← België

Arrest 183678 - Tucht (openbaar ambt) - 02/06/2008

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 02 juni 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.183.678 Rolnummer: A. 135503/IX-3775 Zaak: Arrest 183678 - Tucht (openbaar ambt) - 02/06/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-06-13 Raadplegingen: 64 - laatst gezien 2026-06-29 08:09 Fiche Arrest nr 183.678 van 2 juni 2008 Openbaar ambt - Tucht (openbaar ambt) Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 183.678 van 2 juni 2008 in de zaak A. 135.503/IX-

  1. In zake : Gunther VANDEN EYNDE, die woonplaats kiest bij advocaat P. CRISPYN, kantoor houdende te GENT (Mariakerke), Mazestraat 16 tegen : de Politiezone Leuven, die woonplaats kiest bij advocaat B. BEELEN, kantoor houdende te LEUVEN, Justus Lipsiusstraat
  2. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Gunther VANDEN EYNDE op 15 april 2003 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van de beslissing van 13 februari 2003 van de korpschef van de lokale politiezone Leuven waarbij hem de tuchtstraf van de blaam wordt opgelegd; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur H. COLIN; Gelet op de beschikking van 18 september 2006 die de neerleg- ging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de regelmatig gewisselde laatste memories; Gelet op de beschikking van 24 april 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 26 mei 2008; IX-3775-1/7 Gehoord het verslag van staatsraad A. VANDENDRIESSCHE; Gehoord de opmerkingen van advocaat P. CRISPYN, die verschijnt voor verzoeker, en van advocaat A. VASTERSAVENDTS die, loco advocaat B. BEELEN verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur H. COLIN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, OVERWEEGT WAT VOLGT : De feiten 1.
  3. Verzoeker is inspecteur van politie in de politiezone LEUVEN. 1.
  4. Op 26 september 2002 richt de hoofcommissaris, ITER- coördinator van de politiezone Leuven, een informatieverslag “nopens gebrek aan initiatief, inzet en respect vanwege INP VANDEN EYNDE Gunther tijdens de ordedienst op 25/09/2002” aan de korpschef van de politiezone LEUVEN. De korpschef is de gewone tuchtoverheid van verzoeker. 1.
  5. Naar aanleiding van dat verslag, stelt de korpschef op 6 december 2002 een inleidend verslag op lastens verzoeker, waarin hij zijn voornemen kenbaar maakt hem de lichte tuchtstraf van de blaam op te leggen. Verzoeker ondertekent dat inleidend verslag voor kennisneming en ontvangst op 24 december
  6. 1.
  7. Op 23 januari 2003 legt de verdediging van verzoeker een verweerschrift neer. Naar aanleiding van dat verweerschrift, deelt de korpschef met een brief van 3 februari 2003 aan verzoeker mee wat volgt : “Ik heb kennis genomen van uw verweer, d.d. 23.01.2003, tegen het tuchtverslag dat ter uwer laste werd opgesteld. Ingevolge uw commentaren zal er een bijkomend onderzoek worden uitgevoerd en zal de termijn tot definitieve beslissing met vijftien dagen worden verlengd.” IX-3775-2/7 1.
  8. Het bijkomend onderzoek blijkt erin te bestaan dat de opsteller van het administratief verslag waarop het inleidend tuchtverslag steunde, in de gelegenheid wordt gesteld zijn verslag nader toe te lichten in functie van het verweer van verzoeker. Het verslag van het bijkomend onderzoek wordt op 12 februari 2003 afgeleverd. 1.
