openbaar Centrum voor Maatschappelijk Welzijn (OCMW) van Sint-Joost-ten- Node. 1.
- Op 19 augustus 2004 weigert de raad voor maatschappelijk welzijn verzoekster kwijting voor de rekeningen 2001 en
- Dit besluit wordt aan verzoekster met een aangetekende brief van 3 september 2004 ter kennis gebracht. Met een brief van 24 september 2004 vraagt verzoekster het Verenigd College van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie de beslissing van 19 augustus 2004 te schorsen. 1.
- Verzoekster dient tegen het besluit van 19 augustus 2004 en “de stilzwijgende goedkeuring van dit besluit door het Verenigd College van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie” op 2 november 2004 een beroep in bij het rechtscollege. Dit beroep wordt een eerste maal door het rechtscollege behandeld op de openbare zitting van 23 december
- Op 20 januari 2005 neemt het rechtscollege een tussenbeslissing waarin het zich bevoegd verklaart om te oordelen over het beroep en waarin het, alvorens over het overige recht te doen, de Ag-99-3\12 overlegging beveelt van aanvullende stukken. Deze beslissing maakt het voorwerp uit van het eerste beroep. 1.
- Op 21 oktober 2004 legt de raad voor maatschappelijk welzijn de eindrekening vast. Op 23 december 2004 besluit dezelfde raad de kwijting aan verzoekster voor de eindafrekening afgesloten op 17 oktober 2003 te weigeren. Dit besluit wordt aan verzoekster met een aangetekende brief van 28 december 2004 ter kennis gebracht. 1.
- Verzoekster tekent tegen het besluit van 23 december 2004 en “de stilzwijgende goedkeuring van dit besluit door het Verenigd College van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie” op 23 februari 2005 beroep aan bij het rechtscollege. Dit beroep wordt een eerste maal door het rechtscollege behandeld op de openbare zitting van 14 april
- Op 12 mei 2005 neemt het rechtscollege een tussenbeslissing waarin het beslist “dat het aan alle voorwaarden voldoet om te kunnen beslissen en dat er geen reden is om zich te onthouden” en het zich bevoegd verklaart om te oordelen over het beroep van 23 februari
- Deze tussenbeslissing, die het voorwerp vormt van het tweede beroep, rust op volgende redengeving : “Overwegende dat de artikelen 89 en 93, § 4 van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn vervangen zijn door de ordonnantie van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie van 3 juni 2003; Overwegende dat artikel 52 van die ordonnantie de inwerkingtreding ervan vastlegt op 1 januari 2004; dat artikel 51 van dezelfde ordonnantie eveneens bepaalt dat de beslissingen van de openbare centra voor maatschappelijk welzijn die genomen zijn vóór deze ordonnantie van kracht werd, onderworpen blijven aan de toezichtregelen en controles die op dat ogenblik van kracht waren; Overwegende dat, overeenkomstig de artikelen 89 en 93, § 4 van de O.C.M.W.-wet, zoals in voege vanaf 1 januari 2004, het Rechtscollege gemachtigd is om te oordelen over het beroep van mevrouw Patsy Slabbaert tegen het besluit van het O.C.M.W. van Sint-Joost-Ten-Node van 23 december 2004; Overwegende dat de procedurebepalingen onmiddellijk en op algemene wijze van toepassing zijn; Overwegende dat art. 83 quinquies, § 2, 1ste lid van de bijzondere wet van 12 januari 1989 betreffende de Brusselse instellingen bepaalt dat de leden van Ag-99-4\12 het Rechtscollege worden aangesteld door de Brusselse Hoofdstedelijke Raad (nu Brussels Hoofdstedelijk Parlement), op voordracht van zijn Regering; Overwegende dat bij gebreke aan specifieke wetsbepalingen in verband met de bekendmaking van die aanstelling, de algemene publiciteitsregels van de plenaire vergaderingen van het Brussels Hoofdstedelijk Parlement van toepassing zijn, met name de openbaarheid van de vergaderingen bepaald in artikel 28, 1ste lid van de bijzondere wet van 12 januari 1989 en de publiciteitsvormen van de beraadslagingen van het Parlement, zoals vastgesteld in het reglement van het Parlement dat werd aangenomen krachtens art. 28, 1ste en 3de leden, van de bijzondere wet van 12 januari 1989 betreffende de Brusselse Instellingen; Overwegende dat het Rechtscollege een collegiaal orgaan is dat in zijn midden een voorzitter en een ondervoorzitter