id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 03 juni 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.183.750 Rolnummer: A. 188308/XII-5451 Zaak: Arrest 183750 - Handelsvestigingen - 03/06/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-06-09 Raadplegingen: 56 - laatst gezien 2026-06-29 08:09 Fiche Arrest nr 183.750 van 3 juni 2008 Economische zaken - Handelsvestigingen Beslissing : Bevolen Verwerping overige Verwerping dwangsom Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 183.750 van 3 juni 2008 in de zaak A. 188.308/XII-
- In zake :
- de BVBA HEREIJGERS,
- Mario DE VILLA, die woonplaats kiezen bij advocaat W. Loopmans, kantoor houdende te Antwerpen, Italiëlei 207B tegen :
- de BURGEMEESTER VAN DE STAD ANTWERPEN,
- de STAD ANTWERPEN, die woonplaats kiezen bij advocaat Chr. Coen, kantoor houdende te Antwerpen, Mechelsesteenweg 210 A. --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat de BVBA Hereijgers en Mario De Villa op 26 mei 2008 hebben ingediend om bij uiterst dringende noodzakelijkheid noodzakelijkheid, en onder verbeurte van een dwangsom van “3.000,00 i per dag overtreding”, de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van de beslissing van 16 mei 2008 van de burgemeester van de stad Antwerpen waarbij het verbod wordt opgelegd om in de instelling gekend of genoemd Zevende Hemel, gelegen te Antwerpen, Oudemansstraat 9, enige vorm van uitbating of activiteit uit te oefenen alle dagen van 0 tot 10 uur, van 23 mei 2008 tot en met 22 augustus 2008”; Gezien de nota van de verwerende partijen; Gelet op de beschikking van 26 mei 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 29 mei 2008, om 10.30 uur; Gehoord het verslag van staatsraad J. Lust; XII-5451-1/12 Gehoord de opmerkingen van advocaat W. Loopmans, die verschijnt voor de verzoekende partijen, en van advocaat J. Deridder, die loco advocaat verschijnt voor de verwerende partijen; Gehoord het eensluidend advies van auditeur P. De Somere; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, OVERWEEGT WAT VOLGT : I. De bestreden beslissing
- Eerste verzoekster is uitbater van het café Zevende Hemel, Oudemansstraat 9 te Antwerpen. Tweede verzoeker is de zaakvoerder van eerste verzoekster. Op 16 mei 2008 verbiedt de burgemeester van de stad Antwerpen in de drankgelegenheid enige vorm van uitbating of activiteit uit te oefenen alle dagen van 0 tot 10 uur, van 23 mei 2008 tot en met 22 augustus
- De beslissing wordt op 23 mei 2008 bevestigd door het college van burgemeester en schepenen. In punt II. van de beslissing (“Procedure”) wordt vermeld dat de burgemeester optreedt “in het kader van artikel 67 van het gemeentedecreet en artikel 134quater van de nieuwe gemeentewet”. Blijkens punt III., 1., van de beslissing (“Concrete gegevens/bewijs verstoring van de openbare orde rond de instelling Zevende Hemel”), “zorgt [de instelling] op regelmatige tijdstippen voor overlast ondanks het feit dat de bvba Hereijgers op zeer regelmatige tijdstippen in kennis werd gesteld van het feit dat de instelling overlast veroorzaakt”, en zijn de “voornaamste bronnen van overlast”: “verschillende vormen van geluidoverlast in en rond de instelling, diefstallen, geschillen gaande van discussies tot vechtpartijen in de instelling tussen klanten onderling en met werknemers van de bvba Hereijgers die hoorbaar zijn of verder worden gezet op de openbare weg”. Ter rechtvaardiging van de duur van de opgelegde sluiting wordt, onder punt III., 3., van de beslissing (“Verantwoording van de maatregel”) onder meer overwogen : XII-5451-2/12 “Artikel 67 van het gemeentedecreet en art. 134quater van de nieuwe gemeentewet voorzien dat een sluiting voor maximum drie maanden kan worden opgelegd. Het komt de burgemeester toe uit te maken welke maatregel de meest geëigende is om in dit geval de openbare orde te herstellen en te voorkomen dat ze in de toekomst nog kan worden verstoord. Om dit doel te bereiken is het noodzakelijk om een sluitingsuur voor een bepaalde termijn op te leggen om effectief de ordeverstoring te doen ophouden. De maatregelen die de bvba Hereijgers tot nog toe nam blijken ontoereikend te zijn. Het sluitingsuur rond 6 uur dat zij zich zelf oplegt, belette niet dat recent nog feiten werden vastgesteld rond 4 uur en 5 