id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 05 juni 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.183.800 Rolnummer: A. 136942/VII-29940 Zaak: Arrest 183800 - Milieuvergunningen - 05/06/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-06-18 Raadplegingen: 60 - laatst gezien 2026-06-29 08:10 Fiche Arrest nr 183.800 van 5 juni 2008 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Milieuvergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 183.800 van 5 juni 2008 in de zaak A. 136.942/VII-29.940. In zake : René MORTIER, wonende te GENT (OOSTAKKER), Antwerpsesteenweg 969 tegen : de deputatie van de provincie Oost-Vlaanderen. tussenkomende partij : de BVBA AZALEA, gevestigd te GENT (OOSTAKKER), Antwerpsesteenweg 967. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, VIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat René MORTIER op 20 mei 2003 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van de bestendige deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen van 20 maart 2003 waarbij het beroep ingesteld tegen de beslissing van het college van burgemeester en schepenen van de stad Gent van 3 oktober 2002, houdende toekenning aan de BVBA AZALEA van de milieuvergunning voor het exploiteren van een inrichting, gelegen aan de Antwerpsesteenweg 967 te Gent (Oostakker), niet wordt ingewilligd en de beroepen beslissing wordt gewijzigd; Gezien het verzoekschrift tot tussenkomst van 7 augustus 2003; Gelet op de beschikking van 5 september 2003 die de tussenkomst van de BVBA AZALEA toelaat; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur G. DE BLEECKERE; VII-29.940-1/14 Gelet op de beschikking van 18 januari 2007 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gezien de laatste memorie van verzoeker; Gelet op de beschikking van 19 maart 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 30 april 2008; gelet op het feit dat deze terechtzitting werd uitgesteld tot 15 mei 2008 en dat zulks met op 23 april 2008 aangetekend verzonden brieven aan de partijen ter kennis werd gebracht; Gehoord het verslag van kamervoorzitter L. HELLIN; Gehoord de opmerkingen van verzoeker, die in persoon verschijnt, van bestuurssecretaris F. COCRIAMONT die verschijnt voor de verwerende partij en van advocaat A. VAN DAMME die verschijnt voor de tussenkomende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur G. DE BLEECKERE; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; 1. De feiten Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.1. De tussenkomende partij exploiteert sinds 1973 een azaleakwekerij, gelegen aan de Antwerpsesteenweg 967 te Oostakker. Verzoeker is een gebuur van de tussenkomende partij en woont aan de Antwerpsesteenweg 969. Op 31 oktober 1973 wordt aan de tussenkomende partij een exploitatievergunning verleend voor een termijn van dertig jaar, die verstrijkt op 30 oktober 2003. De tussenkomende partij dient bijgevolg een aanvraag tot hernieuwing in op 20 maart 2002. In het kader van het openbaar onderzoek naar aanleiding van deze aanvraag heeft verzoeker bezwaar ingediend. Het college van burgemeester en VII-29.940-2/14 schepenen van de stad Gent beslist op 3 oktober 2002 dat een vergunning op proef voor een termijn van zes maanden, vanaf 3 oktober 2002, kan worden verleend, mits het naleven van een aantal bijzondere voorwaarden. 1.2. Verzoeker tekent beroep aan tegen deze beslissing. Naar aanleiding van dit administratief beroep worden de volgende adviezen ingewonnen : (
- a)de afdeling Milieuvergunning adviseert op 20 december 2002 gunstig voor een proefvergunning van zes maanden, met ingang vanaf de einddatum van de lopende vergunning; (
- b)de Openbare Afvalstoffenmaatschappij voor het Vlaamse Gewest (hierna : OVAM) beslist op 23 december 2002 geen advies te geven omdat het beroepschrift geen specifieke klachten over vergunningsplichtige afvalaspecten bevat; (
