← België

Arrest 183673 - Tucht (openbaar ambt) - 02/06/2008

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 02 juni 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.183.673 Rolnummer: A. 71487/IX-2497 Zaak: Arrest 183673 - Tucht (openbaar ambt) - 02/06/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-06-18 Raadplegingen: 56 - laatst gezien 2026-06-29 08:09 Fiches 1 - 2 Arrest nr 183.673 van 2 juni 2008 Openbaar ambt - Tucht (openbaar ambt) Beslissing : heropening debatten Depersonalisatie Aanvullend verslag Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 183.673 van 2 juni 2008 in de zaak A. 71.487/IX-

  1. In zake : XXXX, die woonplaats kiest bij advocaat R. BECKERS, kantoor houdende te TURNHOUT, Kasteelstraat 6 tegen :
  2. de Vlaamse Gemeenschap, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering,
  3. het Algemeen Ziekenhuis Sint-D. te G. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat XXXX op 27 september 1996 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het ministerieel besluit van 29 juli 1996 houdende afwijzing van zijn beroep tegen de goedkeuring door de bestendige deputatie van de provincieraad van Y van de beslissing van het Algemeen Ziekenhuis Sint-D. van 8 februari 1996 waarbij hij bij wijze van tuchtmaatregel van ambtswege wordt ontslagen; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur D. MAREEN; Gelet op de beschikking van 19 september 2000 die de neerleg- ging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memorie van de tweede verwerende partij; Gelet op de beschikking van 28 februari 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 21 april 2008; IX-2497-1/13 Gehoord het verslag van kamervoorzitter P. LEMMENS; Gehoord de opmerkingen van advocaat S. HOOYBERGHS, die loco advocaat R. BECKERS verschijnt voor de verzoeker, en van advocaat G. VAN HIRTUM, die verschijnt voor de tweede verwerende partij; Gehoord het advies van auditeur D. MAREEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, OVERWEEGT WAT VOLGT : Over de gegevens van de zaak 1.
  4. Op het ogenblik van de bestreden beslissing is de verzoeker hoofdverpleegkundige bij de dienst Intensieve Zorgen van het Algemeen Ziekenhuis Sint-D. te G. 1.
  5. Op 23 november 1995 doet zich een incident voor tussen de verzoeker en een verpleegster, C.W. van de dienst Intensieve Zorgen. Deze laatste dient op 24 november 1995 klacht in bij de algemene directeur en de directeur nursing. Het verpleegkundig personeel van de genoemde dienst stuurt op 26 november 1995 een brief naar de algemene directeur, waarin het negatieve opmerkingen maakt over het gedrag van de verzoeker. Op 27 november 1995 worden verklaringen opgenomen van twee verpleegsters die aanwezig waren bij het incident van 23 november
  6. Op 28 november 1995 wordt over de tegen de verzoeker ingediende klacht een kort verslag opgemaakt door de algemene directeur en de directeur nursing. Blijkens dit verslag wordt tegen de verzoeker een tuchtprocedure gestart, op grond van de volgende tenlasteleggingen: IX-2497-2/13 “- verregaande handtastelijkheid t.o.v. ondergeschikte personeelsleden; - onwelvoeglijk verbaal gedrag t.o.v. ondergeschikt personeel; - onaangepast gedrag in het bijzijn van patiënten.” Dezelfde dag besluit de raad van beheer van het Algemeen Ziekenhuis Sint-D. om de verzoeker bij wijze van ordemaatregel met ingang van 29 november 1995 preventief te schorsen. Op 29 november 1995 wordt de verzoeker uitgenodigd tot de vergadering van de raad van beheer van 7 december 1995 teneinde hem te horen “over