← België

Arrest 183801 - Milieuvergunningen - 05/06/2008

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 05 juni 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.183.801 Rolnummer: A. 114460/VII-25357 Zaak: Arrest 183801 - Milieuvergunningen - 05/06/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-06-18 Raadplegingen: 69 - laatst gezien 2026-06-29 08:10 Fiche Arrest nr 183.801 van 5 juni 2008 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Milieuvergunningen Beslissing : Vernietiging bekendmaking Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 183.801 van 5 juni 2008 in de zaak A. 114.460/VII-25.357. In zake : André DE VREESE, die woonplaats kiest bij advocaat H. D'HAENENS, kantoor houdende te GENT, Nederkouter 124 tegen : de deputatie van de provincie Oost-Vlaanderen. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, VIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat André DE VREESE op 21 december 2001 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van de bestendige deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen van 25 oktober 2001 waarbij het beroep ingesteld tegen de beslissing van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente De Pinte van 28 mei 2001, houdende weigering van de milieuvergunning aan verzoeker voor het exploiteren van een inrichting voor het houden en fokken van paarden, gelegen aan de Hemelrijkstraat 6 te De Pinte, ongegrond wordt verklaard en de beroepen beslissing wordt bevestigd; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur P. PROVOOST; Gelet op de beschikking van 7 september 2006 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gezien het verzoekschrift tot voortzetting van verzoeker; Gelet op de beschikking van 8 april 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 15 mei 2008; VII-25.357-1/10 Gehoord het verslag van kamervoorzitter L. HELLIN; Gehoord de opmerkingen van advocaat Gw. VERMEIRE die, loco advocaat H. D'HAENENS verschijnt voor verzoeker, en van bestuurssecretaris F. COCRIAMONT die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het andersluidend advies van eerste auditeur P. PROVOOST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; 1. De feiten Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.1. Verzoeker exploiteert een inrichting voor het houden en fokken van paarden, gelegen aan de Hemelrijkstraat in de gemeente De Pinte. De inrichting ligt in agrarisch gebied, waar pas vanaf twintig paarden een milieuvergunningsplicht geldt. In het verleden zijn er moeilijkheden geweest betreffende een bouwvergunningsaanvraag voor verzoekers woning en voor de regularisatie van zonder vergunning verbouwde stallen. Uiteindelijk wordt op 5 oktober 1995 een bouwvergunning verleend door de bestendige deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen. Op 29 april 1996 - in eerste aanleg - en op 12 september 1996 - in beroep - wordt aan verzoeker de milieuvergunning geweigerd voor het houden van 25 paarden. Verzoeker beperkt zich tot het houden van paarden in niet-vergunningsplichtige aantallen. 1.2. Op 28 november 2000 dient verzoeker een nieuwe milieuvergun- ningsaanvraag in voor het houden van twintig paarden, met bijhorende mestopslag. Na het opvragen van ontbrekende gegevens wordt de aanvraag ontvankelijk en volledig verklaard op 1 februari 2001. VII-25.357-2/10 Op 28 mei 2001 weigert het college van burgemeester en schepenen van de gemeente De Pinte de gevraagde vergunning op grond van volgende motivering : "Gelet op het ongunstig advies d.d. 23/05/2001 van de Vlaamse Landmaat- schappij (VLM) waarin wordt vermeld : 'Aangezien: - sedert 30/03/2000 de bepalingen van artikel 33ter, §1, l/,