- c)de provinciale milieudeskundige adviseert op 28 januari 2003 gunstig op grond van de volgende overwegingen : "* de ligging van de inrichting deels in een woongebied met landelijk karakter, deels in een agrarisch gebied (serres, bedrijfswoning en mazoutopslag), bestemming waarmee de exploitatie van een bloemisterij planologisch verenigbaar is; * dat de voorliggende aanvraag de hernieuwing betreft van een bestaande en vergunde azaleakwekerij enerzijds en anderzijds de uitbreiding van de inrichting met een aërobe compostering van max. 10 ton tuinafval; * dat uit het gecorrigeerd luchtemissiemeetrapport van 16 december 2002 van het officieel erkend laboratorium BECEWA blijkt dat voldaan wordt aan de emissiegrenswaarden van Vlarem II voor wat betreft de stookinstallatie; * dat uit de verslagen van de dienst Stedenbouw en Ruimtelijke Planning van de stad Gent en van de politie - directie Steun- en Verkeerstechnische Afdeling (verleend in de loop van de procedure in eerste aanleg) blijkt dat de inrichting aldaar kan gedogen worden; * dat mits stipte naleving van de opgelegde milieuvergunningsvoorwaarde de milieuhinder voor de onmiddellijke omgeving tot een aanvaarbaar niveau beperkt zou kunnen blijven enerzijds; * maar anderzijds dat de brandstoffenopslag alsook de stookinstallatie (blusmiddelen) nog volledig conform de vigerende reglementering moeten gebracht worden"; (
- d)de Provinciale Milieuvergunningscommissie adviseert op 4 februari 2003, na de tussenkomende partij te hebben gehoord, gunstig, in essentie op grond van dezelfde overwegingen als de provinciale milieudeskundige, en stelt voor als bijkomende voorwaarden op te leggen dat enkel vrachtwagens die zich op het terrein kunnen draaien worden toegelaten, en dat alle laad-, los- en transportactiviteiten verboden zijn tussen 19 en 7 uur. VII-29.940-3/14 1.3. Op 23 januari 2003 wordt de behandelingstermijn voor het administratief beroep met één maand verlengd tot 7 april 2003. Op 20 maart 2003 beslist de verwerende partij dat het beroep ongegrond is en dat de vergunning kan worden verleend voor een termijn van twintig jaar vanaf 31 oktober 2003, en dit omdat de tussenkomende partij na de zitting van de Provinciale Milieuvergunningscommissie aan de verwerende partij nieuwe elementen en gegevens heeft verstrekt over de stookinstallatie, meer bepaald over de precieze aard van de gebruikte stookolie; 2. De ontvankelijkheid 2.1. Overwegende dat de tussenkomende partij in haar verzoekschrift tot tussenkomst opwerpt dat verzoeker zich bij het uiteenzetten van zijn middelen enkel beperkt tot feitelijkheden, waarover de Raad van State zich niet kan uitspreken; dat de tussenkomende partij hier de conclusie aanknoopt dat er geen enkel ernstig middel wordt aangevoerd dat de vernietiging van het bestreden besluit kan verantwoorden, doch niet expliciet opmerkt dat de vordering in haar geheel niet ontvankelijk is; 2.2. Overwegende dat verzoeker in zijn laatste memorie stelt dat "zijn verzoekschrift tot nietigverklaring verwijst naar het niet naleven van de voorwaarden voor het verkrijgen van een milieuvergunning geregeld bij het Vlarem", dat dit tot de bevoegdheid van de Raad van State behoort, dat dienvolgens zijn verzoekschrift ontvankelijk is; 2.3. Overwegende dat uit het derde middel, zoals ontwikkeld in het verzoekschrift, blijkt dat verzoeker het beginsel van openbaarheid van bestuur geschonden acht; dat alvast met betrekking tot dit middel wordt besloten dat het niet beperkt is tot feitelijkheden, zodat het verzoekschrift alvast één ontvankelijk middel bevat en om die reden alleen reeds ook niet als onontvankelijk wordt afgewezen; 3. De gegrondheid 3.1.1. Overwegende dat verzoeker in het eerste middel de schending aanvoert van artikel 31, §2, 1/, van het besluit van de Vlaamse regering van 6 februari 1991 houdende vaststelling van het Vlaams reglement betreffende de milieuvergunning (hierna : Vlarem I); dat hij in essentie stelt dat de aanplakking van de kennisgeving van de milieuaanvraag haaks gebeurde op hetgeen artikel 31, § 2, VII-29.940-4/14 1/, van Vlarem I voorschrijft : "(...) de bekendmaking wordt tijdens de gehele duur van de aanplakking in goed zichtbare en goed leesbare staat gehouden; op de plaats waar de exploitatie gebeurt of is gepland, wordt voormelde bekendmaking aangebracht op een schutting of op een aan een paal bevestigd bord, op de grens tussen het perceel en de openbare weg en evenwijdig met deze laatste, en op een maximumhoogte van 2 m"; 3.1.2. Overwegende dat de