← België

Arrest 183799 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 04/06/2008

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 04 juni 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:A

§ 1

, heeft de milieueffect- en veiligheidsrapportage als essentiële kenmerken : 1° de systematische en wetenschappelijk verantwoorde analyse en evaluatie van de te verwachten, of in het geval van zware ongevallen mogelijke, gevolgen voor mens en milieu, van een voorgenomen actie en van de redelijkerwijze in beschouwing te nemen alternatieven voor de actie of onderdelen ervan, en de beschrijving en evaluatie van de mogelijke maatregelen om de gevolgen van de voorgenomen actie op een samenhangende wijze te vermijden, te beperken, te verhelpen of te compenseren; 2° de kwaliteitsbeoordeling van de verzamelde informatie; 3° de actieve openbaarheid van de rapportage en de besluitvorming over de voorgenomen actie”. De verwerende partij stelt op het eerste zicht terecht dat de actieve openbaarheid, die is vermeld in artikel 4.1.4, §2, 3/ DABM , enkel geldt in het geval de opmaak van een MER is vereist. Als de Cel Mer ontheffing verleent van de m.e.r.-plicht - zoals in casu - geldt prima facie dezelfde situatie als een aanvraag die niet aan die plicht is onderworpen Ook dit onderdeel van het eerste middel is niet ernstig. 4.3.1.2.

  1. Volgens de verzoeker schendt het “huidige verloop van een ontheffingsverzoek, wanneer dit wordt ingewilligd” het gelijkheidsbeginsel. Hij steunt deze schending op het feit dat de publiciteitsregeling voorzien in artikel 6 van de project-m.e.r.-richtlijn niet correct in de Vlaamse wetgeving is omgezet, “in het bijzonder voor het geval dat de administratie instemt met een verzoek tot ontheffing”. De verzoeker bekritiseert daarmee in wezen de regeling bepaald in artikel 4.3.
  2. van het DABM, die de te volgen procedure voor de behandeling van de ontheffingsverzoeken voor de bijlage II-projectcategorieën bevat. Inzake dit onderdeel van het eerste middel zou de Raad van State zich bijgevolg moeten uitspreken over een eventuele strijdigheid van het DABM met het gelijkheidsbeginsel. Dit lijkt de bevoegdheid van de Raad van State te buiten te gaan. Dit onderdeel van het middel is op het eerste zicht niet ontvankelijk. 4.3.1.2.
  3. Het eerste middel is dus deels niet ontvankelijk en deels niet ernstig. 4.3.
  4. Tweede middel 4.3.2.
  5. In een tweede middel voert de verzoeker de schending aan “van artikel 4.3.2, §2 en §4 en van artikel 4.3.3, §3 van het decreet van 5 april 1995 X-13.363-13/32 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid en van artikelen 2,§2 en §3 van het Besluit van de Vlaamse Regering van 10 december 2004 houdende vaststelling van de categorieën van projecten onderworpen aan milieueffectenrapportage, minstens uit de schending van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, meer in het bijzonder het zorgvuldigheidsbeginsel en de materiële motiveringsplicht”. Hij licht dit middel toe als volgt: “Op 3 augustus 2005 besliste de Cel Milieueffectenrapportage van het Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, afdeling Milieu en Natuurbeleid, dat BAM NV voor het project in casu ontheven werd van het opstellen van een milieueffectrapport. Deze ontheffingsbeslissing (het tweede bestreden besluit) alsook het hieropvolgende vergunningsbesluit (het eerste bestreden besluit) zijn echter niet in overeenstemming met het DABM en zijn uitvoeringsbesluit, zoals hierna zal blijken. Daarenboven beperkte het eerste bestreden besluit zich bij de behandeling van de concrete bezwaren m.b.t. Ganzenweg ten onrechte tot de verwijzing naar dit ontheffingsbesluit en naar het plan MER Masterplan Antwerpen waarin de effecten van de tramprojecten zouden zijn bestudeerd, hetgeen echter niet, minstens niet in afdoende mate het geval blijkt te zijn. Minstens schendt het eerste bestreden besluit op deze wijze de beginselen van behoorlijk bestuur, met name door een onzorgvuldige feitenvinding en niet afdoende motivering.
  6. In casu zijn zowel de initiatiefnemer BAM als de Vlaamse overheid uitgegaan van een principiële MER-rapportageplicht overeenkomstig artikel 4.3.2 §§ 2 en 4 van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid (hierna DABM) : ‘§
  7. De Vlaamse regering wijst, aan de hand van de criteria die worden omschreven in de bij dit decreet gevoegde bijlage II, de andere dan in § 1 bedoelde categorieën van projecten aan waarvoor overeenkomstig dit hoofdstuk al dan niet een milieueffectrapport moet worden opgesteld op grond van een beslissing, geval per geval, van de administratie. ( ... ) §
  8. De Vlaamse regering stelt, aan de hand van de criteria die worden omschreven in bijlage II, de selectiecriteria vast op grond waarvan de administratie geval per geval beslist of voor de in §§ 2 en 3 bedoelde projecten overeenkomstig dit hoofdstuk al dan niet een milieueffectrapport moet worden opgesteld. Deze selectiecriteria moeten toelaten uit te maken of aan een bepaald project, dan wel aan een verandering daarvan, al dan niet aanzienlijke milieueffecten verbonden kunnen zijn.’ Bijlage II van het Besluit van de Vlaamse Regering van 10 december 2004 houdende vaststelling van de categorieën van projecten onderworpen aan milieueffectenrapportage (hierna MER-besluit) bepaalt onder categorie 10j dat de aanleg van traminfrastructuur van meer dan 1 km zoals in casu MER-rapportageplichtig is. Voor dergelijke BIJLAGE II-projecten schept artikel 4.3.3 §3 DABM een ontheffingsmogelijkheid. Voormeld Art. 4.3.
