id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 04 juni 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.183.772 Rolnummer: A. 62497/X-10047 Zaak: Arrest 183772 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 04/06/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-06-19 Raadplegingen: 65 - laatst gezien 2026-06-29 08:09 Fiche Arrest nr 183.772 van 4 juni 2008 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Verwerping afvoering Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 183.772 van 4 juni 2008 in de zaak A. 62.497/X-10.
- In zake :
- François DE WIT (overleden),
- Jacqueline ROUQUART, die woonplaats kiezen of gekozen hebbende bij advocaat I. COOREMAN, kantoor houdende te 1070 BRUSSEL, Ninoofstesteenweg 643 tegen :
- de gemeente DILBEEK,
- de deputatie van de provincieraad van VLAAMS-BRABANT, die woonplaats kiest bij advocaat X. LEURQUIN, kantoor houdende te 1160 BRUSSEL, Tedescolaan
- D E R A A D V A N S T A T E, Xe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat François DE WIT en Jacqueline ROUQUART op 24 februari 1995 hebben ingediend om de nietigverklaring te vorderen van :
- het besluit van 12 december 1994 van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Dilbeek waarbij aan Urbain LAERMANS-DE MOL de vergunning wordt verleend voor het bouwen van een woning aan de Eksterstraat te Dilbeek-Schepdaal, kadastraal bekend sectie A, nr. 376/c (deel), zijnde lot 3 van de verkaveling waarvoor op 20 april 1989 door de bestendige deputatie van de provincieraad van Brabant de vergunning is afgegeven, en
- het besluit van 19 mei 1994 van de bestendige deputatie van de provincieraad van Brabant waarbij het beroep wordt ingewilligd, ingesteld door Urbain LAERMANS tegen het besluit van 27 december 1993 van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Dilbeek houdende weigering van een vergunning tot wijziging van de op 20 april 1989 aan de consorten VARLEZ afgegeven verkavelingsvergunning voor een grond gelegen te Dilbeek-Schepdaal aan de Eksterstraat, kadastraal bekend sectie A, nrs. 376/c en 382, meer bepaald de uitbreiding van de bouwzone wat lot 3 betreft, en de aanvrager dienvolgens gemachtigd wordt de verkaveling te verwezenlijken, X-10.047-1/9 voorkomend op het bijgaand plan, en “dat aan de Gemeente Dilbeek een dwangsom groot 100.000 BF zou worden opgelegd per dag of gedeelte van een dag dat zij nalaat de werken stop te laten zetten”; Gelet op het arrest nr. 58.913 van 28 maart 1996 waarbij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissingen wordt verworpen; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door adjunct-auditeur T. DE WAELE; Gelet op de beschikking van 7 februari 2001 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memories van de verzoekers en van de tweede verwerende partij; Gelet op de beschikking van 17 april 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 16 mei 2008; Gehoord het verslag van staatsraad P. LEFRANC; Gehoord de opmerkingen van advocaat K. PHLIPS die verschijnt voor de tweede verzoekster, van advocaat J. ZANARDI die verschijnt voor de eerste verwerende partij, en van advocaat P. DE MAEYER, die loco advocaat X. LEURQUIN verschijnt voor de tweede verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur T. DE WAELE; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; X-10.047-2/9 OVERWEEGT WAT VOLGT :
- De rechtspleging Het geding in hoofde van de eerste verzoeker werd na zijn overlijden niet hervat. De zaak wordt wat de eerste verzoeker betreft van de rol afgevoerd.
- De feiten 2.
- Op 19 mei 1994 willigt de bestendige deputatie van de provincieraad van de toenmalige provincie Brabant het beroep van Urbain LAERMANS in tegen het besluit van 27 december 1993 van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Dilbeek houdende weigering van de vergunning tot het wijzigen van een op 2 november 1988 vergunde verkaveling gelegen in de Eksterstraat te Schepdaal-Dilbeek. De wijziging heeft betrekking op een aanpassing van de bebouwbare zone in kavel drie. 2.
- Op 12 december 1994 verleent het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Dilbeek aan de heer en mevrouw LAERMANS- DE MOL de bouwvergunning voor het bouwen van een “alleenstaande woning” op voormelde kavel drie.