uur en op vroegere tijdstippen. De aangehaalde feiten deden zich ook voor verspreid over de nachtelijke uren tot laat in de ochtend, zelfs rond 10 uur ’s morgens. De bvba Hereijgers meldt niet wanneer haar instelling terug opengaat, nu zij in principe 24 uur op 24 open is. De kleine aanpassingswerkzaamheden kunnen de geluidoverlast in de instelling wellicht verminderen, doch niet de diefstallen, vechtpartijen en andere vastgestelde vormen van ordeverstoring. De geplaatste camera’s en de intentie om met de politie samen te werken is verdienstelijk maar bestrijdt slechts in beperkte mate de oorzaak van de problemen. Daarenboven overtreft de dagelijkse inzet van de politie in het Schipperskwartier en omgeving, met inbegrip van de Oudemansstraat, nu reeds de inzet voor andere buurten en doeleinden. De bvba Hereijgers werd reeds verschillende keren mondeling en schriftelijk verwittigd. De ordeverstoring heeft een ernstig karakter. In casu werd er herhaalde verstoring van de openbare orde vastgesteld gedurende een periode van een zestal maanden : 51 oproepen onder meer voor gerechtelijke feiten, een petitie met klachten van een vijftigtal buurtbewoners en vaststellingen van de politie. Bij de politie is de instelling gekend voor gauwdiefstallen en veelvuldige woordenwisselingen, die vaak uitmonden in vechtpartijen. Een sluitingsuur gedurende een termijn van drie maanden is derhalve gerechtvaardigd. De ordeverstorende feiten doen zich voornamelijk voor tijdens het weekend maar ook tijdens de gewone werkdagen. De meeste feiten doen zich voor na middernacht tot ’s morgens in de voormiddag. Het is derhalve aangewezen om de instelling een sluitingsuur op te leggen van middernacht tot 10 uur ’s morgens aangezien het voornamelijk tussen die tijdstippen is dat de openbare ordeverstoring in en rond de instelling is vastgesteld. Het café is zeven dagen op zeven en 24 uur op 24 open. Het opleggen van een sluitingsuur laat de uitbating tijdens de andere uren derhalve onverlet”. II. De ontvankelijkheid
- Volgens de nota van verwerende partijen is de vordering onontvankelijk zowel in hoofde van de eerste als in hoofde van de tweede verzoekende partij. Ter terechtzitting doen zij afstand van de exceptie wat eerste verzoekster betreft. XII-5451-3/12
- Waar de vordering reeds ontvankelijk is in hoofde van eerste verzoekster, komt het vooralsnog overbodig voor uitspraak te doen over de exceptie ten aanzien van tweede verzoeker. III. De grondvoorwaarden voor een schorsing
- Krachtens artikel 17, §§ 1 en 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid worden besloten onder de drievoudige voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de nietigverklaring van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden, dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen, en dat een uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is. IV. De grondvoorwaarde van de ernstige middelen
- Verzoekers voeren drie middelen aan. Hierna wordt eerst het tweede middel onderzocht, dan het eerste en vervolgens het derde. A. Tweede middel Standpunt van verzoekers
- Naar verzoekers betogen, schendt het bestreden sluitingsbevel de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen doordat het niet voldoet aan het vereiste van een formele, duidelijke, precieze, adequate, geldige en voldoende motivering. Opgemerkt wordt dat de identiteit van de buurtbewoners die de petitie ondertekenden niet werd nagekeken en dat zulks ten andere onmogelijk was. Voorts wordt betwist dat verzoekers hebben toegegeven dat ordeverstorende handelingen werden begaan door personen die uit café Zevende Hemel kwamen. Ten slotte wijzen verzoekers erop dat meerdere oproepen betrekking hebben op eenzelfde gebeuren en dat er slechts sprake is van zeventien effectieve vaststellingen in een tijdspanne van zes maanden. XII-5451-4/12 Beoordeling
- De bestreden beslissing zoekt haar rechtsgrond in artikel 67 van het gemeentedecreet en artikel 134quater van de nieuwe gemeentewet. Luidens die bepalingen kan de burgemeester een voor het publiek toegankelijke inrichting sluiten als de openbare orde in de buurt ervan wordt verstoord door of naar aanleiding van gedragingen in die inrichting. De bedoelde “openbare orde” lijkt de materiële openbare orde te zijn.