  9. § 3 DABM luidt : X-13.363-14/32 ‘In de gevallen

artikel 4.3.2 kan de initiatiefnemer een gemotiveerd verzoek tot ontheffing van de rapportageverplichting indienen bij de administratie. Onverminderd § 5 en voor zover het voorgenomen project niet valt onder de toepassing van de lijst van projecten die door de Vlaamse regering overeenkomstig artikel 4.3.2. § 1, is vastgesteld, kan de administratie een project toch ontheffen van milieueffectrapportage als ze oordeelt dat: 1. vroeger al een plan-MER werd goedgekeurd betreffende een plan of programma waarin het project past of een project-MER werd goedgekeurd betreffende een project waarvan het voorgenomen initiatief een herhaling, voortzetting of alternatief is, en een nieuw project-MER redelijkerwijze geen nieuwe of bijkomende gegevens over aanzienlijke milieueffecten kan bevatten; of 2. een toetsing aan de criteria van bijlage II uitwijst dat het voorgenomen project geen aanzienlijke gevolgen kan hebben voor het milieu en een project-MER redelijkerwijze geen nieuwe of bijkomende gegevens over aanzienlijke milieueffecten kan bevatten.’ 2. Het ontheffingsbesluit vermeldt uitdrukkelijk : ‘Het ontheffingsdossier is opgesteld in toepassing van artikel 4.3.3 §3 1/ van het Decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid (...)’. (...) En : ‘Het project is in uitvoering van het Masterplan waarvoor reeds een plan-MER werd goedgekeurd op 30 mei 2005.’ Ook het ontheffingsverzoek verwijst uitdrukkelijk naar het bewuste Masterplan en besluit : ‘dat een project-MER redelijkerwijze geen nieuwe of bijkomende gegevens over aanzienlijke milieueffecten kan bevatten.’ Ook het vergunningsbesluit zelf verwijst uitdrukkelijk naar het bewuste Masterplan (...). Blijkbaar beroept het ontheffingsbesluit zich dus op de ontheffingsmogelijkheid voor het geval ‘vroeger al een plan-MER werd goedgekeurd betreffende een plan of programma waarin het project past’ en ‘een nieuw project-MER redelijkerwijze geen nieuwe of bijkomende gegevens over aanzienlijke milieueffecten kan bevatten’. Vreemd genoeg bevat het ontheffingsbesluit (noch in het motiverend gedeelte, noch in het beschikkend gedeelte) enig argument waaruit zou moeten blijken dat in casu een project-MER redelijkerwijze geen nieuwe of bijkomende gegevens over aanzienlijke milieueffecten kan bevatten. Het is nochtans enkel op deze voorwaarde dat een ontheffing kan worden verleend ingeval van een plan-MER waarin het project zou passen. Hierna zal trouwens blijken dat er terzake niet alleen niet gemotiveerd werd, maar dat de betreffende voorwaarde de facto ook niet is vervuld, zodat artikel 4.3.3 § 3 1/ DABM ook effectief is geschonden. Met name is het potentiële effect van het concrete tramlijnproject op de verkeersbelasting in de aangrenzende woonwijken niet, minstens niet afdoende aan bod gekomen in het plan-MER voor het masterplan Antwerpen. 3. Tegelijk lijkt het ontheffingsbesluit zich te beroepen op de alternatieve ontheffingsmogelijkheid van artikel 4.3.3 §3 2/ DABM en artikel 2 §§2 en 3 van het MER-besluit. Dit vereist bijgevolg een toetsing aan de criteria van bijlage II van het DABM die uitwijst dat het voorgenomen project geen aanzienlijke gevolgen kan hebben voor het milieu en een project-MER redelijkerwijze geen nieuwe of bijkomende gegevens over aanzienlijke milieueffecten kan bevatten. X-13.363-15/32 Deze selectiecriteria zijn: ‘l. De kenmerken van de projecten Bij de kenmerken van de projecten moeten in het bijzonder de volgende aspecten in overweging worden genomen: a. de omvang van het project; b. de cumulatie met andere projecten; c. het gebruik van natuurlijke hulpbronnen; d. de productie van afvalstoffen; e. verontreiniging en hinder; f. risico op ongevallen, met name gelet op de gebruikte stoffen of technologieën. 2. De plaats van de projecten (...) 3. De kenmerken van het potentiële effect Bij de potentiële aanzienlijke effecten van het project moeten in samenhang met de criteria van de punten 1 en 2 in het bijzonder de volgende aspecten in overweging worden genomen: a. het bereik van het effect (geografische zone en omvang van de getroffen bevolking); b. het grensoverschrijdend karakter van het effect; c. de orde van grootte en de complexiteit van het effect; d. de waarschijnlijkheid van het effect; e. de duur, de frequentie en de omkeerbaarheid van het effect. Hierna zal blijken dat bij het verlenen van de ontheffingsbeslissing geen rekening is gehouden met de diverse kenmerken, in het bijzonder de hierboven gemarkeerde kenmerken, van het project op de verkeersbelasting in de aangrenzende woonwijken. 3. Met betrekking tot de specifieke verkeersproblematiek stelt de ontheffingsaanvraag zelf op pagina 18-19 : ‘Mogelijke bron voor het inschatten van toekomstige stromen is het Multimodaal verkeersmodel Antwerpen, MMA2+ is echter ontworpen en gekalibreerd om betrouwbare prognoses te geven op hoofdwegen en binnen gebieden op planniveau. De resultaten uitvergroten op linkniveau voor het onderliggende wegennet kan dan ook slechts indicatief zijn. (.. .) Gezien de capaciteit door het project sterker afneemt is een verminderde doorstroming op deze weglink te verwachten wat ertoe leidt dat deze weg minder aantrekkelijk wordt voor autoverkeer. Op de Houtlaan is een verkeerstoename te verwachten van zo’n 500 pae/uur of 25%. Dit effect valt binnen de opzet van het project om het verkeer rond de bebouwde kom en via de Houtlaan te leiden. Uit de MMA2+ berekeningen is geen significante toename van sluipverkeer op onderliggend wegennet af te leiden. Indien dit zich in de praktijk zou voordoen kan het natuurlijk noodzakelijk zijn om maatregelen in de woonstraten te nemen om eventueel sluipverkeer te ontraden.’ Deze motivering in de ontheffingsaanvraag is op zich reeds tegenstrijdig en merkwaardig : enerzijds stelt men dat het gebruikte model niet geschikt is voor het onderliggende wegennet, anderzijds gaat men hieruit wel ‘positieve effecten’ distilleren en zeer uitdrukkelijk stellen dat hieruit geen significante toename van sluipverkeer valt af te leiden. Tegelijk erkent men dat bovenlokale wegen (zoals Houtlaan) door het project meer zullen worden belast. Hoe het autoverkeer, dat niet meer terecht kan op de N112 door de halvering van het aantal rijstroken, deze Houtlaan zal bereiken, is blijkbaar niet onderzocht. Het antwoord is eenvoudig : door de aangrenzende woonwijken. Blijkbaar ziet men dit ook wel in en sluit men de ‘mogelijkheid’ van een toenemend sluipverkeer niet uit. X-13.363-16/32 Op pagina 30 besluit het ontheffingsverzoek evenwel dat er geen aanzienlijke gevolgen voor het milieu zullen zijn en dat een project-MER geen nieuwe of bijkomende gegevens over aanzienlijke milieueffecten kan bevatten. Vreemd genoeg is in de oplijsting van de mogelijke effecten het potentiële sluipverkeer niet meer vermeld. 4. Omdat BAM zelf ook wel beseft dat het ontheffingsverzoek allesbehalve sluitend is, verwijst het ontheffingsverzoek naar het plan-MER dat opgesteld werd in het kader van het Masterplan Antwerpen en motiveert het uitdrukkelijk op pagina 30 : ‘Gezien in 2004 een plan-MER Masterplan Antwerpen is uitgevoerd waarin ook de effecten van de tramprojecten (incl. Tramlijn Deume-Wijnegem) globaal zijn bestudeerd.’ Hierna zal blijken dat dit plan-MER in het kader van het project in casu geenszins voldoet, omdat de problematiek van de tramverlenging van tram 10 daarin uiterst summier aan bod komt.

  1. a)Verzoeker leest hierover in de samenvatting van het hoofdrapport van de bewuste plan-MER d.d. mei 2005, met name op p. 26 en 48 : ‘Omdat de millieueffecten hiervan zeer sterk lokaal zijn, worden de afzonderlijke tramprojecten van het Masterplan buiten de deelgebieden niet besproken in het plan-MER.’ ‘Omdat er geen Masterplanvarianten voor dit gebied beschikbaar zijn en de effecten van de tramlijnen zeer lokaal zijn, wordt de bespreking van de effecten beperkt tot een algemene beschouwing. De negatieve effecten van de aanleg van nieuwe tramlijnen situeren zich vooral op het lokale vlak, waar geluid- en trillingshinder het belangrijkst zijn. De bijhorende heraanleg van de gewestwegen - waarbij vaak rijvakken voor autoverkeer worden opgeofferd aan een vrije tram- en busbaan - kunnen leiden tot lokale negatieve effecten zoals sluipverkeer. (...) De lokale hinder kan in grote mate beperkt worden door het nemen van doorstromingsmaatregelen tegen sluipverkeer en de keuze voor een geluids- en trillingsarm tramsysteem.(...)’ Hieruit volgt dat in het bewuste plan-MER n.a.v. het masterplan Antwerpen geen onderzoek, laat staan een gedetailleerd onderzoek, werd gedaan voor het tramproject in casu. Wel wordt uitdrukkelijk verwezen naar de problematiek van het sluipverkeer.