de opgelegde preventieve schorsing bij hoogdringendheid en over het opleggen van een preventieve schorsing bij wijze van ordemaatregel en het feit dat een tuchtstraf overwogen wordt en een tuchtdossier is aangelegd”. In de daaropvolgende dagen worden de personeelsleden die de brief van 26 november 1995 hebben ondertekend ondervraagd door de algemene directeur en de directeur nursing. Die personeelsleden maken melding van een aantal eerdere incidenten. Op 7 december 1995 wordt de verzoeker gehoord door de raad van beheer. Op 8 december 1995 bevestigt de raad van beheer de preventieve schorsing bij wijze van ordemaatregel. Diezelfde dag maakt de algemene directeur een verslag op, waarin hij besluit tot de volgende tenlasteleggingen: “- bij herhaling handtastelijkheden t.o.v. ondergeschikte personeelsleden; - bij herhaling onwelvoeglijk gedrag t.o.v. ondergeschikt personeel; - ongepast gedrag in het bijzijn van patiënten; - onprofessioneel gedrag.” Voor elk van de tenlasteleggingen verwijst de algemene directeur naar de verklaringen van personeelsleden die de tenlastelegging staven. De algemene directeur besluit: “Gezien de zwaarwichtigheid van de feiten; gelet op het feit dat twee van de vier klachten ten laste gelegd van de heer XXXX van meerdere tot ondergeschikte gebeurden, denken wij dat het aangewezen is de heer XXXX IX-2497-3/13 bij wijze van ordemaatregel te schorsen, vervolgens een tuchtstraf op te leggen in evenredigheid met de zwaarwichtige feiten.” Nog op 8 december 1995 wordt aan de verzoeker kennis gegeven van de genoemde tenlasteleggingen. Hij wordt ook opgeroepen voor een hoorzitting op 27 december
  7. Wegens ziekte van de verzoeker wordt dit verhoor later uitgesteld tot 8 februari
  8. Op de hoorzitting van 8 februari 1996 legt de verzoeker een conclusie neer waarin hij in essentie stelt dat het hem verweten onprofessioneel en ongepast gedrag wordt tegengesproken door een grote groep van professionelen. In dit verband legt de verzoeker een aantal verklaringen neer van aan het ziekenhuis verbonden artsen en hoofdverpleegkundigen, alsmede van het personeel verbonden aan de dienst “Chirurgisch Intensieve”, waarin de verzoeker voorheen tewerkgesteld was. Al die personen omschrijven de houding en het gedrag van de verzoeker op een positieve wijze. Voorts relativeert de verzoeker de hem ten laste gelegde feiten en roept hij verzachtende omstandigheden in. De verzoeker vraagt dan ook om een lichte bestraffing en eventueel een proefperiode tijdens dewelke hij kan bewijzen dat hij zich kan onthouden van onwelvoeglijk gedrag, handtastelijkheden en alcoholgebruik tijdens de dienst. Na het verhoor beraadslaagt de raad van beheer over de tuchtvordering. Hij besluit aan de verzoeker de tuchtstraf “ontslag van ambtswege” op te leggen. De notulen van de vergadering van de raad van beheer van 8 februari 1996 vermelden desbetreffend onder meer hetgeen volgt: “(...) Overwegende dat de feiten welke ten laste werden gelegd de volgende zijn - bij herhaling handtastelijkheden t.o.v. ondergeschikte personeelsleden; - bij herhaling onwelvoeglijk gedrag t.o.v. ondergeschikte personeelsleden; - ongepast gedrag in bijzijn van patiënten; - onprofessioneel gedrag. Gelet op het verhoor dat op 08.02.1996 plaats vond en waarvan ter zitting proces-verbaal werd opgemaakt, voorgelezen en ondertekend. Gelet op de diverse verklaringen van de personeelsleden van de afdeling intensieve D. Gelet op de stukken welke op vraag van de verdediging aan het advies zijn toegevoegd. Overwegende dat betrokkene in zijn verdediging