- De ontvankelijkheid 3.
- Bouw- en verkavelingsvergunningen moeten noch bekendgemaakt, noch aan derden betekend worden. Voor een derde belanghebbende gaat de in artikel 4 van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State bepaalde termijn van 60 dagen in met de dag waarop hij kennis heeft van de vergunning. Die dag is, hetzij de dag waarop de derde een voldoende kennis heeft van het bestaan, de aard en de draagwijdte van de vergunning, hetzij de dag waarop hij kennis heeft kunnen nemen van de vergunning, door binnen een redelijke termijn gebruik te maken van zijn inzagerecht. X-10.047-3/9 3.
- In het verzoekschrift betoogt de verzoekster dat “verzoekers kennis kregen van het genomen besluit op 2 januari 1995 door mededeling van hun raadsman door een afschrift van een aangetekend schrijven d.d. 28 december 1994 dewelke laatstgenoemde op zijn beurt mocht ontvangen van de gemeente DILBEEK met in bijlage afschrift van een uittreksel uit het register der beraadslagingen van het schepencollege van 12 december 1994 waarbij aan de heer en mevrouw LAEREMANS-DE MOL een bouwvergunning wordt afgeleverd ingevolge hun aanvraag dd. 21 september 1994 (...) en dat deze kennisgeving is geschied ingevolge uitdrukkelijk verzoek aan de Gemeente DILBEEK om op het ogenblik dat wordt overgegaan tot afgifte van de bouwvergunning verzoekers hiervan in kennis te stellen”. 3.
- De tweede verwerende partij repliceert in de memorie van antwoord dat de verzoekers er het zwijgen op na houden “wat betreft de wijze en het ogenblik waarop zij kennis hebben gehad van het (bestreden) besluit van de bestendige deputatie” en dat “een aantal gegevens (...) toe(laten) te vermoeden dat dit eerder dan zestig dagen vóór 24 februari 1995 geschiedde”. 3.
- In de memorie van wederantwoord dupliceert de verzoekster dat uit een schrijven van 12 december 1994 van de burgemeester “blijkt dat verzoekende partij aandrong om in kennis te worden gesteld van zodra een beslissing werd genomen door de bestendige deputatie”. En in de laatste memorie dat “elk bewijs (ontbreekt) van de exacte datum van aanbieding (kennisgeving) van dit schrijven aan de raadsman van verzoekende partij”. 3.
- In het aangetekend schrijven van 12 december 1994 van de gemeente aan de raadsman van de verzoekster werd “ter informatie (...) een afschrift van de beslissing van de Bestendige Deputatie dd. 19 mei 1994 waarbij een wijziging van de stedenbouwkundige voorschriften voor wat betreft het lot nr. 3 werd toegestaan” gevoegd. Uit de gegevens van het dossier en de procedurestukken blijkt dat dit aangetekend schrijven dezelfde dag ter post werd afgegeven en dat de verzoekster dit schrijven heeft ontvangen. Het is niet betwist dat dit schrijven een afschrift bevatte van het tweede bestreden besluit. Vanaf de ontvangst van dit afschrift, heeft de verzoekster kennis van het bestaan, de aard en de draagwijdte van het tweede bestreden besluit. X-10.047-4/9 3.
- Naar analogie met artikel 53 bis van het gerechtelijk wetboek, dat werd ingevoegd bij de wet van 13 december 2005, kan te dezen worden aangenomen dat de aangetekende zending geacht wordt te zijn ontvangen op de derde werkdag die volgt op de verzending ervan. Uit het administratief dossier blijkt dat de aangetekende zending op maandag 12 december 1994 aan de post werd afgegeven. Er kan dan ook worden van uitgegaan dat de verzoekster de zending heeft ontvangen op donderdag 15 december
- Het beroep, dat werd ingediend op 24 februari 1995 is bijgevolg laattijdig. Het beroep is onontvankelijk in zover het gericht is tegen het tweede bestreden besluit.
- De gegrondheid 4.
