id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 29 mei 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.183.531 Rolnummer: A. 81154/XII-3742 Zaak: Arrest 183531 - Varia (overheidsopdrachten en openbare werken) - 29/05/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-06-12 Raadplegingen: 55 - laatst gezien 2026-06-29 08:08 Fiche Arrest nr 183.531 van 29 mei 2008 Overheidsopdrachten en openbare werken - Varia (overheidsopdrachten en openbare werken) Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 183.531 van 29 mei 2008 in de zaak A. 81.154/XII-
- In zake :
- Frank CEULEMANS,
- Greta MEEUS,
- de NV IMMO LATOM,
- ACCOUNTANTSKANTOOR DRUYTS, CEULEMANS & C/ burgerlijke vennootschap onder de vorm van een BVBA die woonplaats kiezen bij advocaat E. Empereur, kantoor houdende te 1050 Brussel, Louizalaan 106 tegen : het VLAAMSE GEWEST, die woonplaats kiest bij advocaat H. Sebreghts, kantoor houdende te Antwerpen, Mechelsesteenweg
- --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, XIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Frank Ceulemans, Greta Meeus, de NV Immo Latom en Accountskantoor Druyts, Ceulemans & C/ BVBA op 17 november 1998 hebben ingediend om de nietigverklaring te vorderen van “het besluit van ongekende datum van de heer Willem Van Gastel, adjunct van de directeur van de afdeling Wegen Antwerpen, district en regie 125 van het Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, departement leefmilieu en infrastructuur, administratie wegen en verkeer tot afwijzing van de aanvraag tot een gedeeltelijke inbuizing aan de Steenweg op Turnhout 158 te Merksplas”; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgesteld door auditeur L. Vermeire; Gelet op de beschikking van 11 februari 2003 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; XII-3742-1/15 Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memories; Gelet op de beschikking van 26 november 2007 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 8 januari 2008; Gehoord het verslag van kamervoorzitter D. Verbiest; Gehoord de opmerkingen van advocaat I. Van Giel, die loco advocaat E. Empereur verschijnt voor de verzoekende partijen, en van advocaat F. Horions, die loco advocaat H. Sebreghts verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het andersluidend advies van eerste auditeur L. Vermeire; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, OVERWEEGT WAT VOLGT : De gegevens van de zaak
- Volgens het op dat punt niet tegengesproken verzoekschrift zijn de eerste en de tweede verzoekende partijen eigenaars van een stuk grond, gekadastreerd sectie E, nr. 237/R, langs de Steenweg op Turnhout nr. 158 te Merksplas, en verleenden zij op deze grond een opstalrecht aan de derde verzoekende partij, die daarop een kantoor met woning heeft opgericht en die de kantoorruimte verhuurde aan de vierde verzoekende partij, een naar eigen zeggen snel groeiend accountantskantoor met 10 werknemers en een circulatie van ongeveer 20 klanten per dag.
- Het blijkt dat de gemeente Merksplas, met een brief van 31 januari 1994, de door een zekere NV Druyts Boekhoudingen en Fiskaliteit, Schuttershofstraat 5 te Merksplas, ingediende aanvraag tot het bouwen van kantoren met woonst op het voornoemde perceel, voor advies voorlegde aan de Hoofdingenieur-Directeur van Bruggen en Wegen te Antwerpen. Vervolgens werd op 21 februari 1994 een gunstig advies gegeven met onder meer als bijzondere XII-3742-2/15 voorwaarde dat voor de eventueel aan te leggen grachtinbuizing een aparte aanvraag moest worden ingediend.
- Volgens het verzoekschrift dient eerste verzoeker dan een aanvraag in tot gehele inbuizing van de weggracht.