de feiten niet weerlegt. IX-2497-4/13 Dat de toegevoegde stukken geen elementen aanvoeren i.v.m de ten laste gelegde feiten. Dat de Raad van Beheer geen mutatie wenst in overweging te nemen, gezien betrokkene dan uiteraard ook in rechtstreeks contact blijft met vrouwelijk personeel en patiënten. Overwegende dat de Raad van Beheer zijn verantwoordelijkheid naar bescherming van zijn andere personeelsleden dient op te nemen. Op voorstel van de voorzitter over te gaan tot stemming over het feit of een tuchtstraf dient opgelegd te worden. Overwegende dat 8 leden deelnemen aan de geheime stemming. Overwegende dat de geheime stemming volgende uitslag geeft : 7 leden stemmen ja en 1 onthouding voor het opleggen van een tuchtstraf. Gelet op het feit dat voor verdere tuchtmaatregel door de algemeen directeur omstandig uitleg werd verstrekt voor de gevolgen voor betrokkene. Op voorstel van de voorzitter gaat de Raad van Beheer over tot de stemming i.v.m. de aard van de tuchtmaatregel, beginnende met de waarschuwing en in stijgende volgorde dienen de leden voldoende of onvoldoende aan te duiden. Gelet op de volgende geheime stemmingen i.v.m. de op te leggen tuchtmaatregel: voor: - de waarschuwing : 7 onvoldoende, 1 onthouding - de berisping : 7 onvoldoende, 1 onthouding - de inhouding van wedde : 7 onvoldoende, 1 onthouding - de schorsing : 7 onvoldoende, 1 onthouding - de terugzetting in graad : 7 onvoldoende, 1 onthouding - het ontslag van ambtswege: 6 voldoende, 1 onvoldoende, 1 onthouding (...).” 1.
  9. Met toepassing van artikel 53, § 1, van de organieke wet van 8 juli 1976 op de openbare centra voor maatschappelijk welzijn verleent het College van burgemeester en schepenen van de stad G. op 19 februari 1996 een gunstig advies over de beslissing van de raad van beheer. 1.
  10. Het dossier is ondertussen voor goedkeuring overgemaakt aan de Bestendige Deputatie van de provincieraad van Y. Op 29 februari 1996 tekent de verzoeker ook beroep aan bij de bestendige deputatie. Bij een gemotiveerd besluit van 18 april 1996 keurt de bestendige deputatie de beslissing van de raad van beheer van het ziekenhuis van 8 februari 1996 goed. IX-2497-5/13 1.
  11. Op 14 mei 1996 stelt de verzoeker beroep in bij de Vlaamse regering. Hij voert onder meer aan dat er weliswaar redenen worden aangehaald om een tuchtstraf op te leggen, maar dat er geen redenen worden aangevoerd om de zwaarste tuchtstraf te verantwoorden. Subsidiair stelt de verzoeker dat de schaars gehanteerde motieven niet weerhouden kunnen worden: een deel van de feiten werd weerlegd, en het is voorts niet omdat de verzoeker, in geval van mutatie, in contact zou blijven met vrouwelijk personeel en patiënten, dat dit een probleem zou moeten geven. Op de andere dienst, waar ook vrouwelijke personeelsleden tewerkgesteld zijn, was er immers geen enkel probleem en was iedereen uiterst tevreden over verzoekers manier van werken en omgang met de anderen. De feitelijkheden in verband met het onprofessioneel gedrag zijn, aldus de verzoeker, gebaseerd op een persoonlijke appreciatie van de klagers en worden tegengesproken door een grote groep van professionelen. Op 15 juli 1996 dient de verzoeker nog een conclusie in, waarin hij de argumentatie uiteengezet in zijn beroepsschrift nader uitwerkt en aanvult. Bij ministerieel besluit van 29 juli 1996 wijst de Vlaamse minister van Cultuur, Gezin en Welzijn het beroep af. Dit besluit bevat onder meer de volgende motieven: “Overwegende dat het beroepsschrift aanhaalt dat de beslissing tot het opleggen van de tuchtstraf