verwerende partij in haar memorie van antwoord repliceert dat de aanplakking wel degelijk is gebeurd, doch dat deze niet parallel met de openbare weg kon worden gedaan, aangezien dit onmogelijk was ingevolge de beperkte oppervlakte van de toegangsweg met vrachtverkeer, dat vijftien schriftelijke bezwaren werden ingediend zodat moeilijk kan worden volgehouden dat de aanplakking onvoldoende waarneembaar was, dat zij bijgevolg van oordeel is geweest dat de beweerde tekortkoming geen invloed moest hebben op haar beslissing; 3.1.3. Overwegende dat verzoeker in zijn memorie van wederantwoord in essentie stelt dat de openbaarmaking van de aanvraag tot uitbreiding, die heeft geleid tot de milieuvergunning van 1992, niet of niet regelmatig is gebeurd, dat hij zich pas nadien in verbinding heeft gesteld met de milieudienst en op die manier kennis heeft kunnen nemen van de aanplakking, dat het uithangbord zich niet bevindt op de eigendom van de tussenkomende partij die op deze plaats zelfs niet de hoedanigheid van aanpalende eigenaar heeft, maar op zijn eigendom, dat voor het plaatsen van een dergelijk uithangbord de tussenkomende partij niet eens over een vergunning beschikt, dat de bekendmaking van de oorspronkelijk verkregen vergunning van 1992 niet of niet zichtbaar gebeurde, dat deze basisvergunning werd toegekend onder voorbehoud dat zij de rechten van derden niet schond, dat uit het ingrijpen van de stad Gent en alle aangebrachte middelen blijkt dat deze rechten ernstig werden geschonden; 3.1.4. Overwegende dat de tussenkomende partij in haar verzoekschrift tot tussenkomst in essentie hetzelfde doet gelden als de verwerende partij; dat zij daar expliciet aan toevoegt dat het niet nakomen van de vorm, verzoeker niet in zijn belangen heeft geschaad, zodat deze derhalve niet met goed gevolg dit vormgebrek kan inroepen, dat om een rechtshandeling die verricht is zonder het inachtnemen van substantiële vormvereisten ongedaan te maken, het verzuim van de substantiële vorm invloed moet hebben gehad op de inhoud van de gewraakte beslissing, hetgeen te dezen geenszins het geval is; VII-29.940-5/14 3.1.5. Overwegende dat verzoeker in zijn laatste memorie in essentie nog doet gelden dat door het niet of te laat opmerken van de aanplakking, andere bezwarende elementen niet aan het licht kwamen die de vergunnende overheid niet kon weten, dat de aanplakking nog op andere punten niet conform was, dat vooreerst de bekendmaking niet gebeurde op de plaats waar de exploitatie plaatsvindt, dat vervolgens de grens met de openbare weg van dit bedrijf niet de Antwerpsesteenweg maar de Drieselstraat is, dat de exploitant over een eigen exclusieve en voldoende brede uitweg naar de Drieselstraat beschikt, dat er nooit een recht van uitweg naar de Antwerpsesteenweg bestond, dat de enige rechthebbende toegang aan de Drieselstraat voldoende breed is, zodat daar op reglementaire wijze een aanplakking moest gebeuren; 3.1.6. Overwegende dat de bekendmaking van een milieuvergunnings- aanvraag tot doel heeft de belanghebbenden in staat te stellen hun bezwaren naar aanleiding van het openbaar onderzoek kenbaar te maken; dat verzoeker samen met vijftien omwonenden schriftelijk bezwaar heeft ingediend; dat de doelstelling van de openbaarmaking van de milieuvergunningsaanvraag derhalve bereikt is; dat verzoeker bijgevolg geen belang heeft bij het gegrond bevinden van het eerste middel; dat het eerste middel niet ontvankelijk is; 3.2.1. Overwegende dat verzoeker in het tweede middel in essentie stelt dat, in tegenstelling tot vroeger, steeds grotere vrachtwagens worden gebruikt, dat dit voor overlast op de openbare weg zorgt en het woongenot van verzoeker, wiens woning is gelegen in een woonzone met landelijk karakter, verstoort, dat tevens de privacy wordt geschonden door de hoge cabines van de vrachtwagens; dat verzoeker verder verwijst naar een bouwvergunning voor een nieuwe oprit in de buurt, waar een breedte van circa 8 meter wordt voorzien en tevens een bufferzone van 5 meter, terwijl de oprit van de bestreden inrichting nog niet de breedte van deze bufferzone heeft; dat verzoeker ten slotte verwijst naar het arrest van de Raad van State, nr.112.014 van 29 oktober 2002; 