- Uit een brief van 6 juli 1995 van het afdelingshoofd Wegen Antwerpen van de administratie Wegeninfrastructuur en Verkeer Antwerpen van het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, departement Leefmilieu en Infrastructuur, aan de NV Druyts, blijkt wel dat het laatstgenoemde was die een verzoek tot het overwelven van de baangracht indiende via de gemeente. In die brief van 6 juli 1995 wordt medegedeeld dat werd vastgesteld dat bij bouwwerken de baangracht werd ingebuisd met betonbuizen van 30 cm diameter in de plaats van 40 cm diameter en dat een totale inbuizing niet kan worden toegestaan “te meer daar deze na de aanleg van het geplande fietspad onveilig zal zijn” zodat de inbuizing binnen 30 dagen moet worden verwijderd. Tevens wordt medegedeeld dat na een nieuwe aanvraag wel toelating kan worden verleend voor een inbuizing van een oprit van 6 m.
- In een door de eerste verzoeker op briefpapier van een NV Druyts Accountancy ondertekende brief van 29 mei 1996 aan de gemeente verwijst deze naar de voormelde brief van 6 juli 1995 waarin zou zijn medegedeeld “dat er toelating werd gegeven door de heer Harry Peeters, directeur regie Vosselaar, voor de inbuizing van een oprit van 6 m”, en wordt een “nieuwe” vergunning gevraagd voor de inbuizing van de gracht aan de voorzijde van het perceel over zijn ganse breedte, met een oprit en afrit van telkens 6 m gescheiden door middel van paaltjes en een groenperk over een breedte van 8 m.
- In een brief van 19 juni 1996 aan de NV Druyts Accountancy deelt W. Van Gastel, adjunct van de directeur van de voormelde administratie, mee dat men bij het eerder ingenomen standpunt blijft en niet akkoord kan gaan met dit voorstel: er is voldoende ruimte en parkeergelegenheid op het perceel voorhanden zodat een vlotte verkeersafwikkeling mogelijk is; een enkele oprit van 6 m kan voldoende worden geacht; er kan bovendien ook geen sprake zijn van een totale grachtinbuizing over een breedte van 20 m aangezien dit een goede afwatering in het gedrang zou brengen en dergelijke inbuizingen in de regel niet worden toegestaan. Tevens wordt vermeld dat voor de bestaande inbuizing over de totale XII-3742-3/15 breedte van het perceel geen vergunning werd gegeven en het hier een onregelmatige toestand betreft waarop reeds in september 1995 werd gewezen door een afgevaardigde van de administratie en waarop NV Druyts akkoord ging om deze te regulariseren, dat voorts de voornoemde heer Peeters toelating verleende de gracht over 6 m in te buizen maar enkel gedurende de werken aan het gebouw. Ten slotte wordt aangeraden in het licht van de aan de gang zijnde werken voor de aanleg van een fietspad, waarbij in geen oprit naar het perceel is voorzien, zo spoedig mogelijk de “aanvraag opnieuw te richten aan [zijn] directie [...] voor een oprit van 6 m en een open gracht voor het overblijvend gedeelte van het perceel”.
- In een door de eerste verzoeker op briefpapier van de NV Accountantskantoor Druyts ondertekende brief van 7 augustus 1998 aan de meervernoemde administratie wijst de eerste verzoeker op het feit dat voor de eerste weigering als reden werd verwezen naar het gevaar dat een volledige inbuizing zou betekenen voor de fietsers terwijl de tweede aanvraag wordt geweigerd omdat er in voldoende parkeerplaats op het perceel is voorzien en omwille van het feit dat een volledige inbuizing problemen geeft met het oppervlaktewater. De eerste verzoeker wijst erop dat dit laatste kan worden opgelost door in afwatering te voorzien in de inbuizing. Hij vraagt zich voorts af hoe de administratie kan oordelen over de parkeerruimte aangezien de parking zijdelings het kantoor volledig wordt gebruikt door personeelsleden. Voorts stelt hij dat de beslissingen inzake inbuizing willekeurig zijn aangezien op dezelfde steenweg op nummer 71 aan de onderneming Doe het zelf Verwaest wel toelating werd verleend voor een inbuizing van 24 m, terwijl aan een andere zelfstandige geen toelating wordt verleend voor een inbuizing van 20 m. Hij vraagt daarom nogmaals een volledige inbuizing en ondergeschikt in ieder geval een inbuizing van 6 m links van de straatkant gezien.