  2. b)Het ‘goedkeuringsverslag’ van de MER-cel van de Vlaamse overheid d.d. 30 mei 2005 stelt over het bewuste plan-MER m.b.t. de tramlijnen, onder meer op p. 25-26 en 29 : ‘Paragraaf 7.5 in het hoofdrapport behandelt de effecten in de zgn. corridorzone. De technische deelrapporten behandelen dit gebied niet waardoor de effecten in deze zone slechts zeer summier en vrij algemeen zijn beschreven. Voor deze corridorzone is de plan-MER, in tegenstelling tot de andere deelgebieden, niet gaan inzoomen op een meer gedetailleerd niveau dan voor het gehele plangebied. De effecten die in deze zone plaatsvinden zijn meestal het gevolg van de aanleg van tramprojecten binnen de bedding van bestaande wegen. In deze corridorzone kunnen t.g.v. de realisatie van bepaalde projecten in de andere zones uiteraard ook (positieve of negatieve) effecten, zijnde gewijzigde verkeersstromen en de daarvan afgeleide effecten op lucht, geluid, trillingen,... optreden. Doch deze effecten zijn helemaal niet in dit plan-MER op het gebiedsniveau behandeld. Deze aspecten zijn natuurlijk wel mee opgenomen in de beoordeling van het gehele Masterplan op planniveau. Nochtans was uit de kennisgeving af te leiden dat binnen de corridorzone deze effecten wel degelijk meer in detail X-13.363-17/32 zouden worden beschreven. Deze plan-MER heeft dus niet de voorstellen uit het kennisgevingsdossier, bevestigd door de richtlijnen, gevolgd. Wel stelt men op p.310 van het hoofdrapport dat de ‘lokale milieueffecten van de tramprojecten in het kader van vervolgprocedures (project-m.e.r. of ontheffingsaanvraag) nader onderzocht en gerapporteerd zullen worden’ Het project op de Leien wordt als voorbeeld voor een corridorproject in dit plan-MER behandeld maar kent een beetje dezelfde gebreken (...). Het hoofdrapport behandelt voor de corridorzone dus uitsluitend de aanleg van tramlijnen (en daarmee samenhangend de heraanleg van de weg, incl. de realisatie van fietspaden). In de inleiding van §7.5 is aangegeven dat milieueffecten voor deze tramlijnen zeer lokaal zijn. Dit neemt uiteraard niet weg dat ze significant kunnen zijn. De volgende informatie ontbreekt in deze paragraaf om als een goede effectbespreking te kunnen doorgaan (en zou per tramlijn zeker relevant zijn geweest): - informatie m.b.t. het ruimtebeslag, m.n. waar kan de traminfrastructuur binnen de bestaande wegzate en waar niet, waar zorgt de aanleg voor een reductie van het aantal rijstroken; - welke zijn de gewijzigde wegverkeersstromen (=gewijzigd aantal voertuigen per type) t.o.v. de 0-strategie op de wegen waar de tramlijnen worden aangelegd en dit in samenhang met de gewijzigde verkeerssituatie elders. De cijfers waren zeker uit MMA2+ bij de meest plausibele strategie, zoals voor alle andere deelgebieden, te distilleren, door op elke omgeving van een tramlijn te gaan uitvergroten; - uit deze gewijzigde (auto-)verkeersstromen kon dan de daling en/of stijging van de geluids- en trillingshinder, de wijziging in luchtkwaliteit, de gewijzigde mobiliteitscriteria inzake veiligheid, bereikbaarheid, e.d. gepresenteerd worden; - informatie over de ligging van de nieuwe tramlijnen t.o.v. de relevante aandachtsgebieden voor fauna en flora (VEN-gebieden, groene gewestplanbestem(m)ingen, waardevolle gebieden op de BWK) en inzake monumenten en landschappen (beschermde landschappen en monumenten, relictzones, punt- en lijnrelicten, ankerplaatsen) en hun mogelijke hinder. Op de kilometerhokkenkaarten, gebruikt voor de evaluatie van de effecten op planniveau valt af te leiden dat er toch tramlijnen in de buurt van dergelijke gebieden komen. - Informatie over voor mens-gezondheid gevoelige instellingen (ziekenhuizen, ... ) langs deze tramlijnen en hun mogelijke hinder - deze lokale effecten hadden dan ook cartografisch gepresenteerd kunnen worden. Door invulling te geven aan bovenstaande informatie konden in deze plan-MER t.b.v. deze tramlijnen toch eventuele knelpunten ruimtelijk gedetecteerd worden. Nu is de beschrijving te algemeen om deze elementen in beeld te brengen. Burgers uit het gebied vinden in deze plan-MER geen duidelijk antwoord op bijv. de volgende vraag: ‘Ga ik, gezien mijn woonplaats in het corridorgebied, meer of minder hinder ondervinden van de gewijzigde mobiliteit, zijnde mogelijks minder auto’s maar meer trams’. Zeker in de gevalstudie van de Leien was, gezien polemieken die er rond dit project bestaan, deze informatie zeer nuttig geweest. Dit is in vervolgprocedures aan te vullen. Voor de ‘Corridorzone’ werd er geen samenvattende paragraaf met mogelijke milderende maatregelen beschreven. Sommige maatregelen zijn zeer vaag omschreven.’ ‘Vermits er voor het corridorgebied geen alternatieven onderzocht zijn was het ook niet nodig om voor dit gebied een MCA uit te voeren. Het resultaat is dat dit gebied dus in de technische deelrapporten niet aan bod is gekomen en dat derhalve de effecten (vooral dan deze van de aanleg van tramlijnen) in dit grote gebied niet zo grondig werden bestudeerd. Het rapport geeft ook X-13.363-18/32 niet aan of de voorgestelde tramtracés de meest milieuvriendelijke locaties zijn.’ Hieruit blijkt afdoende dat het plan-MER van het Masterplan Antwerpen de milieueffecten van de nieuwe tramlijnen in ‘de corridor’ (waaronder de tramlijn in casu) niet in kaart heeft gebracht én dat de Vlaamse overheid meent dat dit in ‘vervolgprocedures’ dient te worden aangevuld. Op geen enkele wijze kan het plan-MER van het Masterplan Antwerpen enig licht scheppen op de concrete effecten van de bewuste tramlijn in casu, nu de Vlaamse overheid zelf aangeeft dat deze in het plan-MER niet grondig zijn bestudeerd en dat de burger hierover geen concrete informatie uit het plan-MER kan halen. Bijgevolg kan het plan-MER ook niet dienen om de leemten van de ontheffingsaanvraag voor de tramlijn in casu te maskeren. In geen geval biedt het plan-MER informatie waaruit kan worden afgeleid dat een ‘project-MER redelijkerwijze geen nieuwe of bijkomende gegevens over aanzienlijke milieueffecten kan bevatten.’ Op deze wijze zijn het ontheffingsbesluit en het vergunningsbesluit manifest in strijd met artikel 4.3.3. § 3 1/ DABM. 5. De MER-ontheffingsbeslissing van de Vlaamse overheid d.d. 3 augustus 2005 stelt hierover zelf : ‘De aanleg van de tramlijn (incl. Vrije busbaan) en van de herinrichting van de weg (bredere voet- en fietspaden) vergt het reduceren van het aantal rijstroken voor het autoverkeer. Door deze afname kan de reeds aanwezige congestie en het sluipverkeer versterken; beide effecten hebben daardoor ook bijkomende effecten op mens-hinder. Het ontheffingsverzoek heeft deze effecten voldoende kwantitatief in beeld gebracht.’ Deze laatste zin is wel zeer verwonderlijk : zoals hoger aangetoond, bevat de aanvraag terzake GEEN concrete verifieerbare elementen, maar louter assumpties die elkaar nog tegenspreken. In het beschikkend gedeelte van de ontheffingsbeslissing concludeert de Vlaamse overheid dan : ‘De ontheffingsaanvraag bevat voldoende informatie om het aspect milieu een volwaardige plaats te geven bij besluitvorming. Uit het ingediende rapport blijkt dat er geen significante effecten te verwachten zijn en waar men ze verwacht dat ze worden gemilderd. (...) Wel zullen bijkomende maatregelen voor het ontmoedigen van het sluipverkeer in de aangrenzende woonwijken, na monitoring, noodzakelijk zijn.’ Deze conclusie is op haar beurt zeer verwonderlijk. Het is volstrekt onduidelijk waaruit de Vlaamse overheid afleidt dat er geen significante effecten zijn. Enerzijds erkent de overheid het risico van sluipverkeer, anderzijds neemt zij kritiekloos de ‘assumpties’ van de aanvrager aan dat er terzake geen significante effecten te verwachten zijn, daar waar de aanvrager zich baseert op een model waarvan hijzelf stelt dat dit niet bedoeld is om uit te vergroten op linkniveau voor het onderliggende wegennet. Tegelijk bevat de aanvraag zelf niet voldoende informatie, omdat de aanvrager het zelf nodig vindt om te verwijzen naar een plan-MER, die bij nader inzien geen voldoende relevante informatie bevat. Hieruit blijkt zonder meer dat het ontheffingsbesluit ten onrechte heeft geconcludeerd dat er inzake mens/mobiliteit, inzonderheid het sluipverkeer, geen significante effecten waren. Op deze wijze is het ontheffingsbesluit ook manifest in strijd met artikel 4.3.3. § 3 2/ DABM. Te meer omdat dit besluit in casu rekening dient te houden met diverse ‘kenmerken’ uit bijlage II DABM : de omvang van het project, de plaats van de projecten, de kenmerken van het potentiële effect waaronder : X-13.363-19/32 a. het bereik van het effect (geografische zone en omvang van de getroffen bevolking); c. de orde van grootte en de complexiteit van het effect; d. de waarschijnlijkheid van het effect; e. de duur, de frequentie en de omkeerbaarheid van het effect. In concreto had minstens rekening moeten gehouden met de specificiteit van de enorme verkeersstroom die gegenereerd wordt door het Wijnegem Shopping Center en waarvoor op de N112 (nog minder) plaats meer zal zijn door het tramproject en waardoor de aangrenzende woonwijk met sluipverkeer zal worden geconfronteerd. 6. Het eerste bestreden besluit motiveert onder punt 6 over de milieueffecten. Het eerste bestreden besluit neemt allereerst de ondeugdelijke ‘motivering’ van het ontheffingsbesluit woordelijk over. Verder verwijst het eerste bestreden besluit naar het plan-MER Masterplan Antwerpen: ‘In 2004 is een plan-MER uitgevoerd waarin ook de effecten van de tramprojecten globaal zijn bestudeerd.’ Zoals hoger aangetoond is dit plan-MER evenmin van aard om welke informatie dan ook over de concrete milieueffecten van het project te bieden. Daarna volgt een grammaticaal onbegrijpelijke zin, die woordelijk de conclusie overneemt van de ontheffingsaanvraag. Het eerste bestreden besluit eindigt op dit punt als volgt : ‘Kan men besluiten dat het project geen aanzienlijke gevolgen zal hebben voor het milieu en een project-MER geen nieuwe of bijkomende gegevens over aanzienlijke milieu-effecten kan bevatten.’ Het is volstrekt onduidelijk op basis waarvan het eerste bestreden besluit tot deze conclusie komt, aangezien hoger is aangetoond dat noch het onheffingsverzoek noch de plan-MER voor het masterplan Antwerpen enige concrete informatie bevatten. Ook het vergunningsbesluit is bijgevolg manifest in strijd met artikel 4.3.3. § 3 DABM. 7. Zoals reeds aangegeven onder de feiten hebben zich tijdens het openbaar onderzoek tientallen bewoners van de wijk, o.a. van de Ganzenweg, gemeld en zijn in totaal 52 bezwaren geuit omtrent het dreigende sluipverkeer door hun straat respectievelijk wijk. De gewestelijk stedenbouwkundig ambtenaar reageert hierop als volgt in bijlage II aan het bestreden besluit onder punt ‘mobiliteit’ : ‘Voor de doorsteek aan de Ruggeveldstraat is het technisch niet meer mogelijk deze te behouden. Mocht uit een evaluatie na herinrichting blijken dat er inderdaad een overbelasting is van de Ganzenweg kan door middel van plaatselijke ingrepen het sluipverkeer worden geweerd. Dergelijke ingrepen zullen onderdeel moeten uitmaken van een evaluatie na uitvoering der werken’. Dit is uiteraard geen deugdelijke motivering. De stedenbouwkundig ambtenaar geeft helemaal niet aan waarom de bestaande doorsteek aan de Ruggeveldstraat technisch niet meer mogelijk is. Dit blijkt nergens uit de aanvraag of uit adviezen. Zelfs indien dit zo zou zijn, is het maar de vraag waarom dan noodzakelijk een andere doorsteek nodig was, laat staan ter hoogte van de Ganzenweg. Ten slotte gaat het niet op om de problematiek onder de mat te vegen en af te wachten tot na de werken. Daarna motiveert de stedenbouwkundig ambtenaar aan de hand van de ‘bovenlokale problematiek’, maar die houdt uiteraard geen concreet antwoord in op het concrete bezwaar. X-13.363-20/32 8. Het is aldus duidelijk dat voor het project in casu ten onrechte ontheffing is verleend : S het plan-MER masterplan Antwerpen is niet dienend inzake de mogelijke verkeershinder in aangrenzende woonwijken, laat staan dat hieruit kan worden afgeleid dat een nieuw project-MER redelijkerwijze geen nieuwe of bijkomende gegevens over aanzienlijke milieueffecten kan bevatten; S de toetsing aan de criteria van bijlage II wijst geenszins uit dat het voorgenomen project geen aanzienlijke gevolgen kan hebben voor het milieu; In casus is bijgevolg manifeste schending van artikel 4.3.3. §3 DABM. Bijgevolg had een project-MER moeten worden opgesteld en zijn het ontheffingsbesluit en bijgevolg het bestreden besluit in strijd met de Vlaamse MER-regelgeving. 9. Om deze reden vraagt verzoeker ook schorsing en vernietiging van het tweede bestreden besluit. Verzoeker stelt daarbij - voor zover nodig - dat deze ontheffingsbeslissing deel uitmaakt van een complexe rechtshandeling en dus perfect samen met het eerste bestreden besluit kan worden aangevochten. Dienaangaande steunt verzoeker op het princiepsarrest van uw Hoge Raad inzake complexe rechtshandelingen ‘Labonorm’ d.d. 2 december 2005. Minstens vraagt verzoeker dat Uw Hoge Raad het tweede bestreden besluit in toepassing van artikel 159 G.W. wegens onwettigheid buiten toepassing verklaart. 10. Het eerste bestreden besluit steunt noodzakelijk op en verwijst uitdrukkelijk naar de onwettige ontheffingsbeslissing. Bijgevolg is het bestreden besluit dat genomen is zonder MER en zich baseert op een onwettige ontheffingsbeslissing, manifest onwettig. Minstens is het eerste bestreden besluit in strijd met voormelde MER-regelgeving, in elk geval is het onzorgvuldig tot stand gekomen en niet afdoende gemotiveerd : S door te verwijzen naar het plan-MER Masterplan Antwerpen, zonder dat dit concrete en deugdelijke informatie over de milieueffecten van het project bevat; S door de conclusies van het ontheffingsbesluit kritiekloos over te nemen, zonder deze beslissing zelf te onderzoeken, hetgeen zich toch opdrong aangezien het ontheffingsbesluit zelf het sluipverkeer minstens als potentieel milieueffect erkent; S geen verder deugdelijk onderzoek te verrichten naar dit sluipverkeer; S niet te motiveren waarom de bestaande doorsteek aan de Ruggeveldstraat wordt geschrapt, laat staan waarom er überhaupt een nieuwe doorsteek dient te komen tussen het Shoppingcenter en Wijnegem-centrum, laat staan aan de Ganzenweg; S Niet te antwoorden op de bezwaren”. 