3.2.2. Overwegende dat krachtens artikel 2, § 1, 3/, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State het verzoekschrift een uiteenzetting van de feiten en middelen moet bevatten; dat een middel in de zin van die bepaling een voldoende en duidelijke omschrijving moet inhouden van de geschonden geachte rechtsregel of van het geschonden geachte rechtsbeginsel en van de wijze waarop die rechtsregel of dat rechtsbeginsel volgens verzoeker door het bestreden besluit is VII-29.940-6/14 geschonden; dat een middel waarbij de verwerende partij of de Raad van State slechts door het interpreteren van de bedoeling van de verzoekende partij kan uitmaken welke schending van welke rechtsregel is bedoeld, en aldus in feite zelf het middel formuleert, niet ontvankelijk is; Overwegende dat verzoeker het bestreden besluit inhoudelijk bekritiseert zonder enige aanduiding van een rechtsregel of rechtsbeginsel dat zou zijn geschonden, en zonder enige duiding hoe die rechtsregel of dat rechtsbeginsel zou zijn geschonden; dat het tweede middel bijgevolg niet ontvankelijk is; 3.3.1. Overwegende dat verzoeker in het derde middel in essentie aanvoert dat, doordat de tussenkomende partij na de sluiting van het debat voor de Provinciale Milieuvergunningscommissie stukken heeft neergelegd, de openbaarheid van bestuur wordt miskend, dat niemand - behalve "de politieke bestendige deputatie" - deze stukken kon inzien, terwijl juist op basis van dit stuk, de verwerende partij heeft beslist om meteen een definitieve milieuvergunning voor een termijn van twintig jaar te verlenen, dat het onaanvaardbaar is dat de brandweer hierover niet meer om advies is gevraagd, dat door het bestreden besluit een vacuüm is gecreëerd dat afhankelijk is gemaakt van de wil van de tussenkomende partij die er al dan niet het bewijs dient van te leveren dat aan de opgelegde verplichtingen werd voldaan; 3.3.2. Overwegende dat de verwerende partij in haar memorie van antwoord met klem ontkent dat de milieuvergunning werd verleend "door politieke tussenkomst"; dat zij voorts in essentie stelt dat zij gerechtigd is bijkomende stukken te gebruiken bij de besluitvorming voor zover daarover de nodige openheid wordt geboden, hetgeen te dezen is gebeurd, aangezien de ontvangst van de nieuwe stukken en hoe die werden beoordeeld, uitdrukkelijk in het bestreden besluit wordt vermeld, dat het advies van de brandweer niet is voorgeschreven door "Vlarem" in de beroepsprocedure, dat uit de bijkomende stukken blijkt dat het om een moeilijk ontvlambaar P4-product gaat, zodat de brandveiligheid nauwelijks in het gedrang komt, dat voor moeilijk ontvlambare producten geen inkuipingsplicht bestaat, maar "een opstaande rand" volstaat; 3.3.3. Overwegende dat verzoeker in zijn memorie van wederantwoord in essentie repliceert dat in de milieuaanvraag werd vermeld dat het om "zware stookolie" ging, terwijl dit "extra zware stookolie" moest zijn, dat noch verzoeker, VII-29.940-7/14 noch de brandweer correct werden voorgelicht, zodat iedere mogelijke kritiek kon worden geweerd; 3.3.4. Overwegende dat de tussenkomende partij in haar verzoekschrift tot tussenkomst stelt dat de debatten pas zijn gesloten na de zitting van de verwerende partij, en niet na de zitting van de Provinciale Milieuvergunningscommissie, dat verzoeker kennis heeft genomen van de neergelegde stukken, zodat er geen reden is die stukken te weren, dat de verwerende partij terecht rekening heeft gehouden met die stukken en geoordeeld heeft dat een vergunning kon worden verleend voor een termijn van twintig jaar; 3.3.5. Overwegende dat verzoeker in zijn laatste memorie doet gelden dat de "rubriek 17.3.7.1/" hernieuwing vermeldt, terwijl het om een ander product gaat, dat dit ander product nooit ter kennis van de omwonenden, van de stad Gent of van de brandweer werd gebracht, dat de aard, de fysische, chemische en toxicologische kenmerken evenmin ter kennis werden gebracht, dat hij, als belanghebbende, geen inzage kreeg van deze nieuwe stukken, dat na de sluiting van de debatten voor de provincie, ineens blijkt dat de tussenkomende partij "een P4 product of extra zware stookolie" gebruikt, dat de aanplakking enkel voor zware stookolie