onvoldoende gemotiveerd is, dat deze beslissing van de raad van beheer echter uitgebreid verwijst naar de getuigenverklaringen, dat een beslissing tot het opleggen van een tuchtstraf mag verwijzen naar stukken die aan de betrokkene bekend waren of zijn op het moment van het opleggen van de straf, dat de getuigenverklaringen waren opgenomen in het tuchtdossier waarvan betrokkene inzage kon hebben; (...) Overwegende dat het beroepsschrift verklaringen aanhaalt van personeelsleden die lovend spreken over het functioneren van betrokkene, dat deze verklaringen echter de ten laste gelegde feiten op geen enkele manier weerleggen.” Over het voorwerp van het beroep
  12. Volgens het verzoekschrift is het beroep gericht tegen het ministerieel besluit van 29 juli
  13. Uit de middelen blijkt evenwel dat het beroep in werkelijkheid niet enkel tegen dat besluit is gericht, maar ook tegen de beslissing van de raad van beheer van het ziekenhuis van 8 februari
  14. IX-2497-6/13 Over de gegrondheid van het beroep
  15. De verzoeker roept vier middelen in, waarvan het eerste, het derde en het vierde bestaan uit verscheidene onderdelen. In het auditoraatsverslag worden het eerste middel, eerste onderdeel, en het vierde middel, tweede onderdeel, onderzocht. In het voorliggende arrest wordt dan ook alleen op de genoemde onderdelen ingegaan. Over het eerste middel, eerste onderdeel 4.
  16. In het eerste onderdeel van het eerste middel voert de verzoeker de schending aan van artikel 128, § 1, van de organieke wet van 8 juli 1976 op de openbare centra voor maatschappelijk welzijn (hierna: O.C.M.W.-wet). Volgens de verzoeker is het Algemeen Ziekenhuis Sint-D. een vereniging in de zin van de artikelen 118 tot 151 van de O.C.M.W.-wet. Volgens artikel 128, § 1, van de O.C.M.W.-wet heeft het personeel hetzelfde administratiefrechtelijk statuut en is het onderworpen aan dezelfde bepalingen van de O.C.M.W.-wet als het personeel van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn. Tuchtstraffen dienen opgelegd te worden door het in de statuten aangewezen orgaan, met respect voor de vormvereisten vervat in de O.C.M.W.-wet. De verzoeker voert aan dat in de statuten geen specifiek orgaan als tuchtorgaan wordt aangewezen en dat het derhalve de O.C.M.W.-raad is, en niet de raad van beheer van het ziekenhuis, die had dienen op te treden. 4.
  17. De eerste verwerende partij antwoordt dat de bevoegdheid van de raad van beheer wordt vastgesteld in artikel 17 van de statuten van de ziekenhuisvereniging, dat bepaalt dat de raad van beheer beschikt over alle bevoegdheden inzake beheer van de vereniging, behoudens die bevoegdheden die door de wet of de statuten aan de algemene vergadering zijn voorbehouden. De verwerende partij wijst erop dat de voormalige O.C.M.W.-personeelsleden aan de ziekenhuisvereniging zijn overgedragen en dat noch in de statuten, noch in de organieke wet de tuchtbevoegdheid in verenigingen voorbehouden is aan de algemene vergadering van de vereniging. De verwerende partij besluit dat de raad van beheer het bevoegde orgaan is. IX-2497-7/13 De tweede verwerende partij verwijst in haar memorie van antwoord ook naar artikel 17 van de statuten en stelt dat noch in de statuten, noch in de O.C.M.W.-wet, de tuchtbevoegdheid in verenigingen is voorbehouden aan de algemene vergadering van de vereniging. Zij wijst er ook op dat de verzoeker zonder enig voorbehoud verschenen is voor de raad van beheer en ook voor de bestendige deputatie geen argumenten heeft ontwikkeld inzake de bevoegdheid van het tuchtorgaan. 4.
