id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 29 mei 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.183.519 Rolnummer: A. 112350/VII-24966 Zaak: Arrest 183519 - Milieuvergunningen - 29/05/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-06-11 Raadplegingen: 57 - laatst gezien 2026-06-29 08:07 Fiche Arrest nr 183.519 van 29 mei 2008 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Milieuvergunningen Beslissing : Vernietiging bekendmaking Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 183.519 van 29 mei 2008 in de zaak A. 112.350/VII-24.966. In zake : de gemeente MALLE, die woonplaats kiest bij advocaat R. DE KONINCK, kantoor houdende te WILRIJK, Prins Boudewijnlaan 177-179 tegen : de deputatie van de provincie Antwerpen. tussenkomende partij : de BVBA HET HEEREHOF, die woonplaats kiest bij advocaat H. SEBREGHTS, kantoor houdende te ANTWERPEN, Mechelsesteenweg 27. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, VIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat de gemeente MALLE op 5 november 2001 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van de bestendige deputatie van de provincieraad van Antwerpen van 2 augustus 2001 waarbij het beroep ingediend door de BVBA HET HEEREHOF tegen de beslissing van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Malle van 15 februari 2001, houdende het weigeren aan de BVBA HET HEEREHOF van de vergunning voor het exploiteren van een paardenfokkerij, gelegen aan de Zoerselbaan 85 te Malle, gegrond wordt verklaard, de beroepen beslissing wordt opgeheven en de gevraagde vergunning wordt verleend; Gezien het verzoekschrift tot tussenkomst van 7 januari 2002; Gelet op de beschikking van 30 januari 2002 die de tussenkomst van de BVBA HET HEEREHOF toelaat; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; VII-24.966-1/15 Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd M. LEFEVER; Gelet op de beschikking van 19 december 2006 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen; Gelet op de beschikking van 8 april 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 15 mei 2008; Gehoord het verslag van kamervoorzitter L. HELLIN; Gehoord de opmerkingen van advocaat Ph. WINDERICKX die, loco advocaat R. DE KONINCK verschijnt voor de verzoekende partij, van bestuurssecretaris-jurist S. TAVERNIER die verschijnt voor de verwerende partij, en van advocaat F. WAUTERS die, loco advocaat H. SEBREGHTS verschijnt voor de tussenkomende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur- afdelingshoofd M. LEFEVER; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; 1. De feiten Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.1. Op 16 oktober 2000 dient de tussenkomende partij een milieuvergunningsaanvraag in voor de uitbating van een bestaande paardenhouderij en paardenfokkerij met een capaciteit van 23 paarden, gelegen aan de Zoerselbaan 85 te Malle. Aangezien de inrichting niet over een vergunde mestproductie beschikt, kan de vergunning slechts worden verleend in afwijking op het "stand-still-principe" dat in het decreet van 23 januari 1991 inzake de bescherming van het leefmilieu tegen de verontreiniging door meststoffen (hierna : VII-24.966-2/15 meststoffendecreet) wordt gehanteerd. Dit kan slechts wanneer er voldaan is aan de voorwaarden die zijn vermeld in artikel 36, 6/, van het decreet van 11 mei 1999 tot wijziging van het decreet van 23 januari 1991 inzake de bescherming van het leefmilieu tegen de verontreiniging door meststoffen en tot wijziging van het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning (hierna : wijzigingsdecreet van 11 mei 1999). De Vlaamse Landmaatschappij (hierna :VLM) die daarop toeziet, adviseert in het kader van de vergunningsprocedure aan de gemeente dat de vergunning kan worden verleend. Zij acht de voorwaarden vervuld op grond van de volgende motivering: "uitgaande van het plaatsbezoek, uitgevoerd op 6 december 2000, kan er gesteld worden dat er op deze inrichting standplaatsen voorzien waren voor het houden van 23 paarden" en "uitgaande van de gegevens bijgevoegd in het dossier kan er gesteld worden dat deze inrichting reeds in exploitatie was vanaf 1996". De gemeentelijke adviesraad leefmilieu Malle adviseert ongunstig. Volgens deze raad bewijst het lijvig gestoffeerde aanvraagdossier niet dat de paardenfokkerij er effectief was in 1996. Zij stelt zonder verdere uitleg dat "alles (wijst) op het tegendeel". De Intercommunale Grondbeleid en Expansie Antwerpen (hierna : IGEAN) adviseert dat op grond van de gegevens die bij het