  1. c)van het Mestdecreet van kracht zijn - de vergunningsaanvraag volledig en ontvankelijk verklaard werd op 01/02/2001 - deze inrichting geen vergunde mestproductie heeft - de vergunningsaanvraag de bedoeling heeft om te komen tot een vergunde mestproductie van 600 kg P2O5 en 1.300 kg N overeenkomstig 20 paarden, heeft de aanvraag betrekking op een aanvraag tot verandering met stijging van de vergunde mestproductie - niet voldaan wordt aan alle criteria van artikel 33ter, § 1, 3/ van het Mestdecreet aangezien: - de vergunningsaanvraag een stijging van de vergunde mestproductie beoogt - niet voldaan wordt aan alle criteria van artikel 36, 6/ van het Mestdecreet aangezien: - de gevraagde 20 paarden gestald kunnen worden, - de inrichting in exploitatie was als vergunningsplichtige paardenfokkerij of manège in 1996, 1997, 1998 en 1999 - de vergunningsaanvraag werd ingediend vóór 01/12/2000 - de stallen werden gebouwd zonder te beschikken over de voorafgaande noodzakelijke bouwvergunning; dat de veldschuur eveneens gebruikt wordt voor het huisvesten van paarden; dat de inplanting van deze veldschuur niet overeenkomt met de voorwaarden zoals gesteld in de bouwvergunning d.d. 09/02/1995 (Minister) verleent de Vlaamse Landmaatschappij ongunstig advies voor de gevraagde vergunning, op naam van André DE VREESE, voor een inrichting gelegen Hemelrijkstraat 6 te 9840 De Pinte tot exploitatie van: 9.4.3. 20 inheemse grote zoogdieren, waarvan: 20 paarden 28.2. mestopslagplaatsen met een totale capaciteit van 72 m³ dierlijke mest, waarvan: 72 m³ vaste mest'; Gelet op de ligging van de inrichting in een agrarisch gebied van het Gewestplan Gentse en Kanaalzone (K.B. 14/09/1977) waarvoor volgende voorschriften van toepassing zijn: agrarisch gebied art. 11.4.1 K.B. 28/12/1972; Overwegende dat de exploitatie van de inrichting die het voorwerp van de voormelde milieuvergunningsaanvraag uitmaakt verenigbaar is met voormelde ruimtelijke en stedenbouwkundige voorschriften 'onder voorwaarde dat de veldschuur wordt ingeplant op tenminste 12 m van de linker perceelgrens' en 'onder voorwaarden dat het bedrijf effectief minstens 20 volwassen paarden omvat en daarvoor de nodige milieuvergunning is bekomen. De bouwwerken mogen pas gestart worden nadat de exploitatie van het bedrijf effectief is gebeurd'. (cfr. beslissingen in beroep van de Bestendige Deputatie van de Provincieraad d.d. 05/10/1995 ref. B. 11/95-390/RC/HV en B. 11/95-389/RC/HV); Overwegende dat de stallen werden gebouwd zonder te beschikken over de voorafgaande noodzakelijke bouwvergunning; dat de veldschuur eveneens gebruikt wordt voor het huisvesten van paarden; dat de inplanting van deze veldschuur niet overeenkomt met de voorwaarden zoals gesteld in de bouwver- VII-25.357-3/10 gunning d.d. 09/02/1995 (Minister), dat er bijgevolg aanleiding toe bestaat de gevraagde vergunning te weigeren". 1.3. Verzoeker tekent administratief beroep aan tegen deze weigerings- beslissing. Hij argumenteert dat de in de bouwvergunning opgenomen voorwaarde om de veldschuur op minstens twaalf meter van de perceelsgrens in te planten onwettig is, zodat hij deze voorwaarde niet diende na te leven. In het kader van de beroepsprocedure worden de volgende adviezen verleend : (
  2. a)de administratie Ruimtelijke Ordening, Huisvesting en Monumenten & Landschappen (hierna : AROHM) adviseert op 17 augustus 2001 gunstig, "mits het bekomen van de vereiste bouwvergunning(
  3. en)en mits enkel aan fokken wordt gedaan"; (
  4. b)de afdeling Milieuvergunningen adviseert op 21 augustus 2001 gunstig; (
  5. c)de Vlaamse Landmaatschappij adviseert op 23 augustus 2001 ongunstig, om dezelfde redenen als in haar ongunstig advies van 23 mei 2001 dat heeft geleid tot de weigeringsbeslissing van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente De Pinte (punt 1.2.); (
  6. d)de provinciale milieudeskundige adviseert op 24 september 2001 ongunstig, om dezelfde redenen als de Vlaamse Landmaatschappij; (