4.3.2.2. Onderzoek van de ernst van het middel 4.3.2.2.1. Artikel 4.3.2, §§2 en 4 DABM bepaalt: “§ 2. De Vlaamse regering wijst, aan de hand van de criteria die worden omschreven in de bij dit decreet gevoegde bijlage II, de andere dan in § 1 bedoelde categorieën van projecten aan waarvoor overeenkomstig dit hoofdstuk al dan niet een milieueffectrapport moet worden opgesteld op grond van een X-13.363-21/32 beslissing, geval per geval, van de administratie. Deze mogelijkheid geldt ook indien wegens het verstrijken van de lopende vergunning van het project een nieuwe vergunning moet worden aangevraagd. (...) § 4. De Vlaamse regering stelt, aan de hand van de criteria die worden omschreven in bijlage II, de selectiecriteria vast op grond waarvan de administratie geval per geval beslist of voor de in §§ 2 en 3 bedoelde projecten overeenkomstig dit hoofdstuk al dan niet een milieueffectrapport moet worden opgesteld. Deze selectiecriteria moeten toelaten uit te maken of aan een bepaald project, dan wel aan een verandering daarvan, al dan niet aanzienlijke milieueffecten verbonden kunnen zijn. Bij een beslissing overeenkomstig §§ 1, 2 of 3 duidt de Vlaamse regering eveneens de administraties, overheidsinstellingen en openbare besturen aan die, overeenkomstig artikel 4.3.4, § 4, een afschrift van de kennisgeving moeten ontvangen. De selectiecriteria worden minstens om de vijf jaar herzien maar blijven geldig tot ze vervangen zijn door nieuwe. Ze worden meegedeeld aan de Europese Commissie”. Artikel 4.3.3, §3 DABM bepaalt: “§ 3. In de gevallen

artikel 4.3.2 kan de initiatiefnemer een gemotiveerd verzoek tot ontheffing van de rapportageverplichting indienen bij de administratie. Onverminderd § 5 en voor zover het voorgenomen project niet valt onder de toepassing van de lijst van projecten die door de Vlaamse regering overeenkomstig artikel 4.3.2., § 1, is vastgesteld, kan de administratie een project toch ontheffen van milieueffectrapportage als ze oordeelt dat : 1° vroeger al een plan-MER werd goedgekeurd betreffende een plan of programma waarin het project past of een project-MER werd goedgekeurd betreffende een project waarvan het voorgenomen initiatief een herhaling, voortzetting of alternatief is, en een nieuw project-MER redelijkerwijze geen nieuwe of bijkomende gegevens over aanzienlijke milieueffecten kan bevatten; of 2° een toetsing aan de criteria van bijlage II uitwijst dat het voorgenomen project geen aanzienlijke gevolgen kan hebben voor het milieu en een project-MER redelijkerwijze geen nieuwe of bijkomende gegevens over aanzienlijke milieueffecten kan bevatten”. Artikel 2, §§ 2 en 3, van het project-m.e.r.-besluit bepaalt: “§

  1. Voor de categorieën van projecten vervat in bijlage II bij dit besluit kan de initiatiefnemer een gemotiveerd verzoek tot ontheffing indienen bij de bevoegde administratie. §
  2. De bevoegde administratie beslist geval per geval over deze verzoeken tot ontheffing. Ze beslist op basis van de selectiecriteria die zijn vastgesteld in bijlage II van het decreet”. 4.3.2.2.
  3. Om ontvankelijk te zijn moet in een middel voldoende duidelijk zijn omschreven op welke wijze, volgens de verzoeker, de rechtsregels waarvan de schending wordt aangevoerd, worden geschonden. Met betrekking tot de door de verzoeker aangevoerde schending van artikel 4.3.2, §§ 2 en 4 DABM en artikel 2, X-13.363-22/32 §§ 2 en 3, van het project-m.e.r.-besluit, lijkt aan deze vereiste niet te zijn voldaan. Wat betreft die onderdelen van het tweede middel is de vordering tot schorsing niet ontvankelijk. 4.3.2.2.
  4. Het onderzoek van het onderdeel van het tweede middel waarin de schending wordt aangevoerd van artikel 4.3.3, §3 DABM, lijkt beperkt te moeten worden tot artikel 4.3.3, §3, 2/ DABM, aangezien in het besluit over het ontheffingsverzoek enkel wordt verwezen naar de ontheffingsvoorwaarden vermeld in deze bepaling (“significante effecten”, “aanzienlijke gevolgen (...) voor het milieu”, “een project-MER geen nieuwe of bijkomende gegevens over aanzienlijke milieu-effecten kan bevatten”). Het feit dat in de ontheffingsbeslissing onder de hoofding “Projectbeschrijving en mer-procedure” is vermeld dat het “ontheffingsdossier is opgesteld in toepassing van artikel 4.3.
  5. § 3 1/”, lijkt daaraan niets af te doen. Uit de bespreking van de verschillende disciplines en knelpunten die mogelijks bijkomende effecten kunnen ondervinden ten gevolge van de aanleg van de tramlijn en herinrichting van de N112, lijkt de ontheffing immers in essentie te zijn verleend met toepassing van artikel 4.3.3, § 3, 2/ DABM. 4.3.2.2.
  6. De verzoeker vraagt in wezen dat de Raad van State, en dan nog in administratief kort geding, zou vaststellen dat de Cel Mer, daarin gevolgd door de gewestelijk stedenbouwkundig ambtenaar, de toetsing van het ontheffingsverzoek aan de criteria van bijlage II van het DABM onvolledig of niet correct heeft uitgevoerd en bijgevolg artikel 4.3.3, § 3, 2/ DABM heeft geschonden. De Cel Mer beschikt bij de beoordeling van het al dan niet voldaan zijn aan de criteria van de bijlage II van het DABM op het eerste zicht over een ruime discretionaire bevoegdheid. De Raad van State, bevoegd voor de toetsing van de wettigheid van een stedenbouwkundige vergunning, kan zijn beoordeling ter zake niet in de plaats stellen van die van de Cel Mer. Hij kan enkel nagaan of de Cel Mer wettig tot haar beslissing is gekomen, met andere woorden of ze op grond van juiste feitelijke gegevens in redelijkheid heeft kunnen beslissen dat, in casu, is voldaan aan de criteria van de bijlage II van het DABM. 4.3.2.2.
  7. Met betrekking tot de discipline mens/mobiliteit wordt in de ontheffingsbeslissing gesteld wat volgt: “De aanleg van de tramlijn (incl. vrije busbaan) en van de herinrichting van de weg (bredere voet- en fietspaden) vergt het reduceren van het aantal rijstroken voor het autoverkeer. Door deze afname kan de reeds aanwezige X-13.363-23/32 congestie en het sluikverkeer versterken; beide effecten hebben daardoor ook bijkomende effecten op mens-hinder. Het ontheffingsverzoek heeft deze effecten voldoende kwantitatief in beeld gebracht”. Daaruit blijkt dat de Cel Mer, rekening houdend met de kwantitatieve gegevens vermeld in de ontheffingsaanvraag, de mogelijkheid van sluipverkeer ingevolge de reductie van het aantal rijstroken voor het autoverkeer, in de voornoemde discipline heeft gerekend tot “bijkomende effecten” van het project. Om tot de conclusie te komen dat het “geen significante effecten” betreft, verwijst ze naar de in het ontheffingsverzoek vermelde milderende maatregelen en koppelt ze in haar besluit de ontheffing aan de voorwaarde dat “bijkomende maatregelen voor het ontmoedigen van het sluikverkeer in de aangrenzende woonwijken, na monitoring, noodzakelijk (zullen) zijn”. Zij heeft dus op het eerste zicht niet zonder meer geoordeeld dat het voorgestelde project geen significante gevolgen heeft in de discipline mens/mobiliteit. De eerste bestreden akte neemt de voormelde voorwaarde over en legt onder andere nog als bijkomende voorwaarde op om “de voorwaarden opgelegd door de gemeente Wijnegem integraal na te leven”. Die houden onder meer in om “de aanzet van de Ganzenweg en de J. Nauwelaertsstraat ter hoogte van de Turnhoutsebaan te versmallen tot een rijwegbreedte van circa 5m”. De verzoeker houdt in zijn betoog omtrent het onderhavige onderdeel van het tweede middel geen rekening met die bijkomende voorwaarde. Een kennelijke schending van artikel 4.3.3, § 3, 2/ DABM wordt niet concreet aannemelijk gemaakt. Het onderdeel van het middel is niet ernstig. 4.3.2.2.