milieuvergunningsdossier zijn gevoegd, kan worden gesteld dat de inrichting reeds in exploitatie was in 1996. De gemeentelijke milieudienst is van mening dat uit de bij het dossier gevoegde uittreksels van aankoopbewijzen, inseminatiebewijzen, immatriculatiebewijzen, facturen van dierenartsen, enzovoort blijkt dat het dossier over tien paarden gaat, maar dat van slechts één paard bewezen is dat het reeds vanaf 1996 op de inrichting aanwezig was. De gemeentelijke milieudienst adviseert ongunstig. Op 15 februari 2001 weigert het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Malle de vergunning. Het college is van mening dat er geen relevante mestbankgegevens zijn en dat slechts voor één paard is bewezen dat het in 1996 op de inrichting aanwezig was. 1.2. Op 22 maart 2001 stelt de tussenkomende partij een beroep in tegen deze weigeringsbeslissing. Zij legt allerlei documenten voor die volgens haar aantonen dat er reeds in 1996 een exploitatie van een paardenfokkerij op dat adres actief was. VII-24.966-3/15 In het kader van de beroepsprocedure worden de volgende adviezen uitgebracht : (
- a)de VLM herneemt hetzelfde advies als in de procedure in eerste aanleg; (
- b)aangezien er een bouwvergunning daterend uit 1971 bestaat voor onder meer een paardenstal, adviseert de administratie Ruimtelijke Ordening, Huisvesting, Monumenten en Landschappen (hierna : AROHM) gunstig voor het stallen van paarden in de vergunde stal; (
- c)de afdeling Milieuvergunningen geeft eveneens een gunstig advies voor zestien paarden. Zij motiveert haar advies als volgt : "Overwegende dat exploitant een aanvraag tot regularisatie overeenkomstig art. 36, 6/, Mestdecreet doet, gekoppeld aan een uitbreiding met een nieuwe stal annex indoorrijpiste; dat genoemde uitbreiding in geen geval kan vergund worden: de bouwvergunning werd immers ondertussen geweigerd en het Mestdecreet laat uitbreidingen niet toe; de nieuwe stal met 7 plaatsen en een binnenpiste dient dus geweigerd (overigens werd voor deze binnenpiste geen vergunning sub rubriek 32.4 aangevraagd); wat de overige standplaatsen voor paarden betreft stelt AMV vast dat het plan slechts 16 plaatsen opgeeft (2 in de berging en 14 in de bestaande paardenstal); dit is dan ook het maximaal vergunbare aantal; overigens werden bij het dossier enkel bouwplannen bijgevoegd en bevat het geen plan met duidelijke stalinde-ling; andere op het plan voorkomende items zoals een grondwaterwinning worden dan weer niet aangevraagd; wat het in de periode 1996 - 1999 in exploitatie zijn betreft, dient gesteld dat dit een loutere feitenkwestie is aangezien exploitant geen officiële documenten ter staving van de gehele aangevraagde inrichting kan voorleggen; zo beschikt hij niet over een milieuvergunning, werd geen Mestbankaangifte gedaan enz. Ook de bouwvergunningstoestand is niet duidelijk; uit alle bijgevoegde stukken blijkt dat de aanvragende BVBA slechts medio 2000 werd opgericht, overigens één van de weigeringsgronden van het C B& S; voordien zou de zaakvoerder echter in eigen naam enkele paarden hebben gehouden op de inrichting; uit de bijgevoegde stukken blijkt dat er inderdaad paarden werden gehouden; hoeveel is niet duidelijk; AMV gaat er echter van uit dat in de inrichting 16 paarden konden worden gestald en dat de inrichting continu uitgebaat is; vergunning kan aldus worden verleend voor 16 paarden; dit aantal zou ook overeenkomen met het maximaal aantal paarden dat in de inrichting heeft gezeten"; (
- d)de Provinciale Milieuvergunningscommissie adviseert, na de exploitant te hebben gehoord, gunstig op grond van volgende motivering : "1. De heer C. Heere, exploitant, en mevrouw Edith Vermeiren, architect, worden gehoord. Desgevraagd verklaart de exploitant dat er 23 standplaatsen zijn, namelijk 19 in de paardenstal en 4 in een andere stal. Sommige boxen in de paardenstal zijn dubbele boxen. Volgens verkregen inlichtingen zou de exploitant over 22 standplaatsen moeten beschikken om een bouwvergunning te krijgen voor een overdekte piste. VII-24.966-4/15 De inrichting werd in 1990 aangekocht door de huidige eigenaar en in 1990 werd een bouwvergunning verkregen voor de berging. In 1993 werd een bouwvergunning verkregen voor de tredmolen. De exploitant wijst erop dat de inrichting een paardenfokkerij is en dat de paarden derhalve moeten getraind worden, zoniet verliezen ze veel van hun handelswaarde. Gezien het Belgisch weer is hiervoor een binnenpiste nodig. In de ruimte die vergund is als berging is er één grote box waarin vier paarden kunnen staan. De VLM