- Het eerste middel is genomen uit “de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet”. De verzoekster betoogt in essentie dat “deze vergunning niet onder de toegestane wijziging van de verkavelingsvergunning had mogen afgeleverd worden”, dat “de overheid, door het toestaan van deze afwijking een onrechtmatig voordeel (...) toekent” en dat de verwerende partijen niet “bewijzen (...) dat de eigenaars van de andere in de verkaveling gelegen percelen hun akkoord hebben gegeven m.b.t. de voorgestelde wijziging, hetgeen verzoeker betwist”. Het middel is uitsluitend gericht tegen het tweede bestreden besluit en derhalve onontvankelijk. 4.2.
- Het tweede middel is genomen uit “de schending van artikel 2, 3a, 3b van het ministerieel besluit van 6 februari 1971 tot vaststelling van de samenstelling van het dossier van de aanvraag om bouwvergunning (B.S. 9.II.1971 en B.S. 16.I.1973), het zorgvuldigheidsbeginsel en het algemeen beginsel van behoorlijk bestuur volgens dewelke de administratieve beslissing de rechtens vereiste feitelijke grondslag moet hebben”. De verzoekster betoogt dat “de aantekeningen die (bij) de bouwaanvraag werden gevoegd geen enkele en/of geen duidelijke vermelding bevatten m.b.t. de hoogtelijnen, de terreinprofielen van het huidig en het ontworpen toekomstig profiel van het perceel tot op dit van de aangrenzende kavels, en van de ophogingen en de uitgravingen”, te dezen “ophogingen en uitgravingen moeten uitgevoerd worden” waardoor “de aanduiding van de hoogtelijnen en van de terreinprofielen (...) essentieel” is “zodat het college van burgemeester en schepenen, en voor zover als nodig de gemachtigde ambtenaar, door het ontbreken en/of onduidelijkheid van de vermelding van de hoogtelijnen en X-10.047-5/9 terreinprofielen, niet met kennis van zaken over de bouwaanvraag hebben kunnen beslissen”. 4.2.
- De eerste verwerende partij repliceert dat “de stukken van het administratief dossier aantonen dat van voormelde vermeldingen wel degelijk sprake is”. 4.2.
- De tweede verwerende partij repliceert harerzijds dat dit middel uitsluitend gericht is tegen het eerste bestreden besluit. 4.2.
- In de memorie van wederantwoord dupliceert de verzoekster dat “bij nazicht van vermelde stukken blijkt dat de vermeldingen aangaande de hoogtelijnen zoniet afwezig dan toch onduidelijk zijn” en besluit dat “de bestreden beslissingen (...) dan ook nietig (zijn)”. 4.2.
- In de laatste memorie betoogt de verzoekster nog in verband met “de aanduiding van de ophopingen en de uitgravingen, de terreinprofielen van het huis en het ontworpen toekomstig profiel van het perceel dat indien deze gegevens al aanwezig zouden zijn, quod non, deze op zijn minst onduidelijk werden voorgesteld”. 4.2.
- Uit de procedurestukken blijkt dat het tweede middel uitsluitend gericht is tegen het eerste bestreden besluit. 4.2.
- Onjuistheden, vergissingen of leemten in het bouwdossier kunnen tot de vernietiging van de bouwvergunning leiden, indien blijkt dat zij van die aard zijn dat zij de adviserende of de vergunningverlenende overheden in dwaling hebben gebracht en bovendien beslissend zijn geweest voor de toekenning van de bouwvergunning. De verzoekster beperkt zich ertoe te stellen dat het bouwdossier leemten, zoniet onduidelijkheden bevat, maar laat na aan te tonen dat de overheden hierdoor misleid zijn. Bovendien blijkt uit de gegevens van het dossier dat, enerzijds, het goedgekeurde verkavelingsplan een folio “bestaande toestand en hoogten” bevat waarop gegevens met betrekking tot de hoogte zijn aangebracht en, anderzijds, op het goedgekeurde bouwplan het grondniveau is aangegeven. Het tweede middel is niet gegrond. X-10.047-6/9 4.3.