aanstelt voor de goede organisatie van zijn werkzaamheden; Overwegende dat art. 83 quinquies, §2, 2de lid bepaalt dat voor de leden van het Rechtscollege ‘dezelfde onverenigbaarheden gelden als voor de leden van de bestendige deputatie in de provincies; Overwegende dat de onverenigbaarheden voor de leden van de bestendige deputatie opgenomen zijn in art. 27 van de wet van 19 oktober 1921 tot regeling van de provincieraadsverkiezingen; Overwegende dat er in de voormelde bepaling geen sprake is van lid van de Kamer van Volksvertegenwoordigers of van lid van het bureau van de ‘Conseil Supérieur de l’Audiovisuel’; dat de onverenigbaarheden die bij decreet dd. 27 februari 2003 van de Franse Gemeenschap betreffende de radio-omroep aan de leden van de ‘Conseil Supérieur de l'Audiovisuel’ opgelegd zijn, in casu niet relevant zijn voor het Rechtscollege om de geldigheid van het mandaat van zijn leden te toetsen; Overwegende dat de onverenigbaarheidsregels strikt geïnterpreteerd moeten worden; Overwegende dat er eveneens geen onverenigbaarheden zijn tussen het mandaat van lid van een bestendige deputatie (en dus van het Rechtscollege) en functies in een ministerieel kabinet; Overwegende dat in zijn arrest nr. 93/2004 dd. 26 mei 2004, het Arbitragehof heeft bevestigd dat: ‘door aan de Raad de bevoegdheid toe te kennen om de leden van het Rechtscollege te benoemen, heeft de bijzondere wetgever gewild 'dat de verschillende stromingen binnen deze Raad ook vertegenwoordigd zijn in het college van negen leden’. De benoeming van de leden van het Rechtscollege is bijgevolg verbonden met het politieke optreden van de Brusselse Hoofdstedelijke Raad.” (B.5.6); Overwegende dat het noch bewezen is, noch algemeen aanvaard mag worden dat de leden van het Rechtscollege, omwille van politieke aanhorigheid en eventuele politieke activiteiten, hun plicht niet naleven om hun opdracht in het kader van het Rechtscollege, eens ze zijn aangesteld, in alle onafhankelijkheid en onpartijdigheid uit te oefenen; Overwegende dat het Rechtscollege rechtsgeldig is samengesteld om een beslissing te nemen in deze zaak; Overwegende, in verband met de middelen betreffende de prejudiciële vraag aan het Arbitragehof, dat het Rechtscollege meent dat het beoogde onderscheid tussen de ontvangers niet onder de toepassing van art. 26 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof valt “nu zij geen onderscheid betreft tussen personen of partijen die zich in een zelfde rechtstoestand bevinden, maar betrekking heeft op een onderscheid dat geldt voor alle partijen en noodzakelijk voortvloeit uit elke toepassing van de wet in de tijd” (Cass. 18 mei 2001); dat de verzoeker een verschil in behandeling aanvecht dat zijn oorsprong vindt ‘In de toepassing, op verschillende ogenblikken, van normen die door verschillende wetgevers zijn aangenomen - eerst federaal, daarna gewestelijk (hier mutatis Ag-99-5\12 mutandis gemeenschapswetgever) -, vermits elk van die wetgevers materieel bevoegd was op het ogenblik van het aannemen van de desbetreffende norm”’; dat de autonomie die aan de gewesten of gemeenschappen wordt verleend, “zou geen draagwijdte hebben indien alleen nog maar het feit dat een categorie van personen geheel of gedeeltelijk verschillend zou worden behandeld vóór en na die bevoegdheidsoverdracht, in strijd zou worden geacht met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet” (Arbitragehof, arrest nr. 135/2003 dd. 22 oktober 2003, punt B.6); Overwegende dat het Rechtscollege eveneens meent dat, overeenkomstig artikel 26 § 2 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof, het antwoord op de prejudiciële vraag niet onontbeerlijk is om uitspraak te doen aangezien bezwaarindieners rechten gevrijwaard worden door het feit dat het Rechtscollege erop waakt dat het O.C.M.W. Sint-Joost-ten-Node alle nuttige stukken zal overleggen om de gegrondheid van zijn vordering ten aanzien van de bezwaarindienster te bewijzen; dat daardoor de rechtstoestand van de bezwaarindienster als ontvanger niet nadeliger zou zijn als die van een rekenplichtige; Overwegende dat de vraag tot prejudiciële vraag niet geformuleerd werd in het beschikkend gedeelte van de memorie van bezwaarindienster”. 1.