gebeurde, dat bij de vergunningsaanvraag deze verandering van zware stookolie naar een P4-product vermeld had moeten zijn; dat verzoeker voorts de artikelen 5 en 6bis van Vlarem I citeert; dat hij stelt dat het aanvraagformulier ten minste voormelde gegevens moet vermelden, dat dit te dezen niet zo was, aangezien deze gegevens vooreerst na de sluiting van de debatten ter kennis werden gebracht; 3.3.6. Overwegende dat verzoeker van oordeel is dat na de zitting van de Provinciale Milieuvergunningscommissie geen stukken meer zouden kunnen worden bijgebracht omdat de debatten dan reeds zijn gesloten; dat dit uitgangspunt niet juist is, aangezien de behandeling van een administratief beroep tegen een milieuvergunning geen jurisdictioneel beroep is, zodat er hoe dan ook geen sprake kan zijn van sluiting van de debatten; dat de verwerende partij voor het nemen van haar beslissing rekening kan houden met alle inlichtingen die zij nuttig acht; dat te dezen de Provinciale Milieuvergunningscommissie er in haar advies had op gewezen dat de brandstoffenopslag, alsook de stookinstallatie volledig conform moesten worden gebracht; dat wanneer de tussenkomende partij nadien, in aansluiting met dit advies, stukken bijbrengt waaruit het "conform maken" blijkt, het evident is dat de verwerende partij hiermee rekening houdt; dat het bestreden besluit melding maakt van deze bijkomende stukken en van de beoordeling van deze bijkomende VII-29.940-8/14 stukken; dat ook op die manier de openbaarheid van bestuur niet is geschonden; dat het derde middel niet gegrond is; 3.4.1. Overwegende dat verzoeker het vierde middel als volgt heeft ontwikkeld : "(...) Vergunningen beperken zich in tijd. Zo een bedrijf haar opgelegde taken met plichtsbesef kwijt kan na verloop van een korte periode een langere toegekend worden. Uit de neergelegde bezwaarschriften en handelswijze van de exploitant blijkt duidelijk dat hij weinig plichtsbesef heeft. Gezien de onveilige toestand van het bedrijf werd door het college van burgemeester en schepenen van de stad Gent, na onderzoek, de bestaande vergunning van exploitant herleid naar 6 maanden. Gedurende deze termijn werd de exploitant verplicht binnen de 3 maanden handelingen te stellen om zijn bedrijf op een veilige wijze te runnen. De exploitant verzaakte aan de opgelegde verplichtingen te voldoen en liet ook de beroepstermijn verstrijken. Hieruit blijkt genoegzaam dat hij geen gronden had deze beslissing aan te vechten en verklaarde hij er zich aldus stilzwijgend met akkoord. De beslissing van de bestendige deputatie werd ons en aan de exploitant betekend. Uit de verschillende stukken in het dossier zoals ondermeer uit het brandweerverslag blijkt dus zeer goed dat de exploitant op de hoogte is van de onveilige en hinderlijke toestand die zijn bedrijf teweegbrengt. Van een plichtsbewuste exploitant verwacht men dat hij niet de beslissingen afwacht om aan onveilige situaties iets te ondernemen. Hij neemt preventieve maatregelen, zeker wanneer zij hem ter kennis worden gebracht, en wacht niet af tot er ongelukken gebeuren. De exploitant is echter een andere mening toegedaan en verklaarde met betrekking tot de veiligheid voor de provinciale milieuvergunningscommissie 'Er is nog nooit een ongeluk gebeurd' (sic). Een plichtsbewuste exploitant probeert ook niet langs 'politieke weg' onveilige situaties te omzeilen. Zo blijkt uit het Provinciebesluit dat exploitant stukken neerlegde na sluiting van het onderzoek en het debat enkel om een ondergeschikt punt (P3 of P4) omtrent de aard van de stookolie installatie. (Beslissing bestendige deputatie d.d. 20.3.2003: 'Overwegende dat na de zitting van de PMVC de exploitant echter aan het provinciebestuur nieuwe elementen en nieuwe gegevens bezorgde ...'). Uit voormelde blijkt op voldoende wijze dat de eerste periode niet feilloos verliep zodat men op deze periode zich niet kan baseren om de vergunning te verlengen, maar zijn er des te meer voldoende elementen aanwezig om ze in te trekken. (...)"; 3.4.2. Overwegende dat het vierde middel niet ontvankelijk is om de redenen uiteengezet bij het onderzoek van het tweede middel (pt. 3.2.2.); 3.5.1. Overwegende dat verzoeker het vijfde middel als volgt