id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 30 mei 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.183.672 Rolnummer: A. 188317/IX-5923 Zaak: Arrest 183672 - Penitentiair recht - 30/05/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-06-05 Raadplegingen: 57 - laatst gezien 2026-06-29 08:08 Fiche Arrest nr 183.672 van 30 mei 2008 Justitie - Penitentiair recht Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 183.672 van 30 mei 2008 in de zaak A. 188.317/IX-5923. In zake : Brian REMAUT, die woonplaats kiest bij advocaat M. LANGEROCK, kantoor houdende te SINT-KRUIS (Brugge), Dampoortstraat 5 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Justitie. --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE IXe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Brian REMAUT op 26 mei 2008 heeft ingediend om bij uiterst dringende noodzakelijkheid de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van “de beslissing tuchtsanctie d.d. 24-05-2008, ten nadele van verzoeker, uitgaande van de directie van de gevangenis te Brugge”; Gelet op de beschikking van 27 mei 2008 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gezien de nota van de verwerende partij; Gelet op de beschikking van 27 mei 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 30 mei 2008, om 11.00 uur; Gehoord het verslag van staatsraad D. MOONS; Gehoord de opmerkingen van advocaat M. LANGEROCK, die verschijnt voor de verzoeker en van attaché P. VAN CAENEGHEM, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur E. HAESBROUCK; IX-5923-1/6 Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, OVERWEEGT WAT VOLGT : De feiten. 1. De verzoeker verblijft in de strafinrichting te Brugge. Op 23 mei 2008 wordt een rapport aan de gevangenisdirecteur opgesteld, waarmee een tuchtprocedure tegen de verzoeker wordt opgestart. Het rapport van de directeur luidt als volgt : “(...) feit(
- en)beschouwd als tuchtrechtelijke inbreuk en concrete omstandig- heden waarin (deze) plaatsvond(
- en)- Op (datum) : 23-05-2008 - Om (uur) : 8h10 - Op (plaats) : 4516 - zijn volgende feiten vastgesteld : Tijdens de celcontrole werd vastgesteld dat gedetineerde Remaut een indruk gaf van onder invloed te zijn. Bij deze celcontrole werd verdachte substantie gevonden in het onderste bed (bij opening lag celgenoot Bruwier in dit bed) - waren getuigen (vermelden van de volledige identiteit van de getuigen) : EPB De Boeck Marleen PB Gallant Freddy Gedaan te Brugge, op 23-05-2008 Naam en hoedanigheid van het personeelslid : EPB (...) Handtekening van het personeelslid : (...)” Op 14 mei 2008 wordt aan de verzoeker een voorlopige maatregel opgelegd om volgende reden : “drugs en pillen gevonden op cel”. Op 24 mei 2008 wordt de verzoeker, in aanwezigheid van zijn raadsman gehoord door de directrice, omtrent de hem ten laste gelegde feiten. Op dezelfde datum wordt de bestreden beslissing genomen die als volgt luidt : “(...) BESLISSING TUCHTSANCTIE Betreft : (naam en voornaam van de gedetineerde) IX-5923-2/6 Remaut Brian Gelet op - artikel 81 van het koninklijk besluit van 21 mei 1965 houdende Algemeen reglement van de strafinrichtingen - artikel 82 van het koninklijk besluit van 21 mei 1965 houdende Algemeen reglement van de strafinrichtingen - artikel 83 van het koninklijk besluit van 21 mei 1965 houdende Algemeen reglement van de strafinrichtingen Gelet op de feiten die als volgt worden omschreven : zie rapport aan directeur d.d. 23/05/2008 Gelet op de argumenten van de gedetineerde en zijn advocaat die het tuchtdossier heeft kunnen raadplegen en hieromtrent op 24/05/2008 werd gehoord : (Betrokkene werd bijgestaan door meester Langerock M.) Betrokkene verklaart dat hij niet weet waarover het gaat, laat staan dat hij weet wat er gevonden werd. Advocaat voegt er aan toe dat hij het zeer bizar vindt dat betrokkene in de veiligheidscel geplaatst werd. Hij zou niet weten om welke substantie het gaat en wijst er op dat dit werd gevonden in het bed van een andere gedetineerde. Advocaat zegt dat betrokkene al een hele tijd zonder rapporten zit, de laatste dateert van november 2007, en dat hij bijna einde straf is. Hij vraagt om betrokkene geen sanctie op te leggen of, mocht men toch van oordeel zijn om een sanctie op te leggen, rekening te willen houden met het feit dat betrokkene gedurende een half jaar geen rapporten meer heeft opgelopen en het feit dat hij einde straf is. Gelet op het feit dat volgende getuigen werden gehoord (vermelden van de volledige identiteit van de getuigen) : geen Gelet op de volgende tuchtrechtelijke antecedenten : zie opsomming disciplinaire straffen De volgende tuchtsanctie wordt ten aanzien van de gedetineerde uitge- sproken : 3 dagen strafcel, voorlopige maatregel inbegrepen (van 23/05/2008 om 08.15 u tot 26/05/2008 om 08.15
