← België

Arrest 183803 - Milieuvergunningen - 05/06/2008

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 05 juni 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.183.803 Rolnummer: A. 186886/VII-37133 Zaak: Arrest 183803 - Milieuvergunningen - 05/06/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-06-18 Raadplegingen: 60 - laatst gezien 2026-06-29 08:10 Fiche Arrest nr 183.803 van 5 juni 2008 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Milieuvergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 183.803 van 5 juni 2008 in de zaak A. 186.886/VII-37.

  1. In zake :
  2. Roland DE BLOCK,
  3. Kris SMET, die woonplaats kiezen bij advocaat H. VAN DOOREN, kantoor houdende te HAMME, Stationsstraat 50 tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat J. NIJS, kantoor houdende te DENDERMONDE, Noordlaan 82-
  4. --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Roland DE BLOCK en Kris SMET op 30 januari 2008 hebben ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van het besluit van de Vlaamse minister van Openbare Werken, Energie, Leefmilieu en Natuur van 3 december 2007, houdende uitspraak over de beroepen aangetekend tegen de beslissing van de deputatie van de provincie Oost-Vlaanderen van 14 juni 2007 die een vergunning verleent aan de NV OVIDION om een varkenshouderij te exploiteren aan de Achterhoek te Beveren-Waas; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur P. PROVOOST; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen; Gelet op de beschikking van 15 april 2008 waarbij de terechtzit- ting bepaald wordt op 22 mei 2008; Gehoord het verslag van kamervoorzitter L. HELLIN; VII-37.133-1/6 Gehoord de opmerkingen van advocaat H. VAN DOOREN, die verschijnt voor verzoekers, en van advocaat P. VANDENDAEL die, loco advocaat J. NIJS verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur P. PROVOOST; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  5. De gegevens van de zaak Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
  6. Op 16 januari 2006 dient de NV OVIDION, met maatschappelijke zetel te Moeskroen, een vergunningsaanvraag in voor de exploitatie van een varkenshouderij, gelegen aan de Achterhoek te Beveren-Waas. Het blijkt de bedoeling dat de vergunning, eens verleend, zal worden overgenomen door een andere exploitant. Dit kadert in een operatie, waarbij een kippenhouderij in Diksmuide, vergund voor 200.000 legkippen, wordt stopgezet, en in drie delen wordt gesplitst en verplaatst naar andere locaties. De nieuwe varkenshouderij, met 4 beren, 380 zeugen en 2.826 "andere varkens", en de opslag van 7.017 m3 dierlijke mest, zal worden ingeplant in agrarisch gebied, op ongeveer 495 meter van woongebied en op ongeveer 750 meter van woongebied met landelijk karakter. 1.
  7. Tijdens het openbaar onderzoek worden 705 bezwaarschriften ingediend. Het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Beveren- Waas adviseert ongunstig. 1.
  8. Op 14 juni 2007 verleent de deputatie van de provincie Oost-Vlaanderen de gevraagde vergunning. 1.
  9. Op 25 juni 2007 verleent het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Beveren een stedenbouwkundige vergunning. VII-37.133-2/6 1.
  10. Er worden drie administratieve beroepen ingediend, onder meer door de twee verzoekers. 1.
  11. Daarop verlenen alle geraadpleegde instanties een gunstig advies. 1.
  12. Op 3 december 2007 wordt de thans bestreden beslissing genomen die de in eerste aanleg verleende vergunning bevestigt;
  13. De ontvankelijkheid Overwegende dat de verwerende partij in haar nota het belang van beide verzoekers om onderscheiden redenen ontkent; dat beide verzoekers in hun verzoekschrift hierover een omstandige uiteenzetting geven; dat in het huidig stadium van de procedure over de ingeroepen exceptie slechts uitspraak zou moeten worden gedaan indien aan de beide, cumulatieve voorwaarden om tot de schorsing van de tenuitvoerlegging over te gaan is voldaan, wat te dezen, zoals zal blijken, niet het geval is;
  14. De grond van de zaak Overwegende dat luidens artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging kan worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de bestreden beslissing kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de akte of het reglement een moeilijk te herstellen en ernstig nadeel kan berokkenen; 3.
  15. Overwegende dat verzoekers met betrekking tot de tweede voorwaarde aanvoeren wat volgt : "De onmiddellijke tenuitvoerlegging van het aangevochten besluit (legt) verzoekers een moeilijk te herstellen ernstig nadeel op. In de feiten is aangegeven op welke korte afstand de vergunde inrichting is ingeplant van de woonst van verzoekers. Indien er geen schorsing volgt en de litigieuze inrichting hangende de annulatieprocedure wordt gebouwd en in werking gesteld, dan lijden mens en omgeving intussen een ernstig nadeel. De onaanvaardbare gezondheidseffecten zijn bovendien irreversibel zodat het ook om een moeilijk te herstellen nadeel gaat. VII-37.133-3/6 De milieuhinder in de ruime zin van het woord die het gevolg zal zijn van de voorgenomen exploitatie is (...) globaal genomen dan ook te beschouwen als een moeilijk te herstellen en ernstig nadeel (...)"; 3.
