← België

Arrest 183532 - Tucht (openbaar ambt) - 29/05/2008

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 29 mei 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.183.532 Rolnummer: A. 138932/XII-3906 Zaak: Arrest 183532 - Tucht (openbaar ambt) - 29/05/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-06-12 Raadplegingen: 71 - laatst gezien 2026-06-29 08:08 Fiche Arrest nr 183.532 van 29 mei 2008 Openbaar ambt - Tucht (openbaar ambt) Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 183.532 van 29 mei 2008 in de zaak A. 138.932/XII-

  1. In zake : Jan VANDE MOORTELE, die woonplaats kiest bij advocaat D. Matthys, kantoor houdende te Gent, Sint-Annaplein 34 tegen :
  2. het VLAAMSE GEWEST, dat woonplaats kiest bij advocaat T. De Sutter, kantoor houdende te Gent, Koning Albertlaan 128
  3. de GEMEENTE DEERLIJK die woonplaats kiest bij advocaat B. Staelens, kantoor houdende te Brugge, Stockhouderskasteel Gerard Davidstraat 46, bus
  4. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, XIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Jan Vandemoortele op 9 juli 2003 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van “[h]et ministerieel besluit van 9 mei 2003, houdende goedkeuring van het besluit van de gemeenteraad van Deerlijk van 13 februari 2003, houdende het opleggen van de tuchtsanctie ontslag van ambtswege aan verzoeker, gemeenteontvanger”; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgesteld door auditeur D. Mareen; Gelet op de beschikking van 4 juni 2007 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memories; XII-3906-1/13 Gelet op de beschikking van 6 september 2007 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 23 oktober 2007; Gehoord het verslag van staatsraad J. Lust; Gehoord de opmerkingen van advocaat D. Matthys, die verschijnt voor verzoeker, van advocaat T. De Sutter, die verschijnt voor de eerste verwerende partij, en van advocaat B. Staelens, die verschijnt voor de tweede verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur D. Mareen; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, OVERWEEGT WAT VOLGT : De voornaamste voorgaanden
  5. Verzoeker is sinds 1 april 2000 gemeenteontvanger te Deerlijk. Naar eigen zeggen wisselt hij vanaf maart 2002 ziekteperiodes van één à twee maanden af met werkhervattingen.
  6. Op 4 december 2002 stelt de schepen van financiën van de gemeente Deerlijk een tuchtverslag op tegen verzoeker. In het verslag wordt hem in de eerste plaats verweten een houding aan te nemen “van volledige miskenning van zijn taken en verantwoordelijkheden, waarmee hij zijn beroepsplichten volkomen verwaarloost”. In twaalf punten wordt toegelicht om welke beroepsplichten het meer bepaald gaat. In de tweede plaats wordt verzoeker aangewreven niet tijdig het nodige te hebben gedaan om tijdens zijn ziekteperiode in zijn vervanging te voorzien. In de derde plaats wordt tegen hem aangevoerd dat hij zijn verantwoordelijkheden ontloopt, niet de minste verantwoording verstrekt en elke communicatie onmogelijk maakt. Voorgesteld wordt om verzoeker de tuchtstraf van het ontslag van ambtswege op te leggen. De gemeenteraad beslist op 12 december 2002 tegen verzoeker een tuchtprocedure in te stellen. Tijdens zijn verhoor van 30 januari 2003 door de gemeenteraad wijst de raadsman van verzoeker op diens wankele gezondheidstoestand. Volgens XII-3906-2/13 hem dient te worden onderzocht of de feiten “moeten worden gekaderd binnen de geattesteerde ziektetoestand van concludent” en of zij in voorkomend geval kunnen worden aangemerkt als een tuchtvergrijp. Minstens, zo wordt betoogd, zal de gemeenteraad de algemene beginselen van behoorlijk bestuur moeten toepassen, waaronder het beginsel van de proportionaliteit. Luidens een bijgebracht doktersattest, 30 januari 2003 gedateerd, was verzoeker “niet in staat [...] zijn functie uit te oefenen om redenen van ziekte”. Op 13 februari 2003 beslist de gemeenteraad dat de drie tuchtfeiten bewezen zijn en dat elk van de drie tuchtfeiten afzonderlijk reeds de tuchtstraf van het ontslag van ambtswege verantwoordt. Wat het al dan niet disciplinair karakter van de ten laste gelegde feiten betreft overweegt de gemeenteraad : “