- Het derde middel is afgeleid uit de schending van artikel 11 van het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en gewestplannen en van artikel 57, § 2 van de wet van 29 maart 1962 houdende organisatie van de ruimtelijke ordening en van de stedenbouw. De verzoekster betoogt dat “- niettegenstaande gezien de planologische ligging van kavel 3 op 1 augustus 1988 ongunstig werd geadviseerd - de Bestendige Deputatie niettemin het beroep van de heer LAERMANS (...) ingewilligd heeft gezien de situering in een huizengroep mits de bebouwing te beperken tot een woonzone”, “de (...) overwegingen van de Bestendige Deputatie juist aantonen dat de toegestane afwijking een aantasting zijn van het open gebied waardoor de goede uitbouw van de plaats in het gedrang komt”, het tweede bestreden besluit “bij gebrek aan motivering (...) nietig is”, “niet alle eigenaars van de overige kavels de kavelingswijziging mede hebben ondertekend”, het akkoord van minstens “3/4 van de verkavelingseigenaars” niet voorligt. 4.3.
- De beide verwerende partijen betwisten de door de verzoekster opgegeven redengeving van het tweede bestreden besluit evenals de gegrondheid van het tweede onderdeel van dit middel. 4.3.
- De verzoekster dupliceert in de memorie van wederantwoord “dat de materiële en formele motivering van de Bestendige Deputatie waaruit moet blijken dat ‘het open gebied niet verder wordt aangetast’ in casu ontbreekt” en dat “uit niets blijkt dat alle eigenaars (van de verkaveling) kennis hadden van de aanvraag”. 4.3.
- In de laatste memorie verwijst de verzoekster nog naar haar uiteenzetting van dit middel in het verzoekschrift waarin zij besluit dat “de bestreden beslissingen ... met miskenning van de elementaire eisen van de goede plaatselijke aanleg en de degelijke ruimtelijke ordening” werden genomen. 4.3.
- Het is onmiskenbaar dat het derde middel uitsluitend gericht is tegen het tweede bestreden besluit. Het middel is derhalve onontvankelijk. 4.4.
- Het vierde middel is genomen uit de schending van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen. De verzoekster betoogt dat “de bestreden beslissingen niet voldoende gemotiveerd” werden, het tweede bestreden besluit “kant noch wal X-10.047-7/9 (raakt)” en de bestendige deputatie “nalaat te motiveren waarom de oorspronkelijke verkavelingsvergunning (...) mag gewijzigd worden”. 4.4.
- De eerste verwerende partij repliceert dat “dit middel (...) tweede tegenpartij (betreft)”. 4.4.
- De tweede verwerende partij repliceert dat de “verzoekers (...) de overwegingen van de beslissing niet tegen(spreken) en (dat zij) zelfs niet aan(tonen) dat de lichte wijziging hen, gelet op de afstand, zou benadelen”. 4.4.
- De verzoekster voegt in de memorie van wederantwoord niets wezenlijks toe aan haar argumentatie met betrekking tot dit middel. 4.4.
- In de laatste memorie verwijst de verzoekster nog naar haar uiteenzetting van dit middel in het verzoekschrift waarin wordt gesteld dat de bestreden beslissingen niet voldoende gemotiveerd werden. 4.4.
- Het is onmiskenbaar dat het vierde middel uitsluitend gericht is tegen het tweede bestreden besluit. Het middel is derhalve onontvankelijk. 4.
- Gelet op het voorgaande is er geen aanleiding om in te gaan op de vordering van de verzoekster tot het opleggen van een dwangsom. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
- De zaak wordt van de rol afgevoerd in hoofde van de eerste verzoeker. Artikel
- Het beroep wordt verworpen. X-10.047-8/9 Artikel
- De vordering tot het opleggen van een dwangsom wordt verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 198,32 euro, komen voor de helft ten laste van de nalatenschap van de eerste verzoeker, en voor de helft ten laste van de tweede verzoekster. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op vier juni 2008, door de Xe kamer, die was samengesteld uit : de HH. R. STEVENS, kamervoorzitter, J. BOVIN, staatsraad, P. LEFRANC, staatsraad, Mevr. A. TRUYENS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. TRUYENS. R. STEVENS. X-10.047-9/9 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.183.772 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:1996:ARR.58.913 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div