- In een brief van 28 oktober 1996 aan NV Accountantskantoor Druyts deelt de voornoemde adjunct van de directeur W. Van Gastel mee dat men bij het eerder ingenomen standpunt blijft en dat de interpretatie die eerste verzoeker geeft aan de redenen voor weigering van een volledige inbuizing niet correct is; beide redenen versterken immers elkaar. Een volledige inbuizing met twee toegangen geeft volgens deze brief twee mogelijke conflictpunten met de fietsers terwijl de aangelegde parking toestaat dat het personeel en of de klanten daar de nodige bewegingen kunnen uitvoeren om op een veilige manier de gewestweg op te rijden; aldus zou ook niet worden geoordeeld over het feit dat men over voldoende parkeergelegenheid beschikt. Inzake het afwateringsprobleem bij XII-3742-4/15 volledige inbuizing wijst hij erop dat een afwatering via een gracht meer water op korte termijn afvoert dan een rioleringsstelsel, waarvan de aanleg een last is van de gemeente en niet van het gewest, en dat een aaneenschakeling van volledige inbuizingen in feite leidt tot een rioleringsstelsel. Er zou ook geen sprake zijn van willekeur bij de toekenning van inbuizingen zij het dat een onderscheid wordt gemaakt tussen de soorten bedrijven. Aldus werd voor het perceel Steenweg op Merksplas 71 een grotere inbuizing verantwoord geacht omdat ter plaatse een handelaar in bouwmaterialen is gevestigd en de aan- en uitvoer van dit bedrijf noodzaakt tot een brede toegang en omdat de eveneens ter plaatste gevestigde doe- het-zelf-zaak een groot verkeersverloop kent. Tevens wordt opgemerkt dat de kritiek op de opportuniteit van de beslissing verwonderlijk is aangezien een tijdelijk toegestane inbuizing niet werd uitgevoerd volgens de richtlijnen en daarna de inbuizing niettegenstaande een bevel daartoe niet eens werd verwijderd. In fine wordt wel toelating verleend voor “een inbuizing van de langsgracht van 6 m zoals ze in het kader van de in uitvoering zijnde werken is uitgevoerd”.
- Bijna twee jaar later wordt namens de eerste en de tweede verzoeker en de NV Druyts door hun raadslieden met een brief van 3 augustus 1998 aan de voormelde administratie, District en Regie 125, een nieuwe aanvraag tot inbuizing gedaan over de volledige breedte en minstens voor een bijkomende inbuizing van 6 m langs de rechterzijde van de straatkant gezien. In de brief wordt gewezen op het feit dat het kantoor thans enkel bereikbaar is via één oprit van 6 m langs de linkerzijde van het perceel, hetgeen niet zou volstaan om een normaal gebruik van het perceel mogelijk te maken. Het kantoor zou als accountantskantoor een grote toeloop van bezoekers kennen die allen gebruik moeten maken van de parking op het perceel vóór het gebouw aangezien langsheen de rijbaan geen parkeerplaatsen zijn en de parkeerplaatsen naast het gebouw zijn voorbehouden aan het personeel. Doordat er thans slechts één toegang is tot de parking zou het op- en afrijdend verkeer op de oprit en de parking elkaar ernstig hinderen en zou de verkeerscirculatie stroef verlopen zodat de voor een commercieel bedrijf belangrijke vlotte bereikbaarheid niet is gerealiseerd en de gewenste service niet kan worden verleend. Een afzonderlijke op - en afrit zou een vlotte verkeersafhandeling van het cliënteel bevorderen en ook verkeerstechnisch voordelen hebben aangezien het verkeer op de op- en afrit dan nog enkel rekening dient te houden met de fietsers op het fietspad en niet meer ook, zoals nu, met het andere op- en afrijdend verkeer. Eventuele afwateringsproblemen ten gevolge van een volledige inbuizing zouden XII-3742-5/15 kunnen worden voorkomen door te voorzien in bredere afvoerbuizen; minstens zou hiervoor een technische oplossing mogelijk zijn.