  7. Betrokkene beroept zich inzonder op zijn wankele gezondheidstoestand, die aan de oorzaak zou liggen van de niet-betwiste houdingen en de niet-betwiste deze houdingen concretiserende feiten. Er valt echter volstrekt niet in te zien op welke wijze de betrokkene zich ook maar zou kunnen beroepen op zijn (beweerde) wankele gezondheidstoestand om te verantwoorden dat hij verzuimde het nodige te doen om in zijn eigen vervanging te voorzien. (tweede tuchtfeit) Integendeel, de nadruk die de betrokkene legt op zijn eigen wankele gezondheidstoestand, had hem des te meer moeten er toe brengen om zich bij ziekte op adequate en accurate wijze te doen vervangen. Des te erger is het dus dat betrokkene zich er toe beperkte om slechts af en toe in de eigen vervanging te voorzien bij afwezigheid wegens ziekte en dat hij daarbij dan nog verzuimde om de vervanger of vervangers de nodige bevoegdheden te geven, zodat slechts randtaken konden uitgeoefend worden en zodat de beroepsplichten van de ontvanger verwaarloosd werden. De houding van verzoeker is des te meer te laken, gezien de diverse aanmaningen om in zijn vervanging te voorzien en gezien het engagement opgenomen op 24 juni 2002 om de niet overgedragen taken verder waar te nemen, niet tot betere opname van de verantwoordelijkheid hebben geleid. Het blijvende verzuim tijdig het nodige te doen om in zijn eigen vervanging te voorzien tijdens de ziekteperiodes, verantwoordt in casu op zichzelf het opleggen van een tuchtsanctie, in casu gezien: - het repetitief en langdurig verzuim, - het volharden in het verzuim, ondanks aanmaningen het nodige te doen, - de nefaste gevolgen van het verzuim voor de gemeente en zijn inwoners, - het feit dat betrokkene, met de verantwoordelijkheid van ontvanger, oog moet hebben voor de gevolgen van zijn verzuim.
  8. Er valt al evenmin in te zien hoe het argument van de wankele gezondheidstoestand het ontlopen van verantwoordelijkheden, het niet verstrekken van verantwoording en het onmogelijk maken van communicatie zou kunnen weerleggen. (derde tuchtfeit) De ingeroepen wankele gezondheidstoestand zou er enkel kunnen toe leiden dat de verantwoordelijkheid op een eventueel andere wijze zou moeten opgenomen worden, wat, zoals onder 4 reeds aangegeven, precies niet gebeurde. XII-3906-3/13 Een ambtenaar met de verantwoordelijke functie van ontvanger zou desgevallend, tijdig en accuraat moeten communiceren en verantwoording verstrekken bij ziekte, zodat de beroepsplichten kunnen gerespecteerd worden, Daarvan was er in casu geen sprake. Waar ook van de eenvoudigste gemeentewerkman, bediende of ambtenaar, het opnemen van verantwoordelijkheid en een accurate communicatie, ook bij ziekte, mag verwacht worden, is het des te onaanvaardbaarder dat betrokkene elke communicatie en dialoog afwees, gezien zijn voorbeeldfunctie als ontvanger. Al evenmin valt in te zien hoe het beroep op de eigen wankele gezondheidstoestand zou kunnen verantwoorden dat elke samenwerking met een extern ondersteunend bureau (Deloitte & Touche) ontvlucht wordt. Wie stelt een wankele gezondheidstoestand te hebben, zou des te meer de samenwerking met een extern bureau moeten consolideren en intensifiëren. Deze onaanvaardbare houding verantwoordt op zichzelf reeds een tuchtsanctie.