- Voor het bewijs dat de openbare orde verstoord wordt door of naar aanleiding van de gedragingen in de inrichting van verzoekers, steunt de bestreden beslissing in wezen op 51 oproepen -tussen 22 september 2007 en 15 maart 2008- waarvan er zeventien concreet worden omschreven, en op een petitie van 21 augustus 2007 van buurtbewoners.
- Het merendeel van voormelde zeventien “concrete feiten” betreft, eensdeels, geluidsoverlast door/en discussies en, anderdeels, diefstallen in het café van een portefeuille, gsm of handtas. Vooral van de diefstallen is niet meteen duidelijk of en hoe de openbare orde in de buurt erdoor verstoord is geworden. Van één feit -“Persoon wandelt met hond in de Oudemansstraat en thv Zevende Hemel komt hij een andere man tegen ook met een hond. Deze laatste spoort zijn hond aan om de hond van de eerste persoon aan te vallen”- is op het eerste gezicht dan weer niet duidelijk hoe het aan de gedragingen in die inrichting gelinkt kan worden. Een petitie van 21 augustus 2007 bevestigt de geluidsoverlast waardoor buurtbewoners vaak in hun nachtrust gestoord worden. De petitie vermeldt naam en adres van de ondertekenaars; zij is niet ipso facto ongeloofwaardig doordat de identiteit van de ondertekenaars niet is gecontroleerd. Overigens lijken verzoekers wél te hebben toegegeven dat sommige ordeverstorende handelingen met hun zaak verbonden zijn. Op 9 april 2008 verklaarde tweede verzoeker aan de politie: “Ik ben mij bewust dat er deels van de feiten afkomstig kunnen zijn uit mijn instelling, doch is het ook zo dat er volk passeert door de straat dewelke een hinder vormen voor de buurt”. Tijdens de hoorzitting van 5 mei 2008, voorafgaand aan de bestreden beslissing, heet het: “Het gebeurt wel eens dat er problemen zijn met klanten van het café, doch worden deze problemen niet altijd veroorzaakt door klanten van instelling 7de Hemel”. XII-5451-5/12
- Tenminste in de huidige stand van de procedure wordt, inzonderheid vanwege de geluidsoverlast, aangenomen dat de bestreden beslissing niet zonder feitelijke grondslag is en dat de burgemeester in de voorwaarden verkeerde waarin hij artikel 67 van het gemeentedecreet en artikel 134quater van de nieuwe gemeentewet kon toepassen. Het middel is niet ernstig. B. Eerste middel Standpunt van partijen
- Verzoekers betogen dat het opgelegde uitbatingsverbod disproportioneel is, dat zij al heel wat energie en kosten hebben verricht om hun exploitatie op een correcte, veilige en buurtvriendelijke wijze uit te voeren, dat, indien er nog problemen waren, verwerende partijen hen dit had kunnen meedelen, zodat zij eraan tegemoet gekomen konden zijn, dat verwerende partijen “onmiddellijk”, “voor de eerste maal en zonder daadwerkelijke voorafgaande kontakten, berispingen of wat dan ook”, de zwaarste maatregel opleggen die artikel 134quater van de nieuwe gemeentewet toelaat, dat het besluit trouwens niet motiveert waarom meteen tot deze zwaarste maatregel wordt besloten.