  18. De verzoeker repliceert dat artikel 9 van de statuten van het Algemeen Ziekenhuis Sint-D. bepaalt dat “het personeel van de twee ziekenhuizen overgedragen wordt aan en overgenomen wordt door de vereniging met hun eigen statuut. Voor het personeel overgedragen door het Sint-Elisabethziekenhuis is artikel 128 van de organieke wet van 8 juli 1976 op de OCMW's van toepassing”. De verzoeker meent volledig onderworpen te zijn aan de O.C.M.W.-wet, die bepaalt dat inzake tuchtprocedure de regels van de nieuwe gemeentewet van toepassing zijn. Artikel 287 van die wet bepaalt dat het bevoegde orgaan de gemeenteraad is. Dit artikel wordt evenwel gewijzigd door artikel 52 van de O.C.M.W.-wet, dat bepaalt dat de benaming gemeenteraad vervangen wordt O.C.M.W.-raad. 4.
  19. Artikel 128, § 1, van de O.C.M.W.-wet stelt het juridisch statuut vast van de personeelsleden van een vereniging met eigen rechtspersoonlijkheid, als bedoeld in hoofdstuk XII van de O.C.M.W.-wet. Voor hen geldt “hetzelfde administratief statuut” en zij zijn onderworpen aan “dezelfde bepalingen van (de O.C.M.W.)-wet als die welke van toepassing zijn op de personeelsleden van het centrum dat de gemeente bedient waar de zetel van de vereniging gevestigd is”. Dat de verzoeker onderworpen is aan dezelfde wettelijke bepalingen als het O.C.M.W.- personeel van de stad G., zijnde het centrum van de zetel van de vereniging, betekent, in het licht van artikel 51 van de wet, onder meer dat hij de in dat artikel genoemde tuchtstraffen kan oplopen, met eerbiediging van de in de wet omschreven waarborgen. Dit betekent echter niet dat de tuchtstraf moet worden uitgesproken door de raad voor maatschappelijk welzijn. Te dezen bepaalt artikel 17 van de statuten van het Algemeen Ziekenhuis Sint-D. dat de raad van beheer “autonoom (beschikt) over alle bevoegdheden inzake beheer van de vereniging, onverminderd degene die door de wet of de statuten aan de algemene vergadering zijn voorbehouden”. Het opleggen van tuchtstraffen aan het personeel van de vereniging blijkt niet te behoren tot de aangelegenheden die bij artikel 11 van de statuten aan de algemene vergadering zijn IX-2497-8/13 voorbehouden. Binnen de vereniging bezit de raad van bestuur derhalve de bevoegdheid om tuchtstraffen op te leggen. Het onderdeel faalt naar recht. Over het vierde middel, tweede onderdeel 5.
  20. In het tweede onderdeel van het vierde middel voert de verzoeker aan dat de bestreden beslissing nietig is omdat zij niet met redenen is omkleed. Hij stelt dat er weliswaar enkele redenen worden aangehaald om hem een tuchtstraf op te leggen, maar dat geen redenen worden aangevoerd om de zwaarste tuchtstraf te verantwoorden of te motiveren. 5.
  21. De eerste verwerende partij antwoordt dat de motivering van de bestreden beslissing verwijst naar de getuigenverklaringen, en naar de bevestiging van die verklaringen door de verzoeker tijdens het verhoor en door andere elementen die in het tuchtdossier zijn opgenomen. Zij stelt dat een verwijzing naar stukken als motivering volstaat indien die stukken opgenomen zijn in het tuchtdossier en de betrokkene hiervan voldoende kennis kon nemen vóór de hoorzitting, wat te dezen het geval was. Voorts wijst zij er op dat de raad van beheer in zijn overwegingen verduidelijkt dat hij met zijn beslissing de verantwoordelijkheid voor de bescherming van de andere personeelsleden in overweging moet nemen en dat verder rechtstreeks contact met vrouwelijk personeel en patiënten gezien de feiten niet in overweging kan worden genomen, waarbij de mogelijkheid van een mutatie wordt ontkend. De tweede verwerende partij verwijst op haar beurt naar de aan de verzoeker ten laste gelegde feiten en stelt dat in de beslissing van de raad van beheer uitvoerig verwezen wordt naar de getuigenverklaringen waarin die feiten beschreven worden, alsook naar de bevestiging door de verklaringen van de verzoeker en naar andere elementen van het tuchtdossier die door de verzoeker gekend waren. Tevens verwijst zij naar de overweging van de raad van beheer dat een mutatie niet in overweging genomen kan worden in het kader van de bescherming van andere personeelsleden. Zij meent dat de aangehaalde redenen ruimschoots volstaan om de beslissing te dragen. IX-2497-9/13 5.