  9. De vraag dient gesteld te worden of de door verzoeker ingeroepen wankele gezondheidstoestand zou impliceren dat de volledige miskenning van taken en verantwoordelijkheden (tuchtfeit 1), materialiter door betrokkene niet betwist, zijn ‘schuldig karakter’ zou verliezen. Betrokkene legt een medisch attest voor van dr. De Maesschalck, stellende: ‘Ondergetekende verklaart dat Jan Vandemoortele, geboren 20.12.67 niet in staat was zijn functie uit te oefenen om redenen van ziekte’. Betrokkene is verschillende periodes afwezig geweest wegens ziekte maar de heden geponeerde stelling ‘niet in staat te zijn zijn functie uit te oefenen om redenen van ziekte’ contrasteert uiteraard met de aanwezigheid als ontvanger gedurende de andere periodes. Uit geen enkel element blijkt waarom verzoeker gedurende de periodes dat hij aanwezig was, toch ziek zou geweest zijn. Uit geen enkel element blijkt dat de ingeval van ziekte ingediende medische attesten met de daarop vermelde data, verkeerd zouden geweest zijn. Van elke gemeenteambtenaar, a fortiori van de gemeenteontvanger die een voorbeeldfunctie heeft, mag verwacht worden dat bij aanwezigheid hij functioneert zoals het hoort, en dat bij onmogelijkheid tot functioneren wegens ziekte, hij afwezig blijft wegens ziekte. De gemeenteontvanger, met zijn autonome bevoegdheden, dient verder bij afwezigheid wegens ziekte zelf in de adequate en accurate vervanging te voorzien. Het is dan ook niet aanvaardbaar dat betrokkene, die zoals onder 4) uiteengezet precies verzuimde zich gedurende ziekte adequaat en accuraat te laten vervangen en die zoals onder 5) uiteengezet precies verzuimde m.b.t. de ziekte en de uit te voeren taken te communiceren, stelt dat hij, in tegenstelling met de ziekteattesten die hij heeft voorgelegd m.b.t. de ziekteperiodes, eigenlijk steeds te ziek zou zijn geweest om zijn functie uit te oefenen. Het behoort net tot de functie van de ontvanger om er voor in te staan dat de beroepsplichten door een vervanger worden vervuld als hij daartoe wegens ziekte niet het nodige kan doen, zoals reeds uiteengezet. Waar uit geen enkel element blijkt dat de vroegere medische attestaties met vastlegging van de periodes van ziekte vals of zelfs maar verkeerd zouden zijn, en waar door betrokkene ook niet wordt geargumenteerd laat staan bewezen waarom het pas op 30 januari 2003 neergelegde medische attest de eigen vroegere houding en de vroegere medische attestaties zou weerleggen, kan er niet aangenomen worden dat betrokkene, buiten de periodes van ziekte, te ziek zou zijn geweest om zijn beroepsplichten te vervullen. Alsdan ware betrokkene er bovendien vanuit verantwoorde medische hoek trouwens op gewezen geweest dat hij het werk niet mocht hervatten en waren de einddata van de ziekteperiodes anders bepaald geweest. Uit geen enkel element blijkt dat er ooit XII-3906-4/13 medisch onverantwoord is opgetreden in het verleden door verzoeker en zijn arts, en dit wordt zelfs door verzoeker niet beweerd. In de niet bewezen hypothese van ziekte gedurende de periodes van aanwezigheid, behoorde het desgevallend tot de verantwoordelijkheid van betrokkene om langer afwezig te zijn wegens ziekte en zich adequaat en accuraat te laten vervangen. In deze niet bewezen hypothese is de verwaarlozing van de beroepsplichten dus evenzeer veroorzaakt door schuldig gedrag. Des te meer ware in deze onbewezen hypothese de verwaarlozing van de beroepsplichten veroorzaakt door schuldig gedrag gezien uit het tuchtdossier blijkt dat betrokkene meerdere malen is aangemaand en ter verantwoording geroepen. Er is zelfs een overleg doorgegaan met de toezichthoudende overheid op 24 juni 2002 waarbij er afspraken werden vastgelegd. (stuk 12) Pas na het opbrengen van een ontzettend geduld, des te manifester gezien de gevolgen van de verwaarlozing van de beroepsplichten, is de tuchtvordering ingesteld. Door op 30 januari 2003, na het vele geduld, voor de eerste maal te gaan beweren: ‘altijd te ziek te zijn geweest om de functie uit te oefenen’, wordt er bijzonder onverantwoord, een ontvanger onwaardig, gereageerd t.a.v. een Bestuur dat zoveel geduld heeft opgebracht. In deze onbewezen hypothese kan enkel geconcludeerd worden dat betrokkene niet de minste verantwoordelijk- heid heeft gedragen door niet meteen aan te geven ziek te zijn en door de verwaarlozing van de beroepsplichten zoveel als maar mogelijk te rekken, met de steeds ergere gevolgen vandien. Bovendien contrasteert de d.d. 30 januari 2003 ontwikkelde stelling met het opnemen door verzoeker van een bijkomende functie als ontvanger van de politiezone. Ook het eerste tuchtfeit verantwoordt op zichzelf een tuchtsanctie.