stelt evenwel dat zij bij een plaatsbezoek 18 plaatsen geteld heeft in de paardenstal en 5 plaatsen in de loods. De exploitant stelt dat het zijn bedoeling is dat de paardenfokkerij kostendekkend zou zijn. Hiervoor zijn 14 tot 20 paarden nodig op de inrichting. Desgevraagd stelt de exploitant dat hij reeds 25 jaar paarden houdt en dat hij dat nu een tiental jaren op deze plaats doet. 2. Vermits de bouwvergunning geweigerd is voor de nieuwe rijstal adviseert de PMVC ongunstig voor de 7 standplaatsen in deze stal. Alhoewel het gebouw waarin vijf paarden gestald worden niet vergund is als paardenstal kan deze toch geregulariseerd worden. Daarom adviseert de PMVC gunstig voor 23 standplaatsen. De AMV neemt een minderheidsstandpunt in wat betreft het aantal standplaatsen dat de 16 overtreft. 3. De exploitant dient evenwel een nieuw plan in te dienen waarop de juiste indeling van de standplaatsen is aangeduid. 4. Het beroep is gedeeltelijk gegrond. Het besluit van het schepencollege dient te worden opgeheven. 5. De vergunning kan gedeeltelijk worden verleend voor 23 standplaatsen voor paarden voor een termijn van 20 jaar met een termijn voorafgaand aan ingebruikname van 3 jaar. Van de klasse 3-inrichtingen kan akte genomen worden. 6. De algemene en sectorale voorwaarden voorgesteld door de AMV kunnen opgelegd worden". 1.3. Zich steunend op deze eensluidende adviezen, besluit de verwerende partij het beroep gegrond te verklaren en de vergunning te verlenen voor 23 standplaatsen. Dit is het bestreden besluit waarvan de motivering als volgt luidt : "Gelet op de beslissing dd. 5 juli 2001 van de Bestendige Deputatie van de provincieraad om de behandelingstermijn van het beroep te verlengen met 1 maand overeenkomstig artikel 23bis van het Milieuvergunningsdecreet van 28 juni 1985, teneinde aan de exploitant een nieuw plan te vragen met intekening van het reëel aantal standplaatsen; Gelet op het feit dat het gevraagde plan met aanduiding van het reële aantal stalplaatsen (exploitatiesituatie sinds 1990) op 24 juli 2001 door het provincie- bestuur ontvangen werd; Overwegende dat uit het plan met aanduiding van het reële aantal standplaatsen en uit de bevindingen van de VLM aan de hand van een plaatsbezoek blijkt dat de 23 paarden kunnen gestald worden; dat derhalve het advies van de PMVC kan gevolgd worden; dat op grond van artikel 36, 6/ van het Mestdecreet immers enkel bestaande standplaatsen kunnen geregulariseerd worden, zoals weergegeven in de adviezen van de AMV en de VLM; Overwegende dat in de milieuvergunningsaanvraag de rijpiste niet werd aangevraagd; dat deze derhalve met een apart dossier dient aangevraagd te VII-24.966-5/15 worden bij het schepencollege; dat hiervoor tevens een bouwvergunning dient aangevraagd te worden; Gelet op de ligging van de inrichting in een gebied van het gewestplan Turnhout, waarvoor volgende voorschriften van toepassing zijn : agrarisch gebied; Overwegende dat gesteld kan worden dat de exploitatie van de inrichting, die het voorwerp van de voormelde milieuvergunningsaanvraag uitmaakt, verenig-baar is met voormelde ruimtelijke en stedenbouwkundige voorschriften; Overwegende dat gesteld kan worden dat de risico's voor de externe veiligheid, de hinder, de effecten op het leefmilieu, op de wateren, op de natuur en op de mens buiten de inrichting veroorzaakt door de gevraagde exploitatie mits naleving van de in onderhavig besluit opgelegde milieuvergunningsvoor- waarden tot een aanvaardbaar niveau kunnen worden beperkt en dit voor een termijn van 20 jaar en een termijn voorafgaand aan ingebruikname van 3 jaar, behalve voor wat betreft het gedeelte van de aanvraag dat betrekking heeft op het stallen van meer dan 23 paarden; Overwegende dat er bijgevolg aanleiding toe bestaat het ingediende beroep gedeeltelijk gegrond te verklaren en het schepencollegebesluit op te heffen; dat de vergunning gedeeltelijk kan toegestaan worden (23 paarden) en dat akte kan genomen worden van de klasse 3-inrichtingen"; 2. De ontvankelijkheid 2.1. Overwegende dat de tussenkomende partij in haar toelichtende memorie aanvoert dat de verzoekende partij niet over het rechtens vereiste belang zou beschikken, dat het ingeroepen belang niet mag opgaan in het algemeen belang dat iedere burger heeft bij de handhaving van de wettigheid; 2.2. Overwegende dat wordt vastgesteld dat met het bestreden besluit een beslissing, genomen door het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Malle, wordt opgeheven; dat de gemeente er belang bij heeft die opgeheven beslissing gehandhaafd