- In een antwoordbrief van 18 september 1998 verwijst meervernoemde W. Van Gastel naar de voornoemde brieven van 6 juli 1995 en 19 juni 1996 waarmee men aan de NV Druyts liet weten dat er enkel een toegang van 6 m kon worden vergund. Voorts wijst hij erop dat de aanvraag tot inbuizing en een oprit apart dient te gebeuren via het gemeentebestuur, dat voor de aanleg van een parking een bouwtoelating noodzakelijk is en dat de parking waarmee de NV Druyts vooraan het gebouw voorziet echter in de zone van achteruitbouw ligt waarin geen parkings mogen worden aangelegd. Dit is de bestreden beslissing die letterlijk als volgt luidt : “18 september 1998 Betreft : NV Druyts/Vlaamse Gemeenschap. Geachte mevrouw, Geachte heer, In antwoord op uw bovengenoemde brief, verwijs ik naar de aangetekende brief van 06/07/1995 ref. 7140/D en de brief van 19/06/1996 ref. nr. 367/O.B. waarmede wij de NV Druyts lieten weten dat er enkel een toegang van 6 m kon vergund worden. Deze aanvraag tot een inbuizing en een oprit dient apart te gebeuren via het gemeentebestuur. Tevens wens ik u er op te wijzen dat voor de aanleg van een parking een bouwtoelating noodzakelijk is. De parking die de NV Druyts vooraan het gebouw voorziet, ligt echter in de zone van achteruitbouw en hierin mogen géén parkings aangelegd worden. Met vriendelijke groeten, De districtschef ing. Willem Van Gastel adjunct van de directeur”. XII-3742-6/15 De procedure
- In hun memorie van wederantwoord stellen de verzoekende partijen dat de memorie van antwoord werd ingediend door “het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, in de persoon van de Vlaamse minister-president, wiens kabinet gevestigd is aan het Martelaarsplein 19 te 1000 Brussel, voor wie verder optreedt de Vlaamse minister-vice-president, minister van Openbare Werken, Vervoer en Ruimtelijke Ordening, R.A.C. - Arcadengebouw, Blok F (6e verdieping)”, zodat deze minister optreedt namens de minister-president hetgeen in strijd is met artikel 1 van het besluit van de Vlaamse regering van 11 december 1985 tot aanwijzing van de leden van de Vlaamse regering ten verzoeke waarvan de rechtsgedingen van de Vlaamse Gemeenschap en het Vlaamse Gewest worden gevoerd. Aangezien het geding te dezen een aangelegenheid betreft die tot de uitsluitende bevoegdheid behoort van de Vlaamse minister van Openbare Werken, Vervoer en Ruimtelijke Ordening diende het geding immers te worden gevoerd door deze minister zelf optredend namens de Vlaamse regering en mag deze minister niet optreden namens de minister-president.
- Artikel 82 van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, bepaalt dat de regering de gemeenschap of het gewest vertegenwoordigt in en buiten rechte, dat ze wordt gedagvaard aan het kabinet van de voorzitter van de regering en dat de rechtsgedingen van de gemeenschap of het gewest, als eiser of als verweerder, worden gevoerd namens de regering, ten verzoeke van het door deze aangewezen lid. Het voornoemde besluit van de Vlaamse regering van 11 december 1985 bepaalt in zijn artikel 1 dat rechtsgedingen waarin de Vlaamse gemeenschap en het Vlaamse gewest als verweerder optreden met betrekking tot aangelegenheden die tot de uitsluitende bevoegdheid behoren van een lid van de Vlaamse regering, worden gevoerd ten verzoeke van dat lid. Te dezen diende het geding derhalve te worden gevoerd door de Vlaamse minister van Openbare Werken, Vervoer en Ruimtelijke Ordening. Uit het feit dat de memorie van antwoord werd ingediend “voor het Vlaamse gewest vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, in de persoon van de Vlaamse minister-president”, “voor wie verder optreedt de Vlaamse minister- vice- president, minister van Openbare Werken, Vervoer en Ruimtelijke Ordening”, XII-3742-7/15 kan bezwaarlijk worden afgeleid dat het geding niet namens de Vlaamse regering wordt gevoerd door deze laatste minister zelf, aangezien uitdrukkelijk in de aanhef van de memorie is vermeld dat deze “optreedt”. De verwijzing naar de minister- president sluit deze conclusie niet uit en kan worden verklaard door het feit dat overeenkomstig voormeld artikel 82 aan zijn kabinet wordt gedagvaard wat te dezen betekent dat het verzoekschrift er door de griffie wordt ter kennis gebracht waarna hij overeenkomstig artikel 5 van het voornoemde besluit van 11 december 1985 het verzoekschrift meedeelt aan de bevoegde minister. Dit laatste is te dezen gebeurd op 9 februari
- Er is dan ook geen reden om, zoals de verzoekende partij vraagt, de memorie van antwoord uit de debatten te weren. De excepties 13.