  7. e)de Provinciale Milieuvergunningscommissie sluit zich daar bij aan en merkt op "dat er 19 paarden zonder vergunning kunnen gehouden worden en dat, voorzover een stedenbouwkundige vergunning (regularisatie) wordt bekomen voor de veldschuur, het dossier opnieuw kan beoordeeld worden". 1.4. Op 25 oktober 2001 wordt het thans bestreden besluit genomen. De vergunning wordt geweigerd; 2. De gegrondheid 2.1. Overwegende dat verzoeker in het enig middel de schending aanvoert van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, samen met artikel 50, 3/, b), van het besluit van de Vlaamse regering van 6 februari 1991 houdende vaststelling van het Vlaams reglement betreffende de milieuvergunning (hierna : Vlarem I) en van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur; dat hij zijn kritiek richt op de volgende passages uit de motivering van het bestreden besluit : VII-25.357-4/10 "Overwegende dat de inrichting rekening houdend met haar kenmerken en omvang, en rekening houdend met de ligging ten overstaan van gebieden die hindergevoelig zijn, een te grote negatieve impact zou hebben op mens en leefmilieu; Overwegende dat de inrichting milieuhygiënisch niet verenigbaar is met de omgeving; dat de milieuvergunning dient geweigerd te worden (...)"; dat verzoeker stelt dat de Raad van State bij de uitoefening van het wettigheidstoe- zicht op de motiveringsplicht, enkel rekening houdt met de feiten en de beoordeling ervan die in het bestreden besluit zelf zijn vermeld, dat moet worden vastgesteld dat het bestreden besluit geen enkel feit weergeeft dat duidt op "een te grote negatieve impact op mens en leefmilieu" dan wel op een "onverenigbaarheid met de omgeving op milieuhygiënisch vlak", dat ook niet wordt gemotiveerd waarom men voorhoudt dat de toekenning van de gevraagde vergunning een te grote negatieve impact op mens en leefmilieu zou hebben, dan wel dat een onverenigbaarheid met de omgeving op milieuhygiënisch vlak tot stand zou komen, dat de weigering op basis van voornoemde motieven in strijd is met, ten eerste, de overweging van de milieu- ambtenaar van de gemeente De Pinte dat "de risico's voor de externe veiligheid, de hinder, de effecten op het leefmilieu, op de wateren, op de natuur en op de mens buiten de inrichting tot een aanvaardbaar niveau kunnen worden beperkt", ten tweede, de omstandigheid dat er naar aanleiding van het voorafgaand openbaar onderzoek geen bezwaren werden ingediend, ten derde, de gunstige adviezen van de afdeling Milieuvergunningen en AROHM, ten vierde, de omstandigheid dat de inrichting van verzoeker is gelegen in een agrarisch gebied op ongeveer 100 meter van een woongebied met landelijk karakter en op ongeveer 750 meter van een woongebied, en dat binnen een straal van 100 meter rond de perceelsgrenzen een drietal woningen liggen waaronder één woning behorend tot een varkenshouderij die op ongeveer 50 meter van de stallingen ligt, en ten vijfde, de overweging dat, gelet op de omvang en de aard van de exploitatie, de afstand met de dichtstbijgelegen woning en de ruime afstand tot hindergevoelige gebieden, er niet gevreesd moet worden voor geur- en lawaaihinder; dat verzoeker ten slotte aanvoert dat hij zich op geen enkel ogenblik heeft kunnen verdedigen tegen de motieven die ten grondslag liggen aan het bestreden besluit; 2.2. Overwegende dat de verwerende partij in haar memorie van antwoord repliceert dat artikel 50, 3/, van Vlarem I bepaalt dat de uitspraak over een beroep tegen een beslissing over een milieuvergunningsaanvraag een gemotiveerde beslissing moet omvatten over de aanspraken of bezwaren die door de indieners van het beroep worden geformuleerd, dat te dezen de beroepsargumenten in het betrokken besluit werden besproken en er aldus werd voldaan aan de VII-25.357-5/10 motiveringsplicht, dat de Raad van State niet in de plaats van de vergunningverlenende overheid mag oordelen en niet mag overgaan tot een feitelijke appreciatie van de zaak, dat de Raad van State enkel mag toetsen of deze appreciatie niet kennelijk onredelijk is, dat de adviezen waarnaar verzoeker verwijst voorbereidende werkzaamheden vormen die niet onder de formele motiveringsplicht vallen, dat de vergunningverlenende overheid niet is gebonden door de adviezen, maar wel moet motiveren waarom er wordt van afgeweken; dat de verwerende partij voorts stelt dat verzoeker naar de motivering in het bestreden besluit verwijst waarin wordt gesteld dat de impact op mens en leefmilieu te negatief