te zien; dat de exceptie derhalve niet opgaat; 3. De gegrondheid 3.1.1. Overwegende dat de verzoekende partij in het eerste middel de schending aanvoert van artikel 36, 6/ van "het nieuwe Mestdecreet van 03 maart 2000" (lees : wijzigingsdecreet van 11 mei 1999); dat zij in een eerste onderdeel stelt dat zij het besluit van de verwerende partij dat de vergunning verleent heeft ontvangen op 5 september 2001, terwijl artikel 36, 6/, van het wijzigingsdecreet van 11 mei 1999 voorschrijft dat milieuvergunningen voor paardenstallen behorende bij maneges en paardenfokkerijen kunnen worden verleend in zoverre deze maneges en fokkerijen in exploitatie waren in 1996, 1997, VII-24.966-6/15 1998 en 1999 en in zoverre de vergunning wordt aangevraagd voor 1 december 2000, dat er niet tot genoegen van recht is aangetoond dat er sedert 1996 reeds een paardenfokkerij werd uitgebaat op het adres Zoerselbaan 85 te Malle; dat de verzoekende partij betoogt dat de aankoopbewijzen van paarden en de immatricula- tiedocumenten niet allemaal betrekking hebben op de "Zoerselbaan 85", dat enkel voor één paard onomstotelijk is aangetoond dat het reeds vanaf 1996 op de inrichting aanwezig was, dat de tussenkomende partij ook geen document kan voorleggen ter staving van de gehele aangevraagde inrichting aangezien er noch een milieuvergunning noch een mestbankaangifte is, dat de bouwvergunningstoestand onduidelijk is en "de aanvragende Bvba" pas midden 2000 werd opgericht; dat de verzoekende partij in een tweede onderdeel stelt dat, hoewel de afdeling Milieuver- gunningen slechts een gunstig advies voor standplaatsen voor zestien paarden heeft gegeven, er een vergunning wordt verleend voor 23 paarden, terwijl niet is bewezen dat er vanaf 1996 onafgebroken 23 standplaatsen aanwezig waren; 3.1.2. Overwegende dat de verwerende partij in haar memorie van antwoord repliceert dat de voorwaarde "in exploitatie dienen geweest te zijn in de jaren 1996, 1997, 1998 en1999" vaag is, dat er niet wordt vereist dat men een milieuvergunning, een bouwvergunning of een mestbankaangifte kan voorleggen, dat er evenmin wordt bepaald dat indien de aanvrager een rechtspersoon is, deze reeds in 1996 zou moeten bestaan, dat de decreetgever daarentegen enige ruimte aan de vergunningverlenende overheid heeft gelaten ter beoordeling van de feitelijke gegevens die een regularisatie kunnen verantwoorden; dat zij voorts naar de feitelijke gegevens van het dossier verwijst; dat zij stelt dat de documenten aantonen dat er op de inrichting een twintigtal paarden hebben gestaan, dat het plaatsbezoek van de VLM heeft aangetoond dat er op de inrichting plaats was voor 23 paarden, dat op het plan van de inrichting dat door de tussenkomende partij aan haar werd bezorgd, 23 standplaatsen staan, dat dit overeenstemt met het advies van AHROM, dat de feitelijke gegevens, en in bijzonder het plaatsbezoek en het bezorgde plan, de milieuvergunning ter regularisatie redelijkerwijze kunnen verantwoorden; 3.1.3. Overwegende dat de verzoekende partij in haar memorie van wederantwoord stelt dat de "vergunningaanvrager" een drievoudig bewijs dient te leveren, vooreerst dat 23 paardenstallen sedert 1996 behoren tot een manege of een paardenfokkerij, ten tweede dat deze 23 stallen sedert 1996 op regelmatige wijze als paardenstal werden gebruikt en tot slot dat de manege of paardenfokkerij sedert 1996 in exploitatie is geweest, dat de "vergunninghoudende" overheid moet nagaan en beoordelen of de aanvrager dit bewijs kan leveren, dat de verwerende partij te VII-24.966-7/15 dezen op geen enkel ogenblik is nagegaan of er een manege of paardenfokkerij wordt geëxploiteerd en, in voorkomend geval, sedert wanneer deze dan wel wordt uitgebaat, dat men vooreerst een duidelijk onderscheid moet maken tussen enerzijds een "hobbyist" en anderzijds "het exploiteren van een manege of paardenfokkerij", dat de vergunningaanvrager bijgevolg moet aantonen dat hij sedert 1996 een landbouwbedrijf uitbaat, dat de verwerende partij ten onrechte is voorbijgegaan aan deze vraag; dat de verzoekende partij voorts stelt dat het buiten twijfel staat dat Cornelius HEERE en Michel HEERE paardenliefhebbers zijn die reeds jaren beschikken over eigen paarden en deze aanrijden en verzorgen, maar dat het dossier geen afdoend bewijs bijbrengt dat het wel degelijk gaat om een paardenfokkerij; dat zij op een tegenstrijdigheid in de verklaringen, die in het dossier zitten, wijst; dat de verzoekende partij stelt dat enerzijds de advocaat van de familie HEERE in een betwisting betreffende