- De verwerende partij betoogt in een exceptie dat de bestreden brief geen rechtsgevolgen creëert maar enkel verwijst naar de eerdere besluitvorming over identieke aanvragen en deze voor zover nodig bevestigt; hij bevat voorts de feitelijke mededeling dat voor de aanleg van een parking en een oprit bij de gemeente een stedenbouwkundige aanvraag dient te worden ingediend. De bestreden “beslissing” zou aldus louter bevestigend zijn en geen aanvechtbare beslissing. 13.
- De aangevochten beslissing antwoordt op een vraag die in hoofdorde strekt tot inbuizing van de betrokken gracht over de volledige breedte van het perceel, minstens tot een bijkomende inbuizing van 6 m langs de rechterzijde van het perceel van de straatkant bekeken. De eerste vraag in hoofdorde -volledige inbuizing-, werd reeds ab initio gesteld vóór 6 juli 1995 en nogmaals op 29 mei 1996, waarbij dan de op- en afrit van elk 6 m gescheiden zou worden door middel van paaltjes en een groenperk, en vervolgens op 7 augustus 1986, dan voor het eerst gecombineerd met een ondergeschikte vraag tot een inbuizing van 6 m langs de linkerzijde van het perceel van de straatkant gezien. Zulks gaf aanleiding tot antwoordbrieven van respectievelijk 6 juli 1995, 19 juni 1996 en 28 oktober 1996 waarin werd aangegeven dat een volledige inbuizing niet kon worden toegestaan maar enkel een inbuizing van 6 m. XII-3742-8/15 De thans gestelde ondergeschikte vraag, een bijkomende toelating voor een inbuizing van 6 m langs de rechterzijde van het perceel, werd als dusdanig voorheen nooit afzonderlijk gesteld. In de eerdere aanvragen ging het immers steeds, hetzij om een volledige inbuizing, dan wel over een volledige inbuizing met een op- en afrit van elk 6 m gescheiden door paaltjes en een groenperceel van 8 m, op 7 augustus 1996 subsidiair om één enkele inbuizing van 6 m langs links. Hier gaat het ondergeschikt om een toelating om naast de bestaande vergunde inbuizing links van 6 m een bijkomende inbuizing te verkrijgen van 6 m rechts, dus meer dan in de subsidiaire vraag op 7 augustus 1996 maar minder dan de volledige inbuizing over 20 m die voorheen werd gevraagd. De bestreden beslissing verwerpt aldus een niet eerder gestelde vraag tot bijkomende inbuizing over 6 m rechts. Daarnaast dient te worden vastgesteld dat te dezen geen vraag werd gesteld tot herziening van eerdere beslissingen. Formeel is een nieuwe aanvraag voorhanden. Deze gaat blijkbaar voor het eerst uit van tweede verzoekster - en eventueel zelfs van eerste verzoeker als zou worden aangenomen dat de eerdere door hem ingediende aanvragen eigenlijk uitgaan van de NV Druyts. Ze wordt voorts ingediend twee jaar na de laatste beslissing met in ieder geval als nieuw element het voorstel tot gebruik van bredere buizen om het probeem van afwatering te voorkomen. Aldus dient te worden aangenomen dat er een mogelijk identieke, maar nieuwe beslissing nodig was. Ook om die reden is de bestreden beslissing niet louter bevestigend zelfs wat betreft de vraag tot totale inbuizing. De exceptie dient dan ook te worden verworpen.