zou zijn, daar waar de milieuambtenaar stelt dat de risico's en de hinder tot het aanvaardbare beperkt kunnen blijven, dat het weigeringsbesluit evenwel in zijn geheel moet worden gelezen, dat de passus die verzoeker aanhaalt de eindconclusie is, getroffen op grond van de materiële en juridische elementen die in het administratief dossier voorkomen en die in het besluit werden opgenomen, dat het uitgangspunt bij de beoordeling van de aanvraag is of de aanvraag aanleiding geeft tot een stijging van de mestproductie, dat volgens artikel 33, §1, 1/, van het decreet van 23 januari 1991 inzake de bescherming van het leefmilieu tegen de verontreiniging door meststoffen (hierna : meststoffendecreet) de vergunde mestproductie berekend moet worden op basis van de uitscheidingsnormen, dat aangezien er op het bedrijf geen vergunningen bekend zijn, de vergunde mestproductie 0 kg P2O5/jaar bedraagt, dat de gewenste vergunde mestproductie 600 kg P2O5/jaar bedraagt, zodat de aanvraag aanleiding geeft tot een stijging van de mestproductie en er niet wordt voldaan aan de criteria van artikel 33ter, §1, 3/, van het meststoffendecreet, dat elke aanvraag die aanleiding geeft tot een stijging van de mestproductie moet worden geweigerd, dat te dezen in het besluit tevens wordt gesteld dat er geen toepassing kan worden gemaakt van de overgangsbepaling van artikel 36, 6/, van het decreet van 11 mei 1999 tot wijziging van het decreet van 23 januari 1991 inzake de bescherming van het leefmilieu tegen de verontreiniging door meststoffen en tot wijziging van het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning, aangezien er geen geldige bouwvergunning voorhanden is, dat in het besluit immers wordt vastgesteld dat de stallen werden gebouwd zonder voorafgaande geldige bouwvergunning, dat de veldschuur tevens wordt aangewend voor het stallen van paarden en dat de inplanting van de veldschuur niet voldoet aan de voorwaarden van de bouwvergunning die op 9 mei 2001 bij ministerieel besluit werd afgeleverd, dat te dezen de weigeringsbeslissing naar materiële vaststellingen en naar de juridische grondslag voldoende werd gemotiveerd; VII-25.357-6/10 2.3. Overwegende dat verzoeker in zijn memorie van wederantwoord stelt dat de verwerende partij in haar memorie van antwoord wel kan betogen dat het uitgangspunt bij de beoordeling van de initiële aanvraag van verzoeker moet zijn of er aanleiding is tot stijging van mestproductie, maar dat uit de tekst van het bestreden besluit evenwel blijkt dat de weigering om de vergunning toe te kennen uiteindelijk wordt gebaseerd op het feit dat de veldschuur werd gebouwd op 2 à 3 meter van de linker perceelsgrens in plaats van op minstens 12 meter, dat, in tegenstelling tot wat de verwerende partij beweert, uit de overweging "dat de veldschuur gebouwd werd op 2 à 3 meter van de linker perceelsgrens in plaats van op minstens 12 meter" geenszins kan worden afgeleid dat de inrichting een te grote, negatieve impact zou hebben op mens en leefmilieu, noch dat deze inrichting milieuhygiënisch niet verenigbaar zou zijn met de omgeving; 2.4. Overwegende dat de bestreden beslissing als volgt luidt : "Overwegende dat de inrichting volgens het gewestplan 'Gentse en Kanaalzone' gelegen is in agrarisch gebied, palend aan parkgebied, op ca 100 m van een woongebied met landelijk karakter en op ca 750 m van een woongebied, ander dan woongebied met landelijk karakter; dat er binnen de straal van 100 m rond de perceelsgrenzen een 3-tal woningen liggen, waaronder 1 behorend bij een varkenshouderij; dat de dichtstbijgelegen woning (behorende bij de varkenshouderij) op ca. 50 m van de stallingen ligt; Overwegende dat voorliggende aanvraag de exploitatie betreft van een inrichting voor het houden en fokken van maximaal 20 paarden; dat het beoogde doel enkel het fokken van paarden betreft en geenszins het oprichten van een inrichting voor ruiter-, draf- en mensport, noch een inrichting voor verhuur en africhting van de paarden; dat de aanwezige rijpiste (20 x 60