het al dan niet bestaan van een arbeidsovereenkomst met een stalmeisje, verklaring opgemaakt eind 1996, begin 1997, verklaarde dat Cornelius HEERE in 1991 op zijn erf een "gebouwtje" optrok dat diende tot stalling van enkele springpaarden en dat hij daar drie springpaarden en een veulen stalde, dat anderzijds een plan van de stallingen met aanduiding van de standplaatsen, die de situatie van 1990 zou weergeven en waarop 23 standplaatsen voorkomen, voorligt, dat het merendeel van de voorgelegde documenten uit de bundel van de vergunningaanvra- ger betrekking heeft op de jaren 1998-2000 terwijl Cornelius HEERE pas in 1997 lid is geworden van de fokvereniging "het Belgisch Warmbloedpaard", dat slechts enkele documenten expliciet betrekking hebben op 1996 en niet het bestaan van een paardenfokkerij of een manege in exploitatie aantonen, dat er evenmin boekhoud- kundige documenten worden bijgebracht die aantonen dat er in 1996 al sprake was van een landbouwbedrijf in exploitatie; 3.1.4. Overwegende dat de tussenkomende partij in haar toelichtende memorie stelt dat artikel 36, 6/, van het wijzigingsdecreet van 11 mei 1999 niet bepaalt welke bewijzen en akten moeten worden voorgelegd om te kunnen bewijzen dat er op een bepaald moment een exploitatie was, dat het binnen de discretionaire bevoegdheid van de vergunningverlenende overheid ligt om aan de hand van de aangebrachte stavingsstukken te oordelen of er inderdaad sprake was van een exploitatie, dat de Raad van State het oordeel van de overheid slechts marginaal kan toetsen, dat hij bijgevolg alleen mag nagaan of de beoordeling van de gegevens niet kennelijk onredelijk is; dat de tussenkomende partij vooreerst de stavingsstukken opsomt waaruit volgens haar blijkt dat er wel degelijk sinds 1996 een paardenfokke- rij werd geëxploiteerd en vervolgens de adviezen vermeldt die eveneens tot dat besluit komen; dat zij voorts opmerkt dat er in de stavingsstukken naar meer dan tien VII-24.966-8/15 paarden wordt verwezen, dat als men de stavingsstukken samen bekijkt, men kan afleiden dat er op de desbetreffende inrichting stallen voor minstens twintig paarden in exploitatie waren, dat het feit dat op documenten het woonadres van de exploitant in plaats van het exploitatieadres wordt vermeld, niet wil zeggen dat die paarden bij de exploitant thuis werden gestald, dat alle paarden werden gestald op de Zoerselbaan 85 te Malle, dat het "mestdecreet van 3 maart 2000" geen welbepaald document voorschrijft tot staving van de bewering dat er vanaf een bepaalde datum een bepaalde hoeveelheid paarden aanwezig was in de inrichting, dat het te dezen van geen belang is wanneer de tussenkomende partij werd opgericht, dat het, gelet op de voorgelegde stukken en de positieve adviezen van de VLM, IGEAN en de Provinciale Milieuvergunningscommissie, onredelijk is te stellen dat geen enkel bestuur te dezen tot het besluit had kunnen komen dat er sinds 1996 een manege of paardenfokkerij werd geëxploiteerd en dat daarin 23 standplaatsen werden vergund; 3.1.5.1. Overwegende dat artikel 36, 6/, van het wijzigingsdecreet van 11 mei 1999 ten tijde van het bestreden besluit als volgt luidde : "milieuvergunningen voor paardenstallen behorende bij maneges en paardenfokkerijen die in 1996, 1997, 1998 en 1999 in exploitatie waren, kunnen worden verleend in zoverre de milieuvergunning voor 1 december 2000 wordt aangevraagd"; dat voornoemde bepaling ten eerste vereist dat het gaat om milieuvergunningen voor paardenstallen behorende bij maneges en paardenfokkerijen, vervolgens dat die in 1996, 1997, 1998 en 1999 in exploitatie waren, en ten slotte dat de aanvraag voor de milieuvergunning is ingediend vóór 1 december 2000; dat te dezen vaststaat dat de milieuvergunningsaanvraag voor 1 december 2000 is ingediend; dat evenmin wordt betwist dat die aanvraag betrekking heeft op paardenstallen die op dat moment behoren bij een paardenfokkerij; dat de betwisting te dezen derhalve betrekking heeft op het in exploitatie zijn van de paardenfokkerij in de periode 1996-1999; dat, wanneer de Raad van State een administratieve beslissing aan de wet toetst, hij niet optreedt als rechter in hoger beroep die op aanvraag van de rechtzoekende de ware toedracht van de feiten gaat beoordelen; dat hij enkel onderzoekt of de overheid in redelijkheid is kunnen komen tot de door haar gedane vaststelling van feiten en of er in het dossier geen gegevens voorhanden zijn die daarmee onverenigbaar zijn; dat in het kader van een marginale toetsing de aangeklaagde onwettigheid slechts dan wordt