- u)14 dagen strikt (van 26/05/2008 tot en met 08/06/2008) 1 maand glasbezoek (09/06/2008 tot en met 08/07/2008) Motivering van de sanctie : Betrokkene was duidelijk onder de indruk (invloed) en hij is niet aan zijn proefstuk toe. Het bezit van drugs brengt de orde en de veiligheid van de inrichting ernstig in het gevaar. Tegen deze tuchtsanctie kunnen volgende rechtsmiddelen worden aange- wend : Een verzoekschrift tot nietigverklaring (in voorkomend geval voorafgegaan door een vordering tot schorsing wegens uiterst dringende noodzakelijkheid) ingediend binnen 60 dagen volgend op de kennisname van de beslissing, bij de afdeling administratie van de Raad van State, Wetenschapsstraat nr. 33, 1040 Brussel; Een verzoekschrift ingediend bij de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg teneinde een aantasting van een subjectief recht te doen ophouden. Een kopie van dit document wordt overhandigd aan de gedetineerde. De betrokkene tekent/weigert te tekenen het origineel dat hem ter kennis- name wordt voorgelegd. Gedaan te Brugge, 24/05/2008 (...).” IX-5923-3/6 Het onderzoek van de vordering 2. Overeenkomstig artikel 17, §§ 1 en 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan slechts tot de schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid worden besloten onder de drievoudige voorwaarde dat een uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is, dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden, en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen. 3. Wat de eerste voorwaarde betreft, stelt de Raad van State vast dat de bestreden beslissing dateert van 24 mei 2008, dat ze dezelfde dag aan de verzoeker ter kennis is gebracht, en dat de opgelegde tuchtsanctie uitwerking heeft met ingang van 23 mei 2008, dag waarop een voorlopige maatregel is opgelegd. De verzoeker heeft met een op 26 mei 2008 ter post aangetekend verzoekschrift de voorliggende vordering ingesteld. Uit deze chronologie kan worden afgeleid dat de verzoeker zich terecht beroept op de uiterst dringende noodzakelijkheid om de voorliggende vordering in te stellen, en dat hij de vordering ook met de vereiste spoed en diligentie heeft ingesteld. De verwerende partij betwist de uiterst dringende noodzakelijkheid trouwens niet. Bijgevolg is voldaan aan de eerste cumulatieve voorwaarde van voornoemd artikel 17, § 1 en 2. 4.1. De verzoeker voert in een enig middel de schending aan van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen. Hij voert in essentie aan dat de bestreden beslissing steunt op feiten, vermeld in het rapport aan de directeur die niet bewezen zijn. De verzoeker stelt in dit verband dat hij verblijft op een duo-cel met een andere gedetineerde en dat er blijkbaar een “verboden substantie” werd gevonden in het bed van deze gedetineerde. Hij voegt daaraan toe : “Bij gebrek aan enig bewijs van een verband tussen een verboden substantie en de verzoeker, bestaat er geen redelijk verband tussen de feiten en de beslissing.” IX-5923-4/6 Wat de vermelding betreft in het rapport aan de directeur dat de verzoeker de indruk gaf onder invloed te zijn, verklaart hij dat hij nog sliep op het tijdstip van de celcontrole en dat hij bijgevolg “nog slaperig” was. De verzoeker vermeldt dat hij dagelijks acht kalmeermiddelen neemt, die hij opsomt in zijn verzoekschrift, zodat het normaal is dat hij de indruk gaf onder invloed te zijn. 4.2. Het staat aan de betrokken overheid, te dezen de directrice van de gevangenis, om de feiten vast te stellen die aan de bestreden beslissing ten grondslag liggen. De Raad van State is enkel bevoegd om na te gaan of die overheid de haar ter zake toegekende appreciatiebevoegdheid naar behoren heeft uitgeoefend, met name of zij naar recht en redelijkheid is kunnen uitgaan van de door haar vastgestelde feitelijke gegevens. Uit de motieven van de bestreden beslissing blijkt dat de directrice ervan uitgaat dat de feiten beschreven in het rapport aan de directeur bewezen zijn. Uit het rapport aan de directeur van 23 mei 2008 blijkt dat er twee penitentiair beambten aanwezig waren als getuigen, die gezien hebben wat er in de duo-cel is gebeurd, waar de verzoeker verbleef. De verzoeker betwist niet dat een verdachte substantie werd gevonden in het onderste stapelbed van een mede-gedetineerde. Hij betwist evenmin dat hij een verwarde en slaperige indruk gaf, maar hij wijt die niet aan de gevonden verdachte substantie, maar aan de grote hoeveelheid kalmeermiddelen die hij dagelijks gebruikt. Ook al lijkt dit laatste aannemelijk, dan doet dit evenwel niets af aan de vondst van de verdachte substantie en aan de omstandigheid dat de directrice er in redelijkheid van kon uitgaan dat de verzoeker met deze substantie te maken had, gelet op de verwarde indruk die hij gaf en op de niet betwiste omstandigheid dat de verzoeker op 8 april 2007 een tuchtsanctie opliep voor “gevonden pillen en drugs”. Bijgevolg is de motivering van de bestreden beslissing dat de “betrokkene duidelijk onder de indruk (onder invloed) was en niet aan zijn proefstuk toe is (en dat) (h)et bezit van drugs de orde en de veiligheid van de inrichting ernstig in gevaar brengt”, op het eerste gezicht, pertinent, deugdelijk en afdoend, zodat het enig middel niet ernstig is en niet is voldaan aan de tweede cumulatieve voorwaarde van voornoemd artikel 17, §§ 1 en 2. IX-5923-5/6 5. Er is bijgevolg niet voldaan aan één van de bij artikel 17, §§ 1 en 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State opgelegde voorwaarden om bij uiterst dringende noodzakelijkheid de schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing te bevelen. OM DIE REDENEN BESLIST DE Wnd. VOORZITTER : Artikel 1. De vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid wordt verworpen. Artikel 2. De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid wordt uitgesteld. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op 30 mei 2008, door : de H. D. MOONS, staatsraad, wnd. kamervoorzitter, Mevr. V. WAUTERS, griffier. De griffier, De voorzitter, V. WAUTERS. D. MOONS. IX-5923-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.183.672 Gerelateerde publicatie(
- s)gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.187.566 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div