  8. m)enkel door de eigenaar en dus op niet-commerciële basis gebruikt wordt; dat de inrichting een L-vormige stalling omvat waar 13 paarden kunnen gestald worden; dat deze stal het resultaat is van het verbouwen en het deels afbreken van de oude stallen door het bijbouwen van een koppelstuk; dat er achter deze stalling een veldschuur voorkomt waar nog eens 8 paardenstallen voorzien zijn en die tevens gebruikt wordt als berging voor stro, machines, tractor, enz.; dat er aan de achterzijde van deze schuur nog een veulenstal ingericht is; dat de stallingen en de veldschuur met elkaar verbonden zijn door een muur; dat er tussen deze 2 gebouwen een verharding in beton voorkomt; dat alle paarden op stro of houtkrullen gehouden worden; dat de inrichting verder nog een rijpiste (20 x 60
  9. m)en een bedrijfswoning omvat; Overwegende dat de Bestendige Deputatie op 12-09-1996 in beroep de vergunning weigerde daar er niet voldaan werd aan de bepalingen van het toenmalige Mestdecreet, nml. stijging van de mestproductie; dat de mestvaalt niet voldeed aan de bepalingen van Vlarem II en de veldschuur niet voldeed aan de voorwaarden in de bouwvergunning (min. 12 m van de linker perceelsgrens); dat er voor de gebouwen reeds een bouwvergunning bekomen werd; Het probleem is dat de veldschuur op 2 à 3 m van de linker perceelsgrens gebouwd werd i.p.v. op 12 m; dat de aanvrager destijds geen beroep indiende bij de Raad van State tot wijziging van de inplantingsplaats van voormelde veldschuur; dat, aangezien het huidige Mestdecreet van toepassing is, er gebruik kan gemaakt worden van de overgangsbepalingen van artikel 36, 6/ van het Mestdecreet VII-25.357-7/10 aangezien voorliggende aanvraag voldoet aan de bepalingen van voormeld art., nl.: - de aanvraag werd ingediend vóór 01-12-2000; - de inrichting in exploitatie was in 1996, 1997, 1998 en 1999 volgens de mestbankaangiften bij de Mestbank; Overwegende dat de inrichting gelegen is in een agrarisch gebied, bestemming waarmede een paardenfokkerij en -houderij planologisch verenigbaar is; Overwegende dat, gelet op de omvang en de aard van de exploitatie (20 paarden), de afstand tot de dichtstbijgelegen woning (50
  10. m)en de ruime afstand tot de hindergevoelige gebieden, er niet gevreesd dient te worden voor geur- en lawaaihinder; Overwegende dat de inrichting beschouwd kan worden als een bestaande veeteeltinrichting, gelet op de bestaande Mestbankaangifte door Maria De Lepeleire en gelet op het feit dat deze aangifte betrekking had op de oude rundveestallen; dat het feit dat deze stallen inmiddels omgevormd werden zonder bouwvergunning niets verandert aan de hoedanigheid van bestaande veeteeltinrichting; dat in voorliggend geval in het agrarisch gebied geen verbods- en afstandsregels door het Vlarem II opgelegd worden; Overwegende dat het huishoudelijk afvalwater afkomstig van de sanitaire installaties en de kitchenette behorend bij de stal, afgevoerd wordt naar de mengmestkelder; dat het regenwater afkomstig van het dak van de stallingen en de koer afgeleid wordt naar de aanpalende gracht; dat het huishoudelijk afvalwater van de woning via een septische put in een gracht geloosd wordt; dat deze lozing nog gemeld dient te worden (rubriek 3.3

(3)); Overwegende dat de mestvaalt voorzien werd van een betonnen vloer en langs 3 zijden ommuurd is, terwijl er een opvang voor de uitloogsappen voorzien is; dat, voorzover de mestopslagplaatsen waterdicht uitgevoerd zijn, er geen bodem- en grondwaterverontreiniging dient gevreesd te worden; Overwegende dat er voldaan werd aan de aangifteplicht en dat er in het verleden voldaan werd aan de bepalingen van het Mestdecreet voor wat de mestafzet betreft; Overwegende dat de overgangsbepaling van art. 36, 6/ van het Mestdecreet kan toegepast worden voor stallen waarvoor een bouwvergunning werd verleend of waarvoor geen bouwvergunning vereist was en dat de uitzonderingsbepalingen niet bedoeld zijn voor regularisaties van de milieuvergunning gekoppeld aan onterecht opgetrokken bouwwerken; Overwegende dat het beroep als volgt geëvalueerd