gesanctioneerd wanneer daarover geen redelijke twijfel kan bestaan, met andere woorden wanneer de beslissing kennelijk onredelijk is; dat te dezen bijgevolg wordt onderzocht of de verwerende partij kennelijk ten onrechte heeft aangenomen VII-24.966-9/15 dat de tussenkomende partij op het betrokken adres een paardenfokkerij heeft uitgebaat in de periode 1996-1999; Overwegende dat, aangezien de wetgever niet heeft bepaald hoe het bewijs betreffende het in exploitatie zijn in de periode 1996-1999 moet worden geleverd, het bewijs met alle middelen van recht is toegelaten; dat het feit dat de tussenkomende partij pas in 2000 werd opgericht niet pertinent is voor het bepalen of er in de periode 1996-1999 reeds een exploitatie was, aangezien een exploitatie op zich niet verbonden is met de hoedanigheid van de exploitant; dat het feit dat er geen mestbankaangifte is, niets zegt over het al dan niet bestaan van paardenstallen in exploitatie tussen 1996 en 1999, maar wel begrijpelijk maakt dat de gegevens van de mestbankaangifte niet werden gecontroleerd; dat noch de VLM, noch de afdeling Milieuvergunningen twijfelen aan het feit dat er reeds sinds 1993 een paardenfokke- rij in exploitatie was op het genoemde adres; dat die adviserende organen het er evenwel niet over eens zijn hoeveel standplaatsen kunnen worden verleend; dat zij er wel van uitgaan dat de bestaande toestand moet worden geregulariseerd; dat de bestaande toestand volgens de afdeling Milieuvergunningen zestien plaatsen betreft; dat de VLM gunstig adviseert voor 23 plaatsen; dat uit de gegevens van het dossier blijkt dat Cornelius HEERE reeds voor 1996 eigenaar was van een aantal paarden; dat hij ook eigenaar was van de gebouwen gelegen aan de Zoerselbaan 85 te Malle waar paardenstallen waren; dat er wordt aangenomen dat die paarden dan ook op "het Heerehof" waren gestald; dat ook uit de stukken betreffende het ongeval dat zich voordeed in 1994 en de procedure met betrekking tot het ontslagen stalmeisje blijkt dat er voor 1996 paarden waren gestald; dat uit de getuigenverklaringen van de hoefsmid blijkt dat er in de inrichting verscheidene paarden waren gestald; dat een factuur van 31 december 1996 van de Stoeterij - Dekstation LINDEHOF gericht aan Cornelius HEERE, er op wijst dat er in 1996 door Cornelius HEERE reeds aan paardenfokkerij werd gedaan; dat de omstandigheid dat de paardenfokkerij meer een hobby dan wel een bedrijfsmatige bezigheid is, zonder belang is aangezien de decreetgever mestvoortbrengende hobbyactiviteiten niet heeft uitgesloten uit het meststoffendecreet; dat artikel 36, 6/, van het wijzigingsdecreet van 11 mei 1999 bepaalt dat milieuvergunningen kunnen worden verleend voor "paardenstallen behorende bij maneges en paardenfokkerijen die in 1996, 1997, 1998 en 1999 in exploitatie waren"; dat de bijzin "die in 1996, 1997, 1998 en 1999 in exploitatie waren", taalkundig bij maneges en paardenfokkerijen staat, en niet bij "paardenstal- len"; dat bijgevolg wordt aangenomen dat de tussenkomende partij enkel moest aantonen dat zij in die periode paarden fokte op de locatie waarvoor zij een milieuvergunning aanvroeg en niet dat er sinds 1996 23 standplaatsen in exploitatie VII-24.966-10/15 waren; dat de verwerende partij geen kennelijk onredelijke beoordelingsfout heeft gemaakt door aan te nemen dat gedurende de periode 1996-1999 op het genoemde adres paardenstallen in exploitatie waren; dat het eerste onderdeel van het eerste middel niet gegrond is; 3.1.5.2. Overwegende dat het niet kennelijk onredelijk is dat de verwerende partij voor het bepalen van het aantal te regulariseren standplaatsen, de voorkeur heeft gegeven aan wat door de VLM door een plaatsbezoek werd vastgesteld als zijnde het effectief aantal aanwezige standplaatsen, boven wat door de afdeling Milieuvergunningen op basis van een indelingsplan wordt aangenomen; dat het tweede onderdeel van het eerste middel niet gegrond is; 3.2.1. Overwegende dat de verzoekende partij in het tweede middel de schending aanvoert van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, van de materiële motiveringsplicht, van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, en van het gelijkheidsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel, wegens gebrek aan de wettelijk vereiste grondslag; dat zij in een eerste onderdeel stelt dat de bepalingen van het "Mestdecreet" zeer streng moeten worden toegepast en restrictief moeten worden geïnterpreteerd zodat er zeer streng moet worden opgetreden, er grondige controles moeten worden uitgevoerd