  9. Op 13 februari 2003 beslist de gewone tuchtoverheid aan verzoeker de lichte tuchtstraf van de blaam op te leggen. In die beslissing, die verzoeker voor kennisneming en ontvangst ondertekent op 18 februari 2003 en die het voorwerp uitmaakt van het onderhavig beroep tot nietigverklaring, wordt onder meer verwezen naar “het verder onderzoek en de toelichting bij uw verweerschrift van 23 januari 2003 door HCP Wim Geens, ITER-coördinator waarvan kopie als bijlage”. De grond van de zaak
  10. In het tweede middel voert verzoeker de schending aan van artikel 37, tweede lid, van de wet van 13 mei 1999 houdende het tuchtstatuut van de personeelsleden van de politiediensten (hierna: de tuchtwet). Hij stelt dat de tuchtoverheid krachtens artikel 37, eerste lid, van de tuchtwet, binnen de vijftien dagen na het einde van de in artikel 35 bedoelde termijn van dertig dagen -de termijn waarbinnen de betrokken ambtenaar zich kan verdedigen tegen het inleidend verslag- een beslissing moet nemen en dat in dit geval deze termijn van verweer liep tot 23 januari 2003 zodat de tuchtoverheid uiterlijk op 7 februari 2003 een beslissing diende te nemen. Hij heeft slechts op 18 februari 2003 kennis gekregen van de bestreden blaam, maar op dat ogenblik werd de verwerende partij reeds geacht af te zien van de vervolging.
  11. De verwerende partij antwoordt dat zij met een brief van 3 februari 2003 aan verzoeker medegedeeld heeft dat de termijn om te beslissen met vijftien dagen verlengd zou worden wegens het bijkomend onderzoek dat het door verzoeker ingediende verweer noodzaakte. Daarmee rekening houdend, is tijdig aan verzoeker kennis gegeven van de opgelegde tuchtstraf. IX-3775-3/7
  12. Verzoeker repliceert dat de termijn van vijftien dagen om te beslissen een vervaltermijn is en dat de wet het bestuur niet toelaat die termijn te verlengen teneinde een bijkomend onderzoek uit te voeren.
  13. In haar laatste memorie stelt de verwerende partij dat de ontstentenis van een wettelijke bepaling waarin de mogelijkheid is voorzien om de beslissingstermijn te verlengen, niet belet dat de termijn verlengd zou kunnen worden. Er moet integendeel vastgesteld worden dat de wet dergelijke verlenging niet uitdrukkelijk verbiedt.
  14. Artikel 35 van de tuchtwet bepaalt wat volgt: “Het betrokken personeelslid of zijn verdediger dient zijn verweer in binnen de dertig dagen te rekenen vanaf de dag die volgt op die van de ontvangst van het inleidend verslag. Eens die termijn verstreken is, wordt het personeelslid geacht geen schriftelijk verweer te willen voeren.” Artikel 36 van de tuchtwet bepaalt wat volgt: “De gewone tuchtoverheid hoort steeds, op eigen initiatief of op verzoek van het betrokken personeelslid of van zijn verdediger, de nuttige getuigenverkla- ringen die ze nodig acht, gelet op hun band met het dossier. De getuigenverklaringen ingewonnen na raadpleging van het tuchtdossier door het betrokken personeelslid, worden aan hem overgezonden. Hij beschikt over een termijn bepaald door de tuchtoverheid en die niet korter mag zijn dan vijf werkdagen, te rekenen vanaf de ontvangst van die verklaringen, om, in voorkomend geval, een aanvullend verweerschrift in te dienen.” Artikel 37 van de tuchtwet bepaalt wat volgt: “Op grond van het volledige dossier en het verweer, deelt de gewone tuchtoverheid, bij afgifte tegen ontvangstbewijs of bij een ter post aangetekende brief, aan het betrokken personeelslid de uitspraak mee. De uitspraak kan ofwel zijn dat zij beslist heeft geen tuchtstraf op te leggen, ofwel dat zij beslist heeft de zaak aanhangig te maken bij de hogere tuchtoverheid, ofwel dat zij beslist heeft één van de lichte tuchtstraffen op te leggen. De uitspraak wordt uiterlijk vijftien dagen na het einde van de in artikel 35 bedoelde termijn van dertig dagen, meegedeeld aan het betrokken personeelslid. Indien geen uitspraak wordt gedaan binnen de in het eerste lid bedoelde termijn van vijftien dagen, in voorkomend geval, verlengd met de noodzakelij- ke termijn om artikel 36 toe te passen, dan wordt de gewone tuchtoverheid geacht af te zien van vervolging voor de feiten die de betrokkene ten laste worden gelegd. [...]” IX-3775-4/7
  15. Krachtens artikel 37 van de tuchtwet moet het bestuur binnen de vijftien dagen na het verstrijken van de termijn van verweer tegen het inleidend verzoekschrift, de betrokkene in kennis stellen van het besluit dat zij genomen heeft en waarbij een tuchtstraf wordt opgelegd. Heeft deze kennisgeving niet plaats, dan wordt de tuchtoverheid geacht af te zien van verdere tuchtrechtelijke vervolging. De termijn van vijftien dagen is aldus door de wetgever ingesteld als een vervaltermijn.