  10. Volkomen ten onrechte wordt er zonder enige feitelijke duiding gewag gemaakt van gemis aan empathie, een weinig constructieve bejegening, onmiskenbare gestrengheid, veeleisendheid, intolerantie of een stugge houding. Deze stelling mist elke feitelijke grondslag en blijkt nergens uit. Uit het dossier blijkt enkel het ontzettende geduld dat voor betrokkene is opgebracht. Het kan betrokkene geen baat bij brengen krachtens vage stellingen zijn verantwoordelijkheid als een van de hoogste ambtenaren van de gemeente, te willen ontlopen”. Inzake de proportionaliteit van de opgelegde tuchtstraf vermeldt de gemeenteraadsbeslissing : “Terecht wijst betrokkene op de eis van de proportionaliteit bij de straftoemeting, als onderdeel van het redelijkheidsbeginsel. De algemene en blijvende houdingen van de gemeente-ontvanger hebben geleid tot een complete ontwrichting van de gemeentelijke financiën. Dit heeft nefaste gevolgen voor de gemeente en dit leidt tot financiële schade. Dit leidt er ook toe dat de goede naam van de gemeente in opspraak wordt gebracht. Dit leidt ook tot pijnlijke gevolgen voor verschillende inwoners van de gemeente (cfr. o.m. de feiten 1.5 en 1.9). Deze fouten zijn des te erger, gezien de voorbeeldfunctie van de ontvanger. De feiten zijn ook des te erger gezien de inbreuken aanhouden ondanks de aanmaningen, interventies, aanreiken van hulp van externen, die dan nog afgewezen wordt, en gezien de weigering bij te sturen. XII-3906-5/13 De aard en het blijvend karakter van de feiten en het belang van de gemeente en zijn inwoners impliceren dat een van de twee hoogste tuchtsancties dient te worden opgelegd. Elk van de drie tuchtfeiten, de drie houdingen zoals geconcretiseerd, verantwoorden op zich reeds een van de twee hoogste tuchtsancties, gezien bij elk der drie tuchtfeiten de persisterende schuldige houding van betrokkene tot nefaste gevolgen leidt voor de gemeente en zijn inwoners. A fortiori verantwoordt het geheel een van de twee hoogste tuchtsancties. Ten maximalen titel rekening houdende met de belangen van betrokkene, wordt de tuchtstraf ‘ontslag van ambtswege’ opgelegd”.
  11. Verzoeker dient op 7 maart 2003 tegen de gemeenteraads- beslissing een beroepschrift in bij het Vlaamse Gewest, waarin hij vraagt, in hoofdorde, dat de tuchtstraf wordt ongedaan gemaakt en, in ondergeschikte orde, dat “een zeer lichte sanctie zou worden in de plaats gesteld”. In het beroepschrift noemt verzoeker “het nogal evident dat de beschouwingen die in de aangevochten beslissing worden gewijd aan de vragen naar

(1)de tuchtrechtelijke sanctioneerbaarheid van de feiten en, ondergeschikt, naar
(2)de proportionaliteit der bestraffing op volstrekt inadequate wijze werden benaderd en beantwoord”. De Vlaamse minister van Binnenlandse Aangelegenheden, Cultuur, Jeugd en Ambtenarenzaken keurt de gemeenteraadsbeslissing op 9 mei 2003 goed. XII-3906-6/13 Het voorwerp van het beroep
  1. Formeel bekeken vraagt verzoeker alleen de nietigverklaring van de goedkeuringsbeslissing van 9 mei
  2. Niettemin wordt vastgesteld dat hij zijn belang bij het beroep hierdoor verantwoordt dat de aangevochten beslissing “een maatregel [bevat] die rechtstreeks op verzoeker toepasselijk is en die hem zowel materieel-financieel als moreel en professioneel bijzonder zwaar treft”. Dit kan bezwaarlijk anders dan als een verwijzing naar het goedgekeurde ontslag van ambtswege worden opgevat. Tevens betreft het enig annulatiemiddel zowel de goedkeurings- beslissing als de goedgekeurde tuchtstraf. Dit moge al blijken uit de eerste zin waarmee het middel wordt toegelicht: “De motieven die aan het ontslag van ambtswege van verzoeker ten grondslag moeten liggen dienen deugdelijk en draagkrachtig te zijn, wat in dezen niet het geval is”.