- Verwerende partijen antwoorden in de nota dat de bestreden beslissing niet de zwaarste sanctie oplegt, maar een sluiting die iedere dag beperkt is tot de uren tussen 0 en 10 uur, dat verzoekers erkend hebben dat zij de problemen niet de baas konden en dat zij zelfs om een nauwe samenwerking met de politie verzochten, dat de eerste verwerende partij wel degelijk de bereidheid van verzoekers om de problemen te verhelpen, en de samenwerking met de politie, erkent, dat echter de inspanningen onvoldoende zijn gelet op de grote verstoring van de openbare orde, dat de genomen maatregel niet alleen moet worden beoordeeld in het licht van de particuliere belangen van verzoekers, maar ook en vooral in het licht van het algemeen belang. Overigens wijzen verwerende partijen er op dat er ook nog 43 oproepen binnenkwamen die “ontegensprekelijk” toe te schrijven zijn aan één van drie inrichtingen, waartoe café Zevende Hemel behoort, weze het dat niet kon worden vastgesteld in welke inrichting precies de overlast of ordeverstoring is ontstaan. XII-5451-6/12 Verwerende partijen voegen daar ter terechtzitting aan toe dat de schending van het proportionaliteitsbeginsel in elk geval niet de schorsing van de gehele maatregel kan verantwoorden. De maatregel volgens hen splitsbaar zijnde, vragen zij, in ondergeschikte orde, het sluitingsbevel van eerste verwerende partij ten hoogste alleen te schorsen in zoverre de duur ervan twee maanden te boven gaat of -nog meer ondergeschikt- één maand overschrijdt. Beoordeling
- Het middel voert wezenlijk de schending van het evenredigheidsbeginsel aan. Toegepast op de sluiting ex artikel 134quater van de nieuwe gemeentewet lijkt het beginsel te vergen dat de sluiting het resultaat is van een evenwichtige afweging van alle betrokken gegevens en belangen, waarbij de maatregel niet meer pijn mag doen dan noodzakelijk uit een oogpunt van herstel van de openbare orde. De sluiting die het artikel toelaat op te leggen is geen bestraffende maatregel, en de bestreden beslissing overweegt zelf dat het gelet op haar preventief karakter onbelangrijk is wie schuld heeft aan de klachten.
- De ordeverstoring in en rond café Zevende Hemel is niet nieuw. Zij heeft de uitbaters er eerder al toe gebracht camera’s in de instelling te plaatsen, camerabeelden ter beschikking van de politie te stellen, de zaak om 6 uur te sluiten. In de nota erkent de eerste verwerende partij overigens uitdrukkelijk “de bereidheid van verzoekende partij om de problemen te verhelpen” en “de samenwerking met de politie”. Omdat een en ander blijkbaar echter niet volstond, is de eigenaar van het café door de politie aangesproken “met de bedoeling, dat hij maatregelen kan treffen, om de overlast te beperken” (adm. doss., stuk 1, blz. 5) en heeft op 9 april 2008 een verhoor plaatsgehad. Tijdens dit verhoor deelde tweede verzoeker mee dat hij overwoog aanpassingswerken uit te voeren -“vb sas maken - dubbele deur”- waardoor de geluidshinder voor de buurt beperkt zou worden. Hij zou ook flyers in en buiten de inrichting ophangen om de klanten aan te sporen bij het verlaten van het café de rust in de buurt te bewaren. Vooraleer die voornemens, waarvan de oprechtheid niet wordt betwijfeld, kunnen worden uitgevoerd en hun deugdelijkheid kunnen bewijzen én niettegenstaande er geen nieuwe feiten van overlast worden aangevoerd, roept de stad verzoekers met een brief van reeds 22 april 2008 op voor een verhoor omtrent een XII-5451-7/12 eventuele sluiting van het café op grond van artikel 67 van het gemeentedecreet en artikel 134quater van de nieuwe gemeentewet, en wordt meteen ook effectief tot een sluiting tijdens de nachtelijke uren besloten, gedurende de maximumtermijn van drie maanden.