  16. De wet voorziet niet uitdrukkelijk in de mogelijkheid voor de gewone tuchtoverheid om van die vervaltermijn af te wijken.
  17. Het inleidend verzoekschrift is ter kennis van verzoeker gebracht op 24 december
  18. Zijn termijn van verweer verstreek derhalve op 23 januari 2003 zodat het tuchtstrafbesluit uiterlijk op 7 februari 2003 ter kennis van verzoeker moest zijn. Die kennisgeving is evenwel slechts gebeurd op 18 februari 2003, maar op dat ogenblik had de verwerende partij geen tuchtbevoegdheid meer, aangezien zij sinds 8 februari 2003 geacht werd af te zien van de vervolging.
  19. Artikel 37, tweede lid, van de tuchtwet bevat wel een mogelijk- heid om de beslissings- en de kennisgevingstermijn van vijftien dagen te verlengen, met name wanneer het bestuur getuigenverklaringen inwint. In dat geval wordt de beslissings- en kennisgevingstermijn verlengd met de termijn die noodzakelijk is om artikel 36 toe te passen, dit wil zeggen de periode die nodig is om deze getuigenver- klaringen in te winnen, om ze aan de betrokkene ter kennis te brengen met de uitnodiging om binnen een bepaalde termijn -die minstens vijf werkdagen moet belopen- een aanvullend verweerschrift in te dienen.
  20. De tekst van artikel 36 is formeel beperkt tot het opnemen van getuigenverklaringen. Uit de parlementaire voorbereiding van de wet kan niet opgemaakt worden dat de wetgever met artikel 36 ook andere onderzoeksverrich- tingen zou beoogd hebben. De verwerende partij voert overigens niet aan dat het bijkomend onderzoek, dat zij heeft laten uitvoeren, gezien kan worden als een getuigenverhoor in de zin van artikel 36 van de tuchtwet. Integendeel, in haar antwoord op het derde middel van verzoeker stelt zij uitdrukkelijk dat zij de vormvoorschriften van artikel 36 van de tuchtwet niet moest naleven omdat het bijkomend onderzoek geen getuigenverklaring betrof. IX-3775-5/7 Er kan in dit geval dan ook geen rekening gehouden worden met de verlenging van de beslissings- en de kennnisgevingstermijn bedoeld in artikel 37, tweede lid, van de tuchtwet.
  21. De tuchtwet voorziet niet in de mogelijkheid om de termijn om een tuchtstrafbeslissing te nemen en ze ter kennis van de tuchtrechtelijk vervolgde ambtenaar te brengen, te verlengen. Overeenkomstig artikel 37 van de tuchtwet moest verzoeker uiterlijk op 7 februari 2003 in kennis gesteld zijn van een tuchtstrafbeslissing en wordt de tuchtoverheid nadien geacht af te zien van verdere vervolging. De verwerende partij heeft zich niet aan die wettelijke verplichting gehouden. Het middel is gegrond. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
  22. Vernietigd wordt de beslissing van 13 februari 2003 van de korpschef van de lokale politiezone Leuven waarbij Gunther VANDEN EYNDE de tuchtstraf van de blaam wordt opgelegd. Artikel
  23. De kosten van het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verwerende partij. IX-3775-6/7 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op 2 juni 2008, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : de HH. P. LEMMENS, kamervoorzitter, A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, D. MOONS, staatsraad, W. GEURTS, griffier. De griffier, De voorzitter, W. GEURTS. P. LEMMENS. IX-3775-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.183.678 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.