toelicht : "(...) Exploitant ging niet in beroep tegen de beslissing van de stad Gent van 3 oktober 2002 waarbij zijn vergunning werd beperkt tot 6 maanden en waar hij de onveilige toestand diende te regulariseren binnen de 3 maanden. Aldus dient VII-29.940-9/14 te worden aanvaard - zoals onder het vierde middel werd aangehaald - hij geen gronden had deze beslissing aan te vechten en er hij zich dus met akkoord heeft verklaard door erin te berusten zodat deze beslissing thans voor hem uitvoerbaar is geworden. Ingevolge ons beroep daarentegen nam de bestendige deputatie een beslissing die de kracht van het gewijsde nog niet heeft ondergaan zodat zij niet uitvoerbaar is geworden bij voorraad. Gezien de vergunning van 3 oktober 2002 na 6 maanden een einde nam, meent verzoeker ook dat dit bedrijf thans zonder geldige vergunning wordt gerund. (...)"; 3.5.2. Overwegende dat het middel niet gericht is tegen het bestreden besluit, zodat het niet tot de nietigverklaring ervan kan leiden; dat verzoeker derhalve geen belang heeft bij het gegrond bevinden van het middel; dat het vijfde middel niet ontvankelijk is; 3.6.1. Overwegende dat verzoeker het zesde middel als volgt ontwikkelt : "(...) Een jaarlijkse afstelling van de brander op extra zware mazout moet verhinderen dat er een te grote vervuiling geschiedt. Bij visuele roetvervuiling op extra zware mazout dient de exploitant zeker te verhinderen dat dit gebeurt en dient hij de brander te laten afstellen zonder zich vast te pinnen dat het maar één maal per jaar hoeft. Ondergeschikt merkt verzoeker op dat zelfs in het dossier niet wordt aangetoond dat dit jaarlijks gebeurde. Het verzaken tot op heden aan de opgelegde verplichting de roetsporen van de schouw te laten verwijderen getuigt nog maar eens dat de exploitant helemaal niet de intentie heeft in de toekomst iets aan de milieuvervuilende situatie (iets) te doen. Een visueel spoor van roetafzetting van één meter lang (spoor) op de schouw, op sommige plaatsen meer dan twee meter, getuigt overduidelijk van een zware bevuiling van het milieu. (...)"; 3.6.2. Overwegende dat het zesde middel niet ontvankelijk is om de redenen uiteengezet bij het onderzoek van het tweede middel (pt. 3.2.2.); 3.7.1. Overwegende dat verzoeker het zevende middel als volgt toelicht : "(...) Tot ondersteuning van dit middel verwijst verzoeker naar Uw arrest nr. 100.692 van 8 november 2001 in de zaak A. 65.443/VII-13.388 waarin aangetoond wordt (...) dat de overheid voor een inrichting die ligt in hetzelfde gewestplan Gentse en Kanaalzone in een landschappelijk waardevol agrarisch gebied, grenzend aan een op 50 meter gelegen woongebied met aan de andere richting een biologisch zeer waardevol bosgebied (in casu een even waardevol agrarisch gebied daar deze ook door de overheid in aanmerking kwam voor een nieuw te ontwikkelen groenzone) de verplichting heeft te waken over de VII-29.940-10/14 schoonheidswaarde van het landschap inzake aantasting van het landschap zodat ook een geroeste tank voor extra zware fuel dit landschap aantast en ontsiert. Dat de BVBA AZALEA de faciliteit kreeg als landbouwbedrijf zich te vestigen in een agrarisch gebied echter onder de verplichting aan landschapsverbetering te doen. Dat met al de voormelde middelen wordt aangetoond dat er door de activiteiten (waaronder het grote transport) er nauwelijks nog aan landschapsverbetering kan gedaan worden maar eerder aan het tegenovergestelde en het landschap en het aanpalende woongebied aldus ernstig wordt gehypothekeerd. Dat deze tank daarenboven gezien de ouderdom en roest behept is met verval en een gevaar vormt voor lekkages. Zodat tot herstel van het landschap voor de goede ruimtelijke ordening deze tank hier niet thuis hoort. (...)"; 3.7.2. Overwegende dat de leer van het arrest van de Raad van State nr. 100.692 van 8 november 2001 in dezen niet kan worden toegepast; dat in voornoemd arrest geoordeeld is over een milieuvergunning voor een nieuwe mazouttank, terwijl in dezen het een bestaande mazouttank betreft waarvoor reeds een exploitatievergunning is verleend alvorens het gewestplan Gentse en Kanaalzone was goedgekeurd; dat het precedent waarnaar verzoeker verwijst bijgevolg niet relevant