  3. Er is derhalve grond om het goedgekeurde gemeenteraadsbesluit van 13 februari 2003 mee tot het voorwerp van het beroep te rekenen, en om het verzet daartegen van de eerste verwerende partij, in de memorie van antwoord en de laatste memorie, te verwerpen. Dit is des te meer gewettigd waar de reden waarom verzoeker zijn beroep niet formeel ook tegen het gemeenteraadsbesluit heeft gericht, klaarblijkelijk teruggaat op de misvatting dat de beslissing van de Vlaamse minister in de plaats van het gemeenteraadsbesluit gekomen is, wijl zij zich in wezen alleen eraan toegevoegd heeft. De ontvankelijkheid
  4. Tweede verwerende partij ontzegt verzoeker om drie redenen het vereiste belang bij het beroep: omdat verzoeker exclusief het goedkeuringsbesluit betwist, omdat hij in zijn enig middel alleen kritiek uitoefent op de wijze waarop de toezichthoudende overheid een ongeoorloofde grief heeft behandeld en hij bij die kritiek geen geoorloofd belang kan doen gelden, en omdat verzoekers enig middel twee van de drie schragende motieven van het tuchtbesluit onverlet laat. XII-3906-7/13
  5. Wat haar eerste onderdeel betreft mist de exceptie, zoals sub 4 en 5 gezien, grond. Wat het tweede en derde onderdeel betreft verwart zij het belang bij het beroep met het belang bij de middelen. De exceptie van gebrek aan belang bij het beroep wordt verworpen. De grond van de zaak Standpunt van verzoeker
  6. Verzoeker voert in een enig middel de schending aan van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, van het redelijkheids- en van het evenredigheids-beginsel. In het verzoekschrift beklaagt verzoeker zich in de eerste plaats erover dat de gemeenteraadsbeslissing van 13 februari 2003 zijn argumentatie met betrekking tot zijn gezondheidsprobleem op ergerlijke en zelfs beledigende wijze terzijde heeft geschoven en dat het ministerieel besluit helemaal geen antwoord heeft gegeven op zijn bezwaren terzake. In de tweede plaats betoogt verzoeker dat er een kennelijke wanverhouding bestaat tussen het tuchtfeit en de tuchtstraf, dat de tuchtsanctie volstrekt onredelijk is gelet op de concrete context waarin de aangeklaagde feiten zich hebben voorgedaan, en dat geen aandacht wordt gegeven aan “het onmiskenbare gegeven van de gezondheidstoestand van verzoeker”. In de memorie van wederantwoord herhaalt verzoeker dat de gemeenteraad de standpunten in verband met zijn ziektetoestand op beledigende wijze terzijde heeft geschoven en dat noch de gemeenteraad, noch de minister de redelijkheid van de verhouding tussen tuchtstraf en tuchtfeit heeft onderzocht rekening houdend met de context en de omstandigheden, namelijk: “de specifieke medisch-psychische factoren die bepalend zijn geweest voor het bestaan van de ten laste gelegde tuchtrechtelijke feiten”. Verzoeker beklemtoont in de laatste memorie nog dat de essentie van de betwisting hierin bestaat dat zowel in het goedkeuringsbesluit als in het goedgekeurde besluit “geen of minstens onvoldoende rekening werd gehouden met XII-3906-8/13 het feit dat de manifeste en onbetwistbare ziektetoestand van verzoeker de enige en uitsluitende oorzaak is geweest van de problemen die zich hebben gemanifesteerd”, dat ogenschijnlijk “de motieven die in de aangevochten beslissingen naar voren komen acceptabel en naar redelijkheid gefundeerd [zijn]”, maar dat “[d]e ganse vraag [is] of niet voldoende kon worden begrepen dat, in de gegeven omstandigheden de zwaarste sanctie die verzoeker te beurt viel volkomen disproportioneel was tegen de achtergrond van wat hierboven wordt uiteengezet”. Beoordeling
  7. Volgens het middel zijn de verwerende partijen in gebreke gebleven de feiten die verzoeker ten laste werden gelegd in hun concrete context te situeren en te beoordelen, te weten in het licht van zijn gezondheidsproblemen en ziektetoestand. In dat licht bekeken, immers, zouden de feiten verzoeker niet verwijtbaar zijn, minstens zouden ze geen ontslag van ambtswege kunnen verantwoorden.