- Op de openbare zitting van 9 juni 2005 worden de partijen in hun middelen gehoord in de beide beroepen, die ondertussen werden samengevoegd. Op 22 september 2005 neemt het rechtscollege volgende eindbeslissing : “Artikel 1: Het Rechtscollege beslist dat er geen aanleiding is tot het stellen van een prejudiciële vraag aan het Arbitragehof. Artikel 2: Mevrouw Patsy Slabbaert, gewezen ontvanger van het O.C.M.W. Sint-Joost-Ten-Node, wordt aansprakelijk gesteld voor het tekort. Het bedrag van het tekort dat zij dienovereenkomstig dient te betalen, wordt vastgesteld op: 30817,77 euro. Artikel 3: De beroepen tegen de stilzwijgende goedkeuring van de besluiten dd. 19 augustus 2004 en 23 december 2004 door het Verenigd College van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie zijn niet-ontvankelijk. Artikel 4: Mevrouw A.S. Mouzon en consoorten, voorzitter, secretaris en raadsleden van het O.C.M.W. Sint-Joost-Ten-Node, interveniënten, worden niet aansprakelijk gesteld voor het tekort. Artikel 5: De beslissing van het Rechtscollege wordt uitgevoerd na het verstrijken van de termijn zoals bedoeld in artikel 4, derde lid van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling administratie van de Raad van State. Bij de Raad van State kan een cassatieberoep worden ingesteld tegen de huidige beslissing binnen 60 dagen na de betekening ervan, conform artikel 14, § 2 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State. Artikel 6: Indien de ontvanger deze beslissing niet vrijwillig uitvoert, wordt deze uitgevoerd op de zekerheid, en, voor het eventuele overige, op de persoonlijke goederen van de ontvanger. Artikel 7: Een afschrift van deze beslissing zal, onder aangetekende omslag, tegen ontvangstbewijs, verzonden worden aan, alle betrokken partijen”. Ag-99-6\12 Deze beslissing maakt het voorwerp uit van het derde beroep. De procedure
- In het belang van een goede rechtsbedeling is het aangewezen de drie beroepen samen te behandelen en te berechten. Deze samenvoeging wordt overigens door de verzoekende partij gevraagd. De verwerende partijen verklaren hiertegen geen bezwaar te hebben. De gegrondheid van het derde beroep
- In het inleidend verzoekschrift worden vier middelen aangevoerd. Het auditoraatsverslag onderzoekt daarvan enkel het eerste middel, meer bepaald daarvan het tweede middelonderdeel, dat immers volgens de auditeur de oplossing van het geschil zou mogelijk maken. Standpunt van de partijen
- Het eerste middel is genomen uit de schending van, onder meer, artikel 149 van de Grondwet, artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM), artikel 83quinquies van de bijzondere wet van 12 januari 1989 met betrekking tot de Brusselse Instellingen (hierna : BWBI), de onafhankelijkheid, de onpartijdigheid, de beginselen van een behoorlijke rechtsbedeling en het beginsel dat is vervat in het adagium “justice should not only be done, but also be seen to be done”. In meer bepaald het tweede middelonderdeel betoogt verzoekster dat “het tussenvonnis” is genomen door zeven leden van het rechtscollege, waarvan de voorzitter, Simonne Creyf, zetelt in de Kamer van Volksvertegenwoordigers terwijl de functie van lid van de Kamer van Volksvertegenwoordigers onverenigbaar is met het lidmaatschap van het rechtscollege. Verzoekster zet uiteen dat rechters krachtens artikel 151 van de Grondwet onafhankelijk zijn in de uitoefening van hun rechtsprekende bevoegdheden, dat de onafhankelijkheid van de rechter ook geldt ten opzichte van de leden van de in artikel 161 van de Grondwet bedoelde administratieve Ag-99-7\12 rechtscolleges, dat de essentiële eis van onafhankelijkheid verzekerd wordt door maatregelen van structurele aard waarvan de onverenigbaarheidsregels een voorbeeld vormen, dat de onpartijdigheid begrepen moet worden vanuit de positie van de rechtsonderhorige die mag “zien” dat zijn zaak beslecht wordt door een onpartijdige rechterlijke instantie, dat ook daartoe de onverenigbaarheidsregels bijdragen. Verzoekster voegt hieraan toe dat, nu het geschil over de aansprakelijkheid van een ontvanger een geschil is over burgerlijke rechten als bedoeld in artikel 6 EVRM, de door haar aangehaalde internrechtelijke beginselen ook gelden op grond van laatstgenoemd artikel.