- Waarom de eerste verwerende partij, gelet op de onbetwiste afwezigheid van voorgaande maatregelen tegen Zevende Hemel, de coöperatieve opstelling van verzoekers en hun geplande initiatieven, meende niet met een minder verregaand sluitingsbevel te kunnen volstaan, laat zich op het eerste gezicht niet begrijpen. Alleszins maakt de formele motivering van de bestreden beslissing het niet duidelijk. Ook de argumentatie in de nota van verwerende partijen dat de burgemeester gerechtigd zou moeten zijn om tevens rekening te houden met de elementen van overlast die “ontegensprekelijk” aan een van de drie cafés in de Oudemansstraat zijn toe te schrijven, weze het dat niet duidelijk kon worden vastgesteld aan welke van de drie, is niet van aard om het te verklaren. Niet alleen voert de formele motivering van de bestreden beslissing die elementen niet aan, bovendien lijkt het onjuist dat de elementen “ontegensprekelijk” aan een van de drie inrichtingen zijn toe te schrijven. Enerzijds kan uit stuk 1 van het administratief dossier worden opgemaakt dat de 43 resterende klachten “voor de hele Oudemansstraat”, (alleen maar) “mogelijks” afkomstig zijn van het café Zonder Naam, ’t Keteltje of Zevende Hemel, terwijl anderzijds de straat een verbindingsstraat is tussen het prostitutiekwartier en het oude stadscentrum, met veel doortrekkende passanten. In de gegeven omstandigheden en bovendien rekening gehouden met wat hierna wordt overwogen in verband met het risico van een moeilijk te herstellen ernstig nadeel voor eerste verzoekster, lijkt een sluiting, tijdens de nachtelijke uren, gedurende drie of, zelfs maar, twee maanden te getuigen van een overdreven voortvarend- en doortastendheid, die de grenzen van een redelijke beoordeling te buiten gaat. Het is de burgemeester ten andere niet verboden, mocht een eerste maatregel niet het beoogde effect sorteren, om er een nieuwe te nemen. In zoverre de bestreden beslissing meteen een sluiting, weze het slechts van 0 tot 10 uur, oplegt gedurende twee of drie maanden, schendt zij op het eerste gezicht het evenredigheidsbeginsel. XII-5451-8/12
- Dat ook een sluiting gedurende één maand van aard kan zijn om de drankgelegenheid zwaar te treffen, volstaat niet om tevens in dit geval de evenredigheid tussen de last voor de inrichting en de baat voor het algemeen belang geschonden te achten. De formele motivering van de bestreden beslissing kan er voorlopig van overtuigen dat de burgemeester niet de grenzen van zijn beleidsvrijheid is te buitengegaan in zoverre hij, impliciet maar zeker, meende dat in elk geval een sluiting van één maand noodzakelijk was om de verstoring van de openbare orde in de buurt van de inrichting te doen ophouden en om een situatie te bereiken waarin de exploitatie tussen 0 en 10 uur kan worden hervat zonder een te groot risico op hernieuwde verstoringen van de openbare orde.
- Het middel is in gedeeltelijke mate ernstig. Het maakt aannemelijk dat de bestreden beslissing onwettig is in zoverre zij een sluiting oplegt van meer dan één maand. C. Derde middel Standpunt van verzoekers
- De burgemeester heeft zijn bevoegdheid op grond van artikel 134quater van de nieuwe gemeentewet afgewend van het wettelijk doel ervan, door zijn politionele bevoegdheid te gebruiken om een ruimtelijk ordeningsbeleid uit te stippelen, “met name van een handelsstraat een woonstraat maken”. Het daarbij horende saneringsbeleid is het doel van het aangevochten besluit. Dit blijkt uit het feit dat de eerste verwerende partij op hetzelfde moment de drie horecazaken in de Oudemansstraat een identieke maatregel heeft opgelegd. Beoordeling
- In beginsel is er slechts sprake van machtsafwending wanneer een bestuursoverheid de haar door de wet met het oog op het bereiken van een bepaald oogmerk van algemeen belang gegeven bevoegdheid gebruikt om een ander doel na te streven en wanneer dat ander oogmerk het enige doel van de betrokken bestuurshandeling is. XII-5451-9/12
- Uit de bespreking van het tweede middel volgt dat de bestreden beslissing terecht steun zoekt in artikel 134quater van de nieuwe gemeentewet, althans in de mate waarin zij een sluiting van één maand beveelt. Dezelfde conclusie geldt ook voor één van de twee andere drankgelegenheden waarop het middel alludeert. Dit lijkt in de huidige stand van zaken genoeg om niet te kunnen bijvallen dat de eerste verwerende partij met het besluit de ruimtelijke sanering van de straat zou hebben beoogd, laat staan nog dat dit oogmerk haar enige doel zou zijn geweest. Het middel is niet ernstig. V. De grondvoorwaarde van het moeilijk te herstellen ernstig nadeel en van de uiterst dringende noodzakelijkheid Standpunt van de partijen
- Verzoekers lichten toe dat het uitbatingsverbod de hele zomer- periode, de topperiode voor de horeca, beslaat, dat zij met een aanzienlijk omzetverlies geconfronteerd zullen worden “waaraan het hoofd niet kan geboden worden”, dat er ontslagen onder het personeel zullen volgen, dat door een liquiditeitsprobleem de betalingen in het gedrang zullen komen, en dat ook de naam en faam van de inrichting te lijden zal hebben.