  16. Overwegende dat de verwerende partij daarop antwoordt dat een verzoekende partij voldoende concrete feiten dient uiteen te zetten die aantonen dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing haar een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen, dat zij met andere woorden concrete elementen dient aan te voeren die erop duiden dat minstens een mogelijkheid op een nadeel voldoende waarschijnlijk is of voldoende aannemelijk wordt gemaakt, zodanig dat het aangevoerde nadeel niet als een hypothetisch nadeel moet worden gekwalificeerd, dat verzoekers enkel spreken van "onaanvaardbare gezondheidsef- fecten" en "milieuhinder in de ruime zin van het woord", zonder enige toelichting en staving van hun beweringen of overlegging van wetenschappelijk medische documenten die hun zienswijze staven, dat dit des te meer klemt nu uit de milieueffectenrapportering overduidelijk blijkt dat de door de geplande exploitatie te verwachten hinder binnen een aanvaardbaar niveau beperkt kan worden; dat zij vervolgens citeert uit het arrest van de Raad van State nr. 115.460 van 6 februari 2003 waarbij het moeilijk te herstellen ernstig nadeel door de verzoekende partijen "op een gelijklopende wijze werd uiteengezet"; dat zij verder uiteenzet dat verzoekers zelf stellen dat "in een straal van 1 km (...) er nu al 13 veeteeltbedrijven (liggen)", dat het aan verzoekers toekomt het bewijs te leveren dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de door hen bestreden rechtshandeling een nadeel berokkent of kan berokkenen en dat het nadeel dient veroorzaakt te worden door de bestreden beslissing, niet door de dertien veeteeltbedrijven die nu reeds zijn gelegen in de omgeving van de betwiste inrichting; 3.
  17. Overwegende dat in het verzoekschrift wordt uiteengezet dat de woning van eerste verzoeker op een afstand van 750 meter van de geplande inrichting is gelegen en in de overheersende windrichting, gezien vanaf de geplande inrichting; dat de windrichtingsprofielen waarnaar verzoekers verwijzen wel een procentuele verdeling van de windrichting in 2007 aangeven, doch niet aangeven waar de woning van eerste verzoeker staat ten opzichte van de inrichting; dat uit de stukken aangebracht door verzoekers op het eerste gezicht kan worden uitgemaakt dat die woning ongeveer 12,5% in de eerste jaarhelft tot ongeveer 16,5 % in de tweede jaarhelft windafwaarts van de geplande inrichting staat; dat bijgevolg kan worden afgeleid dat de woning niet in de overheersende windrichting is gelegen; dat, overigens, mede gelet op de afstand van 750 meter, verzoekers niet aannemelijk VII-37.133-4/6 maken dat de geurhinder zo groot is dat er sprake zou zijn van een ernstig nadeel; dat de verwerende partij er ook terecht op wijst dat volgens het milieueffectenrap- port de woning van eerste verzoeker buiten de contour ligt waar er geurhinder waarneembaar zal zijn; dat de woning van tweede verzoeker, naar eigen zeggen, op 40 meter afstand van de geplande inrichting is gelegen; dat tweede verzoeker zonder twijfel hinder zal ondervinden van de exploitatie; dat hij evenwel in agrarisch gebied woont - het specifieke gebied voor agrarische activiteiten - zodat van hem een grotere tolerantie mag worden verwacht ten aanzien van hinder veroorzaakt door die activiteiten; dat de omstandigheid dat die woning stedenbouwkundig vergund is hierop geen invloed heeft; dat, ten slotte, in het verzoekschrift niet wordt aang- etoond dat de door de exploitatie veroorzaakte hinder beduidend groter is dan wat mag worden verwacht in agrarisch gebied; dat, overigens, de verwerende partij er ook nog op wijst dat verzoekers zelf aanvoeren dat er reeds dertien veeteeltbedrijven in de directe omgeving zijn gevestigd, zodat verzoekers dan ook zouden moeten aantonen dat het precies de thans bestreden vergunning is die hen een ernstig nadeel zou kunnen berokkenen; 3.
  18. Overwegende dat uit wat voorafgaat blijkt dat aan een van de voorwaarden van artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State niet is voldaan; dat die vaststelling volstaat om de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging af te wijzen, BESLUIT: Artikel
  19. De vordering tot schorsing wordt verworpen. Artikel
  20. De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld. VII-37.133-5/6 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op vijf juni tweeduizend en acht, door : de H. L. HELLIN, kamervoorzitter, Mevr. E. IMPENS, griffier. De griffier, De voorzitter, E. IMPENS. L. HELLIN. VII-37.133-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.183.803 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.209.789 ECLI:BE:RVSCE:2011:ARR.213.465 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.