en er geen beslissingen naar billijkheid mogen worden genomen, dat het onderzoek van de VLM te dezen evenwel zeer summier werd gevoerd, dat zelfs de gegevens van de mestbankaangifte niet werden gecontroleerd, dat er ook niet wordt aangegeven, noch door de VLM, noch door de verwerende partij, op basis van welke gegevens zij oordelen dat er sinds 1996 al een paardenfok- kerij in exploitatie was, dat de blote bewering "uitgaande van de gegevens, bijgevoegd in het dossier" niet als een afdoende motivering kan worden aanzien; dat de verzoekende partij in een tweede onderdeel aanvoert dat het bestreden besluit na een lichtzinnig onderzoek werd genomen, zonder concrete toetsing en zonder na te gaan of er daadwerkelijk sedert 1996 ononderbroken een paardenfokkerij werd geëxploiteerd en er 23 paarden werden gestald, terwijl in andere gelijkaardige dossiers de administratie conform de geest van het "Mestdecreet" en de instructies van de bevoegde minister, de wet uitermate streng toepast en interpreteert, dat aldus ook het zorgvuldigheidsbeginsel en het gelijkheidsbeginsel zijn geschonden; 3.2.2. Overwegende dat de verwerende partij in haar memorie van antwoord repliceert dat artikel 36, 6/, van het wijzigingsdecreet van 11 mei 1999 aan de vergunningverlenende overheid enige ruimte laat bij de beoordeling van de VII-24.966-11/15 feitelijke gegevens die een regularisatie kunnen verantwoorden, dat er in dit concrete dossier het gegeven was dat de exploitant sinds 1971 een bouwvergunning heeft voor een paardenstal en sinds 1990 een bouwvergunning voor een bergplaats die regulariseerbaar is als paardenstal, dat de exploitant een plan heeft bezorgd met de exploitatiesituatie sinds 1990 die overeenstemt met wat de VLM bij haar plaatsbe- zoek heeft vastgesteld, dat de door de exploitant bezorgde gegevens weinig twijfel laten bestaan over het in exploitatie zijn van de inrichting sinds 1996, zoals bij het antwoord op het eerste middel is aangetoond, dat alle adviezen op dat punt eensluidend waren, dat het discussiepunt alleen het aantal standplaatsen betrof, dat het bestreden besluit uitdrukkelijk aangeeft waarom de verwerende partij van mening was dat er 23 standplaatsen konden worden vergund; 3.2.3. Overwegende dat de verzoekende partij in haar memorie van wederantwoord stelt dat de verwerende partij lichtzinnig is tewerk gegaan in haar beoordeling en dit zowel met betrekking tot het onderzoek van de stukken als wat betreft de motivering van haar beslissing, doordat zij haar besluit quasi uitsluitend heeft gebaseerd op het gunstig advies van de VLM en zij ook de stukkenbundel onvoldoende heeft onderzocht; dat zij van oordeel is dat de conclusie van de VLM dat er sinds 1990, 23 standplaatsen op de inrichting zijn, niet met de werkelijkheid strookt gezien de verklaring van Michel HEERE voor het Arbeidshof te Antwerpen, dat daarenboven de afdeling Milieuvergunningen heeft vastgesteld dat de bestaande toestand waarvan de regularisatie werd gevraagd slechts zestien standplaatsen opgeeft, dat de verwerende partij ook op geen enkel moment is nagegaan, noch standpunt heeft ingenomen over de vraag of er een paardenfokkerij werd geëxploi- teerd, hoewel dit een essentieel element is om de vergunning te kunnen verlenen; 3.2.4. Overwegende dat de tussenkomende partij in haar toelichtende memorie met betrekking tot het eerste onderdeel stelt dat artikel 36, 6/, van het wijzigingsdecreet van 11 mei 1999 weliswaar strikt moet worden geïnterpreteerd, maar niet bepaalt welke bewijzen afdoende zijn om een regularisatie te verantwoor- den zodat de overheid wat dat betreft binnen de grenzen van de redelijkheid kan bepalen welke elementen voor haar voldoende zijn, dat de motivering dan ook kan worden opgesteld in functie van de doorslaggevend geachte elementen; dat de tussenkomende partij opmerkt dat de verwerende partij in het bestreden besluit uitvoerig verwijst naar de inhoud van de verschillende adviezen en de elementen daaruit die haar in haar overtuiging hebben gesterkt, dat de verwerende partij aangeeft dat ze zich heeft gebaseerd op bepaalde elementen uit het advies van de Provinciale Milieuvergunningscommissie, en nog naar een plan verwijst met de VII-24.966-12/15 aanduiding van het reële aantal stalplaatsen dat op 24 juli 2001 door het provinciebe- stuur werd ontvangen, dat de verwerende partij ook verwijst naar de ligging, de ruimtelijke en stedenbouwkundige voorschriften en naar de risico’s voor de externe veiligheid, de hinder, de effecten op het leefmilieu en op de mens buiten de inrichting; dat