- Verwerende partijen werpen tegen dat het nadeel financieel van aard is, in de regel dus niet moeilijk te herstellen is, niet concreet is en niet gestaafd wordt, dat men zich kan afvragen welke reputatie verzoekers wensen te vrijwaren, dat het nadeel van de personeelsleden eigenlijk derden betreft, en dat uit de jaarrekening blijkt dat eerste verzoekster het boekjaar 2006 met een verlies heeft afgesloten en in het boekjaar 2005 maar een kleine winst heeft gemaakt. Beoordeling
- De uiteenzetting van verzoekers overtuigt. Aangenomen wordt dat hun inrichting een fundamenteel gedeelte van haar inkomsten behaalt tijdens de uren waarvoor de sluitingsmaatregel geldt en dat het verlies daarvan de uitbater in een grote financiële nood dreigt te storten, met alle gevolgen van dien. XII-5451-10/12 De verwerende partijen bevestigen dat alleen maar waar zij zelf, onder verwijzing naar de jaarrekening van eerste verzoekster, argumenten bijbrengen om aan te tonen in welke slechte papieren de inrichting wel zit. Het risico dat, wanneer het café daar bovenop ook nog eens gedurende drie, of zelfs maar twee, maanden gesloten moet blijven tijdens de nachtelijke uren, die sluiting niet zonder fatale gevolgen zal zijn, komt niet onrealistisch voor. Alhoewel de uiteenzetting van het nadeel preciezer kon zijn geweest en alleszins beter gestaafd mocht worden, belet het niet dat het inkomstenverlies in de concrete omstandigheden van de zaak toch als ernstig en moeilijk herstelbaar kan worden beschouwd. De tweede en derde grondvoorwaarde voor een schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid zijn vervuld. VI. De vordering tot oplegging van een dwangsom
- Verzoekers vragen dat een dwangsom wordt opgelegd van 3.000 euro per dag dat verwerende partijen de opgelegde schorsing niet zouden eerbiedigen.
- Met de verwerende partijen neemt de Raad van State aan dat er geen reden is om te veronderstellen dat zij niet onmiddellijk gevolg zullen geven aan een schorsingsarrest. Er is dan ook grond om de vordering tot oplegging van een dwangsom af te wijzen. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
- Bevolen wordt de schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de beslissing van 16 mei 2008 van de burgemeester van de stad Antwerpen, op 23 mei 2008 door het college van burgemeester en schepenen bevestigd, waarbij het verbod wordt opgelegd om in de instelling gekend of genoemd Zevende Hemel, gelegen te Antwerpen, Oudemansstraat 9, enige vorm van uitbating of activiteit uit te oefenen alle dagen van 0 tot 10 uur, van 23 mei 2008 XII-5451-11/12 tot en met 22 augustus 2008, in zoverre de duur van de bevolen maatregel één maand overschrijdt. Artikel
- De vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid wordt voor het overige verworpen. Artikel
- De vordering tot oplegging van een dwangsom wordt verworpen. Artikel
- De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid wordt uitgesteld. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op drie juni 2008, door : de HH. J. LUST, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, F. BONTINCK, griffier. De griffier, De voorzitter, F. BONTINCK. J. LUST. XII-5451-12/12 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.183.750 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.201.051 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.