- De verwerende partij betwist in haar laatste memorie de hoedanigheid van de derde en vierde verzoekende partij om het beroep in te stellen. De verzoekende partijen betogen in hun laatste memorie dat de derde en vierde verzoekende partij als opstalhouder en huurder over voldoende hoedanigheid beschikken om te dezen ontvankelijk op te treden. In principe kan een rechtsvordering waarvan het specifieke opzet is een voordeel dat werd geweigerd alsnog te verkrijgen alleen worden ingesteld door diegene die dat voordeel heeft aangevraagd en die dus de geadresseerde is van de weigering. Er wordt vastgesteld dat, bij gebreke aan bijzondere gegevens die te XII-3742-9/15 dezen anders doen besluiten, de derde en de vierde verzoekende partij niet de vereiste hoedanigheid hebben, noch een voldoende direct belang om het voorliggende beroep in te stellen. De aanvraag die door de bestreden beslissing is afgewezen is immers niet door hen en evenmin namens hen ingediend. De gegrondheid van het beroep Eerste middel 15.1 De verzoekende partijen voeren in een eerste middel aan dat de adjunct van de directeur die de bestreden beslissing nam, zulks deed op grond van een delegatie die niet bekendgemaakt en dus niet tegenstelbaar was. 15.
- De verwerende partij betoogt daartegen in haar memorie van antwoord dat de betrokken delegatie die de vaststelling en uitvoering van detailmaatregelen betreft welke in het kader van een regeling die de bevoegde overheid zelf heeft vastgesteld, aan een andere overheid mag worden overgelaten, elk moment kan worden ingetrokken. Voorts kan in het kader ervan de delegerende overheid aan de gedelegeerde bevelen geven hetgeen dus geen werkelijke overbrenging van bevoegdheden betekent. De hoofddelegatie van de minister aan de administratie bij ministerieel besluit van 29 maart 1995 werd in het Belgisch Staatsblad van 3 mei 1995 bekendgemaakt; de subdelegaties door de directeur- generaal van de administratie Wegen en Verkeer en daarna door het betrokken afdelingshoofd betreffen louter de interne werking en organisatie van de betrokken dienst en zijn bijgevolg niet van belang voor de algemeenheid van burgers en dienden dan ook niet in het Belgisch Staatsblad te worden bekendgemaakt. De verwerende partij herhaalt dat standpunt in haar laatste memorie en voegt daar nog aan toe dat het te dezen wel degelijk om detailmaatregelen gaat omdat ze zijn gedelegeerd, dat in de delegatiebesluiten zelf geen rechten verleend worden aan derden noch daaraan afbreuk wordt gedaan en dat de niet-bekendmaking te dezen niet tot de onwettigheid maar slechts tot de niet- tegenwerpelijkheid van het door de delegatiehouder genomen besluit leidt. Zij betoogt ten slotte dat zij het belang niet inziet dat verzoekende partijen zouden hebben bij de kwestieuze bekendmaking, “aangezien zij de aanvraag bij de bevoegde ambtenaar hebben ingediend, zij via het administratief dossier XII-3742-10/15 kennis kregen van de delegatiebesluiten en de wettigheid ervan in de memorie van wederantwoord konden betwisten”. 15.