is; dat het zevende middel niet ontvankelijk is om de redenen uiteengezet bij het onderzoek van het tweede middel (pt. 3.2.2.); 3.8.1. Overwegende dat verzoeker in het achtste middel in essentie stelt dat in de beroepen beslissing een aantal maatregelen werden bevolen en een termijn van zes maanden werd opgelegd waarbinnen die maatregelen zouden kunnen worden uitgevoerd, dat de veiligheid aldus was gewaarborgd, dat doordat het bestreden besluit een vergunning verleent voor een termijn van twintig jaar, zonder na te gaan of de normen wel worden nageleefd, deze waarborgen worden teniet gedaan, aangezien er door het bestreden besluit ook onduidelijkheid is ontstaan over de datum tegen wanneer de maatregelen, de bijzondere voorwaarden, moeten zijn vervuld; 3.8.2. Overwegende dat de verwerende partij in haar memorie van antwoord repliceert dat de bijzondere voorwaarden opgelegd door de stad Gent in eerste aanleg integraal werden overgenomen in het bestreden besluit, dat zij op grond van de gegevens en bijkomende stukken van oordeel was dat alle vragen die de reden waren voor het verlenen van een proefvergunning voor zes maanden een antwoord hadden gekregen, zodat er geen reden meer was de vergunning in termijn te beperken, dat de bijzondere voorwaarden opgelegd in eerste aanleg nog steeds gelden, dat het evident is dat de tussenkomende partij er aan moet blijven voldoen, VII-29.940-11/14 dat het toekennen van de definitieve vergunning geenszins betekent dat de voorwaarden niet meer moeten worden nageleefd; 3.8.3. Overwegende dat verzoeker in zijn memorie van wederantwoord in essentie het volgende stelt : "(...) Na samenlezing van beide antwoorden blijkt heel duidelijk dat het provinciebesluit aanleiding geeft tot tegenstrijdige interpretaties zodat het dient te worden vernietigd. De opmerking dat verzoeker een verkeerde voorstelling van de feiten geeft is dus totaal onterecht. Heel terecht heeft verzoeker in de opgesomde middelen van zijn verzoekschrift tot vernietiging gemeld dat het dispositief van het provinciebesluit er is gekomen zonder dat werd nagezien of aan de diverse veiligheids- en milieuverplichtingen werd voldaan. Het was dus onverantwoord een nieuwe vergunning toe te kennen. Nog meer onverantwoord was het in gebreke blijven door de exploitant van een voorstel in te dienen met de mogelijke reorganisatie van het vrachtverkeer binnen de 3 maanden te rekenen vanaf 3.10.2002 zoals verplicht werd in het punt 2.1. van de proef vergunning verleend bij het Besluit Stad Gent dd. 3.10.2002. Exploitant blijft dus nog altijd in gebreke aan de meest voorname opgelegde verplichtingen te voldoen. Zo werd de schouw niet totaal gereinigd zoals voorgeschreven. De vrachtwagens rijden nog steeds achterwaarts de uitweg op. Als gevolg van de reorganisatie diende exploitant een bouwvergunning aan te vragen nodig voor het voltrekken van de werkzaamheden hiertoe. Uit geen enkel gegeven blijkt dat hij dit deed. Daarenboven is het twijfelachtig dat hij dergelijke werkzaamheden ooit zal mogen uitvoeren wegens onverenigbaarheid met de goede ruimtelijke ordening in het agrarisch gebied. Hij dient ten slotte aan landschapsverbetering en goede ruimtelijke ordening te doen. Exploitant laat nog steeds toe dat er vrachtwagens 's nachts de uitweg gebruiken tot zijn erf. Hiervoor is enkel de medewerking nodig van de exploitant en behelst geen enkele materiële aanpassing. Het feit dat de exploitant dit toestaat belicht nog eens extra zijn ingesteldheid en voornemens. Deze exploitant is zich maar al te goed bewust dat verzoeker en diens gezin niet akkoord kunnen gaan met het plots toelaten van vrachtwagens tot zijn bedrijf die de aangehaalde privacy zowel binnenhuis (zie hierna) als in de tuin ernstig van de verzoeker en zijn gezin teisteren en schenden. Door een te smalle uitweg zonder vrije zone worden te dicht uitzichten op het eigendom van de nabuur genomen. Foto 9 werd genomen door het raam in de woning van verzoeker en toont aan hoe dicht de vrachtwagens langs de afsluiting rijden (soms rakelings) en uitzichten nemen waardoor de privacy in de woning van verzoeker wordt geschonden(.) Van niets uit (