  22. In zijn memorie van wederantwoord herhaalt de verzoeker dat er geen redenen worden aangevoerd om de zwaarste tuchtstraf te verantwoorden. Hij wijst erop dat een overplaatsing naar een andere dienst wel degelijk mogelijk was aangezien uit de geschreven attesten van het voltallige personeel van de dienst “Chirurgische Intensieve” onomstootbaar blijkt dat er op die dienst geen problemen waren. 5.
  23. In haar laatste memorie stelt de tweede verwerende partij dat de bestreden beslissing wel degelijk afdoende gemotiveerd is. Zij verwijst nogmaals naar de zwaarwichtige feiten die aanleiding hebben gegeven tot de tuchtstraf en stelt dat het zwaarwichtig en repetitief karakter van die feiten de tuchtstraf van ontslag van ambtswege verantwoordt. Zij herhaalt dat een verwijzing als motivering volstaat indien de stukken waarnaar wordt verwezen opgenomen zijn in het tuchtdossier en de betrokkene hiervan tijdig kennis kon nemen, wat hier het geval was. Voorts stelt zij dat de bescherming van het vrouwelijk personeel niet het enige, doch een bijkomend motief is, en zij wijst hierbij op de noodzaak van een definitieve verwijdering van de verzoeker uit het ziekenhuis. Zij vestigt er nogmaals de aandacht op dat de raad van beheer het niet wenselijk geacht heeft om de verzoeker een mutatie naar een andere dienst toe te staan aangezien deze daar ook in contact zou staan met vrouwelijk personeel en patiënten. Deze overweging houdt, aldus de tweede verwerende partij, eveneens een motivering in van het feit dat niet werd gekozen voor een andere tuchtsanctie. Voorts nuanceert de tweede verwerende partij de verklaringen ten gunste van de verzoeker en merkt zij op dat deze niets afdoen aan de ernst van de feiten en de manifeste tekortkoming aan diens beroepsplichten en geenszins opwegen tegen de getuigenverklaringen ten laste van de verzoeker. Ten slotte wijst de tweede verwerende partij erop dat aan de verzoeker niet de zwaarste sanctie werd toegekend, welke immers de afzetting zou zijn. Na een grondige beraadslaging, waarbij over bijna de ganse reeks van tuchtmaatregelen werd gestemd, werd integendeel beslist om de verzoeker het ontslag van ambtswege op te leggen, rekening houdend met de ernst van de feiten enerzijds en de bescherming van personeel en patiënten anderzijds. De verwerende partij besluit dat ieder redelijk denkend mens, die rekening houdt met de omstandigheden en de nodige reserves aan de dag legt tegenover de verklaringen ten gunste van de verzoeker, het ontslag van ambtswege als een passende maatregel zou ervaren. IX-2497-10/13 5.