  8. Of verzoekers gezondheidsproblemen en ziektetoestand al dan niet uitsluiten dat hij “schuldig” wordt bevonden aan de hem ten laste gelegde feiten en tot welke tuchtstraf die feiten eventueel aanleiding dienen te geven, zijn vragen waarop het antwoord aan de tweede verwerende partij toekomt, onder het toezicht van de eerste verwerende partij. De Raad van State vermag niet zijn eigen opvatting daarover in de plaats te stellen van die van het actief bestuur. Wel kan en moet hij, desgevraagd, als wettigheidsrechter nagaan of het antwoord van het actief bestuur binnen de grenzen van het recht, de algemene beginselen van behoorlijk bestuur inbegrepen, gebleven is.
  9. Aan verzoeker is ten laste gelegd dat hij zijn beroepsplichten als gemeenteontvanger volledig verwaarloosd heeft, waardoor de financiën van de gemeente geheel ontwricht zijn geworden, dat hij naliet het nodige te doen met het oog op zijn vervanging tijdens de ziekteperioden, en dat hij elke communicatie en het geven van verantwoording ontliep. Verzoeker heeft zich daar, tijdens zijn verhoor door de gemeenteraad op 30 januari 2003, tegen verweerd op een wijze die de tweede verwerende partij in de memorie van antwoord met recht “omfloerst” noemt. XII-3906-9/13 Verzoeker zegt het niet anders waar hij in het verzoekschrift toegeeft dat hij voor de gemeenteraad een “zeer voorzichtige houding” heeft aangenomen bij het uiteenzetten van zijn verweermiddelen. Aldus luidde het in zijn conclusie voor de gemeenteraad onder meer : “De Gemeenteraad zal zich in geweten en zeer ernstig moeten beraden, na kennisname van de gegevens van het dossier, of de feiten die concludent ten laste worden gelegd het karakter van opzettelijk en met een schuldig bewustzijn gepleegde handelingen zijn. Er zal moeten worden onderzocht of deze feiten niet moeten worden gekaderd binnen de geattesteerde ziektetoestand van concludent, en de beantwoording van deze vraag zal noodgedwongen moeten leiden tot de beantwoording van de vraag of in voorkomend geval de aldus in hun context geplaatste feiten kunnen worden aangemerkt als tuchtvergrijp”. De bedoelde “geattesteerde ziektetoestand” staafde verzoeker met een attest dat zich ertoe beperkte zonder meer te affirmeren dat hij niet in staat was zijn functie uit te oefenen wegens ziekte. Het is een attest dat dan wel “alomvattend” mag zijn, zoals verzoekster beweert, het is er niet minder oppervlakkig om.
  10. Op verzoekers verweer ingaand, heeft tweede verwerende partij zich, getuige de hiervoor overgeschreven formele motivering van de gemeenteraads- beslissing van 13 februari 2003, effectief erover beraden of in hoofde van verzoeker al dan niet een verwijtbare tekortkoming kan worden aangenomen. Samengevat, heeft zij geconcludeerd en gemotiveerd : - dat verzoekers wankele gezondheidstoestand in elk geval niet het tweede en derde ten laste gelegde feit kan vergoelijken; - dat die toestand hem ook niet van het eerste tuchtfeit vrijpleit, aangezien het bijgebrachte medisch attest onverenigbaar is met “de eigen vroegere houding en de vroegere medische attestaties”, aangezien verzoeker “[i]n de niet bewezen hypothese van ziekte gedurende de periodes van aanwezigheid” zijn beroepsplichten heeft verwaarloosd door niet afwezig te zijn gebleven en door zich niet behoorlijk te hebben laten vervangen, en aangezien de stelling dat hij steeds te ziek zou zijn geweest om zijn functie uit te oefenen wordt tegengesproken door het opnemen van een bijkomende functie als ontvanger van de politiezone; - dat het feitelijk onjuist is dat jegens hem zonder empathie, weinig constructief, streng, veeleisend of zelfs intolerant werd opgetreden. Eveneens heeft de tweede verwerende partij in de gemeenteraads- beslissing geëxpliciteerd op grond van welke belangenafweging zij ertoe gekomen XII-3906-10/13 is verzoeker specifiek de maximumstraf van het ontslag van ambtswege op te leggen.