- Verwerende partijen antwoorden dat de onafhankelijkheid van de rechter inhoudt dat hij zijn beslissing kan steunen op zijn eigen vrije beoordeling van de feiten en rechtsgronden zonder daarbij enige verantwoording verschuldigd te zijn aan enige andere instantie en zonder dat zijn beslissing hervormd kan worden dan door een instantie die op haar beurt onafhankelijk is. Wat de eis van onpartijdigheid betreft, wijzen zij op de traditionele eisen van objectieve en subjectieve onpartijdigheid. Het louter feit dat een rechter politieke voorkeuren heeft, doet volgens hen geen afbreuk aan het vermoeden van objectiviteit nu deze voorkeuren een onafhankelijke en onpartijdige beoordeling van een voorgelegd geschil niet beletten. Verwerende partijen nemen aan dat deze beginselen eveneens toepasselijk zijn op de leden van het rechtscollege. Zij merken op dat S. Creyf ten tijde van de bestreden beslissing gelijktijdig lid was van het rechtscollege en van de Kamer van Volksvertegenwoordigers, maar dat de enige onverenigbaarheid die in de BWBI is terug te vinden refereert aan “dezelfde onverenigbaarheden als voor de leden van de bestendige deputatie”. Welnu, die referentie beoogt artikel 27 van de wet van 19 oktober 1921 tot regeling van de provincieraadsverkiezingen. Bedoeld artikel maakt geen melding van het lidmaatschap van de Kamer van volks- vertegenwoordigers. Een regel inzake onverenigbaarheid moet volgens verwerende partijen strikt uitgelegd worden, zodat geen rekening mag worden gehouden met artikel 25 van dezelfde wet van 19 oktober 1921, dat de onverenigbaarheidsregels vastlegt voor de leden van de provincieraad en niet van de bestendige deputatie. Ag-99-8\12
- Verzoekster repliceert dat S. Creyf sinds 23 juni 2006 blijkbaar niet langer is aangewezen als lid van het rechtscollege, dat ze wellicht uiteindelijk haar conclusie heeft getrokken en definitief heeft gekozen voor haar parlementair mandaat.
- In hun laatste memorie ontwikkelen verwerende partijen nog verder het onderscheid dat volgens hen moet worden gemaakt tussen de onverenig- baarheden die gelden voor leden van de provincieraad en die welke opgelegd zijn aan de leden van de bestendige deputatie in de artikelen 25 en 27 van de wet van 19 oktober
- Beoordeling
- Het staat buiten betwisting dat S. Creyf niet alleen de tussen- beslissingen van 20 januari 2005 en 12 mei 2005 maar ook de eindbeslissing van 22 september 2005 mede als lid van het rechtscollege heeft genomen, en zelfs als voorzitter van het rechtscollege is opgetreden, terwijl ze deel uitmaakte van de Kamer van Volksvertegenwoordigers.
- De oprichting van het rechtscollege houdt verband met de splitsing van de provincie Brabant en het gegeven dat het administratief arrondissement Brussel-Hoofdstad blijkens artikel 5, eerste lid, van de Grondwet is onttrokken aan de indeling in provincies en, bijgevolg, over geen provincieraad of bestendige deputatie beschikt. Op grond van het bepaalde in artikel 163, tweede lid, van de Grondwet heeft de bijzondere wetgever ervoor geopteerd om voor de uitoefening van de provinciale bevoegdheden in het tweetalig gebied Brussel- Hoofdstad een onderscheid te maken tussen de taken van algemeen bestuur of medebeheer en de rechtsprekende taken die in de provincies worden uitgeoefend door de bestendige deputaties. Artikel 83quinquies, § 2, BWBI bepaalt dat de rechtsprekende taken uitgeoefend worden door een college van negen leden die door het Brussels Hoofdstedelijk Parlement worden aangesteld. Waar derhalve de bestendige deputatie een uitvoerend college van de verkozen provincieraad is, dat daarbij ook rechtsprekende taken krijgt toegewezen, betwisten verwerende partijen terecht niet dat de bijzondere wetgever heeft gewild dat het rechtscollege een volwaardig administratief rechtscollege zou vormen. Ag-99-9\12 Dit gegeven, waarbij het rechtscollege zich als louter rechtsprekend orgaan fundamenteel onderscheidt van de bestendige deputaties, heeft tot gevolg dat de eisen van onafhankelijkheid en onpartijdigheid, die onontbeerlijk zijn voor de uitoefening van de rechtsprekende functie, ten volle op dit rechtscollege toepasbaar zijn. Die in artikel 151 van de Grondwet ten aanzien van de gewone rechterlijke macht geformuleerde regel, welke overigens ook vereist is door artikel 6 EVRM, is als grondslag van een democratische staat ook van toepassing op de administratieve rechtscolleges, bedoeld in artikel 160 van de Grondwet. De onafhankelijkheid van een rechter veronderstelt dat deze onafhankelijk is van de uitvoerende of een wetgevende macht. Dat politieke overheden niet in de plaats mogen treden van de rechter bij het beoordelen van de geschillen die tot de bevoegdheid van deze laatste behoren, waarborgt mede de onafhankelijkheid en onpartijdigheid van de rechter. Het is met die regel niet verenigbaar dat een volksvertegen- woordiger in functie, lid van de wetgevende macht en in voorkomend geval optredend als bijzondere wetgever en als lid van de afgeleide grondwetgevende macht, zou zetelen in een administratief rechtscollege dat met louter rechtsprekende taken is belast. Dat een nog actieve politieke mandataris zich er mee belast een rechtsprekende taak uit te oefenen en over een geschil te oordelen, kan daarenboven ook niet anders dan een schijn van partijdigheid wekken, ongeacht de objectieve onpartijdigheid van S. Creyf die te dezen niet in twijfel is getrokken. Het lidmaatschap van een wetgevende kamer doet gewettigde twijfels rijzen bij de rechtsonderhorige of zijn zaak wel met de nodige onpartijdigheid zal worden behandeld door een rechter die beide functies cumuleert. Het middel is gegrond.