  24. De verzoeker betwist niet dat uit de beslissing van de raad van beheer van het ziekenhuis blijkt welke feiten het bestuur in aanmerking heeft genomen. Hij betwist ook niet dat uit die beslissing blijkt waarom die feiten geacht worden een inbreuk op de tucht te vormen. Hij voert enkel aan dat geen redenen worden aangehaald waarom aan de verzoeker de tuchtsanctie “ontslag van ambtswege” wordt opgelegd. Ook al voert de verzoeker aan dat de bestreden beslissing niet met redenen is omkleed, toch voert hij de schending aan, niet zozeer van de formele motiveringsplicht opgelegd bij de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, als wel van de materiële motiveringsplicht, in die zin dat hij betwist dat er redenen voorhanden zijn die het opleggen van de zwaarste tuchtstraf zouden kunnen verantwoorden. Uit het dossier blijkt dat aan de verzoeker een aantal feiten ten laste worden gelegd die onder meer te maken hebben met handtastelijkheden en onwelvoeglijk gedrag ten opzichte van ondergeschikte personeelsleden en met ongepast gedrag in het bijzijn van patiënten. In de beslissing van de raad van beheer wordt voorts overwogen, enerzijds, “dat de Raad van Beheer geen mutatie wenst in overweging te nemen, gezien betrokkene dan uiteraard ook in rechtstreeks contact blijft met vrouwelijk personeel en patiënten”, en anderzijds, “dat de Raad van Beheer zijn verantwoordelijkheid naar bescherming van zijn andere personeelsleden dient op te nemen” Aldus blijkt dat de raad van beheer, ter wille van de bescherming van de vrouwelijke personeelsleden en de patiënten, geen sanctie in aanmerking heeft willen nemen die tot gevolg zou hebben dat de verzoeker nog in contact zou blijven met die personen. Mede in het licht van de aard en de ernst van de ten laste gelegde feiten, die door de raad van beheer als bewezen worden beschouwd, blijkt de beslissing tot het opleggen van het ontslag van ambtswege, en niet van een mildere straf, aldus te steunen op rechtens aanvaardbare motieven die een voldoende steun vinden in het administratief dossier. Een bijkomende verantwoording voor het opleggen van het ontslag van ambtswege blijkt bovendien uit het bestreden ministerieel besluit. Daarin wordt uitdrukkelijk overwogen dat die tuchtstraf niet kennelijk onevenredig is met de ten laste gelegde feiten, “gezien de ernst van de feiten, het kennelijk repetitieve karakter ervan en de weerslag op het aanzien van de dienst bij het publiek”. Het gaat hier om een appreciatie van de feiten, die in voldoende mate steun vindt in het administratief dossier. IX-2497-11/13 Het onderdeel mist feitelijke grondslag.
  25. Zoals hiervóór reeds is opgemerkt, is het auditoraatsverslag beperkt tot een onderzoek van twee onderdelen van de door de verzoeker ingeroepen middelen. Er is grond om een aanvullend onderzoek te bevelen. Over het verzoek tot het bewaren van de anonimiteit
  26. Met een schrijven van 23 april 2008 vraagt de verzoeker om zijn anonimiteit te garanderen. Luidens artikel 2, eerste lid, van het koninklijk besluit van 7 juli 1997 betreffende de publicatie van de arresten van de Raad van State, kan iedere partij bij een geschil dat bij de Raad van State aanhangig wordt gemaakt op elk moment van de rechtspleging en tot wanneer het arrest wordt uitgesproken, eisen dat bij de publicatie daarvan de identiteit van de natuurlijke personen die zij aanwijst niet zou worden opgenomen. Te dezen verzet niets zich tegen het inwilligen van verzoekers vraag. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
  27. De debatten worden heropend. Artikel
  28. Het door de auditeur-generaal aangewezen lid van het auditoraat wordt belast met een aanvullend onderzoek. Artikel
  29. Bij de publicatie van dit arrest wordt de identiteit van de verzoeker niet opgenomen. IX-2497-12/13 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op 2 juni 2008, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : de HH. P. LEMMENS, kamervoorzitter, A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, D. MOONS, staatsraad, Mevr. V. WAUTERS, griffier. De griffier, De voorzitter, V. WAUTERS. P. LEMMENS. IX-2497-13/13 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.183.673 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2011:ARR.212.264 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.