  8. Ten slotte wat betreft de grief van de verzoeker met betrekking tot de beantwoording door de gewestelijk stedenbouwkundig ambtenaar van de concrete bezwaren, dient te worden vastgesteld dat de stelling van de gewestelijk stedenbouwkundig ambtenaar dat “voor de doorsteek aan de Ruggeveldstraat (...) het technisch niet meer mogelijk (is) deze te behouden(, dat,) mocht uit een evaluatie na herinrichting blijken dat er inderdaad een overbelasting is van de Ganzenweg, (...) door middel van plaatselijke ingrepen, het sluipverkeer (kan) worden geweerd (en dat) dergelijke ingrepen (...) onderdeel (zullen) moeten uitmaken van een evaluatie na uitvoering der werken”, in samenlezing met het in de vergunning aangehaalde besluit van de Cel Mer over de ontheffingsaanvraag en de opgelegde voorwaarden, er op het eerste zicht niet van doet blijken dat de gewestelijk stedenbouwkundig ambtenaar het zorgvuldigheidsbeginsel en de motiveringsverplichting zou hebben geschonden. X-13.363-24/32 4.3.2.2.
  9. Het tweede middel is dus deels niet ontvankelijk en deels niet ernstig. 4.3.
  10. Derde middel 4.3.3.
  11. In een derde middel voert de verzoeker de schending aan “van artikel 9 van de Richtlijn van de Europese Raad van 27 juni 1985 betreffende de milieueffectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten (85/337/EEG) en uit de schending van artikel 4.3.3 §4 en §8 van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid, minstens uit de schending van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, meer in het bijzonder het zorgvuldigheidsbeginsel en de materiële motiveringsplicht”. Hij licht dit middel toe als volgt: “
  12. Artikel 4.3.3 §8 van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid (hierna DABM) schrijft voor in het kader van een MER-ontheffingsverzoek : ‘De definitieve beslissing wordt door de initiatiefnemer gevoegd bij de vergunningsaanvraag.’ De Vlaamse overheid verduidelijkt deze bepaling, voor zover nodig, in haar brief van 4 augustus 2005 aan de initiatiefnemer, zijnde BAM: ‘Indien u een vergunningsprocedure wenst op te starten, bent u er toe gehouden om, volgens de bepalingen van artikel 4.3.
  13. §8 van het decreet betreffende de milieueffect- en veiligheidsrapportage uw verzoek tot ontheffing en de beslissing bij uw vergunningsaanvraag te voegen.’ Ook in het ontheffingsbesluit zelf staat vermeld: ‘Dit verslag dient samen met de ontheffingsaanvraag deel uit te maken van de vergunningsaanvraag.’ Artikel 4.3.3 §4 DABM stelt uitdrukkelijk dat het ontheffingsverzoek ten minste bevat : ‘de verantwoording voor het verzoek en alle relevante gegevens ter staving ervan.’ Artikel 9, lid 1 van de Richtlijn stelt bovendien: ‘Wanneer een beslissing over het verlenen of weigeren van een vergunning is genomen brengen de bevoegde instanties het betrokken publiek overeenkomstig de toepasselijke procedures op de hoogte en stellen zij de volgende informatie ter beschikking van het publiek: - (...) - na bestudering van de bezorgdheid en meningen van het betrokken publiek, de voornaamste redenen en overwegingen waarop de beslissing is gebaseerd, met inbegrip van informatie over de inspraakprocedure. - (...)’ In dit verband past het ook te verwijzen naar het arrest in de ‘Lotto zero’-zaak, waarbij het Hof van Justitie overwoog dat een besluit waarbij de bevoegde nationale instantie te kennen geeft dat een project gezien de kenmerken ervan niet hoeft te worden onderworpen aan een milieubeoordeling, voorzien moet zijn of vergezeld moet gaan van alle gegevens aan de hand X-13.363-25/32 waarvan kan worden getoetst of het besluit is gebaseerd op een passende voorafgaande verificatie die overeenkomstig de vereisten van de Richtlijn is verricht.
  14. In casu heeft de initiatiefnemer, zijnde B.A.M., bij haar vergunningsaanvraag een nota gevoegd met als titel ‘nota bij de stedenbouwkundige vergunning’ en met volgende inhoud blijkens de inhoudstabel :
  15. beschrijvende nota
  16. plannen
  17. fotoreportage
  18. bijlagen, waaronder: 4.
  19. verzoek tot ontheffing milieueffectenrapportage (excl. Bijlagen) 4.
  20. beslissing verzoek tot ontheffing milieu-effecten rapportage In het verzoek tot ontheffing worden als bijlagen vermeld:
  21. projectnota tramlijn Deurne-Wijnegem fase 1, modules 3,4, 8 en 17
  22. verslag inspraak tentoonstelling 21-22 januari 2005 Deze bijlagen maken bijgevolg integraal deel uit van het ontheffingsverzoek.
  23. De onder punt 2 vermelde twee bijlagen zijn in strijd met voormelde artikels van het DABM evenwel niet bij de vergunningsaanvraag gevoegd. Deze bijlagen lijken voor de vergunningaanvrager van die aard dat zij conform artikel 4.3.3 §4 DABM dienen als verantwoording voor het ontheffingsverzoek, minstens dat zij relevante gegevens zijn ter staving van dit verzoek. 3.
  24. In hoofdstuk 4 van het ontheffingsverzoek, getiteld ‘maatschappelijke gevoeligheid van het project’, wordt zeer uitdrukkelijk naar bijlage 2 verwezen: ‘Na de formele goedkeuring van het voorontwerp en de presentatie van deze nota op de provinciale auditcommissie, is in januari 2005 een tentoonstelling georganiseerd voor de ruimere bevolkingsgroep. Het verslag van deze informatieronde is toegevoegd in Bijlage 2.’ Deze bijlage 2 is dus minstens van belang om de publiciteit inzake de MER-beoordeling (zoals in het eerste middel toegelicht) te beoordelen. 3.
  25. In hoofdstuk 4 van het ontheffingsverzoek, getiteld ‘maatschappelijke gevoeligheid van het project’, wordt eveneens zeer uitdrukkelijk naar bijlage 1 verwezen: ‘Voorafgegaan door een korte toelichting aan de lokale politici (april 2004) over de inhoud en aanpak van het project, werden per gebied panelgesprekken (mei 2004) met bewoners en handelaars gehouden. Deze panelgesprekken hadden als doel het verzamelen van input en een beeld te krijgen van de vragen en bekommernissen die er bij de lokale bevolking leven. Er volgde voor deze deelnemers een terugkoppeling van de resultaten elementen die tijdens de gesprekken aan bod kwamen (zie ook Bijlage 1 : projectnota - hoofdstuk 2.4)’ Naar de eerste bijlage (projectnota) wordt eveneens op andere plaatsen in het ontheffingsverzoek verwezen: pagina 8 (onder punt 3.1.1.), noot 1 op pagina 8, pagina 18 (vierde laatste alinea),... Onder meer uit punt 3.1.