de tussenkomende partij besluit dat er geen sprake is van een lichtzinnige beslissing; Overwegende dat de tussenkomende partij met betrekking tot het tweede onderdeel stelt dat de beslissing zorgvuldig is voorbereid, dat het volledige dossier op gelijkluidende gegevens berust; dat zij inzake de schending van het gelijkheidsbeginsel betoogt dat de voorgehouden, maar allerminst aangetoonde schending, in de formulering van het verzoekschrift precies terugslaat op andere situaties dan regularisaties, dat de kritiek dan ook betrekking heeft op het doel van het decreet eerder dan op het bestreden besluit; 3.2.5. Overwegende dat een eventuele schending van het gelijkheidsbe- ginsel slechts kan worden onderzocht voor zover concreet is aangegeven met welke gevallen er wordt vergeleken; dat dit te dezen niet het geval is; dat uit de beoorde- ling van het eerste middel blijkt dat de verwerende partij geen kennelijk onredelijke beoordeling heeft gemaakt door aan te nemen dat de exploitatie reeds bestond in 1996; dat er bijgevolg geen sprake is van een lichtzinnig onderzoek, zonder concrete toetsing en zonder na te gaan of er daadwerkelijk sedert 1996 ononderbroken een paardenfokkerij werd geëxploiteerd; Overwegende dat bij de beoordeling van de vraag of een beslissing afdoende is gemotiveerd, niet alleen rekening moet worden gehouden met de motieven die zijn opgenomen in de beslissing als zodanig, maar ook met motieven die zijn opgenomen in andere documenten, op voorwaarde dat ernaar wordt verwezen in de beslissing en dat die documenten gekend zijn bij de verzoekende partij; dat artikel 2 van de wet van 29 juli 1991 bepaalt dat de bestuurshandelingen van de besturen uitdrukkelijk moeten worden gemotiveerd, en artikel 3 van voornoemde wet bepaalt dat de opgelegde motivering in de akte de juridische en feitelijke overwegingen moet vermelden die aan die beslissing ten grondslag liggen, en dat zij afdoende moet zijn; dat de verwerende partij zich in het bestreden besluit aansluit bij de adviezen van de afdeling Milieuvergunningen, de VLM en de Provinciale Milieuvergunningscommissie; dat in geen van die adviezen concreet wordt gemotiveerd op basis waarvan deze adviserende organen van oordeel zijn dat zij het bestaan van een exploitatie sinds 1996 kunnen aanvaarden; dat de VII-24.966-13/15 afdeling Milieuvergunningen stelt dat zij "er echter van uit (gaat) (...) dat de inrichting continu (
- is)uitgebaat", maar zich daaromtrent niet nader verklaart; dat de VLM naar "de gegevens, bijgevoegd in het dossier" verwijst zonder te vermelden welke gegevens zij bedoelt; dat het bestreden besluit bijgevolg niet aantoont, ook niet langs de verwijzing naar de adviezen om, op grond van welke stukken van het dossier de adviserende organen, en vooral de verwerende partij, van mening zijn dat de exploitatie reeds bestond in 1996; dat het tweede middel derhalve gegrond is in zoverre wordt aangevoerd dat de verwerende partij in het bestreden besluit geen afdoende formele motivering heeft opgenomen ter ondersteuning van de zienswijze dat er wel degelijk een exploitatie van een paardenfokkerij sinds 1996 was; dat de ontstentenis van een afdoende formele motivering de beslissing in zijn geheel aantast, BESLUIT: Artikel 1. Vernietigd wordt het besluit van de bestendige deputatie van de provincieraad van Antwerpen van 2 augustus 2001 waarbij het beroep ingediend door de BVBA HET HEEREHOF tegen de beslissing van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Malle van 15 februari 2001, houdende het weigeren aan de BVBA HET HEEREHOF van de vergunning voor het exploiteren van een paardenfokkerij, gelegen aan de Zoerselbaan 85 te Malle, gegrond wordt verklaard, de beroepen beslissing wordt opgeheven en de gevraagde vergunning wordt verleend. Artikel 2. Dit arrest zal worden bekendgemaakt op dezelfde wijze als het vernietigde besluit. Artikel 3. De kosten van het beroep, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van het Vlaamse Gewest. De kosten van de tussenkomst, bepaald op 125 euro, komen ten laste van de tussenkomende partij. VII-24.966-14/15 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op negenentwintig mei tweeduizend en acht, door de VIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. L. HELLIN, kamervoorzitter, E. BREWAEYS, staatsraad, S. DE TAEYE, staatsraad, Mevr. E. IMPENS, griffier. De griffier, De voorzitter, E. IMPENS. L. HELLIN. VII-24.966-15/15 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.183.519 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div