- de)huidige gegevens blijkt dat exploitant enigszins van plan is zijn situatie aan te passen zoals reeds lang geleden gesteld werd door de stad Gent en de Provincie. Integendeel verzoeker en echtgenote stelden onlangs vast, namelijk op woensdag 1.10.2003 om 6u 45 's morgens, dat bij de levering van (extra) zware stookolie de tankwagen bij het voorwaarts nemen van een bocht op het bedrijf tot stilstand diende te komen omdat hij zich vast had gereden op een arm van de sproei-installatie van de exploitant. Om deze tankwagen uit deze benarde situatie te bevrijden was het nodig dat de exploitant een slijpschijf ter hand nam VII-29.940-12/14 om alzo een stuk van de sproeiarm door te slijpen. Hiertoe ontstond een vlammenzee van glinsters die terechtkwamen op de tank en op de rubberen banden van de camion. Gelukkig gebeurde er niets ernstig. Na levering verliet de tankwagen achterwaarts het bedrijf. Dit toont nogmaals de gebrekkige infrastructuur van het bedrijf en hoe exploitant de veiligheidsregels aan zijn laars lapt met betrekking tot het nemen van de nodige voorzorgen ter voorkoming van brand- en ontploffingsgevaar bij de verhandeling van gevaarlijke producten. Gezien exploitant alle tijd heeft gekregen om aan de verplichte voorwaarden te voldoen en hij tot op heden in gebreke blijft hieraan te voldoen en de bestendige deputatie niet naging of aan de opgelegde voorwaarden werd voldaan kan geen nieuwe vergunning worden toegestaan.(...)"; 3.8.4. Overwegende dat de tussenkomende partij in haar verzoekschrift tot tussenkomst stelt dat de beslissing in eerste aanleg ten onrechte bepaalde dat de proefvergunning liep vanaf 3 oktober 2002 voor een termijn van zes maanden, aangezien de tussenkomende partij nog over een lopende vergunning beschikte tot 30 oktober 2003, dat de verwerende partij een vergunning heeft verleend vanaf 31 oktober 2003; dat dit volgens de tussenkomende partij impliceert dat aan deze voorwaarden moet worden voldaan voor die datum; 3.8.5. Overwegende dat verzoeker in zijn laatste memorie in essentie doet gelden dat een van de opgelegde voorwaarden voorziet dat de tussenkomende partij moet zorgen voor de reorganisatie van haar bedrijf, dat in dat kader de tussenkomende partij een betonverharding in aansluiting met een reeds aanwezige, niet vergunde, betonverharding aanvroeg, dat de bouwvergunning van 17 september 2003 niet wettig is omdat zij daarop is gesteund; 3.8.6. Overwegende dat het achtste middel niet ontvankelijk is om de redenen uiteengezet bij het onderzoek van het tweede middel (pt. 3.2.2.); 3.9.1. Overwegende dat verzoeker het negende middel als volgt toelicht : "Samen met echtgenote en kinderen, als eigenaars en bewoners van een alleenstaande woning met tuin grenzen we langs de linkerzijde aan een uitweg van het bedrijf. Dit bedrijf tast de veiligheid, het wooncomfort van het woongebied en de waarde van de eigendom in het algemeen en voor verzoeker met gezin in het bijzonder aan, zodat door het bestreden besluit het wooncomfort en waarde van de eigendom verder wordt aangetast en een ernstig nadeel inhoudt. Dat exploitant zelf aanvoert dat er op de uitweg geen plaats is om een plakkaat aan te brengen voor de openbaarmaking. Dat hieruit duidelijk blijkt dat de uitweg ook niet geschikt is voor het aan- en afrijdende manoeuvrerende vrachtvervoer. Zodat de verleende vergunning van 20 jaar voor gevolg heeft dat het nadeel ernstig en moeilijk te herstellen is. (...)"; VII-29.940-13/14 3.9.2. Overwegende dat het negende middel niet ontvankelijk is om de redenen uiteengezet bij het onderzoek van het tweede middel (pt. 3.2.2.), BESLUIT: Artikel 1. Het beroep wordt verworpen. Artikel 2. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van verzoeker. De kosten van de tussenkomst, bepaald op 125 euro, komen ten laste van de tussenkomende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op vijf juni tweeduizend en acht, door de VIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. L. HELLIN, kamervoorzitter, E. BREWAEYS, staatsraad, S. DE TAEYE, staatsraad, Mevr. E. IMPENS, griffier. De griffier, De voorzitter, E. IMPENS. L. HELLIN. VII-29.940-14/14 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.183.800 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div