  11. Weliswaar maakt verzoeker in het middel duidelijk genoeg dat hij het met de beoordeling van een en ander niet eens is en dat hij meer begrip en empathie had verwacht voor de gegevens van zijn toestand “die te maken hebben met menselijke waardigheid, discretie en fijngevoeligheid”. Dit volstaat evenwel niet om de zienswijze van de tuchtoverheid als onwettig en, meer bepaald, als strijdig met het redelijkheids- en het evenredigheidsbeginsel te doen bestempelen. Waar het daarbij immers om gaat, is vooreerst of de gemeenteraad al dan niet binnen de grenzen van de redelijkheid is gebleven door de ten laste gelegde feiten als een schuldige tekortkoming in hoofde van verzoeker te hebben beschouwd, en vervolgens of de gemeenteraad met het ontslag van ambtswege een straf heeft opgelegd die ja dan neen voorkomt het resultaat te zijn van een evenwichtige afweging van de betrokken gegevens en belangen. Voor de Raad van State is niet aannemelijk gemaakt dat het antwoord op die vragen negatief moet zijn. Verzoeker kan de Raad van State er niet van overtuigen dat de gemeenteraad de hem toekomende beoordelingsvrijheid te buiten is gegaan door, op grond van de uitvoerige motivering van zijn beslissing van 13 februari 2003, tot de tuchtstraf van het ontslag van ambtswege te hebben besloten niettegenstaande “de argumentatie van verzoeker met betrekking tot zijn gezondheidsprobleem”.
  12. Niet alleen heeft de eerste verwerende partij, slechts belast met een goedkeuringstoezicht en niet, zoals verzoeker lijkt te menen, met een hervormingstoezicht, zich door de goedkeuring van de beslissing van 13 februari 2003 van de gemeenteraad impliciet maar onmiskenbaar aangesloten bij het antwoord van de gemeenteraad op verzoekers verweer, zij heeft dit ook expliciet in haar goedkeuringsbesluit tot uitdrukking gebracht. Zo overwoog zij daarin onder meer “dat betrokkene tijdens zijn ziekteperiode bij de gemeente Deerlijk, toch degelijk zijn functie als rekenplichtige bij de politiezone bleef uitoefenen”, “dat betrokkene het steeds verzuimde om in zijn vervanging te voorzien, tijdens zijn veelvuldige afwezigheden wegens ziekte, ondanks aanmaningen het nodige te doen”, “dat hij talloze uitvluchten zoekt, alleen XII-3906-11/13 communiceert bij wijze van nota’s, en zich als een schim in de gemeentelijke administratie gedraagt”, “dat de gemeentelijke financiën compleet ontwricht werden door het niet betalen, niet innen, niet klasseren, niet opvolgen als ontvanger, wat uiteraard een complete financiële chaos voor de gemeente impliceert, financiële chaos, die door betrokkene niet betwist wordt, maar duidelijk blijkt uit het dossier”, en dat bij het opleggen van een tuchtstraf ook het belang van de gemeente dient behartigd te worden.
  13. Staat het buiten kijf dat de onwettigheid van de gemeenteraads- beslissing in voorkomend geval ipso facto ook de wettigheid van de goedkeuringsbeslissing zou hebben aangetast, hiervoor is niet gebleken dat de gemeenteraadsbeslissing onwettig is. Inzonderheid is er, zoals gezien, geen reden om aan te nemen dat de gemeenteraadsbeslissing “zomaar” verzoekers gezondheids- probleem terzijde heeft geschoven en het redelijkheids- of het evenredigheids- beginsel heeft geschonden. In die omstandigheden kan de eerste verwerende partij dan evenmin zelf de betrokken onwettigheden hebben begaan, door namelijk terecht de gemeenteraadsbeslissing niet gesanctioneerd te hebben. Een onbestaande onwettigheid kan uiteraard niet afkleuren.
  14. Resumerend, hebben noch de gemeenteraad, noch de Vlaamse minister de in het middel aangevoerde rechtsregels geschonden. Het enig middel moet hoe dan ook worden verworpen. Het doet bijgevolg niet terzake of het, zoals de verwerende partijen doen gelden, benevens ongegrond, ook nog onontvankelijk is. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
  15. Het beroep wordt verworpen. Artikel
  16. XII-3906-12/13 De kosten van het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 175 euro, komen ten laste van verzoeker. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op negenentwintig mei 2008, door de XIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. D. VERBIEST, kamervoorzitter, J. LUST, staatsraad, G. VAN HAEGENDOREN, staatsraad, Mevr. S. DOMS, griffier. De griffier, De voorzitter, S. DOMS. D. VERBIEST. XII-3906-13/13 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.183.532 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.