  26. blijkt dat de eerste bijlage, de projectnota, informatie zou bevatten over de bestaande toestand inzake mobiliteit. Uit punt 3.1.2 blijkt dan weer dat de projectnota informatie bevat over de impact van de geplande toestand op het wegverkeer, met verwijzing naar recente telgegevens. Mogelijk zijn in deze eerste bijlage gegevens te vinden die betrekking hebben op bv. sluipverkeer in woonwijken. X-13.363-26/32 Naar de exacte inhoud en de weerslag hiervan op het ontheffingsverzoek heeft verzoeker het raden. Nochtans vindt de cel-MER deze projectnota uiterst relevant, nu ze de projectnota ook vermeldt in haar ontheffingsbesluit (pagina 3).
  27. Tevens wordt in het ontheffingsverzoek verwezen naar documenten die niet eens vermeld worden als bijlage, laat staan als bijlage worden gevoegd. Ook deze documenten bijlagen lijken voor de vergunningaanvrager van die aard dat zij conform artikel 4.3.3 §4 DABM dienen als verantwoording voor het ontheffingsverzoek, minstens dat zij relevante gegevens zijn ter staving van dit verzoek. 4.
  28. Een eerste document heeft betrekking op het ‘multimodaalverkeersmodel Antwerpen’ (afgekort als MMA2+). Hiernaar wordt onder meer verwezen op pagina’s 18 en 19 van het ontheffingsverzoek. Dit document krijgt een centrale plaats in het hoofdstuk 3, waarin de potentiële effecten van het project worden getoetst, meer bepaald inzake mobiliteit. Dit document is van groot belang voor de initiatiefnemer én voor de Vlaamse administratie om het ontheffingsverzoek te stofferen én te beoordelen, aangezien het blijkbaar betrekking heeft op o.a. het sluipverkeer (waarover het ontheffingsbesluit een voorwaarde distilleert: zie verder). 4.
  29. Een ander document is het eigenlijke plan-MER Masterplan Antwerpen. Hiernaar wordt onder meer verwezen op pagina’s 19 e.v. van het ontheffingsverzoek. Ook dit document krijgt een centrale plaats in het hoofdstuk 3, waarin de potentiële effecten van het project worden getoetst. Dit blijkt ook uit het feit dat zowel het besluit van het ontheffingsverzoek (pagina 30) als de ontheffingsbeslissing zelf uitdrukkelijk verwijzen naar het plan-MER Masterplan. Dit laatste spreekt trouwens voor zich, nu het ontheffingsbesluit uitdrukkelijk verwijst naar artikel 4.3.3, §3, 1/ DABM: ‘... kan de administratie een project toch ontheffen van milieueffectrapportage als ze oordeelt dat:
  30. vroeger al een plan-MER werd goedgekeurd betreffende een plan of programma waarin het project past of een project-MER werd goedgekeurd betreffende een project waarvan het voorgenomen initiatief een herhaling, voortzetting of alternatief is, en een nieuw project-MER redelijkerwijze geen nieuwe of bijkomende gegevens over aanzienlijke milieueffecten kan bevatten;’ Gelet op deze bepaling dient het plan-MER waarop de initiatiefnemer en later de administratie zich beroepen gevoegd te worden als bijlage en dus ook bij de aanvraag. Omdat het ontheffingsverzoek voor wat (...) betreft de inschatting van de potentiële effecten in ruime mate steunt op het plan-MER Masterplan Antwerpen, hadden ook deze documenten als bijlage moeten worden gevoegd. Beide documenten zijn dan ook van groot belang voor de initiatiefnemer én voor de Vlaamse administratie om het ontheffingsverzoek te stofferen én te beoordelen en hadden als bijlage bij de vergunningsaanvraag moeten gevoegd.
  31. De ontheffingsbeslissing is, zoals hoger aangetoond, in strijd met voormelde DABM-bepaling, omdat de volledige inhoud van het ontheffingsverzoek (met name de noodzakelijke bijlagen) niet bij de vergunningsaanvraag is gevoegd. Om deze reden vraagt verzoeker schorsing en vernietiging van het tweede bestreden besluit. Verzoeker stelt daarbij - voor zover nodig - dat deze X-13.363-27/32 ontheffingsbeslissing deel uitmaakt van een complexe rechtshandeling en dus perfect samen met het eerste bestreden besluit kan worden aangevochten. Dienaangaande steunt verzoeker - voor zover nodig - op het princiepsarrest van uw Hoge Raad inzake complexe rechtshandelingen ‘Labonorm’ d.d. 2 december
  32. Minstens vraagt verzoeker dat Uw Hoge Raad het tweede bestreden besluit in toepassing van artikel 159 G.W. wegens onwettigheid buiten toepassing verklaart.
  33. Het eerste bestreden besluit steunt noodzakelijk op en verwijst uitdrukkelijk naar de onwettige ontheffingsbeslissing. Bijgevolg is het bestreden besluit dat genomen is zonder MER en zich baseert op een onwettige ontheffingsbeslissing, manifest onwettig”. 4.3.3.
  34. Onderzoek van de ernst van het middel 4.3.3.2.
  35. Artikel 9 van de project-m.e.r.-richtlijn bepaalt: “
  36. Wanneer een beslissing over het verlenen of weigeren van een vergunning is genomen, brengen de bevoegde instanties het betrokken publiek overeenkomstig de toepasselijke procedures op de hoogte en stellen zij de volgende informatie ter beschikking van het publiek: - de inhoud van de beslissing en de eventuele voorwaarden die daaraan zijn verbonden; - na bestudering van de bezorgdheid en meningen van het betrokken publiek, de voornaamste redenen en overwegingen waarop de beslissing is gebaseerd, met inbegrip van informatie over de inspraakprocedure; - indien nodig, een beschrijving van de voornaamste maatregelen om aanzienlijke schadelijke effecten te voorkomen, te beperken en zo mogelijk te verhelpen.
  37. De bevoegde instantie of instanties brengen elke lidstaat die overeenkomstig artikel 7 is geraadpleegd, op de hoogte en doen hem de in lid 1 vermelde informatie toekomen. De geraadpleegde lidstaten zorgen ervoor dat die informatie op een geschikte wijze ter beschikking wordt gesteld van het betrokken publiek op hun grondgebied”. Artikel 4.3.3, §§ 4 en 8 DABM bepaalt: “§
  38. Het verzoek,

§§ 1

, 2 of 3, bevat ten minste : 1° een beschrijving en verduidelijking van het voorgenomen project met inbegrip van de ruimtelijke situering ervan; de ruimtelijke situering bevat minstens een uittreksel van de ruimtelijke uitvoeringsplannen of de vigerende plannen van aanleg en van de topografische kaarten van de omgeving; 2° in voorkomend geval de gegevens die de administratie nodig heeft voor het aanvangen van de grensoverschrijdende informatie-uitwisseling,

§ 5

; 3° de verantwoording voor het verzoek en alle relevante gegevens ter staving ervan. De initiatiefnemer bezorgt het verzoek aan de administratie door betekening of tegen ontvangstbewijs. (...) X-13.363-28/32 §

  1. De definitieve beslissing wordt door de initiatiefnemer gevoegd bij de vergunningsaanvraag”. 4.3.3.2.
  2. In zoverre de verzoeker de schending aanvoert van artikel 9, eerste lid, tweede streepje, van de project-m.e.r.-richtlijn, moet, met verwijzing naar hetgeen reeds is vermeld onder randnummer 4.3.1.2.