- Verzoekster heeft het gegrond bevonden middelonderdeel betrokken op de tussenbeslissingen. Mocht zij dat niet hebben gedaan, dan had de Raad van State dit overigens ambtshalve moeten doen. De onregelmatige samenstelling van een administratief rechtscollege raakt immers de openbare orde en moet derhalve en desnoods ambtshalve worden opgeworpen, zowel wat de tussenbeslissingen als wat de eindbeslissing betreft. Alhoewel die tussenbeslissingen Ag-99-10\12 beslissingen zijn alvorens recht te doen en ze geen stelling nemen inzake de uiteindelijk aan het geschil te geven oplossing, hebben ze door stelling te nemen over de bevoegdheid van het rechtscollege om over de beroepen van verzoekster te oordelen wel die eindbeslissing beïnvloed. Ook in die tussenbeslissingen heeft S. Creyf gezeteld. Ze dienen samen met de eindbeslissing te worden verbroken. De beoordeling van het eerste en het tweede beroep
- Hiervoor is sub
- reeds vastgesteld dat de tussenbeslissingen van 20 januari 2005 en van 12 mei 2005 moeten delen in het lot van de eindbeslissing. Er is dus geen reden meer om het eerste en het tweede beroep nog verder te onderzoeken. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
- De zaken nrs. A. 161.208/G-99, 164.394/G-100 en 168.636/G-101 worden gevoegd. Artikel
- Verbroken worden de tussenvonnissen van 20 januari 2005 en 12 mei 2005 en het eindvonnis van 22 september 2005 van het rechtscollege, bedoeld in artikel 83quinquies, § 2, van de bijzondere wet van 12 januari 1989 met betrekking tot de Brusselse Instellingen, waarbij dit rechtscollege zich bevoegd verklaart om kennis te nemen van de beroepen ingesteld door Patsy Slabbaert en waarbij Patsy Slabbaert als gewezen ontvanger van het Openbaar Centrum voor Maatschappelijk Welzijn van Sint-Joost-ten-Node aansprakelijk wordt gesteld voor een tekort dat wordt vastgesteld op 30.817,77 euro. Artikel
- Dit arrest zal in de registers van voormeld rechtscollege worden overgeschreven en melding ervan zal worden gemaakt op de kant van de verbroken beslissingen. Ag-99-11\12 Artikel
- De zaak wordt verwezen naar het rechtscollege, anders samen- gesteld. Artikel
- De kosten van de beroepen, bepaald op 525 euro, komen ten laste van het OCMW van Sint-Joost-ten-Node. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zevenentwintig mei 2008, door de Algemene Vergadering van de afdeling bestuursrechtspraak, die was samengesteld uit : de HH. R. ANDERSEN, eerste voorzitter van de Raad van State, J.-Cl. GEUS, kamervoorzitter, D. VERBIEST, kamervoorzitter, A. BEIRLAEN, kamervoorzitter, Mevr. O. DAURMONT, staatsraad, Mevr. St. GEHLEN, staatsraad, de HH. J. LUST, staatsraad, G. VAN HAEGENDOREN, staatsraad, Mevr. D. LANGBEEN, hoofdgriffier. De Hoofdgriffier, De Eerste Voorzitter van de Raad van State, D. LANGBEEN. R. ANDERSEN. Ag-99-12\12 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.183.480 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
Explication IA à partir du texte officiel de la loi. Indicatif, ne remplace pas un conseil juridique.