- Krachtens artikel 1 van het koninklijk besluit van 7 september 1933 betreffende de werken over de sloten der wegen, mag geen enkel werk op de sloten langs de rijkswegen worden gebouwd of veranderd zonder dat de aangelande eigenaar daartoe vooraf toelating heeft gekregen van de minister van Openbare Werken of zijn gemachtigde. In het licht van artikel 6, § 1, X, 1/, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, dient dit artikel te worden gelezen als verwijzend naar de gewestwegen en de bevoegde minister van het betrokken gewest. Uit dit besluit zelf volgt dat deze minister, te dezen ten tijde van het bestreden besluit de Vlaamse minister van Openbare Werken, Ruimtelijke Ordening en Binnenlandse Aangelegenheden, niet persoonlijk elke concrete beslissing ter zake moest nemen aangezien in het besluit ook verwezen wordt naar zijn gemachtigde. De geldigheid van deze delegatiemogelijkheid door de minister wordt noch in het verzoekschrift noch in de memorie van wederantwoord betwist. Artikel 11, § 1, van het besluit van 29 maart 1995 van de Vlaamse minister van Openbare Werken, Ruimtelijke Ordening en Binnenlandse Aangelegen-heden houdende delegatie van sommige bevoegdheden inzake openbare werken en ruimtelijke ordening aan ambtenaren van het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, machtigt de directeur-generaal van de administratie Wegen en Verkeer om “binnen de perken van de bestaande regelgeving” toestemming te geven tot het aanleggen of aanbrengen, op de aanhorigheden van de gewestwegen, van onder meer (9/) aansluitingen van privé-wegen en toegangen respectievelijk (10/) om aan derden tot wederopzegging toestemming te geven tot ingebruikneming van het door zijn administratie beheerde openbaar domein of tot uitvoering van enig werk daarop. Ook de geldigheid van deze -bekendgemaakte- delegatie aan de directeur-generaal wordt in het verzoekschrift of de memorie van wederantwoord niet betwist. Artikel 12, § 1, van datzelfde ministerieel besluit bepaalt dat de leidend ambtenaar de “hiervoor in aanmerking komende gedelegeerde bevoegdheden” na overleg met de secretaris-generaal, subdelegeert aan ambtenaren van zijn administratie tot op het meest functionele niveau. Artikel 12, § 2, bepaalt XII-3742-11/15 dat de delegatiehouder, bij gebruik van deze delegaties, boven de vermelding van zijn graad en zijn handtekening de formule “Namens de Vlaamse minister voor...” plaatst. Artikel 7, § 1, van het besluit van de directeur-generaal van 5 september 1995 houdende subdelegatie van sommige bevoegdheden aan ambtenaren van rang A2 afdelingshoofd, machtigt de ambtenaar van rang A2 afdelingshoofd binnen de administratie Wegen en Verkeer (7/) om binnen de perken van de bestaande regelgeving toestemming te geven tot het aanleggen of aanbrengen op de aanhorigheden van de gewestwegen van onder meer aansluitingen van privé- wegen en toegangen respectievelijk (8/) om aan derden tot wederopzegging toestemming te geven tot ingebruikneming van het door zijn administratie beheerde openbaar domein of tot uitvoering van enig werk daarop. Artikel 8, § 1, van het laatstgenoemde besluit bepaalt dat de ambtenaar van rang A2 afdelingshoofd de hiervoor in aanmerking komende gedelegeerde bevoegdheden, na overleg met de directeur-generaal, subdelegeert aan ambtenaren van zijn afdeling tot op het meest functionele niveau. Artikel 8, § 2 bepaalt dat de delegatiehouder, bij gebruik van deze delegaties, boven de vermelding van zijn graad en zijn handtekening de formule “Namens de Vlaamse minister voor...” plaatst. Artikel 6 van de besluiten van het afdelingshoofd van 11 augustus 1995 en 8 december 1995 houdende subdelegatie van sommige bevoegdheden aan ambtenaren van rang A, B, C en D, machtigt de ambtenaar van “rang A1 (adjunct van de directeur)” van de afdeling Wegen Antwerpen van de administratie Wegen en Verkeer om binnen de perken van de bestaande regelgeving en binnen zijn district (1/) toestemming te geven tot het aanleggen of aanbrengen op de aanhorigheden van de gewestwegen van onder meer aansluitingen van privé-wegen en -toegangen respectievelijk (2/) om aan derden tot wederopzegging toestemming te geven tot ingebruikneming van het door zijn district beheerde openbaar domein of tot uitvoering van enig werk