  3. met betrekking tot het eerste middel, worden vastgesteld dat de voormelde bepaling op het eerste zicht geen directe werking heeft, aangezien ze onvoldoende duidelijk lijkt en verdere substantiële interne uitvoeringsmaatregelen lijkt te behoeven. Zo is erin sprake van “de bevoegde instanties”, “het betrokken publiek”, “de toepasselijke procedures” en “de inspraakprocedure”. Dit onderdeel van het middel lijkt dan ook niet ontvankelijk te zijn. 4.3.3.2.
  4. Overeenkomstig artikel 4.3.3, §8 DABM moet de tussenkomende partij (initiatiefnemer) de “definitieve beslissing” inzake het ontheffingsverzoek bij de vergunningsaanvraag voegen. Dat dit in casu is geschied, wordt niet betwist. Het feit dat het ontheffingsverzoek zelf, laat staan de bijlagen en documenten waarnaar daarin wordt verwezen, niet bij de vergunningsaanvraag is gevoegd, kan op het eerste zicht geen schending van die bepaling opleveren. Het onderdeel van het middel is niet ernstig. Ook op basis van artikel 4.3.3, §4 DABM kan op het eerste zicht niet worden geoordeeld dat de voormelde bijlagen of documenten bij de vergunningsaanvraag moeten worden gevoegd. Die bepaling heeft immers betrekking op hetgeen een ontheffingsverzoek minimaal moet bevatten en niet op de documenten die bij de vergunningsaanvraag moeten worden gevoegd. Ook dit onderdeel van het middel is niet ernstig. 4.3.3.2.
  5. Wat de aangevoerde schending van het zorgvuldigheidsbeginsel en de materiële motiveringsplicht betreft, dient te worden vastgesteld dat de conclusies van de bijlagen bij het ontheffingsverzoek, voor zover relevant, weergegeven zijn in het eigenlijke ontheffingsverzoek en als dusdanig gevoegd bij de vergunningsaanvraag. Het feit dat die documenten niet zelf bij de vergunningsaanvraag zijn gevoegd, impliceert dan ook op het eerste zicht niet dat de vergunningverlenende overheid niet over voldoende informatie en gegevens beschikte om tot de vergunningsbeslissing te komen. Het middel is derhalve ook wat dit onderdeel betreft niet ernstig. X-13.363-29/32 4.3.3.2.
  6. Het derde middel is dus deels niet ontvankelijk en is deels niet ernstig. 4.3.
  7. Vierde middel 4.3.4.
  8. In een vierde middel voert de verzoeker de schending aan “van artikel 105 van het Decreet Ruimtelijke Ordening”. Hij licht dit middel toe als volgt: “
  9. Art. 105 § 2 DRO bepaalt: ‘De vergunningverlenende overheid kan voorwaarden opleggen in het kader van het verlenen van een stedenbouwkundige vergunning of een verkavelingsvergunning.’
  10. In toepassing van artikel 105 DRO geeft het bestreden besluit de vergunning af aan de aanvrager die ertoe verplicht is o.a. volgende voorwaarde na te leven: ‘bijkomende maatregelen moeten, na monitoring, worden genomen voor het ontmoedigen van het sluipverkeer in de aangrenzende woonwijken.’
  11. Deze voorwaarde uit het bestreden besluit is in strijd met voormeld artikel 105 DRO, zoals o.a. ingevuld door uw Hoge Raad. (...) : ‘De voorwaarden die krachtens artikel 105, § 2, van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening kunnen worden opgelegd kunnen alleszins niet tot gevolg hebben dat aan de vergunninghouder een appreciatiebevoegdheid wordt verleend wat betreft de realisatie van de als voorwaarde opgelegde uitvoering van werken en handelingen of wijzigingen. Een stedenbouwkundige vergunning moet immers op zich de uitvoering toelaten van de in artikel 99 van het decreet houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening bedoelde werken, handelingen of wijzigingen. De realisatie van de opgelegde voorwaarde mag evenmin afhangen van een toekomstige onzekere gebeurtenis waarvan het zich voordoen afhangt van het handelen van een derde.’ (...) ‘Luidens artikel 105, par. 2 stedenbouwdecreet 1999 kan de vergunningverlenende overheid voorwaarden opleggen in het kader van het verlenen van een stedenbouwkundige vergunning of een verkavelings- vergunning. Deze voorwaarden moeten precies zijn en beperkt inzake hun draagwijdte en mogen alleen betrekking hebben op secundaire of bijkomstige elementen. Zij kunnen in ieder geval geen plaats laten voor een appreciatie inzake de uitvoering. Om precies te zijn kunnen zij evenmin afhankelijk zijn van een onzekere toekomstige gebeurtenis waarvan het al dan niet zich voordoen afhangt van een derde of van de begunstigde van de vergunning. In casu lijkt de betwiste voorwaarde niet precies en laat ze een ruime appreciatieruimte in de uitvoering aan de begunstigde ervan. Om te voldoen aan artikel 105, par. 2 stedenbouwdecreet 1999 mag worden aangenomen dat een voorwaarde maar wordt opgelegd met een welbepaald doel, met name het aanvaardbaar maken van de vergunning in het licht van de beoordelingsbevoegdheid van de overheid en in het licht van de geldende X-13.363-30/32 decretale en reglementaire bepalingen, zodat ook de ‘bijkomstige’ voorwaarden moeten toelaten dat de houder van de vergunning geen appreciatierecht inzake de uitvoering ervan heeft.’
  12. In casu laat de vergunningverlenende overheid o.a. na te bepalen: Welke maatregelen moeten worden genomen? Wat ‘monitoring’ precies is ? Wanneer de maatregelen zich precies opdringen, met name bij welke ‘resultaten’ die voortvloeien uit de monitoring? Wanneer (binnen welke termijn) deze maatregelen moeten worden genomen? Wie hiertoe het initiatief dient te nemen? In casu lijkt de betwiste voorwaarde niet precies en laat ze een ruime appreciatiemarge toe voor BAM nv. Kortom de rechtsonderhorige, in casu verzoeker, beschikt over geen enkele houvast in de vergunning om deze voorwaarde te kunnen afdwingen. Deze voorwaarde is manifest onwettig”. 4.3.4.
  13. Onderzoek van de ernst van het middel 4.3.4.2.
  14. Artikel 105 van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening (hierna : DRO) bepaalt onder meer : “De vergunningverlenende overheid kan voorwaarden opleggen in het kader van het verlenen van een stedenbouwkundige vergunning of een verkavelingsvergunning”. Volgens de verzoeker is er sprake van een schending van de voormelde bepaling omdat de voorwaarde dat “bijkomende maatregelen (...), na monitoring, (moeten) worden genomen voor het ontmoedigen van het slui(p)verkeer in de aangrenzende woonwijken”, niet precies is en een ruime appreciatiemarge laat aan de aanvrager van de vergunning, de n.v. BAM. 4.3.4.2.
  15. Deze voorwaarde houdt geen verband met de uitvoering van de stedenbouwkundige vergunning op zich. Bijgevolg lijkt ze geen voorwaarde te zijn in de zin van artikel 105 DRO. Het vierde middel is derhalve evenmin ernstig. 4.
  16. Uit hetgeen voorafgaat blijkt dat niet is voldaan aan de eerste door artikel 17, §2 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State opgelegde voorwaarde om de schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit te kunnen bevelen. Die vaststelling volstaat om de vordering af te wijzen. X-13.363-31/32 OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
  17. Het verzoek tot tussenkomst van de n.v. BAM in het administratief kort geding wordt ingewilligd. Artikel
  18. De vordering tot schorsing wordt verworpen. Artikel
  19. De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld. De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de tussenkomst in de schorsingsprocedure wordt uitgesteld. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op vier juni 2008, door : de H. J. BOVIN, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. G. SCHEVENEELS, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, G. SCHEVENEELS. J. BOVIN. X-13.363-32/32 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.183.799 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2011:ARR.212.825 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.