kan worden: De eerste twee aangehaalde punten zijn niet terecht aangezien een bouwvergunning werd afgeleverd bij MB op 09-02-1995 waarbij is opgenomen dat de veldschuur tevens dienstig is voor het stallen van paarden; Het derde argument is terecht aangezien de veldschuur gebouwd werd op 2 à 3 meter van de linker perceelsgrens i.p.v. op minstens 12 meter; Overwegende dat de inrichting rekening houdend met haar kenmerken en omvang, en rekening houdend met de ligging ten overstaan van gebieden die hindergevoelig zijn, een te grote negatieve impact zou hebben op mens en leefmilieu; Overwegende dat de inrichting milieuhygiënisch niet verenigbaar is met de omgeving; dat de milieuvergunning dient geweigerd te worden"; dat de bestreden beslissing aldus onder meer vaststelt dat de inrichting gelegen is in agrarisch gebied, dat er niet dient te worden gevreesd voor geur- of lawaaihinder gelet op het relatief beperkt aantal paarden, de afstand van de dichtstbijgelegen woning en de ruime afstand tot hindergevoelige gebieden; dat zij ook wijst op de VII-25.357-8/10 omstandigheid dat de veldschuur gebouwd werd op 2 à 3 meter van de linker perceelsgrens in plaats van op minstens 12 meter; dat alleen dit laatste voor de verwerende partij de conclusie wettigt dat de inrichting, rekening houdend met haar kenmerken en omvang en met de ligging ten overstaan van hindergevoelige gebieden, een negatieve impact zou hebben op mens en leefmilieu en dat de inrichting milieuhygiënisch niet verenigbaar is met de omgeving; dat die conclusie strijdt met de overige door de verwerende partij gevoerde motivering; dat de loutere vaststelling dat de veldschuur niet werd gebouwd op de aangewezen plaats bezwaarlijk de conclusie kan wettigen dat de inrichting een te grote negatieve impact zou hebben op mens en leefmilieu en milieuhygiënisch niet verenigbaar is met de omgeving; dat, ten slotte, artikel 36, 6/, van het decreet van 11 mei 1999 tot wijziging van het decreet van 23 januari 1991 inzake de bescherming van het leefmilieu tegen de verontreiniging door meststoffen en tot wijziging van het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning alleen voorschrijft dat milieuvergunningen voor paardenstallen behorende bij maneges en paarden- fokkerijen die in 1996, 1997, 1998 en 1999 in exploitatie waren, kunnen worden verleend in zoverre de milieuvergunning voor 1 december 2000 wordt aangevraagd; dat de bepaling geen voorwaarde van "vergunde stal" stelt, zodat de ontstentenis ervan niet volstaat om een beslissing tot weigering te schragen; dat de bestreden beslissing overigens zelf stelt dat "aangezien het huidige Mestdecreet van toepassing is, er gebruik kan gemaakt worden van de overgangsbepalingen van artikel 36, 6/ (...) aangezien voorliggende aanvraag voldoet aan de bepalingen van voormeld art.", dat het middel gegrond is, BESLUIT: Artikel 1. Vernietigd wordt het besluit van de bestendige deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen van 25 oktober 2001 waarbij het beroep ingesteld tegen de beslissing van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente De Pinte van 28 mei 2001, houdende weigering van de milieuvergunning aan André DE VREESE voor het exploiteren van een inrichting voor het houden en fokken van paarden, gelegen aan de Hemelrijkstraat 6 te De Pinte, ongegrond wordt verklaard en de beroepen beslissing wordt bevestigd. VII-25.357-9/10 Artikel 2. Dit arrest zal worden bekendgemaakt op dezelfde wijze als het vernietigde besluit. Artikel 3. De kosten van het beroep, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van het Vlaamse Gewest. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op vijf juni tweeduizend en acht, door de VIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. L. HELLIN, kamervoorzitter, E. BREWAEYS, staatsraad, S. DE TAEYE, staatsraad, Mevr. E. IMPENS, griffier. De griffier, De voorzitter, E. IMPENS. L. HELLIN. VII-25.357-10/10 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.183.801 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.