daarop. Artikel 7, § 1, sluit verdere subdelegatie uit. Artikel 7, § 2, bepaalt dat de delegatiehouder, bij gebruik van deze delegaties, boven de vermelding van zijn graad en zijn handtekening de formule “Namens de Vlaamse minister van...” plaatst. XII-3742-12/15 De brief van 18 september 1998 waarin de bestreden beslissing is vervat werd niet “voor de Vlaamse minister ...” ondertekend, maar door de voornoemde W. Van Gastel, de adjunct van de directeur van het betrokken district. Deze was daartoe gemachtigd op grond van de voornoemde opeenvolgende delegatiebesluiten van 29 maart 1995 (het delegatiebesluit van de betrokken Vlaamse minister), van 5 september 1995 (het delegatiebesluit van de directeur generaal) en van 8 december 1995 (het delegatiebesluit van de ambtenaar van het afdelingshoofd). Zowel het ministerieel delegatiebesluit van 29 maart 1995 als het delegatiebesluit van de directeur-generaal van 5 september 1995 lieten verdere delegatie van de daarvoor in aanmerking komende bevoegdheden toe. De voornoemde delegatiebesluiten van de directeur-generaal en het afdelingshoofd zijn, in tegenstelling tot het ministerieel besluit van 29 maart 1995, niet bekendgemaakt. Artikel 190 van de Grondwet bepaalt echter dat geen wet, geen besluit of verordening van algemeen, provinciaal of gemeentelijk bestuur verbindend is dan na te zijn bekendgemaakt in de vorm bij de wet bepaald. Artikel 22 BWHI bepaalt dat geen decreet of uitvoeringsbesluit verbindend is dan na te zijn bekendgemaakt “in de vorm bij deze wet bepaald”. De toestemming of weigering tot het aanbrengen van toegangen tot de gewestwegen heeft voor de betrokken rechtsonderhorige rechtsgevolgen in voordelige of nadelige zin : ze bepalen in concreto de omvang en voorwaarden van het recht op toegang tot de openbare weg. In tegenstelling tot hetgeen de verwerende partij betoogt, betreft de delegatie van de betreffende bevoegdheid van de minister aldus niet louter de inwendige inrichting en werking van de openbare dienst en evenmin een detailmaatregel. De voornoemde besluiten waarbij delegaties van die beslissings- bevoegdheid werden verleend zijn dan ook van belang voor de algemeenheid der burgers. Bijgevolg dienden ook de delegatiebesluiten van de directeur - generaal van 5 september 1995 en van het afdelingshoofd van 11 augustus 1995 en 8 december 1995 te worden bekendgemaakt opdat ze verbindend zouden zijn ten XII-3742-13/15 opzichte van de rechtsonderhorigen. Zulks is niet gebeurd, zodat de bestreden beslissing niet aan de verzoekende partijen tegenwerpelijk was en vanuit hun oogpunt de steller van het bestreden besluit niet bevoegd was ze te nemen. In tegenstelling tot hetgeen de verwerende partij daaromtrent doet gelden, moeten de verzoekende partijen bij een middel dat zoals te dezen steunt op een schending van bepalingen die, nu ze de bevoegdheid van overheden betreffen, ertoe strekken de openbare orde te beschermen, daarbij geen belang aantonen. Het middel is gegrond. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
- Vernietigd wordt het besluit van 18 september 1998 van W. Van Gastel adjunct van de directeur van de afdeling Wegen Antwerpen van het departement Leefmilieu en Infrastructuur van het Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap waarbij de aanvraag van Frank Ceulemans en Greta Meeus tot volledige inbuizing van de gracht, minstens voor een bijkomende inbuizing van 6 meter, langsheen het perceel aan de Steenweg op Turnhout nr 158 te Merksplas, wordt geweigerd. Artikel
- Het beroep is niet ontvankelijk wat de tweede en de derde verzoekende partij betreft. Artikel
- De kosten van het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 694,12 euro, komen ten laste van de verwerende partij voor de helft en ten laste van de derde en de vierde verzoekende partij, elk voor een kwart. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op negenentwintig mei 2008, door de XIIe kamer, die was samengesteld uit : XII-3742-14/15 de HH. D. VERBIEST, kamervoorzitter, J. LUST, staatsraad, G. VAN HAEGENDOREN, staatsraad, Mevr. S. DOMS, griffier. De griffier, De voorzitter, S. DOMS. D. VERBIEST. XII-3742-15/15 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.183.531 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.